header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Bulgarije

 

Terug naar overzicht Europa >>

 



 

Bulgarije (officieel: Republika Bšlgarija), republiek in Zuidoost-Europa, op het Balkanschiereiland; 110.994 km2, met 8.818.000 inw. (79 inw. per km2); hoofdstad: Sofija. Munteenheid is de lev, onderverdeeld in 100 stůtinki. Nationale feestdag is 3 maart.

1. Landschap
1.1 Fysische geografie
Het Balkangebergte (in Bulgarije Stara Planina genoemd) vormt de ruggengraat van het land. Ten noorden hiervan ligt Donau-Bulgarije, een naar het noorden afhellend, vruchtbaar lŲssplateau, dat tegen de Donau met een steile oever afbreekt en o.a. door Isker en Jantra wordt afgewaterd. In het noordoosten ligt het heuvelachtige woudgebied van Deli Orman, dat de overgang vormt naar de Dobroedsja. Ten zuiden van het Balkangebergte ligt het meer gecompliceerde Subbalkanische bekkenlandschap (bekkens van Sofija, Kazanluk, Sliven). De kern van het zuidwesten vormen het Pirin- en het Rilagebergte (hoogste punt: Moes Ala: 2925 m); ten westen hiervan ligt het Stroemadal, ten oosten hiervan het bosrijke Rodopigebergte. Tussen Balkan- en Rodopigebergte ligt de beschutte en goed bevloeide vlakte van de Maritsa (Oost-RoemeliŽ).
1.2 Klimaat
Noord-Bulgarije heeft een uitgesproken continentaal klimaat, met hete zomers en strenge winters. Ten zuiden van het Balkangebergte, dat een klimaatscheiding vormt, heerst een zachter klimaat. De neerslag bedraagt gemiddeld 600 mm per jaar; hoofdregentijd is de zomer, in het zuiden de herfst.
1.3 Plantengroei
Door roofbouw is het bosbezit sterk geslonken. Nog ca. 30% van de oppervlakte is met bos bedekt, waaronder veel loofwoud. Dichtbebost zijn het Pirin-, het Rila- en het Rodopigebergte, in mindere mate het Balkangebergte. In Donau-Bulgarije gras- en struiksteppe, voor zover geen cultuurland. In de Maritsavlakte en aan de Zwarte-Zeekust komt mediterrane plantengroei voor.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld behoort tot die van het mediterrane overgangsgebied, waarin elementen van de palearctische (een aantal Aziatische diersoorten bereikt hier hun westgrens), aethiopische en oriŽntale gebieden zijn vermengd, hetgeen resulteert in een grote soortenrijkdom. Aan de kust broeden o.a. pelikanen; in een aantal moerassen komen nog vrij talrijk zoetwaterschildpadden voor. Tot de beschermde gebieden behoren vooral de wetlands, belangrijk voor broedende en overwinterende vogels.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voornamelijk uit Bulgaren (85, 5%). De grootste minderheidsgroep is Turks (9,7%). De situatie van de Turkse minderheid verslechterde in de loop van de jaren tachtig. In 1984 werden de Turken verplicht een Slavische naam aan te nemen. In 1988 werd begonnen met een grootscheepse intimidering als gevolg waarvan honderdduizenden Turkse Bulgaren het land verlieten en hun toevlucht in Turkije zochten. Kleinere minderheidsgroepen zijn voorts MacedoniŽrs, Russen, Roemenen en zigeuners (de laatsten ca. 3,4% van de bevolking). In de periode 1985-1992 was de bevolkingsgroei gemiddeld 0,8% per jaar. Ca. 70% van de bevolking woont in de steden, waarvan de grootste zijn Sofija (1,2 miljoen inw.), Plovdiv (380.000 inw.) en Varna (315.000 inw.).
2.2 Taal
De officiŽle landstaal is het Bulgaars (zie Bulgaarse taal); het schrift is cyrillisch. Vůůr de massale uittocht in 1989 was voor 10% van de bevolking Turks de moedertaal.
2.3 Religie
Van het gelovige volksdeel (ca. 40%) behoort 88, 5% tot de Bulgaars-orthodoxe Kerk, met aan het hoofd een patriarch, die tevens metropoliet van Sofija is. Verder is 21% van de gelovigen islamiet (vnl. Turken en Pomaken [=moslim geworden Bulgaren]), 0,5% rooms-katholiek en 1% protestant. De grondwet van 1947 drong de macht van de kerk sterk terug. Er kwam een volledige scheiding van kerk en staat, een verbod voor de kerk op onderwijs en organisatie van de jeugd en een bepaling dat geestelijken door de staat worden betaald. Formeel is de vrijheid van godsdienst gewaarborgd, maar tevens bepaalt de grondwet dat de staat toezicht houdt op de kerkgenootschappen.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
Volgens de nieuwe grondwet van 1991 ligt de hoogste wetgevende macht bij de Sobranje (of Nationale Vergadering) van 240 afgevaardigden, die om de vier jaar in directe verkiezingen gekozen worden door alle Bulgaren van 18 jaar en ouder. De president is staatshoofd en opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hij wordt in directe algemene verkiezingen gekozen voor een ambtstermijn van vijf jaar. Met het vetorecht kan hij wetsvoorstellen van de Sobranje tegenhouden, c.q. uitstellen. In de nieuwe grondwet bleef de verwijzing naar de leidende rol van de communistische partij achterwege en werd een meerpartijenstelsel geÔntroduceerd. Tevens werd een gemengde economie toegelaten, alsmede verschillende eigendomsvormen. Artikelen die de vrijheid van meningsuiting beknotten werden geschrapt. Een bijbehorende kieswet schiep de voorwaarden voor vrije en democratische verkiezingen. De Raad van Ministers was volledige verantwoording schuldig aan de Sobranje.
3.2 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De werkelijke politieke macht werd tot 1990 uitgeoefend door de Bulgaarse Communistische Partij (BKP), die ruim 930!000 leden telde. De BKP werd in 1990 omgedoopt in Bulgaarse Socialistische Partij (BSP) en behield de meeste stemmen bij de parlementsverkiezingen van 1990 en 1994. De belangrijkste oppositiepartij is de Unie van Democratische krachten, in 1989 als alliantie van tien oppositiepartijen opgericht. Haar aanhang bevindt zich vooral in de steden. Voorts zijn nog belangrijk de Beweging voor Rechten en Vrijheid (BRF), die haar aanhang vindt onder de Bulgaarse moslims, en het Bulgaars Business Blok (BBB), opgericht in 1994. In dec. 1989 werd de eerste onafhankelijke vakbond, Podkrepa, opgericht.
3.3 Administratieve indeling
Bulgarije is ingedeeld in negen regio's of okroezi.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Bulgarije is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, geassocieerd lid van de Europese Unie, de Noord-Atlantische Samenwerkings Raad en de Raad van Europa. Tussen 1955 en 1991 was Bulgarije lid van het Warschaupact en de Comecon.

4. Economie
4.1 Inleiding
Van 1945 tot 1990 was Bulgarije een communistisch land met een geleide economie. De overgang naar de vrije markt bracht een logische recessie met zich mee, die in 1994 evenwel bedwongen leek. Er werd niet alleen reŽle groei van het BNP gezien (+3%, van 1990 tot 1994 nog -6%), ook daalde de werkloosheid tot 10%, liep de inflatie terug (van 100 naar 60%), en steeg de industriŽle productie. De agrarische sector blijft een belangrijke plaats innemen: in 1984 was 37% van de beroepsbevolking hierin werkzaam (tegenover 39% in de industrie, ruim 24% in de dienstverlening en handel).
4.2 Agrarische sector; bosbouw en visserij
Bulgarije is een vruchtbaar land; 56% van het oppervlak wordt gebruikt voor de landbouw, met 12% van het BNP (1994) is het een pijler van de economie. De collectivisering, in 1945 begonnen, is afgeschaft. De privatisering en landhervorming gingen iets te abrupt, waardoor de opbrengsten aanvankelijk tegenvielen. Uit dezelfde onbeheerstheid werden veel onnodige noodslachtingen bij het vee uitgevoerd. Inmiddels is de rust weergekeerd.
Irrigatie wordt op grote schaal toegepast. Belangrijke landbouwproducten zijn: granen (vooral tarwe en maÔs: Donau- en Maritsavlakte); tabak en katoen (uit het zuiden en de Maritsavlakte); fruit en groenten (langs de zijrivieren van de Donau); wijndruiven (Donau en Strumavallei); suiker (het zuidoosten en de noordelijke Donauvlakte). Bekend is ook de rozenolie, afkomstig uit Kazanluk.
In de berggebieden zijn veehouderij (vooral schapen) en bosbouw (houtwinning) van belang. Het centrum van de visserij is de Zwarte-Zeehaven Varna; de Bulgaren vissen vooral bij de Afrikaanse Westkust, in de Middellandse en in de Zwarte Zee.
4.3 Industrie en mijnbouw
De industrie is na 1945 sterk ontwikkeld. Het aandeel van deze sector in het nationaal inkomen bedroeg in 1939 15%, in 1994 38%. De landbouw- (conserven, tabak, wijn) en de textielproductie zijn voor een groot deel bestemd voor de export. Daarnaast ligt het accent op de moderne technologie. Industrie is gevestigd in Dimitrovgrad en Kremikovitsi (met de grootste hoogovens), Sofija (elektrotechniek, machinebouw), Varna (scheepsbouw), Pleven en Boergas (petrochemische industrie; landbouwmachines), Stara-Zagora en Reka-Devnija (chemische industrie). Bulgarije is een belangrijk producent van computers en industriŽle robots (het centrum van de moderne technologie ligt in Veliko Turnovo).
Alle bedrijven zijn begin jaren negentig geprivatiseerd. Na een inzinking stijgt de productie weer sinds 1994.
Bulgarije is betrekkelijk arm aan grondstoffen en energiebronnen. Zo is het land voor aardgas- en aardolievoorziening sterk aangewezen op Rusland. In het Balkan-, Rila- en Rodopigebergte komen lood, zink, koper, mangaan, ijzer en pyriet in kleine hoeveelheden voor. Van belang is de bruinkool- en steenkoolwinning.
4.4 Handel
De internationale handel is zwaar getroffen door de ineenstorting van het Oostblok. De Golfoorlog en de boycot van JoegoslaviŽ hebben het land geen goed gedaan. De handel zakte in tot de helft. Naast het GOS is de Europese Unie de grootste afnemer van Bulgaarse producten, vooral de dichtstbijzijnde landen. Ingevoerd worden olie en gas, transportmiddelen, machines, textiel; uitgevoerd vooral metaal, voedingsmiddelen, wijn, conserven, tabak en chemische producten.
4.5 Bankwezen en openbare financiŽn
Het bankwezen is geprivatiseerd. Afgezien van de nationale bank zijn er 78 zakenbanken actief. De bankhervorming (1990-1996) moet een nieuw systeem naar westers voorbeeld bewerkstelligen.
4.6 Verkeer
De belangrijkste verkeersdragers zijn wegen en de spoorwegen; er is een net van ruim 6000 km, waarvan de helft geŽlektrificeerd. Diverse grote internationale treinen doen Bulgarije aan. Het wegennet is dicht (37!000) en kent diverse autosnelwegen, die tegen 2000 door een grote ringweg verbonden zullen zijn. De aanleg van autowegen heeft prioriteit, mede door de toename van het aantal personenauto's en het toeristenverkeer.
De belangrijkste havens aan de Zwarte Zee zijn Varna en Boergas; er is een lijndienst naar de Middellandse Zee, alsook verbindingen met havens in de Perzische Golf en India.
Het luchtverkeer wordt momenteel geprivatiseerd en is nog in opbouw. Er zijn elf luchthavens voor binnen- en buitenlandse vluchten. Het belangrijkste vliegveld is Vrazjdebna bij Sofija.

5. Toeristische gegevens
Bulgarije wordt in toenemende mate door toeristen bezocht. Waren het aanvankelijk vooral toeristen uit Oost-Europa, thans bezoeken ook vele westerlingen (en Turken, op doorreis) het land: het kustgebied (waar grote moderne hotels zijn verrezen), de zgn. Rozenvallei (met als belangrijkste centra Karlovo en Sopot) en het natuurschoon, zoals de grillig gevormde rotsen bij Belogratsjik, de 'piramiden' bij Melnik, het zgn. Stenen Woud (monumentale stenen kolommen) Pobitite Kamuni, ten westen van Varna, vormen trekpleisters voor de toeristen. Van staatswege wordt een aantal oude stadsdelen beschermd; zij blijven zoveel mogelijk in de oorspronkelijke toestand bewaard. Dergelijke centra zijn te vinden in o.m.: Plovdiv, Koprivsjtitsa (met diverse musea, w.o. een etnografisch), Melnik (met het Bojarenhuis, het oudste van het land, en resten van een 13de-eeuws klooster) en Nessebur (monumenten uit diverse cultuurperioden); bij Gabrovo ligt een openluchtmuseum. Tal van folkloristische tradities worden in Bulgarije in ere gehouden; bekend is het jaarlijkse internationale folklorefestival in Boergas (augustus). Aan de oudste bewoners van het land, de ThraciŽrs (zie ThraciŽ), herinneren diverse goud- en zilvervondsten (vnl. daterend uit de 8ste tot 4de eeuw v.C.), thans in de musea van Sofija (Archeologisch Museum), Veliko Turnovo, Lovetsj, Plovdiv, Vratsa, Varna en Razgrad. Beroemd is de Thracische grafheuvel van Kazanluk (4de eeuw v.C.); uit later tijd dateren die van Pomorie (2de-4de eeuw), Silistra (4de eeuw; met muurschilderingen) en Mizija. Wellicht de grootste bezienswaardigheid in Bulgarije vormen de kloosters, niet alleen om hun bouw, maar ook om de wandschilderingen, iconencollecties en bibliotheken. Te noemen zijn o.m. het Rilaklooster bij Sofija (10de eeuw, het oudste van Bulgarije), het Batsjkovoklooster (11de eeuw), het Drjanovoklooster ten oosten van Gabrovo (13de eeuw), het Ivanovo-rotsklooster (12de eeuw), het Preobrazjenskiklooster (19de eeuw), het Bozjentsiklooster (13de eeuw; met zeer waardevolle iconencollectie en iconostase) en het Trojanskiklooster (ca. 1600) bij Trojan.

6. Geschiedenis
Bulgarije werd in de oudheid bewoond door ThraciŽrs, die in de 1ste eeuw v.C. door de Romeinen werden onderworpen. Onder Augustus en Claudius werden resp. de provincies Moesia en (ten zuiden van het Balkangebergte) Thracia ingericht. Als onderdeel van het Byzantijnse Rijk stond het gebied bloot aan verwoestende invallen van Hunnen en Visigoten. In de 6de eeuw trokken Slaven Bulgarije binnen, die onderworpen werden door de kort daarna komende Bulgaren, een Turko-Tataars volk. De Bulgaren vestigden een militaire staat (679, overwinning op Byzantijnen), maar gingen vrij spoedig geheel op in de Slavische bevolking. Na veel strijd met Byzantium werd in de 9de eeuw het christendom aanvaard (door Boris I). Staatkundig bleef Bulgarije echter zelfstandig. In de 9de en 10de eeuw was het een bloeiend rijk, dat zich over het grootste deel van het Balkanschiereiland uitstrekte. Hoogtepunt was de regering van Simeon I (893-927). Het rijk viel in 963 echter uiteen in een westelijk deel (MacedoniŽ) en een oostelijk deel, dat in 972 een Byzantijnse provincie werd. De Byzantijnse keizer Basilius II, de Bulgarendoder, wist in 1018 ook het West-Bulgaarse Rijk te onderwerpen. In 1186 werd de zelfstandigheid herwonnen door de opstand onder de broers Asen, die een nieuwe dynastie stichtten. Een tweede Bulgaars Rijk ontstond, met bijna dezelfde omvang als het eerste. Mettertijd raakte ook het tweede Bulgaarse Rijk in verval. In de 14de eeuw deden de Mongolen invallen, van 1330 tot 1355 werd Bulgarije een vazalstaat van ServiŽ. Ten slotte werd het door de Turken veroverd (in 1382 viel Sofija, in 1393 de hoofdstad Turnovo).
6.1 Turkse overheersing
De adel ging grotendeels in Turkse dienst over en nam de islam aan; het merendeel van de bevolking bleef christelijk. Bulgarije werd aanvankelijk bestuurd door een stadhouder, de Beylerbei van RoemeliŽ. Sinds de 16de eeuw heersten de provinciale bestuurders, de pasja's (beis van de Sandzjaks), oppermachtig en oefenden een wreed en corrupt regime uit. De bevolking had behalve onder de zware onderdrukking door de Turken te lijden onder het machtsmisbruik van de gehelleniseerde hoge geestelijkheid. Vooral in de 18de eeuw kwamen de hoge kerkelijke ambten in handen van de Fanarioten, die op de bevolking de zware lasten afwentelden, die door de kerk aan de Turkse regering verschuldigd waren. In 1767 verloor de Bulgaarse kerk de laatste rest van autonomie door de opheffing van het patriarchaat van Ohrid. Het religieuze leven bleef echter altijd door een Grieks-Byzantijnse traditie beheerst. Intussen bleven steeds kleine en grote opstanden voorkomen, totdat in de 18de eeuw de wederopleving van het Bulgaarse nationale besef vaste vorm begon aan te nemen. In 1870 werd de sultan opnieuw een zekere mate van kerkelijke autonomie afgedwongen (oprichting van een Bulgaars exarchaat). In april 1876 kwam het tot een opstand, die aanleiding gaf tot gruwelijke Turkse represailles. Daarop volgde een oorlog van de Slavische Balkanstaten, gesteund door Rusland, tegen Turkije. Bij de Vrede van San Stefano (3 maart 1878) werd een grote Bulgaarse staat opgericht, die echter op het Congres van Berlijn (juni/juli 1878) op aandrang van Engeland en Oostenrijk-Hongarije sterk verkleind werd. Oost-RoemeliŽ bleef een Turkse provincie, zij het onder een christelijke gouverneur.
6.2 Herstelde onafhankelijkheid
Het overblijvende Bulgarije kreeg Alexander von Battenberg tot vorst, maar werd in feite een Russische vazalstaat, echter schatplichtig aan Turkije. Alexander ging afwisselend van een constitutioneel op een dictatoriaal regime over. Toen hij de door opstandelingen in Oost-RoemeliŽ gewenste unie met Bulgarije aanvaardde, verklaarde ServiŽ Bulgarije de oorlog, die in 1886 (na een militaire overwinning van de Bulgaren) op basis van de status quo met de Vrede van Boekarest afgesloten werd. Nadat Rusland aan de regering van Alexander een eind had gemaakt, werd op initiatief van Stamboelov in 1887 Ferdinand van Saksen-Coburg tot vorst van Bulgarije gekozen. Hij verbeterde de betrekkingen met Rusland. Na de jong-Turkse revolutie maakte Ferdinand Bulgarije volledig onafhankelijk, lijfde Oost-RoemeliŽ in en proclameerde zichzelf in 1908 tot tsaar van Bulgarije.
De Eerste Balkanoorlog (1912) en de Tweede balkanoorlog (1913) brachten het land uiteindelijk slechts een bescheiden gebiedsvergroting ten koste van Turkije; de ongelukkige afloop van de tweede, waarin Rusland op de hand van zijn vijand ServiŽ was geweest, leidde tot een koerswijziging ten gunste van een nauwere aansluiting bij Oostenrijk en Duitsland. In sept. 1915 nam Bulgarije deel aan de Eerste Wereldoorlog. Zijn leger droeg ertoe bij, de Entente-strijdkrachten Gallipoli aan de Dardanellen te doen ontruimen, ServiŽ neer te slaan en na de intrede van RoemeniŽ in de oorlog (1916) dit land ook van het zuiden uit open te stellen voor de aanval van de Centralen. In sept. 1918 braken Franse troepen van Griekenland uit door de Bulgaarse linies; op 30 sept. staakte Bulgarije - als eerste van de Centrale mogendheden - de strijd. Ferdinand trad af (3 okt. 1918). Hij werd door zijn zoon Boris III opgevolgd. Bulgarije moest op 27 okt. 1919 de Vrede van Neuilly tekenen, waarbij het afstand moest doen van een strook gebied aan de EgeÔsche Zee en van delen van MacedoniŽ ten gunste van Griekenland, resp. JoegoslaviŽ.
6.3 De monarchie na de Eerste Wereldoorlog
De binnenlandse politiek van Bulgarije werd na 1918 in sterke mate beheerst door sociale en ideologische tegenstellingen. De communistische partij behaalde bij de verkiezingen van 1919 ruim 20% van de stemmen en werd daarmee de tweede partij na de Agrarische Unie, waarvan de leider, Stamboeliski, van 1919 tot 1923 aan het hoofd stond van de regering. Stamboeliski voerde een agrarische hervorming door, die een einde maakte aan het grootgrondbezit, trachtte de activiteiten van de IMRO, de Macedonische terreurorganisatie, die geheel MacedoniŽ bij een Groot-Bulgarije wilde inlijven, te onderdrukken en poogde op dictatoriale wijze zijn tegen alle niet-agrarische belangen gerichte beleid door te voeren. Zijn streven om met de communisten samen te werken stuitte af op hun weigering, tegen de stedelijke bourgeoisie die van het platteland te steunen. Nadat Stamboeliski in 1923 als gevolg van een samenzwering van officieren, politici en Macedonische terroristen vermoord was, gaf Moskou het sein tot een gemeenschappelijk optreden van communisten en linkse boeren. Na een mislukte opstand (sept. 1923) werd de beweging bloedig onderdrukt. De in 1923 aangetreden premier Tsankov liet de IMRO de vrije hand. Bulgarije dreigde in een toestand van anarchie en rechteloosheid af te glijden, totdat in 1934 twee kolonels, Veltsjev en Georgiev, een staatsgreep pleegden; de laatstgenoemde vormde een regering, dwong de leider van de IMRO, Michailov, het land te verlaten en verbood alle politieke partijen. In okt. 1935 nam koning Boris (de titel tsaar raakte na de Russische Revolutie meer in onbruik) zelf het bewind in handen, totdat in 1938 een parlementaire regering werd gevormd. In deze tijd ontstond toenadering tot JoegoslaviŽ. Het nationaal-socialisme maakte in Bulgarije onder leiding van Tsankov vorderingen. Het was evenwel meer onder de indruk van de Duitse politieke successen, dat Bulgarije in 1939 toenadering tot de As-mogendheden zocht. Het in febr. 1940 aangetreden kabinet-Filov trachtte met succes revisionistische verlangens te bevredigen zonder Bulgarije tot volledige deelneming aan de Tweede Wereldoorlog te brengen. In 1940 kreeg Bulgarije van RoemeniŽ de Zuidelijke Dobroedsja terug, in 1941 liet het toe dat Duitse troepen het landsgebied betraden en ook vanuit Bulgarije JoegoslaviŽ en Griekenland aanvielen. Bulgarije mocht delen van die landen bezetten. In 1941 verklaarde Bulgarije aan Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten formeel de oorlog. Bulgarije nam evenwel geen deel aan de krijgsverrichtingen. In 1942 werd door de communisten (Dranaliev), de linkse Agrarische Unie (Petkov) en de autoritaire, maar anti-Duitse groep 'Zveno' onder leiding van oud-premier Georgiev het zgn. Vaderlands Front gevormd, een verzetsbeweging tegen de As en tegen de koning, die vooral na de Duitse nederlaag in Stalingrad actief werd door het oprichten van partizaneneenheden en het liquideren van tegenstanders. Na de dood van koning Boris (28 aug. 1943) voerde een Raad van drie personen (prins Cyril, premier Filov en de minister van Oorlog, Michov) het regentschap voor zijn zesjarige zoon Simeon. Terwijl Bulgarije reeds te CaÔro met de westelijke geallieerden onderhandelingen was begonnen, verklaarde de Sovjet-Unie op 5 sept. 1944 het land onverwacht de oorlog. Dit leidde tot een militaire coup, die vier dagen later het Vaderlands Front aan de macht bracht. Bulgarije verklaarde onmiddellijk de oorlog aan Duitsland.
6.4 De volksdemocratie
In vergelijking met andere Oost-Europese landen die met Duitsland verbonden waren geweest, was de positie van de communisten in Bulgarije sterk. Zij bezaten in het Vaderlands Front een geschikt orgaan voor de uitbouw van hun macht en konden profiteren van sterke pro-Russische gevoelens onder de bevolking. Georgiev vormde een regering, waarin de communisten het ministerie van Binnenlandse Zaken verkregen. In zes maanden werden in het kader van een grootscheepse 'zuivering' meer dan 2000 mensen terechtgesteld, onder wie de regenten. Met hulp van de Sovjetautoriteiten - en in overeenstemming met de in de andere 'volksdemocratieŽn' gevolgde praktijk - tastten zij eerst hun agrarische bondgenoten aan. In 1946 werd ook formeel de monarchie afgeschaft (op 15 sept. vond de uitroeping van de socialistische volksrepubliek plaats). In 1947 werd te Parijs het vredesverdrag gesloten, dat aan Bulgarije de Zuidelijke Dobroedsja toewees, maar het veroordeelde tot het betalen van schadeloosstelling aan Griekenland en JoegoslaviŽ. Nog in hetzelfde jaar brachten verkiezingen een overweldigende meerderheid voor het Vaderlands Front, waarin de communisten thans geheel domineerden, werd Georgi Dimitrov, de voormalige leider van de Komintern, premier en maakte de terdoodveroordeling van Petkov de resten van een agrarische oppositie krachteloos. Een nieuwe grondwet naar het model van die van de Sovjet-Unie werd geproclameerd, in het begin van 1948 volgde de volledige gelijkschakeling van de socialistische partij en aan het einde van dat jaar werd de industrie genationaliseerd. Nadat Bulgarije eerst samen met JoegoslaviŽ naar het tot stand komen van een Balkan-Unie had gestreefd, schaarde het zich na de breuk tussen Tito en Stalin (juni 1948) in de rij van de felste vijanden van het titoÔsme. Naar buiten betekende dit o.m. een herleving van de oude territoriale eisen - geheel MacedoniŽ bij Bulgarije - naar binnen de veroordeling en executie van een aantal 'titoÔsten' (in werkelijkheid hooguit 'nationale communisten' zonder aanwijsbare sympathieŽn voor de Joegoslavische president), van wie de bekendste de voormalige eerste secretaris van de partij, Kostov, was (maart 1949). Bij de dood van Dimitrov volgde Tsjervenkov hem als partij- en regeringsleider op (1949). Bulgarije volgde de voor alle volksdemocratieŽn voorgeschreven politiek, maar ontplooide vooral in de collectivisering van de landbouw een opmerkelijke ijver. Ook na 1953 en 1956 hield Bulgarije aan een straffe koers vast. In 1954 werd Todor Zjivkov secretaris-generaal van de partij. In 1962 werd hij tevens premier. In 1979, na de invoering van een nieuwe Grondwet, verruilde hij het premierschap voor de functie van voorzitter van de Staatsraad (staatshoofd). Het regime van Zjivkov was sterk gericht op de Sovjet-Unie. Bulgarije is een van de Oost-Europese staten waar het lang geduurd heeft eer er een echt begin is gemaakt met de destalinisatie.
In april 1965 werd melding gemaakt van een later als 'pro-Chinees' omschreven couppoging van legerofficieren. In dat jaar werd ook een economisch hervormingsprogramma ingevoerd: het Nieuwe Economische Mechanisme (NEM). In 1979 volgde een nieuwe NEM, die de centrale planning moest terugdringen. Het systeem werd in de daaropvolgende jaren verscheidene keren aangepast. In 1986 werd een aantal ministeries opgeheven of samengevoegd, een jaar later startte Bulgarije verregaande economische hervormingen naar het voorbeeld van de 'perestrojka' in de Sovjet-Unie.
Op het 13de partijcongres van 1986 werd de partijleiding aanzienlijk gewijzigd en verjongd. De gedoodverfde 'Gorbatsjov van Bulgarije', Tjoedomir Aleksandrov, verdween twee jaar later plotseling uit de partijtop.
De betrekkingen met het Westen raakten na nov. 1982 ernstig verstoord, nadat Mehmet Ali Agca, de Turk die in 1981 een aanslag op de paus had gepleegd, onthulde dat hij in opdracht van de Bulgaarse geheime dienst had gehandeld. Een Bulgaarse verdachte in ItaliŽ kwam in 1986 vrij wegens gebrek aan bewijs.
Op 10 nov. 1989 werd Zjivkov afgezet als partijleider en op 16 nov. volgde zijn ontslag als staatshoofd. Hij werd in beide functies opgevolgd door de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Petar Mladenov. Zjivkov werd vervolgens in staat van beschuldiging gesteld wegens wanbeleid en schending van de mensenrechten. Het Politburo, de regering en andere machtsorganen werden eind 1989 gezuiverd van aanhangers van Zjivkov.
In dec. 1989 vormden een twintigtal oppositiegroepen de Federatie van Democratische Krachten en werd de eerste onafhankelijke vakbond, Podkrepa, opgericht. Begin 1990 begon de communistische partij na massale protestdemonstraties van de bevolking een rondetafeldialoog met de oppositie. Die gesprekken resulteerden in het toelaten van nieuwe politieke partijen, vrije verkiezingen in juni 1990 en het schrappen van de leidende rol van de communistische partij uit de grondwet.
6.5 1990- heden
De voormalige communistische partij, de Bulgaarse Socialistische Partij (BSP), wist bij de eerste vrije verkiezingen in juni 1990 een meerderheid te behalen in het parlement. Met name op het platteland was in groten getale op de BSP gestemd. Zjeljoe Zjelev, leider van de oppositiepartij Unie van Democratische Krachten, werd op 1 aug. 1990 gekozen tot nieuwe president. De BSP-regering viel reeds in nov. 1990, waarmee een eind kwam aan de communistische overheersing. In dec. 1990 trad een 'regering van experts' aan. De regering werd in okt. 1992 vervangen door een regering van partijloze ministers onder leiding van premier Ljoeben Berov.
Hoewel de regering-Berov als tijdelijk was bedoeld, bleef zij tot sept. 1994 bijeen, omdat noch de BSP noch de SDS nieuwe verkiezingen wilde uitschrijven. De partijen vertegenwoordigden twee politieke uitersten, die een concensus in de weg stonden en de economische en morele crisis deden voortduren waarin het land na bijna een halve eeuw communisme verkeerde. Van sept. tot dec. 1994 trad een zakenkabinet aan onder Reneta Indzjova om de periode tot de verkiezingen te overbruggen. De verkiezingen werden met een absolute meerderheid gewonnen door de BSP van Zhan Videnov. Bulgarije zocht in 1994 verdere aansluiting bij het Westen, maar haalde tevens de traditionele banden aan met Moskou, ook op economisch gebied.
Corruptie, criminaliteit, etnische spanningen en een groeiende kloof tussen arm en rijk bleven het sociale leven bepalen. Ook binnen zijn eigen partij had premier Videnov te kampen met tegenstand. President Zjelev (SDS) werd in 1996 opgevolgd door zijn partijgenoot Petar Stojanov. Eind dec. viel de regering-Videnov, die er niet in was geslaagd de door de SDS ingezette economische herstructurering een vervolg te geven, waardoor de economische crisis zich nog verder verdiepte. Stefan Sofianski (SDS), de burgemeester van Sofija, trad in febr. 1997 aan als leider van een overgangskabinet, dat de verkiezingen voor april moest voorbereiden. BSP en SDS bleven elkaar verketteren.
6.6 Bulgarisering
Eind 1984 begon Bulgarije een campagne om de Turkse minderheid in het land, ca. 10% van de totale bevolking, te 'bulgariseren'. Etnische Turken en Pomaken (ca. 250.000 nazaten van de tijdens de Osmaanse overheersing tot de islam bekeerde Bulgaren) werden gedwongen Slavische namen aan te nemen. Honderden weigerachtige Turken werden veroordeeld of verbannen. Op de Balkanconferentie in Belgrado (1988) kreeg Bulgarije ook kritiek wegens de behandeling van de MacedoniŽrs, die evenmin als een officiŽle minderheid werden erkend. In mei 1989 gaf Bulgarije de leden van de Turkse minderheid de mogelijkheid het land te verlaten. Meer dan 300.000 Bulgaarse Turken vertrokken naar Turkije. De massale uittocht en de weigering van Sofija om deze grootste emigratiegolf na de Tweede Wereldoorlog bij verdrag te regelen, veroorzaakten ernstige spanningen tussen beide landen.
De bulgariseringscampagne ten aanzien van de etnische Turken werd in dec. 1989 gestaakt. Vlak daarop keerden enkele tienduizenden naar Turkije geŽmigreerde islamitische Bulgaren terug.

Telefoongids Bulgarije
Postcodes Bulgarije

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009