| |
Brilduiker of bucephala clangula
Trek-
en standvogel, doortrekker en wintergast. Kleine lieflijk
aandoende duikeend met een grote kop. De verdeling van zwart en
wit bij de mannetjes sluit verwarring uit met de bij ons
gebruikelijker soorten (vb. kuifeend), vooral wanneer de witte
wangvlek zichtbaar is. Het vrouwtje heeft een bruine kop en bij
het zwemmen is er altijd wel iets te zien van het wit in de
vleugel. In de vlucht vertonen beiden geslachten een breed wit
stuk aan de binnenkant van de vleugel. Bij vrouwtjes van
'nonnetjes' wordt het bruin op het hoofd begrensd door een witte
kin en wangen en bij het zwemmen is nauwelijks wit in de vleugel
te zien. Verspreiding en woongebied : Noordoost-Europese soort
met enkele broedplaatsen in het oosten, noorden en zuiden van
Duitsland; vermoedelijk oprukkend. Geeft de voorkeur aan
bosrijke meren, maar om te broeden zijn ook een paar bomen
voldoende. Voortplanting : broedt in boomholen en nestkastjes,
in de buurt van water. Legtijd : maart, april tot mei. De vijf
tot elf blauwgroene, later bleker wordende eieren worden 29-31
dagen door het vrouwtje bebroed. De jongen springen op de grond
zodra ze uit het ei gekropen zijn en worden dan meegenomen naar
het water. Ze zijn ongeveer na zestig dagen zelfstandig, maar
worden vaak al voor die tijd aan zichzelf overgelaten. Voedsel :
kleine waterdieren (vb. mosselen), maar ook wel vegetarisch
voedsel. |
|
|
|
|
|
|