| |
De
braamsluiper of sylvia curruca
Trekvogel van april tot oktober. Slanker dan een mus met een
fijne snavel. Nog duidelijker dan bij de grasmus is hier het
grijs van de kop afgetekend tegen het wit van de keel. Het
gezang bestaat vooral uit een zacht kwetteren en alleen van
dichtbij te horen voorstrofen, daarna een luid en houtachtig
klinkende eindstrofe. Verspreiding en woongebied : van
Oost-Europa tot Frankrijk verbreide vogel. Halfopen landschap of
struiken, tuinen, parken, in het gebergte tot boven de
boomgrens. Voortplanting : nest is vrij klein - legtijd eind
april, begin mei. De vier tot zes eieren hebben een lichte
ondergrond en zijn besprenkeld met een aantal kleuren. Ze worden
elf tot twaalf dagen door beide ouders bebroed - de jongen
verlaten het nest na tien tot elf dagen, maar kunnen dan nog
nauwelijks vliegen. Voedsel : insecten, in de herfst ook bessen. |
|
|
|
|
|
|