|

1. Fysische geografie
Bosnië-Hercegovina bestaat in het noorden uit een sterk bebost bergland
(tot 1500 m hoog); de zuidelijker liggende kalkgebergten bereiken
hoogten van ruim 2000 m. Van het noordoosten naar het zuidoosten
strekken zich de poljes uit.
2. Bevolking
In 1991 bestond 44% van de bevolking uit moslims, 31% uit Serven, 17%
uit Kroaten, 6% uit 'Joegoslaven' en voor de resterende 2% uit
Montenegrijnen, zigeuners, Albanezen en Oekraïners. Sinds 1992 hebben
echter als gevolg van de 'etnische zuiveringen' m.n. Kroaten en moslims
het land moeten verlaten. Als gevolg van de vredesonderhandelingen waren
in 1996 60.000 vluchtelingen teruggekeerd naar hun woonplaats; met de
repatriëring van de meesten kon echter geen vordering worden gemaakt. De
bevolkingstoename was met 9, 2% in 1991 extreem hoog. In dat jaar was
38% van de bevolking onder de 19 jaar.
Officiële taal is het Servokroatisch.
Over het algemeen geldt dat de moslims de islam als godsdienst hebben,
wat zijn oorsprong heeft in de eeuwenlange overheersing door de
Ottomanen, de Kroaten rooms-katholiek zijn en de Serven
Servisch-Orthodox.
3. Bestuur
Hoewel in 1995 een vredesakkoord tussen Bosnische Serviërs enerzijds en
Bosnische Kroaten en moslims anderzijds werd bereikt, kan van het
functioneren van grondwettelijke instituties en van ordentelijk
staatsbestuur nog geen sprake zijn. Volgens het akkoord is het sinds
1992 onafhankelijke land een federatieve republiek, bestaande uit twee
autonome deelstaten: de Moslim-Kroatische Federatie (51% van de
oppervlakte) en de Bosnisch-Servische Republiek (49%). De belangrijkste
politieke partijen zijn de Partij voor Democratische Actie (SDA;
moslims) van Izetbegoviç, de Servische Democratische Partij (SDS) van
Karadziç en de Kroatische Democratische Unie (HDZ).
4. Economie
Een juist economisch beeld valt niet te geven, ondanks de recent
overeengekomen vrede. De vluchtelingenstromen en de toewijzing van
gebieden en huizen, de enorme verwoesting van gebouwen, straten en
bruggen hebben de economie verlamd. De onderstaande gegevens zijn
theoretisch: van een oorlogseconomie kan niet veel verwacht worden, laat
staan exacte cijfers.
Ten gevolge van de Turkse overheersing is Bosnië-Hercegovina lange tijd
een achtergebleven gebied geweest. De economische situatie is sinds de
Tweede Wereldoorlog echter aanzienlijk verbeterd, vooral door de van
regeringswege sterke bevordering van de industrie en de exploitatie van
de rijke bodemschatten (steenkool, bruinkool, lood, zilver, mangaan).
Desondanks is de werkgelegenheidssituatie (in 1995 80%) niet florissant.
De inflatie bedroeg in datzelfde jaar 30%. De belangrijkste voorraden
ijzererts bevinden zich in Bosnië, één bij Vares, één bij Ljubija.
Ongeveer de helft van de ca. 26.000 km2 landbouwgrond (vooral in de Sava-
en Drinavalleien) wordt ingenomen door weiden van matige kwaliteit; de
andere helft is in gebruik voor akker- en tuinbouw (tarwe, maïs,
aardappelen, suikerbieten, tabak, druiven). De fruitteelt (vooral
pruimen, waarvan de helft wordt omgezet in sterke drank) concentreert
zich in Centraal- en Noord-Bosnië, in de poljes wordt tabak verbouwd,
wijngaarden liggen overwegend in Hercegovina. De bosbouw, die 35% van
het totale gebied inneemt, levert bijna eenderde van de totale
houtproductie van het voormalige Joegoslavië. Er is voorts metaal-,
textiel-, chemische, suiker- en tabaksindustrie.
Zie voor de geschiedenis tot 1945 Bosnië en Hercegovina.
5. Geschiedenis
De voormalige Joegoslavische deelrepubliek Bosnië-Hercegovina werd op 6
april 1992 door de Europese Gemeenschap als onafhankelijke staat erkend.
De Verenigde Staten erkenden Bosnië-Hercegovina op 7 april, waarna het
land op 22 mei werd toegelaten als lid van de Verenigde Naties. In een
referendum dat in febr. 1992 werd gehouden, koos de bevolking van
Bosnië-Hercegovina voor onafhankelijkheid. Het referendum werd echter
door de Serviërs (31,4% van de bevolking) geboycot. De Serviërs in
Bosnië-Hercegovina, die een brug vormden tussen Servië en de door
Serviërs bezette delen van Kroatië, begonnen met restanten van het
Joegoslavische federale leger de door hen nodig geachte gebieden te
bezetten, c.q. te veroveren op de moslims en de Kroaten. Deze beide
bevolkingsgroepen werkten vooral in het begin samen tegen de Serviërs.
De moslims, die traditioneel overwegend stedelijke gebieden bewoonden,
werden teruggedrongen tot de steden, waaronder de hoofdstad Sarajevo. De
Serviërs, en in 1993 ook de Kroaten, belegerden deze steden en namen
deze deels in.
De internationale gemeenschap trachtte door bemiddeling een eind aan de
burgeroorlog te maken. Vele malen werden bestanden afgesproken, die vlak
daarop weer geschonden werden. De praktijken van etnische zuivering in
de door een van de partijen beheerste gebieden gingen verder. In 1992
boden de VN en de EU bemiddeling aan in de personen van David Owen en
Cyrus Vance. Dezen kwamen begin 1993 met een vredesplan dat voorzag in
de opdeling van Bosnië in tien semi-autonome provincies. Dit plan werd
verworpen door het parlement van de Bosnische Serviërs. In juli 1993
bleken alle partijen in te stemmen met de oprichting van een Bosnische
unie van drie republieken, maar ook dit plan bleek niet te realiseren te
zijn.
Vooral de positie van de hoofdstad Sarajevo bleef problematisch. De
Bosnische Serviërs hadden een zodanige strategische positie opgebouwd,
dat zij in staat bleken de stad volkomen van de buitenwereld te
isoleren, met rampzalige gevolgen voor de voedsel- en
brandstofvoorziening van de bewoners, die ook nog eens blootgesteld
werden aan beschietingen en bombardementen. De internationale
verontwaardiging over het beleg van Sarajevo en de druk van de grote
mogendheden deden de Servische regering besluiten zich meer te
distantiëren van het optreden van de Bosnische Serviërs. In februari
1994 greep de NAVO in. De Serviërs kregen tien dagen de tijd om zware
wapens terug te trekken tot 20 km buiten de stad. Russische interventie
leidde uiteindelijk tot demilitarisering van Sarajevo. In de daarop
volgende maanden namen de grote mogendheden en de internationale
gemeenschappen een aantal initiatieven, zoals een nieuw vredesplan en
gemeenschappelijk gewapend optreden.
In mei 1994 besloten Rusland, de Verenigde Staten en de EU dat een
opdelingsplan voor Bosnië in twee gemeenschappen -een Servische en een
moslim-Kroatische (51% van de totale oppervlakte)- de nieuwe strategie
zou zijn. Ondanks druk uit Belgrado hadden de Bosnische Serviërs
bezwaren tegen dit plan, terwijl de moslims en Kroaten akkoord gingen.
Servië verbrak daarop alle economische en politieke banden met de
Bosnische Serviërs. Dezen liepen enkele door de VN beschermde
moslimeneclaves, zoals Srebrenica, onder de voet. Na bombardementen op
Sarajevo door Bosnische Serviërs in augustus 1995 vielen
NAVO-vliegtuigen en VN-artillerie op grote schaal Bosnisch-Servische
militaire doelen aan. De verzwakte Bosnische Serviërs moesten een
belangrijk deel van Bosnië-Hercegovina prijsgeven aan Kroaten en
moslims. Inmiddels hadden de Bosnische Serviërs wel enkele door de VN
beschermde moslimenclaves, zoals Srebrenica, terugveroverd, waarna
duizenden moslims werden vermoord door Bosnisch-Servische troepen.
In het najaar van 1995 wisten de Verenigde Staten de Servische,
Kroatische en de Bosnische regeringen om de tafel te krijgen. Er werd
een bestand afgekondigd en begin november kwamen de presidenten
Izetbegoviç (Bosnië), Miloševiç (Servië) en Tudjman Kroatië) in Dayton (Ohio)
bijeen. Op 21 november werden de partijen, na zware druk van de
Verenigde Staten, het eens over een vredesplan dat voorzag in een
federale staat Bosnië-Hercegovina, bestaande uit een Servische Republiek
en een Bosnisch-Kroatische Republiek. De NAVO, onder aanvoering van de
Verenigde Staten, werd belast met de controle op de naleving van het
bestand.
De in het Daytonakkoord voorziene terugkeer van vluchtelingen naar hun
vroegere woonplaats bleek zonder de steun van de internationale
vredesmacht IFOR en de VN-politiemacht niet mogelijk. Na gewelddadige
confrontaties tussen Bosnische Serviërs en de terugkerende
moslimvluchtelingen besloot de VN-organisatie UNHCR de georganiseerde
terugkeer van vluchtelingen op te schorten.
Op 14 sept. 1996 werden de parlementsverkiezingen gewonnen door de
Partij voor Democratische Actie (SDA), die vervolgens Izetbegoviç als
president van het driekoppige presidium mocht leveren. Daarnaast werden
de Serviër Krajisnik en de Kroaat Zubak benoemd.
Telefoongids Bosnië-Hercegovina
Postcodes
Bosnië-Hercegovina
|