header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Bolivia

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 

Bolivia (officieel: República de Bolivia), republiek in Zuid-Amerika, 1.098.581 km2, met 7.237.000 inw. (7 inw. per km2); hoofdstad: Sucre; regeringszetel: La Paz. De republiek ontleent haar naam aan Simón Bolívar. Munteenheid is de boliviano, onderverdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 6 augustus (Onafhankelijkheidsdag).
 

The Highlander Lamb The Cordillera Real   Or So I Think A Farm House On The Island Down The Valley The Chincana Ruins

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het land bestaat uit drie geografisch zeer verschillende delen:
a. het Andesgebied. Dit omvat de hoge centrale Andesketens met in het westen de tot ca. 6500 m hoge Cordillera Occidental (Sajama, 6780 m), in het noordoosten de gletsjerrijke Cordillera Real (Illimani, 6462 m; Illampu, 6550 m). Op de afvoerloze hoogvlakte (Altiplano) liggen het Titicacameer (deels in Peru) en het Poopómeer, door de Desaguadero verbonden; in het zuidwesten van de hoogvlakte liggen uitgestrekte salpeterwoestijnen en zoutmoerassen (Salar de Uyuni);
b. het Oostboliviaans bergland, dat o.a. de Cerros de Bala en de Cordilleras de Cochabamba omvat. Het wordt ontwaterd door bronrivieren van de Amazone en het La Plata-systeem; het is doorsneden door dalen, in de hogere delen valles, in de lagere yungas genoemd. Het lage bergland van Chiquitos, een deel van het Braziliaanse schild, vormt de verbinding tussen de Andes en Mato Grosso;
c. het Amazonelaagland, de grote alluviale laagvlakte in het oosten, bestaat grotendeels uit savannen (o.a. Llanos de Mejos), deels uit tropisch regenwoud. Zij is vooral in het zuidoosten moerassig, met talrijke rivieren (Mamoré, Beni, Madre de Dios). In het zuidoosten heeft Bolivia nog aandeel aan het droge Chaco-gebied (Chaco Boreal) met een tropisch savanneklimaat.
1.2 Klimaat
Het Andesplateau (ca. 4000 m boven zee) heeft een hooggebergteklimaat (La Paz, 3658 m, jan. 10 °C, juli 7 °C, neerslag 572 mm per jaar). In het Amazonelaagland heerst een tropisch klimaat (Concepción, 490 m, jan. 24 °C, juli 20 °C, neerslag 1141 mm per jaar). Daartussen liggen overgangsvormen, variërend met de hoogte. De in het Andesgebied vrijwel overal optredende zonale geleding van het klimaat in tierra caliente, tierra templada en tierra fria (zie Andes) is ook in Bolivia te onderscheiden. De neerslag is in het noordoosten het grootst, met een regentijd van dec. tot mei; in de woestijnachtige gebieden en het zuiden vrijwel nihil.
1.3 Plantengroei
Het Andesgebied bezit een puna-vegetatie. Het llano-gebied bezit een savannevegetatie, de hoogvlakte heeft deels een páramo-vegetatie, deels een puna-vegetatie. De Amazonevlakte in het noordwesten bestaat uit tropisch regenwoud, evenals het moerassige gebied in het zuidoosten, grenzend aan Mato Grosso. In het zuiden ligt tussen de puna-páramo-vegetatie en het llanogebied een streek met Sierra-vegetatie (doornstruiken en cactussen, in hogere delen altijdgroen bos).
1.4 Dierenwereld
Deze is zowel door de geografische positie van Bolivia midden in Zuid-Amerika als door het gevarieerde landschap (voor de fauna ruwweg te verdelen in tropisch regenwoud, bergland en woestijn) bijzonder rijk en gevarieerd. De meeste zoogdiergroepen van Zuid-Amerika zijn vertegenwoordigd; van de grote roofdieren komen poema en jaguar beide voor, terwijl de brilbeer alleen in het westen Bolivia bereikt. De avifauna behoort tot de rijkste ter wereld. Er komen ca. 1200 soorten vogels voor; een merkwaardige kortvleugelige fuut Centropelma micropterum is in zijn voorkomen beperkt tot de bergmeren Titicaca en Poopó. Veel diergroepen worden ernstig bedreigd in hun voortbestaan als gevolg van voortschrijdende ontbossing en ongebreidelde jacht; natuurbeschermingsmaatregelen blijken in de praktijk weinig effectief te zijn. Aan de bescherming van de lama (vicoenja) wordt sinds de jaren zestig met succes meer aandacht besteed.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Van de bevolking wordt 65% beschouwd als afstammeling van de oorspronkelijke Indiaanse bewoners; ruim 30% is van gemengd Indiaans-blanke afkomst (cholo) en ca. 5% rekent zich tot de blanke bevolking. De jaarlijkse toename van de bevolking bedraagt 2, 5%; geboorten- en sterftecijfer bedragen resp. 43 en 14 per duizend; 41,2% van de bevolking is jonger dan 15 jaar; slechts 4,3% is 65 jaar of ouder. De gemiddelde levensverwachting bedraagt 51 jaar voor mannen, 54 jaar voor vrouwen. De grootste bevolkingsconcentraties bevinden zich op de hoogvlakte en in de oostelijke Andesdalen; ca. 60% van de bevolking woont in steden.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. De van de Indianen afstammende bevolking spreekt Indiaanse talen, deels (34,4%) Quechua (zuidelijke Altiplano), deels (25,2%) Aymará (noordelijke Altiplano); de overigen (vooral in de wouden in het noorden en in de llanos in het zuiden) spreken andere niet-Spaanse talen, zoals Guaraní (in het grensgebied met Paraguay).
2.3 Religie
Sinds het begin van de twintigste eeuw is er godsdienstvrijheid. Ongeveer 95% van de bevolking is rooms-katholiek, ca. 1% protestants. De Rooms-Katholieke Kerk is staatskerk. Binnen de Indiaanse gemeenschappen wordt het rooms-katholicisme vermengd met de oorspronkelijke precolumbiaanse religieuze praktijken.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet uit 1967 berust de wetgevende macht bij het parlement (Congreso Nacional), bestaande uit een Senaat (27 leden, 3 per departement, gekozen voor een periode van vijf jaar), en een Kamer van Afgevaardigden (130 leden, gekozen voor vijf jaar). De uitvoerende macht berust bij de president en zijn raad van ministers. De president wordt door het volk gekozen voor een periode van vier jaar; na afloop van zijn ambtstermijn is hij niet direct herkiesbaar. De ministers worden door de president benoemd. Er bestaat algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen vanaf 18 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Bolivia verdeeld in negen departementen, die weer zijn onderverdeeld in provincies (94) en kantons (ca. 1000), welke bestuurd worden door resp. een (door de president benoemde) prefect, een subprefect en een zgn. 'corregidor'. In de hoofdsteden van de departementen en de provincies vormen gekozen colleges het lokale bestuur. In enkele gebieden is de Indiaanse bevolking nog op traditionele wijze in ayllu's (gemeenschappen) georganiseerd.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Bolivia is lid van de Verenigde Naties en een aantal van zijn suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), en van de Latijns-Amerikaanse Associatie voor Integratie (LAIA). Binnen het Andespact, dat een subregionale integratie nastreeft binnen het kader van de LAIA, heeft Bolivia de status van minder ontwikkeld lid. De Ontwikkelingsmaatschappij van de Andes-groep verleent daarom ook extra hulp. Sinds 1941 maakt Bolivia deel uit van de Groep van Río de la Plata-landen. De activiteiten van Uruguay, Paraguay en Bolivia binnen de regionale organen worden gecoördineerd in de URUPA-BOL-commissie. Sinds 1975 is Bolivia lid van het SELA (Sistema Económico Latinoamericano). In 1978 ondertekende Bolivia het Amazonepact, gericht op samenwerking in het Amazonebekken. Sinds 1987 is Bolivia lid-zonder-stemrecht van Mercosur, het vrijhandelsverdrag van de belangrijkste Zuid-Amerikaanse staten.
3.4 Partij- en vakbondwezen
Karakteristiek voor Bolivia 's partijwezen waren en zijn nog steeds voor een deel de persoonsgebondenheid en neiging tot fractievorming, hetgeen tot uiting komt in ontelbare partijvormingen, -splitsingen en allianties. De voornaamste politieke partijen zijn voortgekomen uit de in 1942 opgerichte MNR (Movimiento Nacionalista Revolucionario). De MNR was de drijvende kracht achter de revolutie van 1952 en behield de regeringsmacht tot de militaire staatsgreep van 1964. Hierna viel de MNR uiteen in o.a. de 'historische' MNR, onder leiding van Víctor Paz Estenssoro en de linkse MNRI (Izquierda) van Hernán Siles Zuazo. Radicale jongeren richtten in 1970 de sociaal-democratische MIR (Movimiento de la Izquierda Revolucionaria) op, met als belangrijkste leider Jaime Paz Zamora. In 1979 vormde ex-dictator Hugo Banzer de extreem-rechtse partij ADN (Acción Democrática Nacionalista). De ADN vormde met de MIR in 1989 een regeringscoalitie genaamd de Alianza Patriótica (AP).
De belangrijkste vakbonden, het Vakverbond van Mijnwerkers FSTMB en de boerenbond CSUTCB, zijn aangesloten bij de in 1952 opgerichte vakcentrale COB (Central Obrera Boliviana). Sinds 1985 heeft de COB sterk aan macht moeten inboeten.

4. Economie
4.1 Algemeen
De gebrekkige infrastructuur, het feit dat het land geen uitgang (meer) heeft naar zee, de onevenwichtige sociale structuur en de geringe investeringen vormen belangrijke belemmeringen voor de economische ontwikkeling. Gemeten naar het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking ($ 770 in 1994) is Bolivia een van de armste landen van Latijns-Amerika. Vanaf begin jaren tachtig kwam een einde aan een periode van langzame economische groei. Dit ging gepaard met een hyperinflatie, die haar hoogtepunt bereikte in 1985, toen de geldontwaarding meer dan 11!000% bedroeg. Een strak bezuinigings- en saneringsprogramma leidde vanaf 1986 tot een geringere inflatie (van 1985 tot 1994 nog 20%, in 1995 12,6%), maar tevens tot een daling van het levenspeil voor een groot deel van de bevolking. Tussen 1981 en 1988 daalde het bnp per hoofd van de bevolking met 26,3%. Niet meegerekend zijn de inkomsten uit cocaïne, die, hoewel illegaal, niet te verwaarlozen zijn ($ 600 miljoen per jaar geschat), en evenmin de andere smokkelactiviteiten die lucratief zijn (geschat op 15% van het bnp).
De verdeling van de economische activiteit over de beroepsbevolking en het bijbehorende aandeel in het bnp geven een beeld van het overwegende belang van de primaire en tertiaire sector en de zwakte van de industriële sector (1986): landbouw 40% resp. 16%; mijnbouw 3, 6% en 4,9%; industrie (inclusief bouwnijverheid en energiewinning) 13% en 32%; handel, transport en diensten 52% en 46%. Officieel is 20% van de beroepsbevolking werkloos, maar in feite is dit cijfer veel hoger door de verborgen werkloosheid, vooral op het platteland.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Ongeveer 20% van het landoppervlak is in beginsel geschikt voor akkerbouw, maar hiervan is slechts 3% in gebruik. De belangrijkste agrarische gebieden zijn: de Altiplano (aardappelen, quinoa, gerst en bonen), de dalen en Yungas, de noordoostelijke helling van de Cordilleras (tarwe, maïs, bananen, groenten, citrusvruchten, koffie, cacao en coca), de oostelijke Llanos (suikerriet, katoen en rijst) en het tropisch regenwoud (houtsoorten, rubber en kinabast). Vanaf de jaren zeventig is de van oudsher door Indianen verbouwde coca het belangrijkste landbouwgewas geworden. In 1984 werd naar schatting 75% van de cultuurgrond gebruikt voor de verbouw van cocaplanten. De landbouw staat over het algemeen technologisch op een laag peil. Aan de oplossing van dit probleem heeft de in 1953 gestarte landhervorming nog onvoldoende bijgedragen. Een groot deel van de grootgrondbezitters is sinds 1953 van hun grond verdreven, maar de sterke versnippering van het grondbezit, vooral op de Altiplano en in de dalen, vormt nog steeds een groot probleem. Bovendien staan de veelal gebrekkige transportmogelijkheden, de bodemerosie en de extreme weersomstandigheden een verdere ontwikkeling van de landbouw in de weg. Een groots opgezet irrigatieproject (Abapó-Izozog, bij Santa Cruz) streeft naar de bevloeiing van een gebied van 7500 km2 met het water van de Río Grande. Veehouderij neemt in betekenis toe, vooral de zuivelproductie in Cochabamba; verder worden als lastdieren en voor de wol schapen, vicoenja's en andere lama's gehouden op de Altiplano en is er rundvee- en varkensteelt in de Llanos. De bosbouw levert hardhout, rubber en kina. Visserij op het Titicacameer en enkele andere meren en rivieren levert een kleine bijdrage aan het voedselpakket; zeevis wordt ingevoerd uit Peru en Chili.
4.3 Mijnbouw
Traditioneel vormde de mijnbouw de basis van de Boliviaanse economie. Tot 1979 was Bolivia na Maleisië de grootste tinproducent ter wereld. Vanaf 1985 (na de dramatische val van de marktprijs) viel de tinproductie tot eenderde terug als gevolg van de daling van de wereldmarktprijs. De verouderde Boliviaanse mijnen zijn door hun lage productiviteit en het lage tingehalte van het erts niet langer rendabel te exploiteren. Vanaf 1985 (na de dramatische val van de marktprijs) zijn veel tinmijnen gesloten of geprivatiseerd. Meer dan de helft van de tinproductie is afkomstig uit de mijnen ten zuiden van Oruro; de mijn van Catavi (bij Llallagua) is de grootste ter wereld. Andere belangrijke minerale delfstoffen zijn lood, zink, koper, antimoon, goud, zilver, wolfraam en bismut. De in 1952 opgerichte staatsmaatschappij COMIBOL exploiteerde tot halverwege de jaren tachtig naast de grootste tinmijnen de meeste vindplaatsen van andere minerale ertsen. Voorts is er winning van aardolie en aardgas. De belangrijkste aardolievelden liggen in de omgeving van Camiri en ten zuiden hiervan tot de grens met Argentinië. De staatsoliemaatschappij YPFB heeft alle aardoliewinning onder haar beheer. De belangrijkste winplaats van aardgas ligt bij Yacuiba. Vanaf het midden van de jaren zeventig is de winning van aardolie sterk verminderd door uitputting van de reserves. De productie is nauwelijks voldoende om aan het binnenlandse verbruik te voldoen. De winning van aardgas is succesvoller. De helft van de jaarlijkse productie van ca. 5 miljard m3 wordt uitgevoerd via pijpleidingen naar Argentinië en Brazilië.
4.4 Industrie
De industrie is nog weinig ontwikkeld; de meeste duurzame consumptiegoederen moeten worden ingevoerd. Door een gecoördineerd industriebeleid in het kader van het Andespact en door nauwere samenwerking met Brazilië tracht Bolivia het nadeel van een kleine en weinig koopkrachtige binnenlandse markt te compenseren. De belangrijkste industriële activiteit is de verwerking van producten uit de landbouw (voedingsmiddelen, drank en tabak) en mijnbouw (smelterijen, metaalindustrie en aardolieraffinaderijen). De belangrijkste centra zijn La Paz, Oruro, Santa Cruz en Cochabamba. De aanzienlijke energiereserves in de vorm van waterkracht zijn nog grotendeels onbenut; in het midden van de jaren negentig was het geïnstalleerde vermogen van de elektriciteitscentrales 756 MW, waarvan tweederde geleverd werd door waterkrachtcentrales. Grote delen van het land hebben geen aansluiting op het lichtnet.
4.5 Handel
De export bestaat vnl. uit grondstoffen en enkele landbouwproducten. De belangrijkste producten zijn aardgas (12% van de totale exportwaarde), delfstoffen (48%), hout (3,4%) en koffie (2,1%). De (illegale) export van coca in 1995 werd geschat op $ 600 miljoen, evenveel als de totale legale export. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten (vooral tin en andere metalen) en Argentinië (vooral aardgas). De invoer bestaat vooral uit machines en andere kapitaalgoederen, duurzame consumptiegoederen, grondstoffen en halffabrikaten. Behalve Brazilië en Argentinië spelen de andere Zuid-Amerikaanse partners een geringe rol in de handel.
4.6 Bankwezen
Sinds 1928 is de Banco Central de Bolivia de nationale bank; de in 1970 opgerichte Banco del Estado verleent speciale kredieten om de economische ontwikkeling van het land te stimuleren. Verder zijn er speciale kredietbanken voor de landbouw, mijnbouw en handel, zowel staats- als privébanken.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Na de revolutie van 1952 werd geprobeerd de greep van de staat op het economische leven te vergroten. De overheidssector zorgde voor 65% van de investeringen en groeide uit tot 24% van het bnp. Deze last werd ondraaglijk, de politiek werd uiteindelijk volledig omgegooid. Sinds 1985 voert de regering een beleid van liberalisering van de economie en privatisering van staatsondernemingen. Op de overheidsuitgaven wordt drastisch bezuinigd als voorwaarde voor het verkrijgen van kredieten van de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. Om de verslechtering van de levensomstandigheden als gevolg van de bezuinigingen en de economische sanering het hoofd te bieden werd een Sociaal Noodfonds (FSE) opgericht. Een deel van de ontwikkelingshulp (in 1986 $ 322 miljoen) wordt via dit fonds voor sociale projecten besteed. Het land is sterk afhankelijk van ontwikkelingshulp. Donorlanden zetten deze hulp om in beleid: Bolivië moet de cocaïne aan banden leggen - vinden de VS -, maar als het land op die eis zou ingaan, verliest het zijn belangrijkste inkomstenbron. De teelt gaat gewoon door; als de hulp zou staken, op nog veel grotere schaal. Zo houdt Bolivië de donoren in de houdgreep.
4.8 Verkeer
De gebrekkige transportmogelijkheden vormen een belangrijk probleem bij de ontwikkeling van Bolivia; in grote delen van het land is het traditionele vervoer per muilezel of lama vaak de enige mogelijkheid. Het spoorwegennet - sinds 1964 door de staat geëxploiteerd - bestaat uit twee gescheiden netten, in totaal bijna 3800 km lang, die verbinding geven met de havens Arica, Antofagasta en Matarani (aan de Grote-Oceaankust) - het westelijke systeem -, en met Yacuiba (grens met Argentinië) en Corumba (grens met Brazilië) via het oostelijke systeem. Van het ruim 41.000 km lange wegennet is slechts een kwart onder alle weersomstandigheden bruikbaar. De belangrijkste wegverbindingen zijn de weg van Cochabamba naar Santa Cruz (ca. 500 km; sinds 1953) en het slechts gedeeltelijk verharde deel van de Panamerican Highway, die van Guaqui (aan het Titicacameer), via La Paz, Oruro en Potosí naar de grens met Argentinië loopt. In het kader van de kolonisering van de tropische gebieden (Oriente) zijn in de jaren zeventig veel ontsluitingswegen aangelegd. Bolivia was een van de eerste landen in Latijns-Amerika waar het vliegtuig een belangrijk verkeersmiddel werd. De nationale luchtvaartmaatschappij Lloyd Aéreo Boliviano (LAB) verzorgt 40% van de binnenlandse vluchten. Het overige deel van de markt wordt bediend door een reeks van vliegtuigmaatschappijen. De internationale luchthaven van La Paz (El Alto) is de hoogstgelegen civiele luchthaven ter wereld (4085 m). Ook Santa Cruz heeft een internationale luchthaven (Viru Viru). Binnenscheepvaart op het Titicacameer is van betekenis voor de verbinding met Peru. Zeehavens mag Bolivia gebruiken in Argentinië en Peru. Bolivia heeft zelf maar één koopvaardijschip. Van groot belang zijn de pijpleidingen voor het vervoer van aardolie en aardgas.

5. Geschiedenis
5.1 Van de 14de tot de 19de eeuw

Het gebied dat thans bekend is als Bolivia, behoorde in de 14de eeuw aan de Inka. In de tweede helft van de 16de eeuw werd het veroverd door de Spanjaarden, waarna het bij het onderkoningschap Peru werd gevoegd. Herhaaldelijk probeerden de Indianen tevergeefs hun gebied te heroveren, totdat Simón Bolívar de opstandelingen te hulp kwam en de Spaansgezinden in 1824 bij Junin de Ayacucho verslagen werden. Op 6 aug. 1825 werd in La Paz de onafhankelijke republiek Bolivia uitgeroepen. Tot 1828 was A.J. de Sucre de eerste president. Daarna viel het land ten prooi aan een eindeloze reeks opstanden en revoluties, waarbij de rivaliteit tussen de belangrijkste steden La Paz, Chuquisaca (na de onafhankelijkheid omgedoopt in Sucre) en Cochabamba een grote rol speelde. De Rooms-Katholieke Kerk, die al snel grote macht kreeg, speelde eveneens een rol in de binnenlandse politieke aangelegenheden.
Een geschil met Chili over de soevereiniteit over het Boliviaanse gebied aan de Grote Oceaan, waar nitraat en guano voor de export gedolven werden, leidde in 1879 tot een conflict, dat grotendeels werd uitgevochten tussen Chili en Peru (in 1873 was tussen Bolivia en Peru een geheim verdrag gesloten, gericht tegen Chili). In 1904 werd het conflict opgelost: Bolivia droeg de gehele kuststrook over aan Chili. (In 1975 zou Bolivia de zaak van de uitweg naar zee opnieuw aan de orde stellen.) Beide landen kwamen overeen dat Bolivia tegen betaling gebruik kon maken van een Chileense haven. In 1898 laaiden de binnenlandse twisten weer op naar aanleiding van een geschil met Brazilië, dat zijn zinnen had gezet op de rubberstreken van Acre.
5.2 De twintigste eeuw
Onder het bewind van de presidenten J.M. Pando (1899-1904), I. Montes (1904-1909 en 1913-1917) en H. Villazon (1909-1913) beleefde het land een economische opbloei, doordat zijn grondstoffen, o.a. rubber en tin, gedurende de Eerste Wereldoorlog op de wereldmarkten hoge prijzen noteerden. In 1917 verbrak Bolivia de betrekkingen met Duitsland, maar het nam niet actief deel aan de oorlog. Van 1932 tot 1936 voerde Bolivia oorlog met Paraguay over de Gran Chaco. Bolivia stond het gebied af aan Paraguay (zie Gran-Chacoconflict).
Inmiddels had het land veel buitenlands kapitaal aangetrokken, o.a. van de Standard Oil Company, die vrijwel het monopolie over de petroleumindustrie kreeg, terwijl de tinmijnen voor een groot deel in handen waren van drie families (Hochschild, Patiño en Aramays). De economische ontwikkeling is dit nauwelijks ten goede gekomen. Aan het einde van de jaren twintig moest jaarlijks meer dan de helft van het nationale inkomen worden besteed aan het terugbetalen van schulden. Van sociale vooruitgang kwam niets terecht, hetgeen in 1936 tot een revolutie leidde. De pogingen van president D. Toro om een staatssocialisme in te voeren, strandden op het verzet van de buitenlandse maatschappijen en van de eigenaren van tinmijnen. Hij moest aftreden en werd opgevolgd door Busch, die in 1939 zelfmoord pleegde. Zijn opvolger, generaal Peñaranda, sloot met Brazilië een overeenkomst over een vrije zone in de havenstad Santos. In dec. 1943, een half jaar nadat Bolivia aan Duitsland de oorlog had verklaard, werd Peñaranda door nationalistische groeperingen ten val gebracht. Het nieuwe regime van Villaroel werd door de Amerikaanse staten aanvankelijk niet erkend, omdat Duitse invloeden in zijn regering werden vermoed. Tijdens een opstand in juli 1946 werd Villaroel door een woedende volksmenigte vermoord. Na een voorlopige regering onder Guillen werd in januari 1947 de rechtse socialist E. Hertzog tot president gekozen. Zijn Republikeinse Socialistische Unie bezat in het parlement geen meerderheid en voortdurend probeerde de Nationalistische Revolutionaire Beweging (MNR, zie § 3.7) de macht in handen te krijgen. De twisten ontaardden in 1949 in een openlijke burgeroorlog, maar door de steun van het leger wist Hertzog zich te handhaven. De opstand werd onderdrukt, maar door de felle kritiek op zijn beleid was Hertzog gedwongen af te treden. Hij werd opgevolgd door Urriolagoitía, die het zwaar te verduren kreeg door communistische agitatie. In 1950 werd de communistische partij verboden, maar deze zette haar ondermijnende activiteiten ondergronds voort.
5.3 De periode 1950-1970
Bij de presidentsverkiezingen van 1951 behaalde de oud-minister van Economische Zaken, V. Paz Estenssoro (hij voerde de verkiezingsstrijd onder de leuze: nationalisatie van de tinmijnen), weliswaar de meeste stemmen, maar het leger nam de macht in handen voordat hij zijn functie kon aanvaarden. Na een volksopstand van enkele dagen versloegen in april 1952 de volksmilities van de MNR onder leiding van H. Siles Zuazo het leger. Estenssoro werd geïnstalleerd als president en in oktober van dat jaar nationaliseerde hij inderdaad de drie grootste tinondernemingen.
Bij de verkiezingen van 1956 behaalde de MNR een overweldigende meerderheid van stemmen; Siles Zuazo werd president. Opstanden en stakingen waren gedurende zijn bewind aan de orde van de dag en vrijwel constant verkeerde het land in een noodtoestand. De verkiezingen van 1960 brachten Paz Estenssoro weer aan de macht. In 1962 trok Bolivia zich tijdelijk terug uit de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), omdat deze geen oplossing kon vinden voor het geschil met Chili over het watergebruik van de rivier de Lauca. In 1963 raakte de president in conflict met de vice-president, J. Lechín, die tevens leider was van de mijnwerkersvakbond. Dit bracht hem het ongenoegen van de mijnwerkers op de hals. Ondanks de vele kritiek op zijn beleid werd Paz Estenssoro in mei 1964 herkozen als president, maar na een opstand van het leger werd de macht in handen genomen door de vice-president, generaal R. Barrientos Ortuño. Naar aanleiding van de verbanning van Lechín naar Paraguay en een door de regering voorgestelde reorganisatie van de tinmijnen kwamen de mijnwerkers in opstand. Onder druk van politieke partijen en de strijdkrachten, die het er niet mee eens waren dat hij de verkiezingen aldoor uitstelde, stemde Barrientos erin toe het presidentschap te delen met de opperbevelhebber van de strijdkrachten, generaal A. Ovando Candía. In juli 1966 werd Barrientos formeel tot president gekozen. Onder zijn bewind werd de door het Nationale Bevrijdingsleger (ELN) ondernomen en door Cuba gesteunde guerrilla bestreden (de vermaarde Cubaanse revolutionair Che Guevara werd hierbij gedood). In april 1969 kwam Barrientos bij een helikopterongeluk om het leven, in sept. 1969 nam generaal Ovando met behulp van het leger de macht over.
5.4 De periode 1970-1980
Agitatie van rechtse militairen leidde in okt. 1970 tot een volksopstand, die de linkse generaal J.J. Torres aan het bewind bracht. Tijdens diens bewind radicaliseerden de verhoudingen in het land (er ontstond o.m. een Volksassemblée van boeren, arbeiders en progressieve middengroepen, met Lechín als voorzitter), zodanig dat het leger in aug. 1971 ingreep, waarna H. Banzer president werd (generaal Torres werd in 1976 in ballingschap in Argentinië vermoord). Banzers gehele regeringsperiode werd gekenmerkt door een aaneenschakeling van sociale en politieke conflicten. Tegen de talrijke stakingen, die een protest inhielden tegen de economische politiek van de regering (muntdevaluaties die inflatie meebrachten, prijsstijgingen, loonstops e.d.), trad hij op met maatregelen die 'gelegaliseerd' waren krachtens de staat van beleg (okt. 1972) en de 'nieuwe orde' van nov. 1974, bijv. arrestaties op massale schaal, gewelddadige beëindiging van de stakingen, ontbinding van vakverenigingen. Behalve met veelvuldige stakingen van de arbeiders uit de tinmijnen kreeg Banzer te maken met boerenverzet. Het politieke verzet tegen Banzer kwam zowel van links als van rechts. In juni 1974 gingen linkse officieren tot opstand over, waarop Banzer o.m. parlementsverkiezingen toezegde, die hij zelfs wettelijk liet vastleggen. Inmiddels was het duidelijk geworden, dat Banzer geheel afhankelijk was geworden van de rechtse officieren: onder hun druk stelde hij ook de plannen voor verkiezingen voor een vijftal jaren uit. In januari 1975 werd ex-president Siles Zuazo op beschuldiging van samenzwering uitgewezen. In toenemende mate ging de regering over tot vervolging van haar tegenstanders, vooral vakbondsleiders en studenten. Met name van kerkelijke zijde werd geprotesteerd tegen het veelvuldig schenden van de mensenrechten in Bolivia. In 1977 kondigde Banzer presidentsverkiezingen aan en beloofde hij verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering. Banzer zelf stelde zich niet verkiesbaar. Begin 1978 kondigde hij onder druk van een hongerstaking amnestie af voor alle politieke en vakbondsleiders. De in juli 1978 gehouden presidentsverkiezingen werden gewonnen door generaal J. Pereda Asbún. De verkiezing werd ongeldig verklaard in verband met fraude, maar drie dagen later nam Pereda de macht via een staatsgreep over en werd president. Een tweede staatsgreep in dat jaar, op 24 nov., bracht generaal D. Padilla aan de macht. Hij vertegenwoordigde de 'constitutionalistische' sector van de strijdkrachten, die voorstander was van een democratische, niet-militaire regering. Padilla kondigde verkiezingen aan voor juli 1979. De buitenlandse politiek van Banzer was gericht op nauwe samenwerking met Brazilië. In 1975 werd de kwestie van de uitweg (in de vorm van de Boliviaanse corridor) naar de Grote Oceaan over Chileens en Peruaans grondgebied weer acuut (zie hiervoor). In 1976 werd een plan voor deze verbinding uitgewerkt, maar de onderhandelingen erover kwamen stil te liggen toen Bolivia in 1978 de betrekkingen met Chili verbrak.
De verkiezingen van juli 1979 leidden tot een patstelling tussen de ex-presidenten Siles Zuazo en Paz Estenssoro. Geen van beide kandidaten had de absolute meerderheid behaald en ook het parlement kon niet tot een keuze komen. De voorzitter van de senaat, W. Guevara Arze, werd op 8 aug. 1979 benoemd tot interim-president met als voornaamste taak het organiseren van nieuwe verkiezingen. In nov. 1979 trachtte kolonel A. Natusch Busch met steun van Banzer de macht over te nemen, maar heftig verzet van de bevolking leidde tot zijn terugtreden. Het parlement wees een nieuwe interim-president aan, de voorzitster van het huis van afgevaardigden L. Gueiler Tejada.
5.5 Van 1980-1990
Hoewel de UDP van Siles Zuazo de verkiezingen van juni 1980 won, slaagde hij er opnieuw niet in om een absolute meerderheid te krijgen. Voordat het parlement zich kon uitspreken over de presidentskeuze, pleegde het leger op 17 juli 1980 onder leiding van L. García Meza en kolonel L. Arce Gómez met steun van Argentijnse militaire adviseurs een staatsgreep, waarbij een aantal politieke leiders werd vermoord en vele anderen gevangen werden genomen. Beide militairen hadden nauwe banden met de cocaïnesmokkelaars en gevluchte Duitse oorlogsmisdadigers, onder wie Klaus Barbie. Siles Zuazo en zijn beoogde vice-president Paz Zamora konden het land ontvluchten en vormden een regering in ballingschap. De militaire junta, onder leiding van García Meza, kreeg te kampen met een snel verslechterende economie en met verzet vanuit het constitutionalistische kamp van de strijdkrachten. Onder druk van de Amerikaanse regering ontsloeg García Meza in febr. 1981 kolonel Arce als minister van Binnenlandse Zaken. Een opstand van de generaals Natusch Busch en Anez Rivero dwong García Meza op 4 aug. 1981 tot aftreden, waarna een nieuwe militaire junta aan de macht kwam met als sterke man luchtmachtchef generaal W. Bernal. Deze junta benoemde op 4 sept. 1981 generaal C. Torrelio Villa tot president. Het verbod op partijen en vakbonden werd in mei 1982 opgeheven.
Op 19 juli 1982 moest Torrelio wijken voor generaal G. Vildoso Calderón, die onder druk van demonstraties en stakingen het in 1980 gekozen parlement bijeenriep. Siles Zuazo kreeg de steun van het parlement en trad op 10 okt. 1982 aan als president. Rechtse legerofficieren dreigden enkele malen een staatsgreep te plegen en in juni 1984 werd Siles Zuazo door militairen ontvoerd en een dag vastgehouden. De coalitieregering van de UDP viel al snel uiteen als gevolg van onenigheid over de aanpak van de dramatische economische terugval. Al in febr. 1983 stapte de MIR van vice-president Paz Zamora uit de regering en in dec. 1984 trok ook de communistische partij zijn ministers terug. Onder druk van rechtse en linkse oppositie schreef Siles Zuazo vervroegde verkiezingen uit voor 14 juli 1985. Deze verkiezingen leidden opnieuw tot een patstelling, nu tussen Paz Estenssoro en ex-dictator H. Banzer met zijn ADN. Met steun van de linkse parlementsleden werd Paz Estenssoro op 5 aug. 1985 tot president gekozen. Hierna keerde hij zich naar rechts om parlementaire steun te krijgen voor zijn bezuinigingsprogramma en sloot hij met Banzer het 'Pact voor de democratie'.
Het economische aanpassingsprogramma van de regering stuitte op fel verzet van de vakcentrale COB, die een reeks van stakingen organiseerde. De regering antwoordde op 20 sept. 1985 met het uitroepen van de staat van beleg voor drie maanden. Enkele honderden vakbondsleiders werden gearresteerd. Ook van 1986 tot 1990 was er sprake van veel arbeidsonrust, m.n. na de sluiting van een aantal tinmijnen waardoor meer dan 30!000 mijnwerkers ontslagen werden. Om een einde te maken aan een demonstratieve mars van mijnwerkers naar La Paz kondigde de regering op 28 aug. 1986 opnieuw de staat van beleg af.
Bij de verkiezingen van 7 mei 1989 werd de MNR de grootste partij (23% van de stemmen). De ADN en de MIR vormden samen een regering. Op 5 aug. 1989 werd Paz Zamora van de MIR tot president gekozen.
5.6 Vanaf 1990 tot heden
In 1990 verleende Bolivia de Verenigde Staten toestemming om Amerikaanse troepen in het kader van de War on drugs, op Boliviaans grondgebied te laten opereren tegen handelaren in cocaïne. Na enkele Amerikaanse operaties kondigde de Boliviaanse regering in juli 1992 aan geen nieuwe Amerikaanse militairen te zullen toelaten.
De voormalige dictator Luis García Meza werd in april 1993 bij verstek veroordeeld wegens o.a. moord en corruptie. Het was de eerste maal in de Boliviaanse geschiedenis dat een voormalig dictator werd veroordeeld. In juli 1993 kreeg Bolivia van Peru tot het jaar 2091 via een concessie een smalle toegang tot de Grote Oceaan. In aug. 1993 werd Gonzalo Sánchez de Lozada (zie foto) van de MNR tot president gekozen.
Eind jan. 1994 startte een zeer ambitieus privatiseringsprogramma, het 'Plan de Todos', dat buitenlandse investeerders de mogelijkheid biedt de helft van de aandelen van zes grote staatsbedrijven te verwerven in ruil voor een fors investeringsplan en een prestatieovereenkomst. De andere helft van de aandelen zou naar pensioenfondsen voor alle Bolivianen gaan. In maart 1996 kwam het tot tal van stakingen waaruit de grote weerstand naar voren kwam tegen de privatisering.
Het voormalig hoofd van de drugsbestrijdingsdienst, Rico Toro, werd in 1995 aan de Verenigde Staten uitgeleverd op verdenking van drugssmokkel. De regering-Lozada zette haar programma ter verbetering van de positie van de Indiaanse bevolking (70% van het totaal) kracht bij door tweetalig onderwijs toe te staan.

Telefoongids Bolivia
Postcodes Bolivia

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009