|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het land bestaat uit drie geografisch zeer verschillende delen:
a. het Andesgebied. Dit omvat de hoge centrale Andesketens met in het
westen de tot ca. 6500 m hoge Cordillera Occidental (Sajama, 6780 m), in
het noordoosten de gletsjerrijke Cordillera Real (Illimani, 6462 m;
Illampu, 6550 m). Op de afvoerloze hoogvlakte (Altiplano) liggen het
Titicacameer (deels in Peru) en het Poopómeer, door de Desaguadero
verbonden; in het zuidwesten van de hoogvlakte liggen uitgestrekte
salpeterwoestijnen en zoutmoerassen (Salar de Uyuni);
b. het Oostboliviaans bergland, dat o.a. de Cerros de Bala en de
Cordilleras de Cochabamba omvat. Het wordt ontwaterd door bronrivieren
van de Amazone en het La Plata-systeem; het is doorsneden door dalen, in
de hogere delen valles, in de lagere yungas genoemd. Het lage bergland
van Chiquitos, een deel van het Braziliaanse schild, vormt de verbinding
tussen de Andes en Mato Grosso;
c. het Amazonelaagland, de grote alluviale laagvlakte in het oosten,
bestaat grotendeels uit savannen (o.a. Llanos de Mejos), deels uit
tropisch regenwoud. Zij is vooral in het zuidoosten moerassig, met
talrijke rivieren (Mamoré, Beni, Madre de Dios). In het zuidoosten heeft
Bolivia nog aandeel aan het droge Chaco-gebied (Chaco Boreal) met een
tropisch savanneklimaat.
1.2 Klimaat
Het Andesplateau (ca. 4000 m boven zee) heeft een hooggebergteklimaat
(La Paz, 3658 m, jan. 10 °C, juli 7 °C, neerslag 572 mm per jaar). In
het Amazonelaagland heerst een tropisch klimaat (Concepción, 490 m, jan.
24 °C, juli 20 °C, neerslag 1141 mm per jaar). Daartussen liggen
overgangsvormen, variërend met de hoogte. De in het Andesgebied vrijwel
overal optredende zonale geleding van het klimaat in tierra caliente,
tierra templada en tierra fria (zie Andes) is ook in Bolivia te
onderscheiden. De neerslag is in het noordoosten het grootst, met een
regentijd van dec. tot mei; in de woestijnachtige gebieden en het zuiden
vrijwel nihil.
1.3 Plantengroei
Het Andesgebied bezit een puna-vegetatie. Het llano-gebied bezit een
savannevegetatie, de hoogvlakte heeft deels een páramo-vegetatie, deels
een puna-vegetatie. De Amazonevlakte in het noordwesten bestaat uit
tropisch regenwoud, evenals het moerassige gebied in het zuidoosten,
grenzend aan Mato Grosso. In het zuiden ligt tussen de
puna-páramo-vegetatie en het llanogebied een streek met Sierra-vegetatie
(doornstruiken en cactussen, in hogere delen altijdgroen bos).
1.4 Dierenwereld
Deze is zowel door de geografische positie van Bolivia midden in
Zuid-Amerika als door het gevarieerde landschap (voor de fauna ruwweg te
verdelen in tropisch regenwoud, bergland en woestijn) bijzonder rijk en
gevarieerd. De meeste zoogdiergroepen van Zuid-Amerika zijn
vertegenwoordigd; van de grote roofdieren komen poema en jaguar beide
voor, terwijl de brilbeer alleen in het westen Bolivia bereikt. De
avifauna behoort tot de rijkste ter wereld. Er komen ca. 1200 soorten
vogels voor; een merkwaardige kortvleugelige fuut Centropelma
micropterum is in zijn voorkomen beperkt tot de bergmeren Titicaca en
Poopó. Veel diergroepen worden ernstig bedreigd in hun voortbestaan als
gevolg van voortschrijdende ontbossing en ongebreidelde jacht;
natuurbeschermingsmaatregelen blijken in de praktijk weinig effectief te
zijn. Aan de bescherming van de lama (vicoenja) wordt sinds de jaren
zestig met succes meer aandacht besteed.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Van de bevolking wordt 65% beschouwd als afstammeling van de
oorspronkelijke Indiaanse bewoners; ruim 30% is van gemengd
Indiaans-blanke afkomst (cholo) en ca. 5% rekent zich tot de blanke
bevolking. De jaarlijkse toename van de bevolking bedraagt 2, 5%;
geboorten- en sterftecijfer bedragen resp. 43 en 14 per duizend; 41,2%
van de bevolking is jonger dan 15 jaar; slechts 4,3% is 65 jaar of
ouder. De gemiddelde levensverwachting bedraagt 51 jaar voor mannen, 54
jaar voor vrouwen. De grootste bevolkingsconcentraties bevinden zich op
de hoogvlakte en in de oostelijke Andesdalen; ca. 60% van de bevolking
woont in steden.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. De van de Indianen afstammende
bevolking spreekt Indiaanse talen, deels (34,4%) Quechua (zuidelijke
Altiplano), deels (25,2%) Aymará (noordelijke Altiplano); de overigen
(vooral in de wouden in het noorden en in de llanos in het zuiden)
spreken andere niet-Spaanse talen, zoals Guaraní (in het grensgebied met
Paraguay).
2.3 Religie
Sinds het begin van de twintigste eeuw is er godsdienstvrijheid.
Ongeveer 95% van de bevolking is rooms-katholiek, ca. 1% protestants. De
Rooms-Katholieke Kerk is staatskerk. Binnen de Indiaanse gemeenschappen
wordt het rooms-katholicisme vermengd met de oorspronkelijke
precolumbiaanse religieuze praktijken.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet uit 1967 berust de wetgevende macht bij het
parlement (Congreso Nacional), bestaande uit een Senaat (27 leden, 3 per
departement, gekozen voor een periode van vijf jaar), en een Kamer van
Afgevaardigden (130 leden, gekozen voor vijf jaar). De uitvoerende macht
berust bij de president en zijn raad van ministers. De president wordt
door het volk gekozen voor een periode van vier jaar; na afloop van zijn
ambtstermijn is hij niet direct herkiesbaar. De ministers worden door de
president benoemd. Er bestaat algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen
vanaf 18 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Bolivia verdeeld in negen departementen, die weer zijn
onderverdeeld in provincies (94) en kantons (ca. 1000), welke bestuurd
worden door resp. een (door de president benoemde) prefect, een
subprefect en een zgn. 'corregidor'. In de hoofdsteden van de
departementen en de provincies vormen gekozen colleges het lokale
bestuur. In enkele gebieden is de Indiaanse bevolking nog op
traditionele wijze in ayllu's (gemeenschappen) georganiseerd.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Bolivia is lid van de Verenigde Naties en een aantal van zijn
suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), en van
de Latijns-Amerikaanse Associatie voor Integratie (LAIA). Binnen het
Andespact, dat een subregionale integratie nastreeft binnen het kader
van de LAIA, heeft Bolivia de status van minder ontwikkeld lid. De
Ontwikkelingsmaatschappij van de Andes-groep verleent daarom ook extra
hulp. Sinds 1941 maakt Bolivia deel uit van de Groep van Río de la
Plata-landen. De activiteiten van Uruguay, Paraguay en Bolivia binnen de
regionale organen worden gecoördineerd in de URUPA-BOL-commissie. Sinds
1975 is Bolivia lid van het SELA (Sistema Económico Latinoamericano). In
1978 ondertekende Bolivia het Amazonepact, gericht op samenwerking in
het Amazonebekken. Sinds 1987 is Bolivia lid-zonder-stemrecht van
Mercosur, het vrijhandelsverdrag van de belangrijkste Zuid-Amerikaanse
staten.
3.4 Partij- en vakbondwezen
Karakteristiek voor Bolivia 's partijwezen waren en zijn nog steeds voor
een deel de persoonsgebondenheid en neiging tot fractievorming, hetgeen
tot uiting komt in ontelbare partijvormingen, -splitsingen en
allianties. De voornaamste politieke partijen zijn voortgekomen uit de
in 1942 opgerichte MNR (Movimiento Nacionalista Revolucionario). De MNR
was de drijvende kracht achter de revolutie van 1952 en behield de
regeringsmacht tot de militaire staatsgreep van 1964. Hierna viel de MNR
uiteen in o.a. de 'historische' MNR, onder leiding van Víctor Paz
Estenssoro en de linkse MNRI (Izquierda) van Hernán Siles Zuazo.
Radicale jongeren richtten in 1970 de sociaal-democratische MIR (Movimiento
de la Izquierda Revolucionaria) op, met als belangrijkste leider Jaime
Paz Zamora. In 1979 vormde ex-dictator Hugo Banzer de extreem-rechtse
partij ADN (Acción Democrática Nacionalista). De ADN vormde met de MIR
in 1989 een regeringscoalitie genaamd de Alianza Patriótica (AP).
De belangrijkste vakbonden, het Vakverbond van Mijnwerkers FSTMB en de
boerenbond CSUTCB, zijn aangesloten bij de in 1952 opgerichte
vakcentrale COB (Central Obrera Boliviana). Sinds 1985 heeft de COB
sterk aan macht moeten inboeten.
4. Economie
4.1 Algemeen
De gebrekkige infrastructuur, het feit dat het land geen uitgang (meer)
heeft naar zee, de onevenwichtige sociale structuur en de geringe
investeringen vormen belangrijke belemmeringen voor de economische
ontwikkeling. Gemeten naar het bruto nationaal product (bnp) per hoofd
van de bevolking ($ 770 in 1994) is Bolivia een van de armste landen van
Latijns-Amerika. Vanaf begin jaren tachtig kwam een einde aan een
periode van langzame economische groei. Dit ging gepaard met een
hyperinflatie, die haar hoogtepunt bereikte in 1985, toen de
geldontwaarding meer dan 11!000% bedroeg. Een strak bezuinigings- en
saneringsprogramma leidde vanaf 1986 tot een geringere inflatie (van
1985 tot 1994 nog 20%, in 1995 12,6%), maar tevens tot een daling van
het levenspeil voor een groot deel van de bevolking. Tussen 1981 en 1988
daalde het bnp per hoofd van de bevolking met 26,3%. Niet meegerekend
zijn de inkomsten uit cocaïne, die, hoewel illegaal, niet te
verwaarlozen zijn ($ 600 miljoen per jaar geschat), en evenmin de andere
smokkelactiviteiten die lucratief zijn (geschat op 15% van het bnp).
De verdeling van de economische activiteit over de beroepsbevolking en
het bijbehorende aandeel in het bnp geven een beeld van het overwegende
belang van de primaire en tertiaire sector en de zwakte van de
industriële sector (1986): landbouw 40% resp. 16%; mijnbouw 3, 6% en
4,9%; industrie (inclusief bouwnijverheid en energiewinning) 13% en 32%;
handel, transport en diensten 52% en 46%. Officieel is 20% van de
beroepsbevolking werkloos, maar in feite is dit cijfer veel hoger door
de verborgen werkloosheid, vooral op het platteland.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Ongeveer 20% van het landoppervlak is in beginsel geschikt voor
akkerbouw, maar hiervan is slechts 3% in gebruik. De belangrijkste
agrarische gebieden zijn: de Altiplano (aardappelen, quinoa, gerst en
bonen), de dalen en Yungas, de noordoostelijke helling van de
Cordilleras (tarwe, maïs, bananen, groenten, citrusvruchten, koffie,
cacao en coca), de oostelijke Llanos (suikerriet, katoen en rijst) en
het tropisch regenwoud (houtsoorten, rubber en kinabast). Vanaf de jaren
zeventig is de van oudsher door Indianen verbouwde coca het
belangrijkste landbouwgewas geworden. In 1984 werd naar schatting 75%
van de cultuurgrond gebruikt voor de verbouw van cocaplanten. De
landbouw staat over het algemeen technologisch op een laag peil. Aan de
oplossing van dit probleem heeft de in 1953 gestarte landhervorming nog
onvoldoende bijgedragen. Een groot deel van de grootgrondbezitters is
sinds 1953 van hun grond verdreven, maar de sterke versnippering van het
grondbezit, vooral op de Altiplano en in de dalen, vormt nog steeds een
groot probleem. Bovendien staan de veelal gebrekkige
transportmogelijkheden, de bodemerosie en de extreme weersomstandigheden
een verdere ontwikkeling van de landbouw in de weg. Een groots opgezet
irrigatieproject (Abapó-Izozog, bij Santa Cruz) streeft naar de
bevloeiing van een gebied van 7500 km2 met het water van de Río Grande.
Veehouderij neemt in betekenis toe, vooral de zuivelproductie in
Cochabamba; verder worden als lastdieren en voor de wol schapen,
vicoenja's en andere lama's gehouden op de Altiplano en is er rundvee-
en varkensteelt in de Llanos. De bosbouw levert hardhout, rubber en
kina. Visserij op het Titicacameer en enkele andere meren en rivieren
levert een kleine bijdrage aan het voedselpakket; zeevis wordt ingevoerd
uit Peru en Chili.
4.3 Mijnbouw
Traditioneel vormde de mijnbouw de basis van de Boliviaanse economie.
Tot 1979 was Bolivia na Maleisië de grootste tinproducent ter wereld.
Vanaf 1985 (na de dramatische val van de marktprijs) viel de
tinproductie tot eenderde terug als gevolg van de daling van de
wereldmarktprijs. De verouderde Boliviaanse mijnen zijn door hun lage
productiviteit en het lage tingehalte van het erts niet langer rendabel
te exploiteren. Vanaf 1985 (na de dramatische val van de marktprijs)
zijn veel tinmijnen gesloten of geprivatiseerd. Meer dan de helft van de
tinproductie is afkomstig uit de mijnen ten zuiden van Oruro; de mijn
van Catavi (bij Llallagua) is de grootste ter wereld. Andere belangrijke
minerale delfstoffen zijn lood, zink, koper, antimoon, goud, zilver,
wolfraam en bismut. De in 1952 opgerichte staatsmaatschappij COMIBOL
exploiteerde tot halverwege de jaren tachtig naast de grootste tinmijnen
de meeste vindplaatsen van andere minerale ertsen. Voorts is er winning
van aardolie en aardgas. De belangrijkste aardolievelden liggen in de
omgeving van Camiri en ten zuiden hiervan tot de grens met Argentinië.
De staatsoliemaatschappij YPFB heeft alle aardoliewinning onder haar
beheer. De belangrijkste winplaats van aardgas ligt bij Yacuiba. Vanaf
het midden van de jaren zeventig is de winning van aardolie sterk
verminderd door uitputting van de reserves. De productie is nauwelijks
voldoende om aan het binnenlandse verbruik te voldoen. De winning van
aardgas is succesvoller. De helft van de jaarlijkse productie van ca. 5
miljard m3 wordt uitgevoerd via pijpleidingen naar Argentinië en
Brazilië.
4.4 Industrie
De industrie is nog weinig ontwikkeld; de meeste duurzame
consumptiegoederen moeten worden ingevoerd. Door een gecoördineerd
industriebeleid in het kader van het Andespact en door nauwere
samenwerking met Brazilië tracht Bolivia het nadeel van een kleine en
weinig koopkrachtige binnenlandse markt te compenseren. De belangrijkste
industriële activiteit is de verwerking van producten uit de landbouw
(voedingsmiddelen, drank en tabak) en mijnbouw (smelterijen,
metaalindustrie en aardolieraffinaderijen). De belangrijkste centra zijn
La Paz, Oruro, Santa Cruz en Cochabamba. De aanzienlijke energiereserves
in de vorm van waterkracht zijn nog grotendeels onbenut; in het midden
van de jaren negentig was het geïnstalleerde vermogen van de
elektriciteitscentrales 756 MW, waarvan tweederde geleverd werd door
waterkrachtcentrales. Grote delen van het land hebben geen aansluiting
op het lichtnet.
4.5 Handel
De export bestaat vnl. uit grondstoffen en enkele landbouwproducten. De
belangrijkste producten zijn aardgas (12% van de totale exportwaarde),
delfstoffen (48%), hout (3,4%) en koffie (2,1%). De (illegale) export
van coca in 1995 werd geschat op $ 600 miljoen, evenveel als de totale
legale export. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten
(vooral tin en andere metalen) en Argentinië (vooral aardgas). De invoer
bestaat vooral uit machines en andere kapitaalgoederen, duurzame
consumptiegoederen, grondstoffen en halffabrikaten. Behalve Brazilië en
Argentinië spelen de andere Zuid-Amerikaanse partners een geringe rol in
de handel.
4.6 Bankwezen
Sinds 1928 is de Banco Central de Bolivia de nationale bank; de in 1970
opgerichte Banco del Estado verleent speciale kredieten om de
economische ontwikkeling van het land te stimuleren. Verder zijn er
speciale kredietbanken voor de landbouw, mijnbouw en handel, zowel
staats- als privébanken.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Na de revolutie van 1952 werd geprobeerd de greep van de staat op het
economische leven te vergroten. De overheidssector zorgde voor 65% van
de investeringen en groeide uit tot 24% van het bnp. Deze last werd
ondraaglijk, de politiek werd uiteindelijk volledig omgegooid. Sinds
1985 voert de regering een beleid van liberalisering van de economie en
privatisering van staatsondernemingen. Op de overheidsuitgaven wordt
drastisch bezuinigd als voorwaarde voor het verkrijgen van kredieten van
de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. Om de
verslechtering van de levensomstandigheden als gevolg van de
bezuinigingen en de economische sanering het hoofd te bieden werd een
Sociaal Noodfonds (FSE) opgericht. Een deel van de ontwikkelingshulp (in
1986 $ 322 miljoen) wordt via dit fonds voor sociale projecten besteed.
Het land is sterk afhankelijk van ontwikkelingshulp. Donorlanden zetten
deze hulp om in beleid: Bolivië moet de cocaïne aan banden leggen -
vinden de VS -, maar als het land op die eis zou ingaan, verliest het
zijn belangrijkste inkomstenbron. De teelt gaat gewoon door; als de hulp
zou staken, op nog veel grotere schaal. Zo houdt Bolivië de donoren in
de houdgreep.
4.8 Verkeer
De gebrekkige transportmogelijkheden vormen een belangrijk probleem bij
de ontwikkeling van Bolivia; in grote delen van het land is het
traditionele vervoer per muilezel of lama vaak de enige mogelijkheid.
Het spoorwegennet - sinds 1964 door de staat geëxploiteerd - bestaat uit
twee gescheiden netten, in totaal bijna 3800 km lang, die verbinding
geven met de havens Arica, Antofagasta en Matarani (aan de
Grote-Oceaankust) - het westelijke systeem -, en met Yacuiba (grens met
Argentinië) en Corumba (grens met Brazilië) via het oostelijke systeem.
Van het ruim 41.000 km lange wegennet is slechts een kwart onder alle
weersomstandigheden bruikbaar. De belangrijkste wegverbindingen zijn de
weg van Cochabamba naar Santa Cruz (ca. 500 km; sinds 1953) en het
slechts gedeeltelijk verharde deel van de Panamerican Highway, die van
Guaqui (aan het Titicacameer), via La Paz, Oruro en Potosí naar de grens
met Argentinië loopt. In het kader van de kolonisering van de tropische
gebieden (Oriente) zijn in de jaren zeventig veel ontsluitingswegen
aangelegd. Bolivia was een van de eerste landen in Latijns-Amerika waar
het vliegtuig een belangrijk verkeersmiddel werd. De nationale
luchtvaartmaatschappij Lloyd Aéreo Boliviano (LAB) verzorgt 40% van de
binnenlandse vluchten. Het overige deel van de markt wordt bediend door
een reeks van vliegtuigmaatschappijen. De internationale luchthaven van
La Paz (El Alto) is de hoogstgelegen civiele luchthaven ter wereld (4085
m). Ook Santa Cruz heeft een internationale luchthaven (Viru Viru).
Binnenscheepvaart op het Titicacameer is van betekenis voor de
verbinding met Peru. Zeehavens mag Bolivia gebruiken in Argentinië en
Peru. Bolivia heeft zelf maar één koopvaardijschip. Van groot belang
zijn de pijpleidingen voor het vervoer van aardolie en aardgas.
5. Geschiedenis
5.1 Van de 14de tot de 19de eeuw
Het gebied dat thans bekend is als Bolivia, behoorde in de 14de eeuw aan
de Inka. In de tweede helft van de 16de eeuw werd het veroverd door de
Spanjaarden, waarna het bij het onderkoningschap Peru werd gevoegd.
Herhaaldelijk probeerden de Indianen tevergeefs hun gebied te heroveren,
totdat Simón Bolívar de opstandelingen te hulp kwam en de Spaansgezinden
in 1824 bij Junin de Ayacucho verslagen werden. Op 6 aug. 1825 werd in
La Paz de onafhankelijke republiek Bolivia uitgeroepen. Tot 1828 was A.J.
de Sucre de eerste president. Daarna viel het land ten prooi aan een
eindeloze reeks opstanden en revoluties, waarbij de rivaliteit tussen de
belangrijkste steden La Paz, Chuquisaca (na de onafhankelijkheid
omgedoopt in Sucre) en Cochabamba een grote rol speelde. De
Rooms-Katholieke Kerk, die al snel grote macht kreeg, speelde eveneens
een rol in de binnenlandse politieke aangelegenheden.
Een geschil met Chili over de soevereiniteit over het Boliviaanse gebied
aan de Grote Oceaan, waar nitraat en guano voor de export gedolven
werden, leidde in 1879 tot een conflict, dat grotendeels werd
uitgevochten tussen Chili en Peru (in 1873 was tussen Bolivia en Peru
een geheim verdrag gesloten, gericht tegen Chili). In 1904 werd het
conflict opgelost: Bolivia droeg de gehele kuststrook over aan Chili.
(In 1975 zou Bolivia de zaak van de uitweg naar zee opnieuw aan de orde
stellen.) Beide landen kwamen overeen dat Bolivia tegen betaling gebruik
kon maken van een Chileense haven. In 1898 laaiden de binnenlandse
twisten weer op naar aanleiding van een geschil met Brazilië, dat zijn
zinnen had gezet op de rubberstreken van Acre.
5.2 De twintigste eeuw
Onder het bewind van de presidenten J.M. Pando (1899-1904), I. Montes
(1904-1909 en 1913-1917) en H. Villazon (1909-1913) beleefde het land
een economische opbloei, doordat zijn grondstoffen, o.a. rubber en tin,
gedurende de Eerste Wereldoorlog op de wereldmarkten hoge prijzen
noteerden. In 1917 verbrak Bolivia de betrekkingen met Duitsland, maar
het nam niet actief deel aan de oorlog. Van 1932 tot 1936 voerde Bolivia
oorlog met Paraguay over de Gran Chaco. Bolivia stond het gebied af aan
Paraguay (zie Gran-Chacoconflict).
Inmiddels had het land veel buitenlands kapitaal aangetrokken, o.a. van
de Standard Oil Company, die vrijwel het monopolie over de
petroleumindustrie kreeg, terwijl de tinmijnen voor een groot deel in
handen waren van drie families (Hochschild, Patiño en Aramays). De
economische ontwikkeling is dit nauwelijks ten goede gekomen. Aan het
einde van de jaren twintig moest jaarlijks meer dan de helft van het
nationale inkomen worden besteed aan het terugbetalen van schulden. Van
sociale vooruitgang kwam niets terecht, hetgeen in 1936 tot een
revolutie leidde. De pogingen van president D. Toro om een
staatssocialisme in te voeren, strandden op het verzet van de
buitenlandse maatschappijen en van de eigenaren van tinmijnen. Hij moest
aftreden en werd opgevolgd door Busch, die in 1939 zelfmoord pleegde.
Zijn opvolger, generaal Peñaranda, sloot met Brazilië een overeenkomst
over een vrije zone in de havenstad Santos. In dec. 1943, een half jaar
nadat Bolivia aan Duitsland de oorlog had verklaard, werd Peñaranda door
nationalistische groeperingen ten val gebracht. Het nieuwe regime van
Villaroel werd door de Amerikaanse staten aanvankelijk niet erkend,
omdat Duitse invloeden in zijn regering werden vermoed. Tijdens een
opstand in juli 1946 werd Villaroel door een woedende volksmenigte
vermoord. Na een voorlopige regering onder Guillen werd in januari 1947
de rechtse socialist E. Hertzog tot president gekozen. Zijn
Republikeinse Socialistische Unie bezat in het parlement geen
meerderheid en voortdurend probeerde de Nationalistische Revolutionaire
Beweging (MNR, zie § 3.7) de macht in handen te krijgen. De twisten
ontaardden in 1949 in een openlijke burgeroorlog, maar door de steun van
het leger wist Hertzog zich te handhaven. De opstand werd onderdrukt,
maar door de felle kritiek op zijn beleid was Hertzog gedwongen af te
treden. Hij werd opgevolgd door Urriolagoitía, die het zwaar te verduren
kreeg door communistische agitatie. In 1950 werd de communistische
partij verboden, maar deze zette haar ondermijnende activiteiten
ondergronds voort.
5.3 De periode 1950-1970
Bij de presidentsverkiezingen van 1951 behaalde de oud-minister van
Economische Zaken, V. Paz Estenssoro (hij voerde de verkiezingsstrijd
onder de leuze: nationalisatie van de tinmijnen), weliswaar de meeste
stemmen, maar het leger nam de macht in handen voordat hij zijn functie
kon aanvaarden. Na een volksopstand van enkele dagen versloegen in april
1952 de volksmilities van de MNR onder leiding van H. Siles Zuazo het
leger. Estenssoro werd geïnstalleerd als president en in oktober van dat
jaar nationaliseerde hij inderdaad de drie grootste tinondernemingen.
Bij de verkiezingen van 1956 behaalde de MNR een overweldigende
meerderheid van stemmen; Siles Zuazo werd president. Opstanden en
stakingen waren gedurende zijn bewind aan de orde van de dag en vrijwel
constant verkeerde het land in een noodtoestand. De verkiezingen van
1960 brachten Paz Estenssoro weer aan de macht. In 1962 trok Bolivia
zich tijdelijk terug uit de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS),
omdat deze geen oplossing kon vinden voor het geschil met Chili over het
watergebruik van de rivier de Lauca. In 1963 raakte de president in
conflict met de vice-president, J. Lechín, die tevens leider was van de
mijnwerkersvakbond. Dit bracht hem het ongenoegen van de mijnwerkers op
de hals. Ondanks de vele kritiek op zijn beleid werd Paz Estenssoro in
mei 1964 herkozen als president, maar na een opstand van het leger werd
de macht in handen genomen door de vice-president, generaal R.
Barrientos Ortuño. Naar aanleiding van de verbanning van Lechín naar
Paraguay en een door de regering voorgestelde reorganisatie van de
tinmijnen kwamen de mijnwerkers in opstand. Onder druk van politieke
partijen en de strijdkrachten, die het er niet mee eens waren dat hij de
verkiezingen aldoor uitstelde, stemde Barrientos erin toe het
presidentschap te delen met de opperbevelhebber van de strijdkrachten,
generaal A. Ovando Candía. In juli 1966 werd Barrientos formeel tot
president gekozen. Onder zijn bewind werd de door het Nationale
Bevrijdingsleger (ELN) ondernomen en door Cuba gesteunde guerrilla
bestreden (de vermaarde Cubaanse revolutionair Che Guevara werd hierbij
gedood). In april 1969 kwam Barrientos bij een helikopterongeluk om het
leven, in sept. 1969 nam generaal Ovando met behulp van het leger de
macht over.
5.4 De periode 1970-1980
Agitatie van rechtse militairen leidde in okt. 1970 tot een
volksopstand, die de linkse generaal J.J. Torres aan het bewind bracht.
Tijdens diens bewind radicaliseerden de verhoudingen in het land (er
ontstond o.m. een Volksassemblée van boeren, arbeiders en progressieve
middengroepen, met Lechín als voorzitter), zodanig dat het leger in aug.
1971 ingreep, waarna H. Banzer president werd (generaal Torres werd in
1976 in ballingschap in Argentinië vermoord). Banzers gehele
regeringsperiode werd gekenmerkt door een aaneenschakeling van sociale
en politieke conflicten. Tegen de talrijke stakingen, die een protest
inhielden tegen de economische politiek van de regering (muntdevaluaties
die inflatie meebrachten, prijsstijgingen, loonstops e.d.), trad hij op
met maatregelen die 'gelegaliseerd' waren krachtens de staat van beleg (okt.
1972) en de 'nieuwe orde' van nov. 1974, bijv. arrestaties op massale
schaal, gewelddadige beëindiging van de stakingen, ontbinding van
vakverenigingen. Behalve met veelvuldige stakingen van de arbeiders uit
de tinmijnen kreeg Banzer te maken met boerenverzet. Het politieke
verzet tegen Banzer kwam zowel van links als van rechts. In juni 1974
gingen linkse officieren tot opstand over, waarop Banzer o.m.
parlementsverkiezingen toezegde, die hij zelfs wettelijk liet
vastleggen. Inmiddels was het duidelijk geworden, dat Banzer geheel
afhankelijk was geworden van de rechtse officieren: onder hun druk
stelde hij ook de plannen voor verkiezingen voor een vijftal jaren uit.
In januari 1975 werd ex-president Siles Zuazo op beschuldiging van
samenzwering uitgewezen. In toenemende mate ging de regering over tot
vervolging van haar tegenstanders, vooral vakbondsleiders en studenten.
Met name van kerkelijke zijde werd geprotesteerd tegen het veelvuldig
schenden van de mensenrechten in Bolivia. In 1977 kondigde Banzer
presidentsverkiezingen aan en beloofde hij verkiezingen voor een
grondwetgevende vergadering. Banzer zelf stelde zich niet verkiesbaar.
Begin 1978 kondigde hij onder druk van een hongerstaking amnestie af
voor alle politieke en vakbondsleiders. De in juli 1978 gehouden
presidentsverkiezingen werden gewonnen door generaal J. Pereda Asbún. De
verkiezing werd ongeldig verklaard in verband met fraude, maar drie
dagen later nam Pereda de macht via een staatsgreep over en werd
president. Een tweede staatsgreep in dat jaar, op 24 nov., bracht
generaal D. Padilla aan de macht. Hij vertegenwoordigde de 'constitutionalistische'
sector van de strijdkrachten, die voorstander was van een democratische,
niet-militaire regering. Padilla kondigde verkiezingen aan voor juli
1979. De buitenlandse politiek van Banzer was gericht op nauwe
samenwerking met Brazilië. In 1975 werd de kwestie van de uitweg (in de
vorm van de Boliviaanse corridor) naar de Grote Oceaan over Chileens en
Peruaans grondgebied weer acuut (zie hiervoor). In 1976 werd een plan
voor deze verbinding uitgewerkt, maar de onderhandelingen erover kwamen
stil te liggen toen Bolivia in 1978 de betrekkingen met Chili verbrak.
De verkiezingen van juli 1979 leidden tot een patstelling tussen de
ex-presidenten Siles Zuazo en Paz Estenssoro. Geen van beide kandidaten
had de absolute meerderheid behaald en ook het parlement kon niet tot
een keuze komen. De voorzitter van de senaat, W. Guevara Arze, werd op 8
aug. 1979 benoemd tot interim-president met als voornaamste taak het
organiseren van nieuwe verkiezingen. In nov. 1979 trachtte kolonel A.
Natusch Busch met steun van Banzer de macht over te nemen, maar heftig
verzet van de bevolking leidde tot zijn terugtreden. Het parlement wees
een nieuwe interim-president aan, de voorzitster van het huis van
afgevaardigden L. Gueiler Tejada.
5.5 Van 1980-1990
Hoewel de UDP van Siles Zuazo de verkiezingen van juni 1980 won, slaagde
hij er opnieuw niet in om een absolute meerderheid te krijgen. Voordat
het parlement zich kon uitspreken over de presidentskeuze, pleegde het
leger op 17 juli 1980 onder leiding van L. García Meza en kolonel L.
Arce Gómez met steun van Argentijnse militaire adviseurs een
staatsgreep, waarbij een aantal politieke leiders werd vermoord en vele
anderen gevangen werden genomen. Beide militairen hadden nauwe banden
met de cocaïnesmokkelaars en gevluchte Duitse oorlogsmisdadigers, onder
wie Klaus Barbie. Siles Zuazo en zijn beoogde vice-president Paz Zamora
konden het land ontvluchten en vormden een regering in ballingschap. De
militaire junta, onder leiding van García Meza, kreeg te kampen met een
snel verslechterende economie en met verzet vanuit het
constitutionalistische kamp van de strijdkrachten. Onder druk van de
Amerikaanse regering ontsloeg García Meza in febr. 1981 kolonel Arce als
minister van Binnenlandse Zaken. Een opstand van de generaals Natusch
Busch en Anez Rivero dwong García Meza op 4 aug. 1981 tot aftreden,
waarna een nieuwe militaire junta aan de macht kwam met als sterke man
luchtmachtchef generaal W. Bernal. Deze junta benoemde op 4 sept. 1981
generaal C. Torrelio Villa tot president. Het verbod op partijen en
vakbonden werd in mei 1982 opgeheven.
Op 19 juli 1982 moest Torrelio wijken voor generaal G. Vildoso Calderón,
die onder druk van demonstraties en stakingen het in 1980 gekozen
parlement bijeenriep. Siles Zuazo kreeg de steun van het parlement en
trad op 10 okt. 1982 aan als president. Rechtse legerofficieren dreigden
enkele malen een staatsgreep te plegen en in juni 1984 werd Siles Zuazo
door militairen ontvoerd en een dag vastgehouden. De coalitieregering
van de UDP viel al snel uiteen als gevolg van onenigheid over de aanpak
van de dramatische economische terugval. Al in febr. 1983 stapte de MIR
van vice-president Paz Zamora uit de regering en in dec. 1984 trok ook
de communistische partij zijn ministers terug. Onder druk van rechtse en
linkse oppositie schreef Siles Zuazo vervroegde verkiezingen uit voor 14
juli 1985. Deze verkiezingen leidden opnieuw tot een patstelling, nu
tussen Paz Estenssoro en ex-dictator H. Banzer met zijn ADN. Met steun
van de linkse parlementsleden werd Paz Estenssoro op 5 aug. 1985 tot
president gekozen. Hierna keerde hij zich naar rechts om parlementaire
steun te krijgen voor zijn bezuinigingsprogramma en sloot hij met Banzer
het 'Pact voor de democratie'.
Het economische aanpassingsprogramma van de regering stuitte op fel
verzet van de vakcentrale COB, die een reeks van stakingen organiseerde.
De regering antwoordde op 20 sept. 1985 met het uitroepen van de staat
van beleg voor drie maanden. Enkele honderden vakbondsleiders werden
gearresteerd. Ook van 1986 tot 1990 was er sprake van veel
arbeidsonrust, m.n. na de sluiting van een aantal tinmijnen waardoor
meer dan 30!000 mijnwerkers ontslagen werden. Om een einde te maken aan
een demonstratieve mars van mijnwerkers naar La Paz kondigde de regering
op 28 aug. 1986 opnieuw de staat van beleg af.
Bij de verkiezingen van 7 mei 1989 werd de MNR de grootste partij (23%
van de stemmen). De ADN en de MIR vormden samen een regering. Op 5 aug.
1989 werd Paz Zamora van de MIR tot president gekozen.
5.6 Vanaf 1990 tot heden
In
1990 verleende Bolivia de Verenigde Staten toestemming om Amerikaanse
troepen in het kader van de War on drugs, op Boliviaans grondgebied te
laten opereren tegen handelaren in cocaïne. Na enkele Amerikaanse
operaties kondigde de Boliviaanse regering in juli 1992 aan geen nieuwe
Amerikaanse militairen te zullen toelaten.
De voormalige dictator Luis García Meza werd in april 1993 bij verstek
veroordeeld wegens o.a. moord en corruptie. Het was de eerste maal in de
Boliviaanse geschiedenis dat een voormalig dictator werd veroordeeld. In
juli 1993 kreeg Bolivia van Peru tot het jaar 2091 via een concessie een
smalle toegang tot de Grote Oceaan. In aug. 1993 werd Gonzalo Sánchez
de Lozada (zie foto) van de MNR tot president gekozen.
Eind jan. 1994 startte een zeer ambitieus privatiseringsprogramma, het
'Plan de Todos', dat buitenlandse investeerders de mogelijkheid biedt de
helft van de aandelen van zes grote staatsbedrijven te verwerven in ruil
voor een fors investeringsplan en een prestatieovereenkomst. De andere
helft van de aandelen zou naar pensioenfondsen voor alle Bolivianen
gaan. In maart 1996 kwam het tot tal van stakingen waaruit de grote
weerstand naar voren kwam tegen de privatisering.
Het voormalig hoofd van de drugsbestrijdingsdienst, Rico Toro, werd in
1995 aan de Verenigde Staten uitgeleverd op verdenking van drugssmokkel.
De regering-Lozada zette haar programma ter verbetering van de positie
van de Indiaanse bevolking (70% van het totaal) kracht bij door
tweetalig onderwijs toe te staan.
Telefoongids Bolivia
Postcodes
Bolivia
|