|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Brazilië kan worden verdeeld in de volgende natuurlijke landschappen: 1.
Het Amazonegebied, waarvan B (ca. 3 miljoen km2) tot Brazilië behoort.
Het is een zeer oud, vlak, komvormig doorgebogen gebied. 2. Het Hoogland
van Guyana (hoger dan 3000 m), waarvan de zuidelijke hellingen (Sa.
Tapirapecó, Sa. Pacaraima, Sa. Acaraí) tot Brazilië behoren. 3. Het
Bergland van Brazilië (400-1000 m hoog) beslaat het gebied ten zuiden
van de Amazonevlakte en B van de oppervlakte van Brazilië en kan weer
worden verdeeld in: a. het Plateau van Mato Grosso in het westen, een
plateaulandschap; en b. het Hoogland van Midden-Brazilië, ten oosten van
dit plateau en daarvan gescheiden door een reeks zuidwest-noordoost
verlopende bergketens. Het is een sterk geaccidenteerd gebied. 4.
Zuidoost-Brazilië, dat bestaat uit een smalle, lage kustzone, een
trappenlandschap, dat naar de Atlantische zijde met een scherpe rand
afbreekt, en een naar het westen afhellend hoogland (Itatíaia, 2712 m).
De gebergteontwikkeling is het sterkst in de staat Minas Gerais. De
kusten zijn weinig geleed; alleen de omvangrijke Amazonedelta vormt een
aanzienlijke onderbreking. In het uiterste zuiden wordt de kust
gekenmerkt door grote kustlagunes (Lagoa dos Patos, Lagoa Mirim). Ten
noorden hiervan komt, tot Rio de Janeiro toe, het kustgebergte (Sa. do
Mar) tot vlak aan de Atlantische Oceaan. Braziliës hoogste punt is de
Pico Phelps (3045 m) bij de grens met Venezuela.
1.2 Klimaat
Op het uiterste zuiden na ligt Brazilië geheel binnen de keerkringen,
zodat het klimaat een duidelijk tropisch karakter heeft. Bepalend zijn
daarbij twee hogedrukgebieden: het subtropische hogedrukgebied boven de
Grote Oceaan, en dat boven de Atlantische Oceaan, het belangrijkste.
Tussen beide drukmaxima vertoont de luchtdruk boven Brazilië een
relatief minimum, een door de verwarming boven land versterkt gedeelte
van het equatoriale lagedrukgebied. Dit betekent dat de intertropische
convergentiezone, ook wel intertropisch front (ITF) genoemd, zich
gedurende een groot gedeelte van het jaar boven Brazilië bevindt.
De winden zijn in het binnenland in het algemeen zwak en veranderlijk.
Aan de kust overheersen winden uit oostelijke richtingen; ze voeren
relatief vochtige en warme lucht aan over de warme Braziliëstroom.
Tussen 10° Z.Br. en de equator zijn de winden overheersend oostzuidoost
(zie passaat).
In het noorden van het land vertonen de temperaturen zeer weinig
variatie; verder naar het zuiden neemt de jaarlijkse gang van de
temperatuur toe, maar blijft toch nog betrekkelijk gering.
De gemiddelde maandelijkse temperaturen zijn dus nergens extreem hoog.
Dat geldt ook voor de dagelijkse maxima. Zo is het absolute maximum, dat
in de staat Pará (bij Belém) werd waargenomen, 34 °C; door de grote
vochtigheid daalt de temperatuur er 's nachts echter nooit tot beneden
18 °C. Verder naar het zuiden komen echter een enkele maal vrij abrupte
afkoelingen voor, wanneer maritiem polaire lucht naar het noorden
stroomt. Tijdens dergelijke koude-invallen (friagem) kan op een
geografische breedte van 15° Z.Br. de temperatuur in een paar dagen
tijds dalen van ruim 30 °C tot slechts even boven het vriespunt.
Dergelijke afkoelingen vinden nimmer in het uiterste noorden van het
land plaats: de noordwaarts stromende - en daarbij uitvloeiende - koude
lucht is in de Amazonevallei meestal nog slechts 500 tot 1000 m dik en
haar temperatuur is dan niet meer zo extreem laag. Ten noorden van de
20ste breedtegraad worden deze koude-invallen twee- tot driemaal per
jaar waargenomen.
Brazilië is over het geheel genomen een neerslagrijk land. In een groot
gedeelte van het Amazonegebied, met name in het westen en nabij de
monding van de rivier, valt meer dan 2000 mm neerslag per jaar. Nabij de
monding valt de neerslag vooral tijdens de (zuidelijke) zomer, in het
westen zijn er twee regentijden, een grote in febr.-juni, en een kleine
in okt.-jan. Overigens zijn ook de tussengelegen droge tijden niet
absoluut droog, maar vallen er bijna iedere dag buien, veelal gepaard
met onweer. Zowel in de droge tijden als gedurende de beide regentijden
beperkt de neerslag zich tot de namiddag, kenmerkend voor equatoriale
gebieden, waar de neerslag veelal van convectieve oorsprong is (zie
convectie). Langs de Braziliaanse kust wordt de neerslag veelal vergroot
door stuw van de oplandige winden tegen de gebergten. Ook deze neerslag
valt meestal tijdens onweersbuien. Behalve in de omgeving van Recife
betreft het hier weer meestal zomerregens. Dit geldt ook voor het gehele
binnenland.
Het friagemverschijnsel gaat gewoonlijk gepaard met overvloedige
neerslag, omdat de vochtige warme tropische of equatoriale lucht door de
noordwaarts stromende koude polaire lucht wordt opgetild, waardoor
condensatie plaatsvindt. De friagemregens duren veelal drie tot vijf
dagen aan een stuk door.
1.3 Hydrografie
De afwatering van geheel Brazilië geschiedt op de Atlantische Oceaan.
Verreweg het grootste afwateringssysteem vormt de Amazone.
Zuidoost-Brazilië watert af via het Paraguay-Paraná-systeem, in
Noordoost-Brazilië geschiedt dit gedeeltelijk door enkele grote rivieren
van het Amazone-systeem (Tapajós, Xingu), voorts door de tweelingrivier
Araguia-Tocantins en door de São Francisco. Door de talrijke trappen- en
plateaulandschappen is het aantal watervallen groot; de bekendste zijn
de Paulo Afonso-vallen in de São Francisco, de Sete Quedas (= Zeven
Watervallen) in de Paraná, en de Iguaçu-vallen bij de monding van de
Iguaçu in de Paraná. In het zuidwesten van Mato Grosso ligt een groot
moerasgebied, dat overgaat in de Chaco Boreal (Paraguay).
1.4 Plantengroei
Het Amazonegebied bestaat vrijwel geheel uit tropisch regenwoud (selva),
gekarakteriseerd door een buitengewoon grote soortenrijkdom, een
overvloed van lianen en epifyten en een zgn. etagebouw, dwz. dat de
bomen tot verschillende niveaus reiken. Grote delen van het woud hebben
ten gevolge van de regelmatige overstromingen tijdens de
hoogwaterperioden het karakter van moerasbos (igapó). Lage plateaus
(terra firme) in deze gebieden worden niet overstroomd, waardoor er zich
andere vegetatievormen dan het tropisch regenwoudtype hebben ontwikkeld
(caaetê), met o.m. bomen die een hoogte van 60 m kunnen bereiken. In
deze bossen zijn kostbare houtsoorten, bijv. mahonie, voorhanden, tevens
bosproducten als paranoten. Ten gevolge van rooien door de Indianen
strekken zich plaatselijk in het woud open grasgebieden uit (campinas).
Het noordelijke deel van het Bergland van Brazilië wordt ingenomen door
droogtewoud (catinga, caatinga), bestaande uit loofafwerpend geboomte,
enkele soorten palmen, succulenten, cactussoorten en doornstruiken.
Zuidelijker volgt hierop een uitgestrekt savannegebied (campos), met
langs de rivieren galerijwouden. Het hoogland van Zuidoost-Brazilië is
deels begroeid met lichte wouden (araucaria's). Het gebied van de staat
Rio Grande do Sul bestaat overwegend uit subtropisch bos. Vrijwel de
gehele kust, tot Santos toe, heeft een mangrovevegetatie. Het als
cultuurland in gebruik genomen gebied beperkt zich grotendeels tot de
kustzone en in het binnenland tot de staten São Paulo en Santa Catarina.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld, vooral die van het regenwoud, is van een tropische
vormenrijkdom, hoewel de echt grote planteneters zoals bekend uit de
Oude Wereld ontbreken. Er leven tal van breedneusapen, grijpstaartapen
(brulapen, kapucijnapen, slingerapen, spinapen, wolapen), zowel als
klauwaapjes (uilapen, springapen, penseelapen, doodshoofdapen), alle
echte boombewoners. Katachtige roofdieren zijn o.m. de jaguar, de poema
en de ocelot; de wasberen zijn vertegenwoordigd door o.m. de
krabbeneter, de rolstaartbeer en de neusbeer. Van de hondachtige
roofdieren verdienen de boshond en de manenwolf vermelding. In het
Amazonegebied treft men de reuzenotter aan.
Grote hoefdieren zijn o.m. de tapir en de moerasherten; ook leven hier
de navelzwijnen. Het aantal knaagdiersoorten is groot, o.m. de agoeti,
de capibara of waterzwijn, de schijnratten en de
grijpstaartstekelvarkens, in het zuiden ook nog de beverrat. Typisch
Zuid-Amerikaanse soorten zijn de gordeldieren, de luiaards en de
miereneters. Langs de kust, tot in de Amazone, leven zeekoeien (lamantijnen)
en in de rivieren zoetwaterdolfijnen. Het aantal vleermuissoorten is
groot. De opossums of buidelratten hebben hier een belangrijke
verspreiding; hier leeft ook de wateropossum, het enige in het water
levende buideldier. De vogelwereld is zeer rijk aan soorten en
individuen; daaronder zijn vele endemische geslachten. Vermeldenswaard
zijn o.m. de kolibries, de ovenvogels, de vliegenvangers, de miervogels,
de papegaaien en de toekans. Ook het aantal soorten reptielen en
amfibieën is omvangrijk (anaconda, boa constrictor, koraalslangen,
groefkopadders, giftige kikkers, enz.). De rivieren zijn rijk aan
meervallen, karperzalmen en cichliden, wellicht de rijkste
zoetwatervisfauna ter wereld. Hiertoe behoort de arapaima, met 3 m
lengte de grootste zoetwatervis ter wereld. De vormen- en kleurenpracht
van de insecten, met name die van de vlinders, is onvoorstelbaar groot.
Uit Brazilië zijn ook zeer grote slakken bekend. De drogere
savannegebieden hebben een geheel eigen fauna. De grootste bedreiging
voor de dierenwereld is kaalslag van het oerbos, verder ongecontroleerde
jacht en dierenhandel. De natuurbescherming wint langzaam terrein, wat
in veel gevallen misschien al te laat komt. Het Itatíaia nationale park
in het oosten omvat o.a. een bergmassief. Momenteel wordt
geëxperimenteerd met het op beschermde plaatsen uitzetten van in
dierentuinen voortgekweekte klauwaapjes (leeuwaapjes).
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking is zeer heterogeen van samenstelling en van
Indiaans-negride-Europese herkomst. Het aantal Indianen dat nog de
oorspronkelijke leefwijze heeft, bedraagt minder dan 0,2% van de totale
bevolking en neemt af door de ontginning van hun woongebied, het
Amazonegebied, van waaruit zelfs moordpartijen op Indianen gemeld zijn
(1988). Voorts wonen Indianen in Centraal-West-Brazilië. Voor een deel
zijn zij in (in totaal 128) reservaten ondergebracht, die sinds 1968
onder beheer staan van de FUNAI (= Fundação Nacional dos Indios); dit
orgaan heeft tot taak de integratie van de Indianen in de maatschappij
op geleidelijke en vreedzame wijze te doen verlopen. De enorme
uitgestrektheid van het binnenland, het ontbreken van de nodige
geldmiddelen, onbegrip en hebzucht van avonturiers, al dan niet met
medeweten van regeringsambtenaren, maken van deze instelling in de
praktijk dikwijls een dode letter.
De Portugezen, die sedert de 16de eeuw als kolonisten naar Brazilië
kwamen, bleven in de havensteden grotendeels onvermengd, doch in het
binnenland vermengden zij zich met de Indiaanse bevolking. Vooral tussen
1880 en 1914 kwamen er veel immigranten naar Brazilië: Italianen,
Spanjaarden, Syriërs, Libanezen, Polen, Duitsers en (vanaf 1908)
Japanners.
Mensen van gemengde herkomst worden in het algemeen als mestiços
aangeduid; die van Indiaans-Europese afkomst als mamelucos; zij vormen
in het binnenland van Noordoost-Brazilië de meerderheid van de
bevolking. Cafuzos zijn van Indiaans-negride, brancos of pardos van
Europees-negride afkomst; in de volksmond worden de laatsten morenos
(sympathieke benaming) of mulatos (onsympathiek) genoemd. Hoewel
Brazilië geen scherpe tegenstelling tussen deze bevolkingsgroepen kent,
is de geringschatting voor de gekleurde bevolking algemeen en blijft het
voor deze groep moeilijk in de sociaal hogere lagen van de bevolking
door te dringen. Het blanke deel van de bevolking vormt de meerderheid (ca.
53% van het totaal), daarna volgen de pardos (ca. 22%), de mamelucos
(12%) en de zwarte bevolkingsgroep (ca. 11%).
De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt ca. 1, 8%. De leeftijdsopbouw
in Brazilië is onevenwichtig: ca. de helft van de bevolking was in 1995
jonger dan twintig jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte is
voor mannen 64 jaar en voor vrouwen 69 jaar. In 1990 was 18% van de
bevolking ouder dan 15 jaar analfabeet.
Ook de spreiding wordt gekenmerkt door een grote mate van ongelijkheid:
in de kustgebieden van het noord- en zuidoosten en het zuiden woont op
iets meer dan eenderde van de oppervlakte ca. 90% van de totale
bevolking. Het Amazonegebied en het westen daarentegen hebben een
bevolkingsdichtheid van resp. 1 en 2, 9 inw. per km2. Er is sprake van
een voortschrijdende urbanisatie: 77% van de bevolking woont in de
steden, waarbinnen vooral de krottenwijken (favelas) zich snel hebben
uitgebreid. De grootste stedelijke gebieden zijn São Paulo (15,3 miljoen
inw.) en Rio de Janeiro (10,2 miljoen inw.).
2.2 Taal
Officiële taal is het Portugees, dat qua uitspraak en woordenschat
archaïscher is dan de in Portugal gesproken taal, maar qua syntaxis
moderner. Het Portugees van Brazilië heeft vele leenwoorden van de taal
gesproken door de Tupinambá-volkeren. In de 16de en 17de eeuw was het
Tupi in grote gebieden in het noorden en langs de kust een lingua franca.
Vooral in namen van dieren, planten en geografische termen komen deze
woorden voor. In afgelegen gebieden worden vaak nog inheemse talen
gesproken, zoals Tupi in het noordoosten en Guerani in het zuidoosten.
2.3 Religie
Brazilië kent volledige godsdienstvrijheid. De bevolking is voor ruim
89% rooms-katholiek en voor ca. 8% protestants, welke laatste groep een
sterke groei heeft doorgemaakt in de jaren tachtig en negentig. Het
aantal spiritisten is bijzonder groot. Voor velen zijn de grenzen tussen
het katholicisme en allerlei vormen van volksgodsdienst, zoals macumba,
uiterst vaag. Daarnaast is het 'wetenschappelijk spiritisme', dat
teruggaat op de Fransman Allan Kadec (= H.L. Denisard Rivail, 1803-1869)
zeer verbreid, vooral in de steden. De Rooms-Katholieke Kerk, tijdens
het keizerrijk een instrument in handen van de staat, werd in de
twintigste eeuw weer een gerespecteerde instelling. Kerk en staat werden
in 1946 gescheiden (voor het eerst gebeurde dat in 1890, waarna in 1934
de eenheid werd hersteld).
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Elke deelstaat heeft een eigen grondwet, parlement en gouverneur. De
territoria vallen direct onder het centrale gezag. Sedert 1988 is een
nieuwe grondwet van kracht, die de autoritaire grondwet uit 1969 van de
militaire junta verving en talrijke presidentiële volmachten weer
overdroeg aan het parlement. De bevoegdheden van de voor vier jaar
direct gekozen president zijn hierin beperkt, maar de regeringsvorm
blijft een presidentiële in plaats van een parlementaire. De wetgevende
macht bestaat uit twee kamers: het Huis van Afgevaardigden (Camara dos
Deputados) met 513 leden die voor vier jaar worden gekozen en de Senaat
(Senado Federal) met 81 leden (drie per staat) die voor acht jaar worden
gekozen. De relatief grote invloed van het leger is o.a. zichtbaar in
een permanente consultatie door het kabinet van de legerleiding. Er
bestaat stemrecht voor alle burgers vanaf 16 jaar.
3.2 Administratieve indeling
De federatieve republiek Brazilië is verdeeld in 26 deelstaten en een
federaal district rondom de hoofdstad Brasília. De staten zijn
onderverdeeld in gemeenten (municípios). De gouverneurs en de
parlementen van de federale staten worden in directe verkiezingen
gekozen. Voor statistische doeleinden en om redenen van planning
onderscheidt men de macroregio's Noord, Noordoost, Zuidoost, Zuid en
Centraal-West.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Brazilië is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, de OAS (Organisatie van Amerikaanse Staten), de IDB (Interamerikaanse
Ontwikkelingsbank), de LAIA (Latijns-Amerikaanse Integratie Associatie),
de SELA (Sistema Económico Latinoamericano), de Mercosur (de
vrijhandelszone van een aantal Zuid-Amerikaanse landen) en het Amazone
Pact.
3.4 Partij- en vakbondswezen
In mei 1985 werd door middel van een amendement op de grondwet de vrije
vorming van politieke partijen toegestaan. In 1996 waren 17 partijen in
het parlement vertegenwoordigd, waarvan de belangrijkste zijn: de
Partido do Movimento Democrático Brasileiro (PMDB), de rechtse Partido
da Frente Liberal (PFL) en de Partido da Social Democracia Brasileira (PSDB),
de partij van president Cardoso. Sedert de opheffing van de militaire
controle op vakbonden zijn op nationaal niveau twee overkoepelende
vakcentrales gevormd: de progressieve CUT (Central Unica dos
Trabalhadores: Eenheidscentrale van Arbeiders) in 1983 en de CGT (Confederaçao
General dos Trabalhadores: Algemene Arbeidersfederatie) in 1986. De met
de PMDB verbonden CGT is met 1258 aangesloten vakorganisaties de
grootste centrale. De nieuwe grondwet van 1988 garandeert onbeperkt
stakingsrecht.
4. Economie
4.1 Inleiding
Het algemeen economische beeld van Brazilië is vanaf het midden van de
jaren vijftig nogal wisselend. In de periode van 1955 tot 1964 was er
van een telkens verminderende politieke en economische stabiliteit en
groei sprake. De eerste jaren na de militaire staatsgreep (1964) werden
gekenmerkt door een drastische verlaging van de inflatievoet, een sterke
beteugeling van de lonen en een geringe groei van het bnp. Het tijdvak
van 1968 tot 1974 vormt de periode van het 'Braziliaanse wonder', waarin
de economische groei gemiddeld ruim 10% per jaar bedroeg. Deze groei was
zowel aan de industriële sector als aan de akkerbouw en veehouderij te
danken. In de eerstgenoemde sector, vooral in de basisindustrieën, deden
zich sterke buitenlandse invloeden, m.n. Amerikaanse, gelden. Vanaf 1974
trad een kentering in. Na 1981 kwam de economie in een ernstige
economische recessie, die gepaard ging met een inflatie van gemiddeld
meer dan 100% per jaar (in 1985 228%) en een zware schuldenlast. Het bnp
daalde in de periode 1981-1983 met gemiddeld 3% per jaar, trok in de
drie daaropvolgende jaren weer aan, maar stagneerde opnieuw in 1987 en
1988. Per hoofd van de bevolking steeg het bnp tussen 1981 en 1988 met
1,5%. In 1986 leidde een anti-inflatieprogramma van de regering tot een
verminderde geldontwaarding van 58%, maar de inflatie nam in 1987 en
1988 opnieuw toe met resp. 366% en 900%. De in de jaren zeventig met de
internationale banken aangegane leningen ter financiering van
industrialisatie- en infrastructuurprojecten leidden tot een zeer hoge
buitenlandse schuld (in 1988 $ 114,6 miljard). De stijging in de jaren
tachtig van de rente die Brazilië op deze schuld moest betalen,
verstoorde het economisch groeiproces. De opbrengsten van de tussen 1980
en 1988 bijna verdubbelde export werden voor eenderde besteed aan de
rentebetalingen op de buitenlandse schuld, waardoor de import beperkt
moest worden. Tussen 1980 en 1987 betaalde Brazilië $ 50 miljard meer
aan de buitenlandse banken dan het land aan nieuwe leningen uit het
buitenland ontving. In februari 1987 kondigde de Braziliaanse regering
een tijdelijk moratorium af op de schuldbetalingen. Om het tij te keren
kondigde de regering het 'Plano Real' af (1 juli 1994), met een
monetaire hervorming gericht op het beperken van de inflatie. Met
succes: deze was met 30 à 40% de laagste in 17 jaar (in 1995). Van 1985
tot 1994 bedroeg de inflatie nog 913%! De verbetering zet zich in de
laatste jaren over de gehele linie voort. Ook de werkloosheid daalde
aanzienlijk.
De economische vooruitgang is regionaal sterk verschillend. Het
zwaartepunt ervan ligt in de zuidoostelijke staten Minas Gerais, Rio de
Janeiro en São Paulo. Hier ontvangt 40% van de bevolking ruim 80% van
het nationaal inkomen. Noord-, Noordoost- en Centraal-West-Brazilië
blijven bij deze ontwikkeling sterk achter. Deze regionaal
onevenwichtige groei heeft een grote trek naar de steden van het
zuidoosten veroorzaakt.
4.2 Landbouw
Ca. 9% van de oppervlakte van Brazilië is als cultuurgrond in gebruik.
Van de totale exportopbrengsten is 45% uit de agrarische sector
afkomstig, waarin (1993) 23% van de economisch actieve bevolking
werkzaam is. De belangrijkste akkerbouwgebieden liggen in de kuststaten
van het zuiden en het noordoosten. Koffie, vnl. in de staten São Paulo
en Paraná (ca. 50% van de nationale productie) verbouwd, is het
economisch belangrijkste product van Brazilië, dat 's werelds grootste
koffieproducent is (ca. eenderde van de wereldproductie). Intern nam als
gevolg van de diversificatiepolitiek de eenzijdige oriëntatie op de
koffie af: tot 1964 bedroeg het aandeel van koffie in de export 50%, in
1995 nog maar 5%. Andere belangrijke producten zijn soja, suiker en
cacao (vnl. in de staat Bahia). Vooral de productie van sojabonen is in
de jaren tachtig sterk toegenomen. In 1988 was de exportopbrengst van
sojabonen voor het eerst hoger dan die van koffie. De verbouw van
suikerriet nam toe na de invoering in 1976 van het programma ter
stimulering van het gebruik van ethanol (dat uit suikerriet verkregen
wordt) als brandstof voor auto's. De katoenverbouw (vooral in São Paulo
en Paraná) is in de eerste helft van de jaren zeventig teruggelopen.
Daarentegen is de verbouw van sisal (Rio Grande do Norte, Paraíba) zo
sterk toegenomen, dat Brazilië de eerste producent ter wereld is
geworden voor dit gewas. Door het gehele oostelijke gebied verspreid is
de verbouw van tabak, bananen, suikerriet en maïs. Tarwe komt uit Rio
Grande do Sul en uit Paraná. Als inheemse voedselgewassen worden rijst
en maniok vrijwel overal verbouwd. Aanplantingen van tungbomen leveren
tungolie. In de Sertão levert de carnaúbawaspalm carnaúbawas; de zgn.
wonderboom levert ricinusolie; in Rio Grande do Sul levert ervamate een
theesurrogaat; in het Amazonegebied komen wilde rubber en paranoten
voor. De verbouw van citrusvruchten (vnl. in de staat São Paulo) is
vanaf 1979 geïntensiveerd. Sinaasappelsap vormt na koffie en soja het
belangrijkste agrarische exportproduct. Als gevolg van de expansie van
de grootschalige exportlandbouw daalde de voedselproductie per hoofd van
de bevolking tussen 1965 en 1985 met een kwart. Een programma gericht op
landhervormingen in de agrarische sector, geïnitieerd onder president
Goulart (1961-1964), stuit op politieke tegenstand. De verdeling van het
grondbezit onder de agrarische bevolking is zeer ongelijk.
Het grootste gedeelte van het landbouwareaal bestaat uit weiden. De
veehouderij draagt voor ca. 25% bij aan de waarde van de agrarische
productie. Centra zijn de staten Minas Gerais, Rio Grande do Sul, São
Paulo, Mato Grosso en Goiás (in de laatste twee staten is de veehouderij
extensief). Hoewel de vleesproductie in de eerste plaats voor
binnenlands gebruik bestemd is, neemt de export van rundvlees toe. Naast
runderen worden vnl. varkens, schapen, geiten en paarden gehouden. In
het Amazonegebied zijn landerijen van meer dan 600 km2 uitgegeven voor
veehouderij, wat leidt tot een nog schevere verdeling van het grondbezit
en een dramatische aantasting van het natuurlijk milieu.
4.3 Bosbouw en visserij
Brazilië is voor 60% bebost, voor 45% met tropisch regenwoud. Economisch
belangrijker dan de (hard)houtrijkdom van de Amazonevlakte is de
naaldhoutexploitatie in Rio Grande do Sul en Paraná. Sinds de jaren
zestig zijn wettelijke maatregelen van kracht aangaande het bosbeheer.
De visserij is nog weinig ontwikkeld. In het noorden wordt vnl. gevist
op makreel en schaaldieren, in het zuiden op kabeljauw, haring, tonijn.
Overbevissing in de Amazone leidt hier en daar tot afname van de
visstand. Brazilië heeft in 1970, in navolging van andere
Latijnsamerikaanse landen, eenzijdig zijn visserijzone tot 200 mijl
uitgebreid.
4.4 Mijnbouw en energie
De bodemschatten zijn zeer omvangrijk en gevarieerd, maar naar
verhouding nog weinig geëxploiteerd. In het bijzonder in het
Amazonebekken worden geregeld nieuwe vindplaatsen ontdekt. De
aangetoonde hoeveelheid ijzererts behoort tot de grootste ter wereld.
Brazilië is 's werelds grootste exporteur van ijzererts (108 miljoen ton
in 1986). Het belangrijkste mijngebied vormt de staat Minas Gerais, waar
de voorraden aan ijzererts bij Itabira en Ouro Prêto deels van een zeer
hoog gehalte zijn (tot 68,5%). Vanaf 1986 zijn de ijzerertsvoorraden in
Serra dos Carajos (noordelijk Amazonegebied) in productie genomen
(dagbouw). Carajos herbergt naar schatting een voorraad van 18 miljard
ton ijzererts, op de tweede plaats komt bauxiet, vervolgens mangaanerts.
Belangrijk is voorts de winning van goud, industriediamant, edelstenen
zoals aquamarijn, diamant en smaragd (vnl. bij Diamantina in Mato Grosso).
De winning van goud, veelal door goudzoekers, veroorzaakt een ernstige
aantasting van het landschap en verontreiniging (door wegspoeling van
kwik) van het oppervlaktewater. Voor bergkristal (Goiás, Bahia) bezit
Brazilië een quasi-monopolie, terwijl het een van 's werelds
belangrijkste producenten van tin en mangaan is. Het land is voorts de
tweede westerse producent van chroomerts, de vijfde van mica, de derde
van zirkoon en de grootste van beryllium. In 1975 werd in Mato Grosso de
vermoedelijk grootste voorraad titaan ter wereld ontdekt. Aardolie komt
vnl. uit de staten Bahia, Alagoas en Sergipe; ook off-shore is aardolie
aangeboord. Na de ontsluiting van het Campos-olieveld buiten de kust van
de staat Rio de Janeiro in het begin van de jaren tachtig, verdubbelde
de productie van aardolie, waarmee Brazilië kan voorzien in de helft van
de binnenlandse behoefte. De import van de overige ruwe olie en
derivaten drukt voor $ 4 miljard op de betalingsbalans. Steenkool wordt
gevonden in Rio Grande do Sul en Santa Catarina. In de staat Amazonas
bij de grens met Peru en Colombia ligt volgens geologen een van de
rijkste steenkoollagen ter wereld. Verder worden geëxploiteerd: fosfaat,
grafiet, magnesiet, wolfraam, lood, asbest, uraan, bariet, apatiet en
zilver. De na 1936 geregistreerde delfstoffenvoorraden zijn eigendom van
de staat, waarvan de exploratie alleen aan Brazilianen voorbehouden is.
Buitenlandse kapitaaldeelname is echter geoorloofd. De grootste
mijnbouwonderneming is het staatsbedrijf Companhia Vale do Rio Doce. Ook
de aardolieproductie was een staatsmonopolie (Petrobras). Privatisering
heeft ook hier het monopolie op losse schroeven gezet. Bovendien is
Petrobras alleen niet in staat de nodige investeringen te doen.
Overigens volstaat de oliewinning maar voor de helft van de binnenlandse
vraag. Van de grote rijkdom aan waterkracht (ca. 90% van de elektrische
energie wordt hieruit gewonnen) wordt pas sinds de tweede helft van de
jaren zeventig op grote schaal gebruik gemaakt. In 1984 werden twee
waterkrachtcentrales in werking gesteld: de Itaipú-dam in de rivier de
Paraná in samenwerking met Paraguay (met een vermogen van [1990] 12,6
miljoen kW de grootste ter wereld) en de Tucuruídam in de rivier
Tocantins in het Amazonegebied (met een vermogen van 4 miljoen kW ten
behoeve van het Carajos-mijngebied). De bouw van de Balbina-dam in het
westelijke Amazonegebied leidde in 1987 tot kritiek vanwege de moord op
Indianen en de vernietiging van de ecologie. Pogingen te komen tot
bioalcohol voor auto's moeten de afhankelijkheid van benzine verder
verminderen
4.5 Industrie
Brazilië is het voornaamste geïndustrialiseerde land van Latijns-Amerika.
Het aandeel van de industrie aan het bnp bedroeg in 1994 39%. Van de
totale beroepsbevolking werkt 23% in deze sector. De industriële centra
liggen in het zuidoosten: ruim driekwart van de totale productie vindt
plaats in de staten São Paulo (hier alleen al ruim 50%), Minas Gerais en
Rio de Janeiro, waar ook ca. 70% van alle werknemers in de industrie
werkzaam is. Van bijzonder belang in het ontwikkelingsbeleid is de
uitbreiding van de zware industrie. Het paradepaardje van de
Braziliaanse industrie is de automobielindustrie, direct gevolgd door de
staalindustrie. Voorts zijn van belang de petrochemische en
elektrotechnische industrie, de scheepsbouw en de textielindustrie. In
de jaren tachtig werd ook een vliegtuig- en wapenindustrie tot
ontwikkeling gebracht. Het aandeel van industriële goederen in de export
is 60%. Bij de ontwikkeling van de Braziliaanse industrie spelen
buitenlandse investeringen (de Verenigde Staten, Japan, Nederland en
Duitsland) een belangrijke rol, zodat Brazilië thans een relatief modern
industriepark kent.
4.6 Handel
De handelsbalans vertoonde in de jaren tachtig voortdurend een overschot
(in 1988 een recordhoogte van $ 19 miljard). De belangrijkste
importgoederen zijn machines en machineonderdelen, elektronica,
aardolie, chemische producten, voedselproducten. De voornaamste
exportgoederen zijn ijzer- en staalproducten, koffie, aardolieproducten,
machines, auto's en auto-onderdelen, soja en vruchtensap. De
belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten, Argentinië,
Duitsland en Japan; Nederland is de afnemer van 7% van de Braziliaanse
producten.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
De ontwikkelingsplanning is sterk gedecentraliseerd, waardoor
tegenstellingen zijn ontstaan bij de uitvoering van de plannen op
federaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Om de economische en sociale
ongelijkheid tussen het achtergebleven noordoosten en de rest van het
land te verminderen, zijn door de overheid omvangrijke steunmaatregelen
voor de industriële sector uitgevaardigd (o.a. belastingfaciliteiten en
gunstige kredietvoorwaarden voor investeerders) en werd in 1959 SUDENE,
een regionale overheidsinstelling, opgericht. De door deze instelling
opgestelde plannen betreffen vooral de infrastructurele ontwikkeling, de
verbetering van de gezondheidszorg en het onderwijs en de bevordering
van de industrie. Ze betreffen in mindere mate de landbouw. Voor de
ontsluiting van het Amazonebekken werd van overheidswege SUDAM
opgericht. Tot haar taken behoort o.a. de kolonisatie van het gebied
langs de Transamazônica en het ontwerpen van plannen voor het rationeel
benutten van het bosbestand. Brazilië sloot met het oog op het
laatstgenoemde in juli 1978 een verdrag met Bolivia, Colombia, Ecuador,
Guyana, Peru, Suriname en Venezuela, het zgn. Amazone-pact. De nadruk
ligt hierbij op gezamenlijke projecten op het gebied van waterkracht- en
infrastructurele werken en het behoud van de in het gebied aanwezige
grondstoffen.
De overheid heeft in de jaren zeventig een cruciale rol gespeeld bij het
industrialiseringsproces. De tien grootste ondernemingen in Brazilië
zijn staatsbedrijven, maar binnenkort worden ook de sleutelsectoren
geprivatiseerd. De staat nam ook het voortouw bij grootschalige
ontwikkelingsprojecten, waarvoor leningen werden afgesloten bij
buitenlandse banken en internationale financiële instellingen als de
Wereldbank. De gedwongen beperking van de overheidsuitgaven in de jaren
tachtig leidde tot een terugval van de investeringen. Van 1969 tot 1988
ontving het land $ 2,3 miljard aan ontwikkelingshulp.
4.8 Bankwezen
De Banco Central do Brasil reguleert het bank- en beurswezen. De
grootste banken zijn meestal staatsbanken of worden via een
meerderheidsaandeel door de staat gecontroleerd. De belangrijkste is de
Banco do Brasil. De Banco Nacional de Desenvolvimento Econômico e Socíal
(BNDES), een staatsbank, is als ontwikkelingsbank van belang. Daarnaast
zijn er tal van particuliere banken.
4.9 Verkeer
Het luchtverkeer is van grote betekenis. Het binnenlandse luchtnet
behoort tot het dichtste ter wereld met ruim 1500 luchthaven(tje)s. Voor
het intercontinentale verkeer zijn vooral de luchthavens van Rio de
Janeiro (Galeão, met accommodatie voor supersonische vliegtuigen), São
Paulo (Viracopos, bij Campinas), Recife en Porto Alegre van belang.
De spoorwegen hebben slechts een totale lengte van ruim 30.000 km,
waarvan de exploitatie in 1996 is geprivatiseerd. De meeste Brazilianen
geven de voorkeur aan reizen met het busvervoer, dat in de dichter
bevolkte gebieden van het land uitstekend is. Het wegennet omvat ca. 1,5
miljoen km, waarvan slechts 71.000 km geasfalteerd is. Ter ontsluiting
van het binnenland wordt o.m. de meer dan 5000 km lange Transamazônica
die van de Atlantische Oceaan tot de Peruaanse grens loopt, aangelegd.
De binnenvaart heeft aan bevaarbare rivieren ca. 50.000 km ter
beschikking. De Amazone is voor zeeschepen tot 5000 brt bevaarbaar tot
Manaus. De zeescheepvaart concentreert zich op de grote havens Rio de
Janeiro, Santos, Rio Grande en Paranagua; kleinere havens zijn die van
Belém, Recife, Salvador, Florianópolis en Porto Alegre.
5. Geschiedenis
5.1 Van 1500 tot de 20ste eeuw
Brazilië is op 22 april 1500 ontdekt door de Portugese zeevaarder
Pedro Alvares Cabral, die met zijn vloot op reis was naar Oost-Indië.
Kort tevoren waren Vespucci (juli 1499) en Pinzón (jan. 1500) op de
Braziliaanse kust geland, maar krachtens het Verdrag van Tordesillas
(1494) kwam het gebied aan Portugal toe. In 1530 vestigden zich de
eerste Portugese kolonisten. Het land heette eerst Terra da Santa Cruz
(Land van het Heilige Kruis), maar na 1540 werd het genoemd naar het
brazielhout (= pernambuco [plantkunde]). Door de import van slaven uit
Afrika en de export van suiker en hout bloeide de handel op. Nadat
Portugal in 1580 in Spaanse handen was gekomen, beschouwde Nederland
Brazilië als vijandig gebied. Herhaaldelijk werden Braziliaanse
kustplaatsen door Nederlanders en Engelsen geplunderd en van 1630 tot
1654 bezat de West-Indische Compagnie nederzettingen aan de
noordoostkust, o.a. Olinda en Recife (Pernambuco). Johan Maurits van
Nassau, die deze nederzettingen als een vorst regeerde (1637-1644), gaf
de handel vrij. In 1654 werden de vestigingen aan Portugal overgegeven
en in 1661 werden de Nederlandse rechten voor ƒ 8 miljoen aan Portugal
verkocht.
Portugal ging meer aandacht besteden aan de kolonisatie, vooral nadat
tegen eind 17de eeuw goud was ontdekt in Minas Gerais. In de 18de eeuw
was de economie vrij goed, o.m. door de ontdekking van een rijke
diamantader (1728). Toen Napoleon in 1807 Portugal aanviel, week de
Portugese koninklijke familie met een groot aantal volgelingen uit naar
Brazilië en vestigde zich in Rio de Janeiro. Koning Johan VI keerde in
1821 naar Portugal terug. Het vuur van de Franse Revolutie en van de
Amerikaanse Vrijheidsoorlog was ook naar Brazilië overgewaaid, en toen
de Portugese regering het land wilde terugbrengen tot de voormalige
status van kolonie, stelde Pedro, zoon van Johan VI, zich aan het hoofd
van de opstandige beweging (7 sept. 1822) en verdreef met steun van
Engelse troepen de Portugese legers. Brazilië werd onafhankelijk van
Portugal en een keizerrijk onder Pedro I.
Deze trad nogal autoritair en willekeurig op, het parlement had weinig
te vertellen en vooral het feit dat hij een deel van de Portugese
staatsschuld had overgenomen, versterkte de liberale oppositie in het
parlement tegen de keizer. In 1831 deed hij afstand van de troon ten
gunste van zijn zoon, die toen vijf jaar oud was. In 1840 aanvaardde
deze als Pedro II de regering. Onder zijn bewind kwam het land tot
economische bloei. Het duurde lang voordat de staatsfinanciën gesaneerd
waren en er had een oorlog plaats met Paraguay (1865-1870). De
afschaffing van de slavernij zonder schadeloosstelling aan de
slavenhouders (1888), alsmede conflicten met de kerk en het leger
brachten de keizerlijke regering in diskrediet. In 1889 brak onder
maarschalk Da Fonseca een opstand uit, die Pedro II dwong het land te
verlaten.
5.2 1900-1955
Brazilië werd hierna een republiek onder Da Fonseca, geheel naar het
voorbeeld van de Verenigde Staten. Het land werd ingedeeld in twintig
staten met Rio de Janeiro in een federaal district als hoofdstad. De
staten kregen een grote mate van autonomie. De eerste decennia van de
republiek waren onrustig. De ene president volgde de andere op en
economische bloei wisselde af met crises, veroorzaakt door het
ineenstorten van de prijzen op de wereldkoffiemarkt en het verdringen
van bosrubber door plantagerubber. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leefde
de economie weer op. In 1917 verklaarde Brazilië de oorlog aan
Duitsland, maar het nam niet actief aan deze oorlog deel. In de
naoorlogse jaren bleef het land politiek en economisch instabiel.
De verkiezingen van 1930 luidden een nieuw hoofdstuk in. Een van de
kandidaten voor het presidentschap, Getúlio Dornelles Vargas greep 3 nov.
de macht. Vargas regeerde met ijzeren hand. Hij genoot grote
populariteit, maar hij omringde zich met een aantal politieke
avonturiers, die niet wars waren van corruptie op grote schaal. Na een
opstand in São Paulo (1932), die bloedig werd onderdrukt, versterkte
Vargas zijn positie door de legertjes van de staten samen te voegen en
onder federaal commando te brengen en zich te verzekeren van de steun
van dit nationale leger. In 1937, toen hij volgens de grondwet niet voor
een derde ambtstermijn herkozen zou kunnen worden, voerde Vargas met het
leger een staatsgreep uit en verschafte zich dictatoriale macht. De
buitenlandse politiek van Vargas werd gekenmerkt door opportunisme.
Aanvankelijk steunde hij in de Tweede Wereldoorlog Duitsland en Italië,
maar nauwelijks kregen de geallieerden militair overwicht, of hij
verklaarde de As-mogendheden de oorlog en stuurde een Braziliaans
expeditieleger naar Italië. De drang naar politieke en sociale
hervormingen, die na de Tweede Wereldoorlog ontstond, heeft het bewind
van Vargas niet kunnen overleven. Op instigatie van de Verenigde Staten
verzocht het leger bij monde van generaal Enrico Gaspar Dutra hem af te
treden. Vargas stemde hierin toe, waarna de grondwet weer werd gebaseerd
op het presidentiële systeem. Dutra, de leider van de Partido Social
Democrático (PSD), werd in 1945 tot president gekozen.
Dutra voerde een nogal conservatieve politiek en bracht vrijwel geen
sociale hervormingen tot stand. Dit bracht hem in moeilijkheden met de
communistische partij, die vervolgens in 1947 werd verboden. Bij de
verkiezingen van eind 1950 werd Vargas, die zich kandidaat had gesteld
voor de arbeiderspartij Partido Trabalhista Brasileiro (PTB), gekozen
tot president. Hij had echter niet meer de greep op het land die hij
vroeger had gehad. Gevoed door de slechter wordende economische
toestand, werd de kritiek op zijn bewind steeds sterker. De
strijdkrachten eisten in 1954 het aftreden van Vargas. Eerst weigerde
hij, maar op 23 aug. 1954 gaf hij toe. Een dag later pleegde hij
zelfmoord.
5.3 1955-1964
Bij de in 1955 gehouden verkiezingen werd Juscelino Kubitschek,
kandidaat van de PSD, tot president gekozen. De door hem aangekondigde
politiek leidde tot ongeregeldheden, die met kracht werden onderdrukt.
Tot Kubitschek zijn ambt aanvaardde in begin 1956, verkeerde het land in
staat van beleg. De regeringsperiode van Kubitschek werd gekenmerkt door
een energieke uitvoering van industrialisatie, wegenbouw, aanleg van
stuwdammen, enz., maar de corruptie nam toe en de inflatie liep op tot
45% per jaar; hierdoor was er een aaneenschakeling van onlusten. Zijn
inflatoire politiek bracht het land aan de rand van de financiële
afgrond. Hij voerde een uitgesproken pro-Amerikaans beleid; de
communisten bleven buiten de wet gesteld. In verband met de verkiezingen
van 1960 werd de regering in mei 1959 gewijzigd. De minister van Oorlog,
maarschalk Henrique Teixeira Lott, de sterke man achter Kubitschek, was
door de sociaal-democraten en de arbeiderspartij als kandidaat
aangewezen. Hij werd opgevolgd door maarschalk Odylio Denis. De
oppositie, de nationaal-democratische en de christelijk-democratische
partijen, stelden de gouverneur van São Paulo, Jânio da Silva Quadros,
kandidaat. Bij de op 3 okt. 1960 gehouden verkiezingen werd deze tot
president gekozen. De nationalist Quadros had zijn verkiezing vnl. te
danken aan zijn beloften de bezem door de politieke stal te halen en een
halt toe te roepen aan de inflatie. De verwachtingen omtrent hem waren
hoog gespannen, maar zijn redevoering waarin hij o.m. verklaarde normale
betrekkingen met de communistische landen te willen, oogstte zulk een
storm van kritiek, vooral van de kant van de strijdkrachten, dat hij op
25 aug. 1961 geheel onverwacht aftrad. Bovendien had hij de heersende
klassen tegen zich in het harnas gejaagd, met zijn progressieve aanpak
van de binnenlandse moeilijkheden, de sociale tegenstellingen en de
agrarische problemen. Zijn grondwettelijke opvolger was de
vice-president João Goulart, leider van de arbeiderspartij PTB, maar de
strijdkrachten en het bedrijfsleven, die hem van linkse sympathieën
verdachten, verzetten zich tegen hem. Na een grondwetswijziging, waarbij
de uitvoerende macht in handen kwam van een premier, die verantwoording
schuldig was aan het parlement - als zodanig werd gekozen de
sociaal-democraat Tancredo Neves - kon Goulart op 9 sept. het
presidentschap op zich nemen.
Het vrij slappe optreden van Goulart, in macht beknot, leidde tot een
aaneenschakeling van onlusten. Hongertochten, plunderingen en
brandstichtingen op grote schaal hielden het leger vrijwel constant in
staat van alarm. Aan de samenstelling van een nieuw kabinet op 7 okt.
1962 gingen een eindeloos geharrewar en politieke touwtrekkerij vooraf;
ten slotte werd Hermes Lima tot premier benoemd. Bij een in jan. 1963
gehouden referendum bleek dat een grote meerderheid van de bevolking het
presidentiële systeem hersteld wilde zien; het parlementaire systeem had
duidelijk gefaald. De ontevredenheid over het beleid van Goulart, in
combinatie met de steeds slechter wordende economische toestand, leidde
op 31 maart 1964 tot een militaire opstand, waarbij Goulart werd
afgezet. Zijn linkse politiek was hem noodlottig geworden. De druppel
die de emmer van zijn politieke tegenstanders deed overlopen, waren zijn
decreet tot een demagogische en weinig constructieve hervorming van het
grondbezit en zijn voornemen de communistische partij te erkennen. Dit
leidde tot de vorming van een 'front tegen misbruik van de macht',
gesteund door de strijdkrachten.
5.4 1964-1974
Op 11 april 1964 werd generaal Humberto de Alencar Castelo Branco als
'overgangspresident' gekozen door een gezuiverd parlement. Zijn
ambtstermijn werd verlengd tot 15 maart 1967 en de verkiezingen voor een
nieuwe president werden uitgesteld. In okt. 1964 waren de politieke
zuiveringen, waarmee direct na de omwenteling was begonnen, voltooid.
Naar schatting 4000 mensen, onder wie 112 parlementariërs, werden uit
hun ambt ontzet. Ministers en hoge ambtenaren van het bewind van Goulart
konden voor een bepaalde tijd niet in hoge ambten worden gekozen, kleine
partijen werden uitgeschakeld en er werden maatregelen inzake de
niet-verkiesbaarheid van bepaalde personen uitgevaardigd. Dit was vooral
gericht tegen Kubitschek, die na een buitenlands verblijf in het land
was teruggekeerd en zich weer in het politieke leven mengde. Castelo
Branco eigende zich geleidelijk aan dictatoriale macht toe en beknotte
de rechten van het parlement steeds meer. Op 11 dec. 1965 werd een
nieuwe oppositiepartij opgericht, de MDB, waarvan de meeste aanhangers
behoorden tot de ontbonden arbeiderspartij. In 1966 werd het
tweepartijenstelsel ingevoerd: uitsluitend de MDB en de ARENA
(regeringspartij) waren toegestaan. De uitslag van de verkiezingen van
12 van de 22 gouverneurs, die op 3 sept. 1966 werden gehouden, stond bij
voorbaat vast, omdat Castelo Branco ervoor had gezorgd dat alleen
kandidaten van de ARENA konden worden gekozen. Uit protest nam de MDB
niet deel aan de verkiezingen. Een maand later (3 okt.) werden de
presidentsverkiezingen gehouden. De minister van Oorlog, Arturo da Costa
e Silva, die zich tot groot ongenoegen van de president kandidaat had
gesteld voor de ARENA, werd door beide huizen van het Congres tot
president gekozen. Aan deze verkiezingen deed de MDB niet mee. Da Costa
e Silva zei dat hij de revolutie van 1964 zou voortzetten en dat hij
geen amnestie zou verlenen aan politici die uit hun politieke rechten
waren ontzet. Ook bij de in november gehouden parlementsverkiezingen
behaalde de ARENA een duidelijke overwinning.
Op 15 maart 1967 aanvaardde da Costa e Silva zijn ambt en trad een
nieuwe grondwet in werking. Deze voorzag o.m. in een indirect gekozen
president en vice-president en in een verdere beknotting van de
bevoegdheden van het Congres, doordat de president via nooddecreten en
zgn. 'institutionele actes' wettelijke besluiten kon nemen. In dec. 1968
werd het Congres voor onbepaalde tijd ontbonden en nam de regering de
bevoegdheid bij decreet te regeren. Da Costa e Silva werd op 31 aug.
1969 getroffen door een hersenbloeding; zijn functies werden overgenomen
door een militaire junta, die daarbij de constitutie schond door
vice-president Aleixo te passeren.
Op 7 okt. wees de junta de 63-jarige generaal Emílio Garrastazú Médici
aan als presidentskandidaat; op 25 okt. werd hij door het ten gevolge
van talrijke zuiveringen zeer gehavende Congres, dat voor deze
gelegenheid weer bijeen was geroepen, officieel tot president gekozen.
Op 30 okt. werd Médici als president beëdigd en trad een nieuwe grondwet
in werking, waarbij de bevoegdheden van de wetgevende macht aanzienlijk
werden beperkt en die van de uitvoerende macht sterk werden uitgebreid.
De stelselmatige bestrijding van de linkse oppositie uitte zich in
talrijke arrestaties. Alleen de kerk kon het zich veroorloven nu en dan
een woord van protest te laten horen, hoewel ook tegen haar bepaalde
maatregelen niet uitbleven (o.m. tegen de aartsbisschop van Recife, Dom
Helder Câmara). Het bewind werd beschuldigd van marteling van
gevangenen, het in stand houden van een onrechtvaardige sociale
structuur en het uitroeien van Indianen (dit laatste bij het economisch
openleggen van het Amazonegebied). De ontevredenheid in het land nam
sterk toe, met name over het feit dat de baten van het 'economische
wonder', dwz. de sterke economische expansie in de jaren 1967 tot 1973
(mogelijk gemaakt door het toestaan van uitgebreide faciliteiten aan
buitenlands kapitaal), niet ten goede kwamen aan de massa van de
bevolking. Guerrillero's namen - soms met succes - hun toevlucht tot
ontvoering van diplomaten om hun eisen kracht bij te zetten.
5.5 1974-1986
In jan. 1974 werd Ernesto Geisel tot president gekozen; in maart werd
hij als zodanig geïnstalleerd. De door hem beloofde politieke
liberalisering bleef uit. Wel werd onder zijn bewind de perscensuur op
dagbladen en tijdschriften opgeheven, maar de censuur op de massamedia
radio en televisie bleef bestaan. Bij parlementsverkiezingen in 1974 en
1978 behaalde de MDB grote overwinningen. Geisel reageerde met het
doorvoeren van een aantal constitutionele veranderingen, o.a. de
benoeming door de president van eenderde van de senaat en de
ondervertegenwoordiging in het Congres van de stedelijke gebieden, waar
de MDB de meeste aanhang had. In november 1978 werd generaal João
Baptista de Oliveira Figueiredo door een kiescollege gekozen als
president. Voor zijn aftreden maakte Geisel de terugkeer van politieke
ballingen mogelijk en schafte hij de meest repressieve institutionele
acte (nr. 5) af.
Onder druk van de groeiende oppositie, die o.a. tot uiting kwam in
demonstraties en stakingen in de grote steden, zette Figueiredo na zijn
aantreden op 15 maart 1979 een beleid door van 'abertura', geleidelijke
politieke liberalisering. Eind 1979 werd een amnestie afgekondigd voor
alle politieke gevangenen en degenen die hun politieke rechten verloren
hadden. Ook werd het tweepartijensysteem opgeheven. De MDB werd onder de
nieuwe naam PMDB een brede oppositiepartij, waarbij zich ook de nog
verboden communistische partij aansloot. De regeringspartij ARENA werd
omgedoopt in PDS en steunde vooral op de traditionele politici op het
platteland. Bij de algemene verkiezingen van 15 maart 1982 behaalden de
oppositiepartijen een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en tien
gouverneursposten (in de belangrijkste deelstaten). De PDS kreeg twaalf
gouverneurs in de dunner bevolkte deelstaten in het noorden en
noordoosten, en behield de meerderheid in het kiescollege dat de
opvolger van Figueiredo zou aanwijzen. Het ontbrak de oppositie aan de
tweederde meerderheid in het Huis van Afgevaardigden die noodzakelijk
was om directe presidentsverkiezingen mogelijk te maken. De PDS stelde
de bankier Paulo Salim Maluf kandidaat voor het presidentschap. Een deel
van de PDS kon zich echter niet met zijn kandidatuur verenigen en
richtte een eigen partij op, de Partij van het Liberale Front (PFL), die
de kandidaat van de PMDB, Tancredo de Almeida Neves, ondersteunde.
Hiermee verkreeg Neves een meerderheid in het kiescollege, dat hem op 15
jan. 1985 koos als president en José Sarney van de PFL aanwees als
vice-president. Neves zou op 15 maart ingehuldigd worden, maar moest de
avond tevoren opgenomen worden in het ziekenhuis. Na zijn overlijden (21
april) werd Sarney op 22 april 1985 als president beëdigd, waarmee een
einde kwam aan 21 jaar militair bewind.
5.6 1986- heden
Aanvankelijk kon Sarney rekenen op ruime steun onder de bevolking voor
zijn economisch beleid, dat in februari 1986 gestalte kreeg in het
Cruzado-plan, waarbij een nieuwe munteenheid (cruzado) werd
geïntroduceerd en een bevriezing van lonen én prijzen werd afgekondigd.
De economische crisis, veroorzaakt door een enorme schuldenlast, werd
echter niet minder groot. De algemene verkiezingen van 15 nov. 1986
werden een grote overwinning voor de PMDB, die een meerderheid kreeg in
beide huizen van het Congres. Vanaf febr. 1987 werd het Congres
omgedoopt in een Grondwetgevende Vergadering, die een nieuwe
democratische grondwet moest opstellen onder voorzitterschap van
PMDB-leider Ulysses Guimaraes.
Op 5 okt. 1988 werd de nieuwe grondwet goedgekeurd, waarbij het
presidentiële systeem met enige beperkingen gehandhaafd bleef. De
teleurstelling over het beleid van Sarney leidde tot een nederlaag voor
de PMDB en de PFL bij de gemeenteraadsverkiezingen van 15 nov. 1988.
Grote winnaars waren de Arbeiderspartij PT van vakbondsleider Luis
Inacio da Silva (bijgenaamd Lula) en de Democratische Arbeiderspartij
PDT onder leiding van Leonel Brizola, een zwager van ex-president
Goulart. De presidentsverkiezingen van 15 nov. 1989, waarbij de
bevolking voor het eerst sinds 1960 direct een president kon kiezen,
werden uiteindelijk gewonnen door de rechtse populist Fernando Collar de
Melo. In maart 1990 aanvaardde hij het ambt van president. Hij had
echter weinig steun in het parlement en zocht per onderwerp steun bij
het parlement. Wegens corruptie van Collar en zijn naaste omgeving, trad
Collar in dec. 1992 af, enkele uren voordat de Senaat aan de
afzettingsprocedure zou beginnen. Itamar Franco volgde hem op als
president.
In april 1993 sprak een meerderheid van de kiezers zich bij referendum
uit voor het behoud van de republikeinse regeringsvorm en voor een
presidentieel systeem boven een parlementaire variant. De politieke
onmacht van de regering kwam o.m. tot uiting in het feit dat het land in
ruim anderhalf jaar vijf ministers van Economie en Financiën had gekend.
In okt. kwam een groot corruptieschandaal aan het licht waarbij
tientallen politici waren betrokken. De politieke enquêtecommissie naar
corruptie onder politici droeg op grond van haar bevindingen in jan.
1994 achttien afgevaardigden voor voor ontslag. Uit een ander onderzoek
bleken nauwe contacten tussen onderwereld en politiek. Het federale
budget gaat voor 40% op aan corruptiepraktijken.
Winnaar
van de presidentsverkiezingen in okt. 1994 was Fernando Henrique Cardozo.
Bij de gelijktijdig gehouden parlementsverkiezingen bleef de PMBD van
oud-president Sarney de grootste. Ter vervanging van de cruzeiro real
werd een nieuwe muntsoort ingevoerd, de real, die gekoppeld werd aan de
dollar. Als gevolg hiervan daalde de inflatie scherp. In aug. 1994 kwam
tussen Brazilië, Argentinië, Uruguay en Paraguay de douane-unie Mercosur
tot stand, waardoor een groot deel van de invoertarieven verdween en een
gemeenschappelijke buitenmuur werd opgetrokken.
President Cardoso kondigde in febr. 1995 belangrijke hervormingen aan,
maar hij moest zijn plannen op sociaal terrein intrekken na fel verzet
van vakbonden en politiek en zijn belastinghervormingen werden op de
lange baan geschoven. Ook in 1996 liepen de hervormingen grote
vertraging op of zij werden door toedoen van de oppositie sterk beknot.
Eind maart 1995 kondigde de president een versnelling van de
landhervormingen aan, maar ook hier was de praktijk anders. Het
privatiseringsplan verliep eveneens traag, omdat politieke partijen,
vakbonden en andere organisaties een uitverkoop van de nationale
bodemschatten vreesden.
Economisch ging het Brazilië na 1992 niet slecht. In 1995 en 1996 bleef
de inflatie laag en de periode van hyperinflatie lijkt voorbij.
Zorgwekkend was dat de werkloosheid in de steden, ondanks de economische
groei, verder toenam.
(foto : de huidige president anno 2004 : Luiz Inácio Lula da Silva)
6. Regenwoud en straatkinderen
De vernietiging van tropisch regenwoud in het Amazonegebied leidde tot
heftige protesten door buitenlandse en binnenlandse milieuorganisaties.
Op 22 dec. 1988 werd de leider van de vakbond van rubbertappers,
Francisco Mendes, die internationale bekendheid had gekregen als
milieuactivist, door grootgrondbezitters vermoord. Hierna moest
president Sarney concessies doen, zoals bijv. in jan. 1990 de
(tijdelijke) sluiting van de grootste tinmijn ter wereld in verband met
vervuiling van de Amazonerivier. In nov. 1989 startte een internationale
actie voor hulp aan de Yanomamö-Indianen. Desondanks werden regelmatig
Indianen vermoord door o.a. goud- en tinzoekers. Met name in Rio de
Janeiro, waar ca. 6000 straatkinderen leven, opereren doodseskaders die
systematisch straatkinderen vermoorden. De doodseskaders blijken nauwe
banden met de politie te onderhouden en worden zelden gestraft.
Telefoongids Brazilië
Postcodes
Brazilië
|