Aeschna cyanea - familie glazenmakers/Aeschnidae. Samen
met de Cordulegasteridae is deze familie de grootste libellengroep
(7-8 cm). Het achterlijf bij het geslacht Aeshna is meestal een
mozaïkachtige afwisseling van donker en licht. De hele familie
telt een tiental inheemse soorten. Beide geslachten van de blauwe
glazenmaker hebben bovenaan twee brede, geelgroene strepen tussen
kop en vleugels en op de flanken twee schuine borstbanden van
dezelfde kleur. bij de mannetjes is het achterlijfuiteinde
blauwzwart gevlekt tegen een groenzwarte achtergrond (de kleur van
het ganse achterlijf bij de wijfjes).
Verspreiding : het is de talrijkste grote libel, met het grootste
aanpassingsvermogen - wijd verspreid dus - tussen juni en augustus
ook ver van het water. Voor het afzetten van eieren zijn alle
stilstaande wateren goed.
Vliegtijd vanaf half juni tot eind oktober Deze behendige vliegers
leggen grote afstanden af en zijn dan ook aan te treffen in
uiteenlopende habitats waar ze op insectenjacht kunnen. Tegen de
paartijd (augustus tot begin november) zoeken de mannetjes
afzonderlijk het water op. Ze kijken korte tijd uit naar
eierleggende wijfjes en verdwijnen meteen na de paring. Wijfjes van
de grote glazenmakers zetten hun eieren altijd alleen af en gaan
daarvoor op waterplanten zitten
Jeugdstadia : onvolledige gedaanteverwisseling. De larven zijn
lichtbruin tot bijna zwart en hebben een lang, smal vangmasker. Ze
blijven één tot twee jaar larve. Kolonisatie van vijvers die tijdens
de winter droogvallen is mogelijk.