|
1. Landschap
1.1 Fysische geografie
Het
Balkangebergte (in Bulgarije Stara Planina genoemd) vormt de ruggengraat
van het land. Ten noorden hiervan ligt Donau-Bulgarije, een naar het
noorden afhellend, vruchtbaar lössplateau, dat tegen de Donau met een
steile oever afbreekt en o.a. door Isker en Jantra wordt afgewaterd. In
het noordoosten ligt het heuvelachtige woudgebied van Deli Orman, dat de
overgang vormt naar de Dobroedsja. Ten zuiden van het Balkangebergte
ligt het meer gecompliceerde Subbalkanische bekkenlandschap (bekkens van
Sofija, Kazanluk, Sliven). De kern van het zuidwesten vormen het Pirin-
en het Rilagebergte (hoogste punt: Moes Ala: 2925 m); ten westen hiervan
ligt het Stroemadal, ten oosten hiervan het bosrijke Rodopigebergte.
Tussen Balkan- en Rodopigebergte ligt de beschutte en goed bevloeide
vlakte van de Maritsa (Oost-Roemelië).
1.2 Klimaat
Noord-Bulgarije heeft een uitgesproken continentaal klimaat, met hete
zomers en strenge winters. Ten zuiden van het Balkangebergte, dat een
klimaatscheiding vormt, heerst een zachter klimaat. De neerslag bedraagt
gemiddeld 600 mm per jaar; hoofdregentijd is de zomer, in het zuiden de
herfst.
1.3 Plantengroei
Door roofbouw is het bosbezit sterk geslonken. Nog ca. 30% van de
oppervlakte is met bos bedekt, waaronder veel loofwoud. Dichtbebost zijn
het Pirin-, het Rila- en het Rodopigebergte, in mindere mate het
Balkangebergte. In Donau-Bulgarije gras- en struiksteppe, voor zover
geen cultuurland. In de Maritsavlakte en aan de Zwarte-Zeekust komt
mediterrane plantengroei voor.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld behoort tot die van het mediterrane overgangsgebied,
waarin elementen van de palearctische (een aantal Aziatische diersoorten
bereikt hier hun westgrens), aethiopische en oriëntale gebieden zijn
vermengd, hetgeen resulteert in een grote soortenrijkdom. Aan de kust
broeden o.a. pelikanen; in een aantal moerassen komen nog vrij talrijk
zoetwaterschildpadden voor. Tot de beschermde gebieden behoren vooral de
wetlands, belangrijk voor broedende en overwinterende vogels.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voornamelijk uit Bulgaren (85, 5%). De grootste
minderheidsgroep is Turks (9,7%). De situatie van de Turkse minderheid
verslechterde in de loop van de jaren tachtig. In 1984 werden de Turken
verplicht een Slavische naam aan te nemen. In 1988 werd begonnen met een
grootscheepse intimidering als gevolg waarvan honderdduizenden Turkse
Bulgaren het land verlieten en hun toevlucht in Turkije zochten.
Kleinere minderheidsgroepen zijn voorts Macedoniërs, Russen, Roemenen en
zigeuners (de laatsten ca. 3,4% van de bevolking). In de periode
1985-1992 was de bevolkingsgroei gemiddeld 0,8% per jaar. Ca. 70% van de
bevolking woont in de steden, waarvan de grootste zijn Sofija (1,2
miljoen inw.), Plovdiv (380.000 inw.) en Varna (315.000 inw.).
2.2 Taal
De officiële landstaal is het Bulgaars (zie Bulgaarse taal); het schrift
is cyrillisch. Vóór de massale uittocht in 1989 was voor 10% van de
bevolking Turks de moedertaal.
2.3 Religie
Van het gelovige volksdeel (ca. 40%) behoort 88, 5% tot de
Bulgaars-orthodoxe Kerk, met aan het hoofd een patriarch, die tevens
metropoliet van Sofija is. Verder is 21% van de gelovigen islamiet (vnl.
Turken en Pomaken [=moslim geworden Bulgaren]), 0,5% rooms-katholiek en
1% protestant. De grondwet van 1947 drong de macht van de kerk sterk
terug. Er kwam een volledige scheiding van kerk en staat, een verbod
voor de kerk op onderwijs en organisatie van de jeugd en een bepaling
dat geestelijken door de staat worden betaald. Formeel is de vrijheid
van godsdienst gewaarborgd, maar tevens bepaalt de grondwet dat de staat
toezicht houdt op de kerkgenootschappen.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
Volgens de nieuwe grondwet van 1991 ligt de hoogste wetgevende macht bij
de Sobranje (of Nationale Vergadering) van 240 afgevaardigden, die om de
vier jaar in directe verkiezingen gekozen worden door alle Bulgaren van
18 jaar en ouder. De president is staatshoofd en opperbevelhebber van de
strijdkrachten. Hij wordt in directe algemene verkiezingen gekozen voor
een ambtstermijn van vijf jaar. Met het vetorecht kan hij
wetsvoorstellen van de Sobranje tegenhouden, c.q. uitstellen. In de
nieuwe grondwet bleef de verwijzing naar de leidende rol van de
communistische partij achterwege en werd een meerpartijenstelsel
geïntroduceerd. Tevens werd een gemengde economie toegelaten, alsmede
verschillende eigendomsvormen. Artikelen die de vrijheid van
meningsuiting beknotten werden geschrapt. Een bijbehorende kieswet
schiep de voorwaarden voor vrije en democratische verkiezingen. De Raad
van Ministers was volledige verantwoording schuldig aan de Sobranje.
3.2 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De werkelijke politieke macht werd tot 1990 uitgeoefend door de
Bulgaarse Communistische Partij (BKP), die ruim 930!000 leden telde. De
BKP werd in 1990 omgedoopt in Bulgaarse Socialistische Partij (BSP) en
behield de meeste stemmen bij de parlementsverkiezingen van 1990 en
1994. De belangrijkste oppositiepartij is de Unie van Democratische
krachten, in 1989 als alliantie van tien oppositiepartijen opgericht.
Haar aanhang bevindt zich vooral in de steden. Voorts zijn nog
belangrijk de Beweging voor Rechten en Vrijheid (BRF), die haar aanhang
vindt onder de Bulgaarse moslims, en het Bulgaars Business Blok (BBB),
opgericht in 1994. In dec. 1989 werd de eerste onafhankelijke vakbond,
Podkrepa, opgericht.
3.3 Administratieve indeling
Bulgarije is ingedeeld in negen regio's of okroezi.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Bulgarije is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, geassocieerd lid van de Europese Unie, de
Noord-Atlantische Samenwerkings Raad en de Raad van Europa. Tussen 1955
en 1991 was Bulgarije lid van het Warschaupact en de Comecon.
4. Economie
4.1 Inleiding
Van
1945 tot 1990 was Bulgarije een communistisch land met een geleide
economie. De overgang naar de vrije markt bracht een logische recessie
met zich mee, die in 1994 evenwel bedwongen leek. Er werd niet alleen
reële groei van het BNP gezien (+3%, van 1990 tot 1994 nog -6%), ook
daalde de werkloosheid tot 10%, liep de inflatie terug (van 100 naar
60%), en steeg de industriële productie. De agrarische sector blijft een
belangrijke plaats innemen: in 1984 was 37% van de beroepsbevolking
hierin werkzaam (tegenover 39% in de industrie, ruim 24% in de
dienstverlening en handel).
4.2 Agrarische sector; bosbouw en visserij
Bulgarije is een vruchtbaar land; 56% van het oppervlak wordt gebruikt
voor de landbouw, met 12% van het BNP (1994) is het een pijler van de
economie. De collectivisering, in 1945 begonnen, is afgeschaft. De
privatisering en landhervorming gingen iets te abrupt, waardoor de
opbrengsten aanvankelijk tegenvielen. Uit dezelfde onbeheerstheid werden
veel onnodige noodslachtingen bij het vee uitgevoerd. Inmiddels is de
rust weergekeerd.
Irrigatie wordt op grote schaal toegepast. Belangrijke landbouwproducten
zijn: granen (vooral tarwe en maïs: Donau- en Maritsavlakte); tabak en
katoen (uit het zuiden en de Maritsavlakte); fruit en groenten (langs de
zijrivieren van de Donau); wijndruiven (Donau en Strumavallei); suiker
(het zuidoosten en de noordelijke Donauvlakte). Bekend is ook de
rozenolie, afkomstig uit Kazanluk.
In de berggebieden zijn veehouderij (vooral schapen) en bosbouw
(houtwinning) van belang. Het centrum van de visserij is de
Zwarte-Zeehaven Varna; de Bulgaren vissen vooral bij de Afrikaanse
Westkust, in de Middellandse en in de Zwarte Zee.
4.3 Industrie en mijnbouw
De industrie is na 1945 sterk ontwikkeld. Het aandeel van deze sector in
het nationaal inkomen bedroeg in 1939 15%, in 1994 38%. De landbouw-
(conserven, tabak, wijn) en de textielproductie zijn voor een groot deel
bestemd voor de export. Daarnaast ligt het accent op de moderne
technologie. Industrie is gevestigd in Dimitrovgrad en Kremikovitsi (met
de grootste hoogovens), Sofija (elektrotechniek, machinebouw), Varna
(scheepsbouw), Pleven en Boergas (petrochemische industrie;
landbouwmachines), Stara-Zagora en Reka-Devnija (chemische industrie).
Bulgarije is een belangrijk producent van computers en industriële
robots (het centrum van de moderne technologie ligt in Veliko Turnovo).
Alle bedrijven zijn begin jaren negentig geprivatiseerd. Na een
inzinking stijgt de productie weer sinds 1994.
Bulgarije is betrekkelijk arm aan grondstoffen en energiebronnen. Zo is
het land voor aardgas- en aardolievoorziening sterk aangewezen op
Rusland. In het Balkan-, Rila- en Rodopigebergte komen lood, zink,
koper, mangaan, ijzer en pyriet in kleine hoeveelheden voor. Van belang
is de bruinkool- en steenkoolwinning.
4.4 Handel
De internationale handel is zwaar getroffen door de ineenstorting van
het Oostblok. De Golfoorlog en de boycot van Joegoslavië hebben het land
geen goed gedaan. De handel zakte in tot de helft. Naast het GOS is de
Europese Unie de grootste afnemer van Bulgaarse producten, vooral de
dichtstbijzijnde landen. Ingevoerd worden olie en gas,
transportmiddelen, machines, textiel; uitgevoerd vooral metaal,
voedingsmiddelen, wijn, conserven, tabak en chemische producten.
4.5 Bankwezen en openbare financiën
Het bankwezen is geprivatiseerd. Afgezien van de nationale bank zijn er
78 zakenbanken actief. De bankhervorming (1990-1996) moet een nieuw
systeem naar westers voorbeeld bewerkstelligen.
4.6 Verkeer
De belangrijkste verkeersdragers zijn wegen en de spoorwegen; er is een
net van ruim 6000 km, waarvan de helft geëlektrificeerd. Diverse grote
internationale treinen doen Bulgarije aan. Het wegennet is dicht
(37!000) en kent diverse autosnelwegen, die tegen 2000 door een grote
ringweg verbonden zullen zijn. De aanleg van autowegen heeft prioriteit,
mede door de toename van het aantal personenauto's en het
toeristenverkeer.
De belangrijkste havens aan de Zwarte Zee zijn Varna en Boergas; er is
een lijndienst naar de Middellandse Zee, alsook verbindingen met havens
in de Perzische Golf en India.
Het luchtverkeer wordt momenteel geprivatiseerd en is nog in opbouw. Er
zijn elf luchthavens voor binnen- en buitenlandse vluchten. Het
belangrijkste vliegveld is Vrazjdebna bij Sofija.
5. Toeristische gegevens
Bulgarije wordt in toenemende mate door toeristen bezocht. Waren het
aanvankelijk vooral toeristen uit Oost-Europa, thans bezoeken ook vele
westerlingen (en Turken, op doorreis) het land: het kustgebied (waar
grote moderne hotels zijn verrezen), de zgn. Rozenvallei (met als
belangrijkste centra Karlovo en Sopot) en het natuurschoon, zoals de
grillig gevormde rotsen bij Belogratsjik, de 'piramiden' bij Melnik, het
zgn. Stenen Woud (monumentale stenen kolommen) Pobitite Kamuni, ten
westen van Varna, vormen trekpleisters voor de toeristen. Van staatswege
wordt een aantal oude stadsdelen beschermd; zij blijven zoveel mogelijk
in de oorspronkelijke toestand bewaard. Dergelijke centra zijn te vinden
in o.m.: Plovdiv, Koprivsjtitsa (met diverse musea, w.o. een
etnografisch), Melnik (met het Bojarenhuis, het oudste van het land, en
resten van een 13de-eeuws klooster) en Nessebur (monumenten uit diverse
cultuurperioden); bij Gabrovo ligt een openluchtmuseum. Tal van
folkloristische tradities worden in Bulgarije in ere gehouden; bekend is
het jaarlijkse internationale folklorefestival in Boergas (augustus).
Aan de oudste bewoners van het land, de Thraciërs (zie Thracië),
herinneren diverse goud- en zilvervondsten (vnl. daterend uit de 8ste
tot 4de eeuw v.C.), thans in de musea van Sofija (Archeologisch Museum),
Veliko Turnovo, Lovetsj, Plovdiv, Vratsa, Varna en Razgrad. Beroemd is
de Thracische grafheuvel van Kazanluk (4de eeuw v.C.); uit later tijd
dateren die van Pomorie (2de-4de eeuw), Silistra (4de eeuw; met
muurschilderingen) en Mizija. Wellicht de grootste bezienswaardigheid in
Bulgarije vormen de kloosters, niet alleen om hun bouw, maar ook om de
wandschilderingen, iconencollecties en bibliotheken. Te noemen zijn o.m.
het Rilaklooster bij Sofija (10de eeuw, het oudste van Bulgarije), het
Batsjkovoklooster (11de eeuw), het Drjanovoklooster ten oosten van
Gabrovo (13de eeuw), het Ivanovo-rotsklooster (12de eeuw), het
Preobrazjenskiklooster (19de eeuw), het Bozjentsiklooster (13de eeuw;
met zeer waardevolle iconencollectie en iconostase) en het
Trojanskiklooster (ca. 1600) bij Trojan.
6. Geschiedenis
Bulgarije
werd in de oudheid bewoond door Thraciërs, die in de 1ste eeuw v.C. door
de Romeinen werden onderworpen. Onder Augustus en Claudius werden resp.
de provincies Moesia en (ten zuiden van het Balkangebergte) Thracia
ingericht. Als onderdeel van het Byzantijnse Rijk stond het gebied bloot
aan verwoestende invallen van Hunnen en Visigoten. In de 6de eeuw
trokken Slaven Bulgarije binnen, die onderworpen werden door de kort
daarna komende Bulgaren, een Turko-Tataars volk. De Bulgaren vestigden
een militaire staat (679, overwinning op Byzantijnen), maar gingen vrij
spoedig geheel op in de Slavische bevolking. Na veel strijd met
Byzantium werd in de 9de eeuw het christendom aanvaard (door Boris I).
Staatkundig bleef Bulgarije echter zelfstandig. In de 9de en 10de eeuw
was het een bloeiend rijk, dat zich over het grootste deel van het
Balkanschiereiland uitstrekte. Hoogtepunt was de regering van Simeon I
(893-927). Het rijk viel in 963 echter uiteen in een westelijk deel
(Macedonië) en een oostelijk deel, dat in 972 een Byzantijnse provincie
werd. De Byzantijnse keizer Basilius II, de Bulgarendoder, wist in 1018
ook het West-Bulgaarse Rijk te onderwerpen. In 1186 werd de
zelfstandigheid herwonnen door de opstand onder de broers Asen, die een
nieuwe dynastie stichtten. Een tweede Bulgaars Rijk ontstond, met bijna
dezelfde omvang als het eerste. Mettertijd raakte ook het tweede
Bulgaarse Rijk in verval. In de 14de eeuw deden de Mongolen invallen,
van 1330 tot 1355 werd Bulgarije een vazalstaat van Servië. Ten slotte
werd het door de Turken veroverd (in 1382 viel Sofija, in 1393 de
hoofdstad Turnovo).
6.1 Turkse overheersing
De adel ging grotendeels in Turkse dienst over en nam de islam aan; het
merendeel van de bevolking bleef christelijk. Bulgarije werd
aanvankelijk bestuurd door een stadhouder, de Beylerbei van Roemelië.
Sinds de 16de eeuw heersten de provinciale bestuurders, de pasja's (beis
van de Sandzjaks), oppermachtig en oefenden een wreed en corrupt regime
uit. De bevolking had behalve onder de zware onderdrukking door de
Turken te lijden onder het machtsmisbruik van de gehelleniseerde hoge
geestelijkheid. Vooral in de 18de eeuw kwamen de hoge kerkelijke ambten
in handen van de Fanarioten, die op de bevolking de zware lasten
afwentelden, die door de kerk aan de Turkse regering verschuldigd waren.
In 1767 verloor de Bulgaarse kerk de laatste rest van autonomie door de
opheffing van het patriarchaat van Ohrid. Het religieuze leven bleef
echter altijd door een Grieks-Byzantijnse traditie beheerst. Intussen
bleven steeds kleine en grote opstanden voorkomen, totdat in de 18de
eeuw de wederopleving van het Bulgaarse nationale besef vaste vorm begon
aan te nemen. In 1870 werd de sultan opnieuw een zekere mate van
kerkelijke autonomie afgedwongen (oprichting van een Bulgaars exarchaat).
In april 1876 kwam het tot een opstand, die aanleiding gaf tot
gruwelijke Turkse represailles. Daarop volgde een oorlog van de
Slavische Balkanstaten, gesteund door Rusland, tegen Turkije. Bij de
Vrede van San Stefano (3 maart 1878) werd een grote Bulgaarse staat
opgericht, die echter op het Congres van Berlijn (juni/juli 1878) op
aandrang van Engeland en Oostenrijk-Hongarije sterk verkleind werd.
Oost-Roemelië bleef een Turkse provincie, zij het onder een christelijke
gouverneur.
6.2 Herstelde onafhankelijkheid
Het overblijvende Bulgarije kreeg Alexander von Battenberg tot vorst,
maar werd in feite een Russische vazalstaat, echter schatplichtig aan
Turkije. Alexander ging afwisselend van een constitutioneel op een
dictatoriaal regime over. Toen hij de door opstandelingen in
Oost-Roemelië gewenste unie met Bulgarije aanvaardde, verklaarde Servië
Bulgarije de oorlog, die in 1886 (na een militaire overwinning van de
Bulgaren) op basis van de status quo met de Vrede van Boekarest
afgesloten werd. Nadat Rusland aan de regering van Alexander een eind
had gemaakt, werd op initiatief van Stamboelov in 1887 Ferdinand van
Saksen-Coburg tot vorst van Bulgarije gekozen. Hij verbeterde de
betrekkingen met Rusland. Na de jong-Turkse revolutie maakte Ferdinand
Bulgarije volledig onafhankelijk, lijfde Oost-Roemelië in en
proclameerde zichzelf in 1908 tot tsaar van Bulgarije.
De Eerste Balkanoorlog (1912) en de Tweede balkanoorlog (1913) brachten
het land uiteindelijk slechts een bescheiden gebiedsvergroting ten koste
van Turkije; de ongelukkige afloop van de tweede, waarin Rusland op de
hand van zijn vijand Servië was geweest, leidde tot een koerswijziging
ten gunste van een nauwere aansluiting bij Oostenrijk en Duitsland. In
sept. 1915 nam Bulgarije deel aan de Eerste Wereldoorlog. Zijn leger
droeg ertoe bij, de Entente-strijdkrachten Gallipoli aan de Dardanellen
te doen ontruimen, Servië neer te slaan en na de intrede van Roemenië in
de oorlog (1916) dit land ook van het zuiden uit open te stellen voor de
aanval van de Centralen. In sept. 1918 braken Franse troepen van
Griekenland uit door de Bulgaarse linies; op 30 sept. staakte Bulgarije
- als eerste van de Centrale mogendheden - de strijd. Ferdinand trad af
(3 okt. 1918). Hij werd door zijn zoon Boris III opgevolgd. Bulgarije
moest op 27 okt. 1919 de Vrede van Neuilly tekenen, waarbij het afstand
moest doen van een strook gebied aan de Egeïsche Zee en van delen van
Macedonië ten gunste van Griekenland, resp. Joegoslavië.
6.3 De monarchie na de Eerste Wereldoorlog
De binnenlandse politiek van Bulgarije werd na 1918 in sterke mate
beheerst door sociale en ideologische tegenstellingen. De communistische
partij behaalde bij de verkiezingen van 1919 ruim 20% van de stemmen en
werd daarmee de tweede partij na de Agrarische Unie, waarvan de leider,
Stamboeliski, van 1919 tot 1923 aan het hoofd stond van de regering.
Stamboeliski voerde een agrarische hervorming door, die een einde maakte
aan het grootgrondbezit, trachtte de activiteiten van de IMRO, de
Macedonische terreurorganisatie, die geheel Macedonië bij een
Groot-Bulgarije wilde inlijven, te onderdrukken en poogde op
dictatoriale wijze zijn tegen alle niet-agrarische belangen gerichte
beleid door te voeren. Zijn streven om met de communisten samen te
werken stuitte af op hun weigering, tegen de stedelijke bourgeoisie die
van het platteland te steunen. Nadat Stamboeliski in 1923 als gevolg van
een samenzwering van officieren, politici en Macedonische terroristen
vermoord was, gaf Moskou het sein tot een gemeenschappelijk optreden van
communisten en linkse boeren. Na een mislukte opstand (sept. 1923) werd
de beweging bloedig onderdrukt. De in 1923 aangetreden premier Tsankov
liet de IMRO de vrije hand. Bulgarije dreigde in een toestand van
anarchie en rechteloosheid af te glijden, totdat in 1934 twee kolonels,
Veltsjev en Georgiev, een staatsgreep pleegden; de laatstgenoemde vormde
een regering, dwong de leider van de IMRO, Michailov, het land te
verlaten en verbood alle politieke partijen. In okt. 1935 nam koning
Boris (de titel tsaar raakte na de Russische Revolutie meer in onbruik)
zelf het bewind in handen, totdat in 1938 een parlementaire regering
werd gevormd. In deze tijd ontstond toenadering tot Joegoslavië. Het
nationaal-socialisme maakte in Bulgarije onder leiding van Tsankov
vorderingen. Het was evenwel meer onder de indruk van de Duitse
politieke successen, dat Bulgarije in 1939 toenadering tot de
As-mogendheden zocht. Het in febr. 1940 aangetreden kabinet-Filov
trachtte met succes revisionistische verlangens te bevredigen zonder
Bulgarije tot volledige deelneming aan de Tweede Wereldoorlog te
brengen. In 1940 kreeg Bulgarije van Roemenië de Zuidelijke Dobroedsja
terug, in 1941 liet het toe dat Duitse troepen het landsgebied betraden
en ook vanuit Bulgarije Joegoslavië en Griekenland aanvielen. Bulgarije
mocht delen van die landen bezetten. In 1941 verklaarde Bulgarije aan
Groot-Brittannië en de Verenigde Staten formeel de oorlog. Bulgarije nam
evenwel geen deel aan de krijgsverrichtingen. In 1942 werd door de
communisten (Dranaliev), de linkse Agrarische Unie (Petkov) en de
autoritaire, maar anti-Duitse groep 'Zveno' onder leiding van
oud-premier Georgiev het zgn. Vaderlands Front gevormd, een
verzetsbeweging tegen de As en tegen de koning, die vooral na de Duitse
nederlaag in Stalingrad actief werd door het oprichten van
partizaneneenheden en het liquideren van tegenstanders. Na de dood van
koning Boris (28 aug. 1943) voerde een Raad van drie personen (prins
Cyril, premier Filov en de minister van Oorlog, Michov) het regentschap
voor zijn zesjarige zoon Simeon. Terwijl Bulgarije reeds te Caïro met de
westelijke geallieerden onderhandelingen was begonnen, verklaarde de
Sovjet-Unie op 5 sept. 1944 het land onverwacht de oorlog. Dit leidde
tot een militaire coup, die vier dagen later het Vaderlands Front aan de
macht bracht. Bulgarije verklaarde onmiddellijk de oorlog aan Duitsland.
6.4 De volksdemocratie
In vergelijking met andere Oost-Europese landen die met Duitsland
verbonden waren geweest, was de positie van de communisten in Bulgarije
sterk. Zij bezaten in het Vaderlands Front een geschikt orgaan voor de
uitbouw van hun macht en konden profiteren van sterke pro-Russische
gevoelens onder de bevolking. Georgiev vormde een regering, waarin de
communisten het ministerie van Binnenlandse Zaken verkregen. In zes
maanden werden in het kader van een grootscheepse 'zuivering' meer dan
2000 mensen terechtgesteld, onder wie de regenten. Met hulp van de
Sovjetautoriteiten - en in overeenstemming met de in de andere
'volksdemocratieën' gevolgde praktijk - tastten zij eerst hun agrarische
bondgenoten aan. In 1946 werd ook formeel de monarchie afgeschaft (op 15
sept. vond de uitroeping van de socialistische volksrepubliek plaats).
In 1947 werd te Parijs het vredesverdrag gesloten, dat aan Bulgarije de
Zuidelijke Dobroedsja toewees, maar het veroordeelde tot het betalen van
schadeloosstelling aan Griekenland en Joegoslavië. Nog in hetzelfde jaar
brachten verkiezingen een overweldigende meerderheid voor het Vaderlands
Front, waarin de communisten thans geheel domineerden, werd Georgi
Dimitrov, de voormalige leider van de Komintern, premier en maakte de
terdoodveroordeling van Petkov de resten van een agrarische oppositie
krachteloos. Een nieuwe grondwet naar het model van die van de
Sovjet-Unie werd geproclameerd, in het begin van 1948 volgde de
volledige gelijkschakeling van de socialistische partij en aan het einde
van dat jaar werd de industrie genationaliseerd. Nadat Bulgarije eerst
samen met Joegoslavië naar het tot stand komen van een Balkan-Unie had
gestreefd, schaarde het zich na de breuk tussen Tito en Stalin (juni
1948) in de rij van de felste vijanden van het titoïsme. Naar buiten
betekende dit o.m. een herleving van de oude territoriale eisen - geheel
Macedonië bij Bulgarije - naar binnen de veroordeling en executie van
een aantal 'titoïsten' (in werkelijkheid hooguit 'nationale communisten'
zonder aanwijsbare sympathieën voor de Joegoslavische president), van
wie de bekendste de voormalige eerste secretaris van de partij, Kostov,
was (maart 1949). Bij de dood van Dimitrov volgde Tsjervenkov hem als
partij- en regeringsleider op (1949). Bulgarije volgde de voor alle
volksdemocratieën voorgeschreven politiek, maar ontplooide vooral in de
collectivisering van de landbouw een opmerkelijke ijver. Ook na 1953 en
1956 hield Bulgarije aan een straffe koers vast. In 1954 werd Todor
Zjivkov secretaris-generaal van de partij. In 1962 werd hij tevens
premier. In 1979, na de invoering van een nieuwe Grondwet, verruilde hij
het premierschap voor de functie van voorzitter van de Staatsraad
(staatshoofd). Het regime van Zjivkov was sterk gericht op de
Sovjet-Unie. Bulgarije is een van de Oost-Europese staten waar het lang
geduurd heeft eer er een echt begin is gemaakt met de destalinisatie.
In april 1965 werd melding gemaakt van een later als 'pro-Chinees'
omschreven couppoging van legerofficieren. In dat jaar werd ook een
economisch hervormingsprogramma ingevoerd: het Nieuwe Economische
Mechanisme (NEM). In 1979 volgde een nieuwe NEM, die de centrale
planning moest terugdringen. Het systeem werd in de daaropvolgende jaren
verscheidene keren aangepast. In 1986 werd een aantal ministeries
opgeheven of samengevoegd, een jaar later startte Bulgarije verregaande
economische hervormingen naar het voorbeeld van de 'perestrojka' in de
Sovjet-Unie.
Op het 13de partijcongres van 1986 werd de partijleiding aanzienlijk
gewijzigd en verjongd. De gedoodverfde 'Gorbatsjov van Bulgarije',
Tjoedomir Aleksandrov, verdween twee jaar later plotseling uit de
partijtop.
De betrekkingen met het Westen raakten na nov. 1982 ernstig verstoord,
nadat Mehmet Ali Agca, de Turk die in 1981 een aanslag op de paus had
gepleegd, onthulde dat hij in opdracht van de Bulgaarse geheime dienst
had gehandeld. Een Bulgaarse verdachte in Italië kwam in 1986 vrij
wegens gebrek aan bewijs.
Op 10 nov. 1989 werd Zjivkov afgezet als partijleider en op 16 nov.
volgde zijn ontslag als staatshoofd. Hij werd in beide functies
opgevolgd door de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Petar
Mladenov. Zjivkov werd vervolgens in staat van beschuldiging gesteld
wegens wanbeleid en schending van de mensenrechten. Het Politburo, de
regering en andere machtsorganen werden eind 1989 gezuiverd van
aanhangers van Zjivkov.
In dec. 1989 vormden een twintigtal oppositiegroepen de Federatie van
Democratische Krachten en werd de eerste onafhankelijke vakbond,
Podkrepa, opgericht. Begin 1990 begon de communistische partij na
massale protestdemonstraties van de bevolking een rondetafeldialoog met
de oppositie. Die gesprekken resulteerden in het toelaten van nieuwe
politieke partijen, vrije verkiezingen in juni 1990 en het schrappen van
de leidende rol van de communistische partij uit de grondwet.
6.5 1990- heden
De voormalige communistische partij, de Bulgaarse Socialistische Partij
(BSP), wist bij de eerste vrije verkiezingen in juni 1990 een
meerderheid te behalen in het parlement. Met name op het platteland was
in groten getale op de BSP gestemd. Zjeljoe Zjelev, leider van de
oppositiepartij Unie van Democratische Krachten, werd op 1 aug. 1990
gekozen tot nieuwe president. De BSP-regering viel reeds in nov. 1990,
waarmee een eind kwam aan de communistische overheersing. In dec. 1990
trad een 'regering van experts' aan. De regering werd in okt. 1992
vervangen door een regering van partijloze ministers onder leiding van
premier Ljoeben Berov.
Hoewel de regering-Berov als tijdelijk was bedoeld, bleef zij tot sept.
1994 bijeen, omdat noch de BSP noch de SDS nieuwe verkiezingen wilde
uitschrijven. De partijen vertegenwoordigden twee politieke uitersten,
die een concensus in de weg stonden en de economische en morele crisis
deden voortduren waarin het land na bijna een halve eeuw communisme
verkeerde. Van sept. tot dec. 1994 trad een zakenkabinet aan onder
Reneta Indzjova om de periode tot de verkiezingen te overbruggen. De
verkiezingen werden met een absolute meerderheid gewonnen door de BSP
van Zhan Videnov. Bulgarije zocht in 1994 verdere aansluiting bij het
Westen, maar haalde tevens de traditionele banden aan met Moskou, ook op
economisch gebied.
Corruptie, criminaliteit, etnische spanningen en een groeiende kloof
tussen arm en rijk bleven het sociale leven bepalen. Ook binnen zijn
eigen partij had premier Videnov te kampen met tegenstand. President
Zjelev (SDS) werd in 1996 opgevolgd door zijn partijgenoot Petar
Stojanov. Eind dec. viel de regering-Videnov, die er niet in was
geslaagd de door de SDS ingezette economische herstructurering een
vervolg te geven, waardoor de economische crisis zich nog verder
verdiepte. Stefan Sofianski (SDS), de burgemeester van Sofija, trad in
febr. 1997 aan als leider van een overgangskabinet, dat de verkiezingen
voor april moest voorbereiden. BSP en SDS bleven elkaar verketteren.
6.6 Bulgarisering
Eind 1984 begon Bulgarije een campagne om de Turkse minderheid in het
land, ca. 10% van de totale bevolking, te 'bulgariseren'. Etnische
Turken en Pomaken (ca. 250.000 nazaten van de tijdens de Osmaanse
overheersing tot de islam bekeerde Bulgaren) werden gedwongen Slavische
namen aan te nemen. Honderden weigerachtige Turken werden veroordeeld of
verbannen. Op de Balkanconferentie in Belgrado (1988) kreeg Bulgarije
ook kritiek wegens de behandeling van de Macedoniërs, die evenmin als
een officiële minderheid werden erkend. In mei 1989 gaf Bulgarije de
leden van de Turkse minderheid de mogelijkheid het land te verlaten.
Meer dan 300.000 Bulgaarse Turken vertrokken naar Turkije. De massale
uittocht en de weigering van Sofija om deze grootste emigratiegolf na de
Tweede Wereldoorlog bij verdrag te regelen, veroorzaakten ernstige
spanningen tussen beide landen.
De bulgariseringscampagne ten aanzien van de etnische Turken werd in
dec. 1989 gestaakt. Vlak daarop keerden enkele tienduizenden naar
Turkije geëmigreerde islamitische Bulgaren terug.
Telefoongids
Bulgarije
Postcodes
Bulgarije
|