Onder het broeikaseffect verstaan we het opwarmen van de aarde
door de aanwezigheid van een aantal gassen in de atmosfeer die
zowel de warmtestralen van de zon als de door de aarde
uitgezonden teruggekaatste warmtestralen goed absorberen.
Als
de broeikasgassen afwezig zouden zijn, dan zou de temperatuur
aan het aardoppervlak gemiddeld -18 °C bedragen (nu: +15 °C).
Van dit temperatuurverschil van 33 °C komt 62% voor rekening van
waterdamp, 22% door kooldioxide (CO2). De overige gassen met
broeikaswerking zijn lachgas of stikstofdioxide (N2O), methaan
(CH4), ozon (O3), voorzover dit laatste gas zich bij het
aardoppervlak bevindt, en de volledig gehalogeneerde CFK's.
Een
groot deel van de CO2 in de atmosfeer is ontstaan door de
verbranding van fossiele brandstoffen (50 à 60 %, waarvan 20%
door het verkeer) en door de ontbossing van de tropische wouden
(ca. 30%). Men neemt aan dat 20!000 jaren geleden het
CO2-gehalte 170 delen per miljoen heeft bedragen. Omstreeks 1870
bedroeg het CO2-gehalte in de atmosfeer ongeveer 280 delen per
miljoen; dit was in de jaren tachtig van deze eeuw reeds tot ca.
350 gestegen. In de jaren 2050–2100 wordt een toename tot 600
mogelijk geacht. Hoewel CO2 het belangrijkste broeikasgas is dat
door de mens in de atmosfeer wordt gebracht, draagt toch ook de
productie van methaan (voorkomend in rottingsgassen) door de
geïntensiveerde landbouw voor ca. 10% bij aan het
broeikaseffect. Door de toename van de broeikasgassen gedurende
de laatste 100 jaar is de temperatuur wereldwijd reeds met ca.
0, 5 °C gestegen. Bij ongewijzigd beleid kan de
temperatuurstijging rond het jaar 2050 3 °C bedragen.
Door een
wereldwijde temperatuurstijging zet het water in zeeën, oceanen
en meren uit. Delen van de ijsmassa's van
Antarctica en
Groenland zullen gaan smelten (hoewel aanvankelijk de
sneeuwval op de ijsmassa's zal toenemen, waardoor water
vastgehouden wordt). Uiteindelijk zal de zeespiegel gaan stijgen
(zie zeespiegelstijging) en wordt het klimaat sterk beïnvloed
(zie klimaatverandering). De verwachte zeespiegelstijging zal
een groter overstromingsgevaar veroorzaken, zodat de dijken
moeten worden verhoogd.
De hogere temperatuur zal uitbreiding van de woestijnen
veroorzaken, terwijl in andere gebieden een grotere regenval zal
optreden. In Zuid-Europa zal een tekort aan drinkwater kunnen
ontstaan. Tevens kan het ecologisch evenwicht veranderen met als
gevolg dat bepaalde plaaginsecten (malariamuskiet, sprinkhaan)
zich kunnen uitbreiden naar gebieden waar zij voorheen niet
voorkwamen.
In sommige gebieden kan door de klimaatsverandering de
landbouwproductie dalen met tientallen procenten. Aan de andere
kant stijgt de productie per plant door de verhoging van het
gehalte aan CO2, de bron van koolstof voor de plant.Als de
verdeling van de windrichting niet verandert, zal de gemiddelde
temperatuur in Nederland en België in het jaar 2050 0,5 tot 2 °C
warmer zijn dan nu. Volgens het KNMI zal temperatuurverhoging
merkbaar zijn in een verandering van het weer. Dit blijft echter
wisselvallig. Hittegolven zullen zeldzaam blijven. De strengste
winters zullen iets minder extreem koud worden en eerder
eindigen.
Jaarlijks zal er 2 tot 5% meer neerslag vallen. De grootste
toename wordt 's winters verwacht. In de zomer zal die
verandering vooral tot uiting komen in zwaardere buien met een
meer tropisch karakter. De neerslagintensiteit van de zomerse
buien neemt met zo'n 5 tot 20% toe. Het hiervoor geschetste
scenario kan echter anders uitpakken als de computermodellen die
de veranderingen van het klimaat voorspellen verbeterd worden.
|