Natuur worldwidebase

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Bomensoorten

 
   



bouw >>
 

leefwijze en groei >>


toepassing >>


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eiken >>

Cedar >>

Redwood >>

Oregon Pine >>

Teak >>

Iroko >>

Azob >>

Een boom is een houtige, overblijvende, meermalen vruchtdragende plant, met een stam die op bepaalde hoogte boven de grond zijtakken draagt (gezamenlijk de kroon vormend). Vooral het bezit van stam en kroon onderscheidt een boom van struiken en heesters, die zich al bij de grond vertakken. Sommige bomen, zoals de lijsterbes, kunnen aan de voet zijtakken vormen, maar die onderscheiden zich dan duidelijk van de stam, terwijl bij struiken de takken ongeveer gelijkwaardig zijn. Niettemin is de grens tussen struiken en bomen niet scherp: appel, peer, kers en dergelijke kunnen door geschikte snoei als boom of als struik geteeld worden en een aantal wilde gewassen kunnen zich als heester of kleine boom voordoen.
Bomen en heesters worden in de flora's aangeduid met het teken van Saturnus. Bomen komen voor bij
varens en zaadplanten, bij de laatste zowel bij de Eenzaadlobbigen (bijvoorbeeld palmen) en Tweezaadlobbigen (de meeste soorten loofhout) als bij Naaktzadigen (bijvoorbeeld naaldbomen).

Bouw

Op het dwarse (kopse) snijvlak van een stam van een tweezaadlobbige of van een conifeer ligt in het midden het houtlichaam, dat omgeven wordt door de bast, waar de schors weer omheen ligt. Tussen hout en bast ligt het cambium, het weefsel dat door voortdurende deling naar binnen toe nieuwe houtelementen en naar buiten toe nieuwe bastelementen afzet.

1 Hout
In een gelijkmatig klimaat kunnen hout en bast regelmatig doorgroeien, maar in klimaten met afwisselend gunstige en ongunstige perioden voor de vegetatie (in gematigde streken zomer en winter, elders natte en droge perioden) worden in het begin van de gunstige periode veelal wijde dunwandige houtelementen gevormd en later nauwe met een dikkere wand. De in n vegetatieperiode gevormde ring van houtelementen wordt jaarring genoemd; de grenzen van de opeenvolgende jaarringen zijn meestal duidelijk te zien. Dikwijls is er bovendien een grens te zien tussen donker gekleurd kernhout en lichter spinthout.
Het hout verleent de boom stevigheid; in de buitenste lagen van het spinthout vindt het transport plaats van water en opgeloste stoffen uit de wortel naar de kruin (zie vaatbundel). Het dode kernhout bevat vaak stoffen die schimmelgroei beletten en dus rotten voorkomen; waar dat niet het geval is, als bij wilgen, kan de kern gemakkelijk wegrotten; de boom wordt hol en bijvoorbeeld bij knotwilgen blijft dan vaak alleen een dunne ring hout binnen de bast over.

2 Base en schors
De bast bevat als levende elementen o.a. de zeefvaten waarin het transport plaatsvindt van de in de bladeren gevormde organische stoffen naar alle andere levende cellen. De grenzen tussen de in opeenvolgende jaren gevormde weefsels zijn in de bast, in tegenstelling tot het hout, als regel niet duidelijk te zien. De, buiten de bast gelegen, secundaire of kurkschors wordt gevormd door het fellogeen (kurkcambium), dat bovendien naar buiten toe kurkweefsel vormt, dat in volwassen toestand geen levende elementen bevat, in tegenstelling tot de schors, waarvan de meeste elementen een levende inhoud blijven behouden. Bij de diktegroei neemt de stam voortdurend in omvang toe; bast en schors moeten dus ook in tangentiale richting (d.i. in de richting van de omtrek) meegroeien. In levende weefsels van bast en schors gebeurt dat door celdeling met wanden die loodrecht op de omtrek, dus in radiale richting, staan, de dilatatie. Het dode kurkweefsel kan niet dilateren, het scheurt bij het toenemen van de omvang van de stam. Bijvoorbeeld bij de eik blijft de gescheurde kurk vastzitten, ook bij de mammoetboom, waar het een goede bescherming tegen bosbranden geeft. Bij o.a. den en peer worden telkens kleine schubben afgestoten, bij de plataan ieder voorjaar grote stukken (schubbenkurk of -korst). Bij de beuk is de schors dun en er is geen kurklaag aanwezig. De gehele schors kan dus dilateren en de stam blijft ook bij oude bomen glad. Die dunne schors is gevoelig voor licht: verliest een beuk plotseling zijn beschaduwing, dan kan de nu door zon beschenen schors afsterven. Zo kunnen achtereenvolgens alle beuken in een laan te gronde gaan wanneer er n omwaait of wordt omgehakt. In het gewone spraakgebruik zijn bast en schors synoniemen waarmee alles wordt aangeduid wat buiten het hout ligt.

3 Takken
De meeste zijtakken ontstaan in de oksels van de bladeren; de takstand wordt dus door de bladstand bepaald, zij het dat vaak maar een deel van de okselknoppen uitloopt. De takstand, de mate van vertakking en de hoek die de tak met de verticale stam maakt (een vrijwel rechte hoek bij de spar, een kleine bijvoorbeeld bij de Italiaanse populier, enz.), bepalen de voor iedere boomsoort karakteristieke vorm van de kruin.

4 Afwijkingen in bouw
Waait een boom scheef of wordt een dunne stam horizontaal gebogen, dan ontstaat reactiehout aan boven- en onderzijde, waarvan de bouw afwijkt van die van het gewone hout en waardoor de stam min of meer wordt teruggebogen (respectievelijk trek- en drukhout). Vaak ook wordt de groei van zijtakken aan de onderzijde van een dergelijke horizontale stam geremd, die aan de bovenzijde bevorderd; de laagst geplaatste zijtak kan dan verticaal gaan groeien en zo een nieuwe stam vormen.
Bij de boomvormige Eenzaadlobbigen is de stam geheel anders gebouwd. Bij de Palmenfamilie komt vrijwel geen diktegroei voor; de jonge plant blijft laag totdat het vegetatiepunt de breedte van de stam heeft gekregen; de verdere groei gaat dan geheel van het vegetatiepunt uit. Bij de drakeboom vindt diktegroei plaats doordat het cambium voortgaat nieuwe vaatbundels met tussenliggend weefsel te vormen.

Leefwijze en groei

Bloei en vruchtzetting beginnen pas wanneer de bomen enige jaren oud zijn en gaan dan meestal jaren achtereen door. Sommige soorten, bijv. de berk, leveren dan ieder jaar zaad, andere slaan telkens een of meer jaren over; bijv. de beuk heeft eens in de vier vijf jaren een vol zaadjaar. Enige palmen bloeien pas na 30 40 jaren, eenmaal, met een eindstandige bloeiwijze en sterven dan af. Veel boomsoorten bereiken geen hogere leeftijd dan 50 100 jaar, maar sommige kunnen zeer oud worden: van de Noord-Amerikaanse mammoetboom staat wel vast dat enkele exemplaren ouder zijn dan 3000 jaar.

1 Hoogte en omvang
De hoogte die bomen kunnen bereiken, loopt van soort tot soort sterk uiteen: meidoorn, goudenregen en lijsterbes worden gewoonlijk niet hoger dan vijf acht m, appel, peer, pruim en kers 10 15 m, eik, beuk, berk, linde 25 30 m, de iep tot 40 m, dennen en sparren 40 60 m, maar de reuzen zijn Sequoia sempervirens (Amerikaans redwood) en mammoetboom tot 100 m, en de Australische Eucalyptus amygdalina tot 150 m. De stam van veel boomsoorten bereikt (op 1 m boven de grond) een diameter van ten hoogste 25 50 cm, voor de beuk wordt als grootste waargenomen diameter opgegeven bijna 3 m, van de eik bijna 7 m, terwijl voor genoemde Eucalyptus een diameter van hoogstens 10 m en voor zeer oude mammoetbomen een van 12 m wordt opgegeven. (In productiebossen worden eiken en beuken geveld lang voordat ze dergelijke maten bereiken.)

2 Groeifactoren
Factoren die een sterke invloed hebben op de groei van bomen, zijn de aard van de bodem, het beschikbare water, de temperatuur en de wind. Zijn al deze factoren gunstig, dan vormen de bomen een gesloten plantendek: het bos. Het grote aan de lucht blootgestelde oppervlak van de bladeren van de loofbomen brengt mee dat een boom veel water verdampt, dat even snel als het verdampt uit de bodem moet kunnen worden opgenomen wil de waterbalans in evenwicht blijven (zie ook waterhuishouding [plantenfysiologie]). Zo verdampt een berk met rond de tweehonderdduizend bladeren in ons klimaat 300 400 l water per etmaal. In droge streken met een voortdurende schaarste aan water treedt in plaats van het gesloten bos een parklandschap op van verspreid staande, meestal kleine bomen van soorten die aan een droog klimaat zijn aangepast, zoals dat in de savannen, llano's, enz. gevonden wordt.

3 Boomgrenzen
De warmtebehoefte van de bomen in hun groeiperiode brengt mee dat wanneer de temperatuur in de warmste zomermaand gemiddeld beneden 10 C blijft, zoals op hoge noorder- en zuiderbreedte (polaire boomgrens) en hoog in de bergen (montane boomgrens), geen bomen meer voorkomen. Ook op plaatsen waar het veel hard waait, kan boomgroei onmogelijk zijn of de groei van bomen wordt daar tenminste zeer nadelig door benvloed zowel als gevolg van te sterke verdamping als door mechanische schade. Zo is aan onze kusten waar vaak een sterke, overwegend westelijke wind staat, de kruin van veel boomsoorten aan de loefzijde weinig ontwikkeld, met vaak veel dode takken, en aan de lijzijde veel sterker: het verschijnsel van de windbomen.

4 Voortplantingsvormen
Onder natuurlijke omstandigheden is de normale manier van voortplanten van bomen door zaad; soms is daarnaast wortelopslag van belang, dwz. dat op de wortels stengelknoppen worden gevormd, die uitlopen, bijv. bij iep en pruim. In de boomkwekerij zijn daarnaast technieken als stekken, enten en afleggen van belang. Ter illustratie het ent-schema bij een kroongriffel.

5 Symbiose
Veel boomsoorten leven in symbiose met een schimmel die op of in de wortel leeft. Hierdoor wordt voor de boom het opnemen van mineralen uit de bodem sterk bevorderd.
(Onder invloed van zure regen
raken veel bomen te vroeg hun bladeren kwijt; zij kwijnen dan en sterven vroeg.)

Toepassing

Bomen hebben betekenis voor de mens als sieraad in tuinen en parken en langs wegen, als windvangers (akkermaalshout, bomen langs polderwegen, enz.), als lichtvangers (bijv. de schaduwbomen bij de teelt van gevoelige gewassen in de tropen, zoals thee) en als leveranciers van tal van producten, zoals rubber, vruchten en zaden en daaruit gewonnen producten, genees- en genotmiddelen vooral uit schors en bast (bijv. kinine, kaneel), hout en producten als sago, atap, raffia.
 

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


copyright WorldwideBase 2005-2009