header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Cambodja

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

Cambodja (officieel: Preah Rťchťanach‚kr Kampuchea = het Koninkrijk Kampuchea), koninkrijk in Zuidoost-AziŽ, 181.035 km2, met 9.968.000 inw. (55 inw. per km2); hoofdstad Phnom Penh. Munteenheid is de riel, verdeeld in 100 sen. Nationale feestdagen zijn 9 november, Onafhankelijkheidsdag (1953) en 13 april, het traditionele nieuwjaarsfeest.

1. Fysische geografie
Het hart van het Cambodjaanse landschap wordt gevormd door alluviale laaglanden, die tweederde van de oppervlakte van het land uitmaken, omringd door: in het noorden het Dangrekgebergte, in het oosten de Moi-heuvels, in het zuidwesten de Olifantsketen en in het westen het Cardamomgebergte. De grootste rivieren zijn de Mekong, die het land in noord-zuidrichting doorstroomt, en de Tonle Sap, die in het centrum van West-Cambodja het gelijknamige meer vormt, waarvan de oppervlakte naar gelang van de regenval wisselt van 2500 tot 6500 km2. Dit meer werkt als een natuurlijke waterstandregulator.
Cambodja heeft een tropisch moessonklimaat met een merkbaar droog seizoen van november tot mei. De regenval wordt bepaald door de zuidwestmoesson en het reliŽf. Op de berghellingen en de plateaus, waar de regenval hoog is, komen uitgestrekte tropische regenwouden voor; in het drogere laagland vindt men meer open loofbos en savannen. Langs de kust groeien mangrovebossen. De dierenwereld is bijzonder rijk en behoort tot die van Zuidoost-AziŽ. Zij is dus gekenmerkt door het voorkomen van talrijke apen, roofdieren, herten, de Indische olifant en een zeer diverse vogelwereld. De oorlogen in dit deel van AziŽ hebben de natuurbescherming danig in het nauw gebracht; de vooruitzichten in dezen zijn en blijven verre van rooskleurig.

2. Bevolking
De bevolkingsgroei ligt sinds 1980 op 2 ŗ 3% per jaar (in 1993 3, 1%). De gemiddelde levensverwachting bij geboorte was in 1993 48 jaar voor mannen en 51 jaar voor vrouwen. Slechts 15% van de bevolking woont in de stad. Van de bevolking behoort ruim 88% tot de Khmer; 5% is Chinees en 5% Vietnamees.
De officiŽle taal is het Khmer; de etnische minderheden spreken hun eigen taal. Voorts wordt ook nog wel Frans gesproken. Het Engels wint aan betekenis.
Ca. 90% van de bevolking hangt het boeddhisme (theravada) aan (sinds 1989 weer staatsgodsdienst). Er is een kleine (ruim 2%) islamitische minderheid (sja'afitische soennieten).

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1993 is Cambodja een constitutionele monarchie met een democratisch meerpartijensysteem. De Koning geldt als symbool van de nationale eenheid en moet daarvoor als hoogste politieke scheidsrechter optreden. Hij is opperbevelhebber van de koninklijke strijdkrachten van Cambodja en voorzitter van de Nationale Defensieraad. Het koningschap is geen erfelijk ambt, de Koning wordt voor het leven gekozen door een troonraad die uit 7 leden bestaat. Zijn plaatsvervanger is de voorzitter van het parlement, die tevens lid van de Troonraad is en de minister-president benoemt. Mensenrechten liggen eveneens verankerd in de grondwet. Het parlement telt 120 afgevaardigden die eens in de vijf jaar gekozen worden.
3.2 Administratieve indeling
Cambodja is bestuurlijk verdeeld in vijf regio's en verder in 19 provincies en twee aparte stadsbestuureenheden (Phnom Penh en Sihanoukville).
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
Cambodja is lid van de Verenigde naties en een aantal van haar suborganisaties, de Asian Development Bank, de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Algemene Overeenkomst inzake Toerisme en Handel (GATT).
3.4 Partijwezen
De invoering van de democratie in 1993 maakte definitief een einde aan de macht van de communistische, pro-Vietnamese Revolutionaire Volkspartij van Kampuchea (RVPK), die van 1979 tot 1991 de enige partij was. In 1991 wijzigde de RVPK haar naam in Cambodjaanse Volkspartij (CPP). Maar niet de CPP werd de grootste partij bij de eerste vrije verkiezingen sinds 1955. De parlementsverkiezingen van 1993 werden ruim gewonnen door het koningsgezinde FUNCINPEC (het Nationale Eenheidsfront voor een Onafhankelijk, Neutraal en Vreedzaam Cambodja), dat geleid wordt door de zoon van koning Sihanouk, prins Norodom Ranariddh. Derde partij is de Boeddhistische Liberaal-Democratische Partij (BLDP).

4. Economie
4.1 Algemeen
Op economisch gebied werd de regering Heng Samrin geconfronteerd met een volledig geruÔneerd land. De economische ontwikkeling werd nog bemoeilijkt door de voortdurende burgeroorlog in het land en het gebrek aan internationale samenwerking, met uitzondering van humanitaire hulp, die geboden wordt aan de Cambodjaanse vluchtelingen in de kampen aan de Thaise grens. Van het bruto nationaal product (bnp) komt 47% uit de landbouw, 15% uit de industrie, en de tertiaire sector draagt voor 38% hieraan bij.
4.2 Land- en bosbouw en visserij
Van de totale beroepsbevolking (4, 5 miljoen in 1994) werkte 69% in de landbouw. Er werd in 1994 2,16 miljoen ton rijst geoogst, maar er moet ook rijst geÔmporteerd worden om aan de behoefte te kunnen voldoen. De gespannen militaire situatie leidde eind jaren tachtig al tot hongersnood op verschillende plaatsen in het land. De staat koopt de rijst op tegen een prijs die onder de kostprijs ligt, zodat er veel op de particuliere markt wordt verhandeld. Naast rijst worden maÔs, bonen, maniok, bananen en tabak verbouwd. Belangrijkste landbouwstreken liggen aan de Mekong en aan de Tonle Sap. De landbouw is geheel geprivatiseerd. Van de productie uit de bosbouw (in 1995 800!000 ha) wordt het merendeel door concessies aan MaleisiŽ en IndonesiŽ geŽxporteerd. De rubberproductie is goed voor 12% van de export. De visserij (vangst in 1992 ruim 1 miljoen ton) speelt in de voedselvoorziening van de bevolking een grote rol.
4.3 Energie en industrie
De industriŽle activiteiten beperken zich tot de productie van sigaretten en rubberschoeisel. In de industrie is slechts 4% van de arbeiders geschoold. De meeste handel loopt via particuliere kanalen, m.n. naar Thailand. De belangrijkste exportproducten zijn rubber, tabak, hout en sojabonen. Om machines, brandstof, kunstmest e.d. te verkrijgen vindt er bij gebrek aan deviezen uitwisseling van goederen plaats. Consumptiegoederen komen veelal door smokkel het land binnen. In 1995 ontving Cambodja netto $ 500 miljoen in het kader van ontwikkelingssamenwerking.
4.4 Bankwezen
Tijdens het Pol Pot-regime (1976-1978) werd niet alleen het privť-eigendom, maar ook het geld afgeschaft. In maart 1980 werd de National Bank of Kampuchea opnieuw opgericht. Er zijn ook een Foreign Trade Bank en een toenemend aantal vooral buitenlandse handelsbanken.
4.5 Verkeer
In de periode 1970-1978 is de infrastructuur grotendeels verwoest. In 1992 was het wegennet 14!800 km lang, waarvan slechts 2600 km geasfalteerd. Door sabotages van guerrillastrijders bevindt het wegennet zich in een extreem slechte toestand. Kompong Som is de internationale haven aan de Golf van Thailand. Royal Air Cambodia werd in 1995 opgericht. Bij Phnom Penh is een internationale luchthaven.

5. Geschiedenis
Reeds in de 2de eeuw n.C. wordt in Chinese berichten melding gemaakt van een gehindoeÔseerde staat Fu Nan.
Het centrum van dit rijk lag tussen de benedenloop van de Mekong en het meer Tonle Sap. In de 6de eeuw werd Fu Nan ten val gebracht door de vazalstaat Tsjen La, aan de Midden-Mekong gelegen. De hegemonie van Tsjen La duurde niet lang: in de 8ste eeuw reeds is er sprake van een splitsing. De bloeitijd van Cambodja begon in de 9de eeuw onder de Khmer-koningen. In 802 stichtte Djayavarman II het Khmerrijk; hij ontdeed zich van de schatplichtigheid jegens Yava, misschien Java, waarschijnlijker evenwel het Indonesische Tsjailendrarijk.
Het centrum van Cambodja was sinds het begin van de 10de eeuw Angkor (of Yashodarapura). In de 12de eeuw bereikte Cambodja de grootste bloei onder de regeringen van Suryavarman II (1113-1150) en Djayavarman VII (1181-1201). Het rijk breidde zich uit van Champa (tegenwoordig in Vietnam) tot Tenasserim en van de grote bocht van de Mekong in Laos tot de Golf van Siam en halverwege het Maleise schiereiland. In de 13de eeuw leed Cambodja militaire nederlagen; desondanks bleef de schittering van het hof verblindend. De invallen van de Thais maakten een einde aan de grootheid van de Khmer.
Eind 13de eeuw ontstond Sukhotai, in 1351 werd het Thaise rijk van Ayutthaya gesticht, dat zich snel ten koste van Cambodja uitbreidde. Ongeveer gelijktijdig ontstond het Laotische rijk van Lan Tsjang (1353), dat de landen langs de Midden-Mekong opslokte. In het begin van de 15de eeuw werd de door de Thais bedreigde hoofdstad verlaten: de koningen van Cambodja vestigden zich te Phnom Penh. Enkele eeuwen leidde Cambodja het bestaan van een bufferstaat, afwisselend aangevallen door Thailand of door het opkomende Vietnam (Annam), afwisselend ook aan een van deze grotere rijken schatplichtig.
Omstreeks 1859 begon de Franse penetratie in Cochin-China, die uiteindelijk tot gevolg had dat Frankrijk ten aanzien van Cambodja de positie ging innemen van een tegenwicht tegen de Thais. In genoemd jaar besteeg koning Norodom de troon. Met zijn kroning als inzet ontwikkelde zich een Frans-Thaise diplomatieke controverse. Norodoms troon werd betwist door een van diens broers, Si Votha. In 1862 bood de Franse admiraal Bonard aan Norodom hulp aan tegen zijn broer (en tegen de Thais). Deze hulp werd aanvaard en in 1863 werd te Oudong een verdrag ondertekend waarbij Cambodja onder Frans protectoraat werd gesteld.
Voordat dit verdrag echter werd geratificeerd erkende Norodom, wiens kroningsattributen zich in Bangkok bevonden en die dus als vuistpand voor de Thais dienden, de Thaise suzereiniteit. Kort na zijn kroning (1864) stond hij de provincies Siem Reap, Sisophon en Battambang aan Thailand af in een verdrag dat in 1867 door Napoleon III van Frankrijk werd geratificeerd.
In feite paaiden de Fransen de Thais hiermee om hen te doen berusten in het verdrag van Oudong. In 1884, toen de Fransen elders in Indo-China de handen vrij kregen, dwongen zij Norodom tot deelname in een douane-unie met Annam en Cochin-China.
In feite was Cambodja nu een Franse kolonie. Norodom stierf in 1904. Franse druk maakte dat niet zijn zoon, doch zijn broer Sisowath, die indertijd de Fransen in de strijd tegen Si Votha had geholpen, tot vorst werd gekroond. In 1907 sloot Frankrijk met Thailand een verdrag op grond waarvan Siem Reap, Battambang en Sisophon weer tot Khmergebied werden. Op den duur kon men ook in Cambodja de kiemen van een nationalistische beweging waarnemen. De pionier hiervan was Son Ngoc Thanh, een adept van een van de boeddhistische scholen. In 1937 richtte hij het blad Nagaravatha op, waarin hij opkwam voor meer zelfstandigheid ten aanzien van Frankrijk.
Hij was niet afkerig van Japanse steun toen Japans expansieplannen in Zuidoost-AziŽ duidelijk aan de dag traden. Voor Cambodja was hiervan een symptoom het grensoorlogje dat de Thais begin 1941 tegen de Fransen begonnen en waarin Japan bemiddelde. Deze bemiddeling zorgde ervoor, dat de Thais de gebieden die zij in 1907 aan Frankrijk hadden moeten afstaan weer terugkregen. In het kader van de Pacific-oorlog bezetten de Japanners kort hierop geheel Indo-China zonder voorshands het Franse 'neutrale' gezag hier aan te tasten. Geleidelijk begonnen zich in Cambodja twee stromingen af te tekenen. Koning Norodom Sihanouk, die in 1941 de troon had bestegen, en zijn feodale omgeving stonden een oriŽntatie op Frankrijk voor, Son Ngoc Thanh en zijn mensen waren nationalisten en genoten heimelijke steun van de Japanners.
In 1942 werd Son Ngoc Thanh na een boeddhistische demonstratie tegen de Fransen gedwongen naar Bangkok te vluchten. Vandaar verdween hij naar Japan. In de nacht van 9 op 10 maart 1945 zetten de Japanse troepen het Franse gezag in Indo-China af. In mei daaropvolgend keerde Son Ngoc Thanh naar zijn land terug nadat Norodom Sihanouk de onafhankelijkheid van Cambodja had geproclameerd. Son werd nu minister van Buitenlandse Zaken. In aug. 1945 zette hij een staatsgreep op touw. Koning Norodom trad af als premier en benoemde Son in deze functie. Bij de komst van de geallieerde troepen in Phnom Penh werd deze echter gearresteerd.
Op 7 jan. 1946 werd een Frans-Cambodjaanse modus vivendi ondertekend volgens welke Cambodja een autonome staat binnen de Franse Unie zou blijven. De meer radicale elementen in het land begonnen zich in het noorden te concentreren, waar zich guerrilla-eenheden vormden, de Khmer-Issarak. Uiteindelijk kwam de leiding van deze beweging in Bangkok terecht, dat er alle belang bij had om haar te steunen, omdat het de in 1941 verkregen gebieden wenste te behouden. Dit lukte niet, want in 1946 kreeg Cambodja op grond van de Vrede van Washington Siem Reap, Sisophon en Battambang terug.
In 1947 werd amnestie voor de Issaraks afgekondigd. Velen van hen keerden terug. Zij konden aldus deelnemen aan de eerste verkiezingen voor een Beraadslagende Vergadering. De strijd ging hierbij in wezen tussen de 'liberalen', dwz. aanhangers van de koning, en de 'democraten', volgelingen van prins Youthevong, wiens idealen overeenkwamen met die van Son Ngoc Thanh en de Issaraks. De democraten kregen 50 zetels, de liberalen 16. De koning octrooieerde in 1947 een grondwet. In 1949 ratificeerde Frankrijk deze constitutie binnen het kader van een verdrag, waarbij Cambodja de jure tot onafhankelijke staat werd verklaard.
Son Ngoc Thanh keerde na de verkiezingen voor de Nationale Vergadering in 1951, die een enorme zege voor de democraten waren, naar Cambodja terug, maar na drie maanden moest hij weer vluchten. Norodom Sihanouk ontbond de Nationale Vergadering en nam zelf het heft in handen. Wel begon hij de bakens te verzetten omdat hij begreep dat het met de Franse hegemonie in Indo-China gedaan was. In 1953 verdween hij naar Bangkok met de belofte niet terug te keren dan na de volledige onafhankelijkheid. In nov. 1953 lukte dit, toen de Fransen ook het militaire gezag aan hem overdroegen.
Sihanouks politiek sinds 1954 werd gekenmerkt door een intern conservatisme, terwijl hij naar buiten tegen het zgn. neutralisme aanleunde. Dit laatste zal wel te verklaren geweest zijn uit een tweetal overwegingen. In de eerste plaats is de Cambodjaanse diplomatie traditioneel anti-Thai ingesteld. Voor zover Thailand zich aan de Verenigde Staten heeft gebonden moest Sihanouk wel omzien naar andere steun, waarbij ťn de Chinese Volksrepubliek ťn de in het Oost-West-conflict neutrale staten in aanmerking kwamen. Aan de andere kant kon hij door goede betrekkingen met Peking te onderhouden ook de radicale elementen in Cambodja zelf, met name de min of meer communistisch georiŽnteerde Pracheachonpartij, de wind uit de zeilen nemen.
Begin 1955 deed Sihanouk afstand van de troon ten gunste van zijn vader Norodom Suramarit. Hij zelf stelde zich aan het hoofd van een nieuwe partij, de Sangkum Reastr Niyum (Socialistische Volksbeweging), die sindsdien het politieke leven beheerste. Suramarit stierf in 1960. Sihanouk nam nu de titel van staatshoofd aan. In 1966 kreeg Sihanouk behalve met de onstabiele economie te kampen met ondermijnende activiteiten van links georiŽnteerde groepen, in 1967 uitgroeiend tot openlijke opstandigheid. Maar de werkelijke bedreiging voor zijn bewind kwam van rechtse groeperingen, die zich gesteund wisten door het leger.
De in 1969 premier geworden generaal Lon Nol was medeverantwoordelijk voor de staatsgreep van 18 maart 1970 waarbij Sihanouk - op dat moment in het buitenland verblijvend - werd afgezet. Op 5 okt. 1970 werd in Cambodja de republiek uitgeroepen. Lon Nol bleef premier tot hij in maart 1972 het ambt van staatshoofd op zich nam. Intussen was Cambodja betrokken geraakt in de tweede Indo-Chinese Oorlog (zie Indo-Chinese Oorlogen).
Het nieuwe bewind stuitte vanaf het begin op verzet: in Peking kwamen in 1970 het FUNK (Nationaal Verenigd Front van Kampuchea) en het GRUNK (koninklijke regering van nationale eenheid, onder leiding van Sihanouk) tot stand. De kern van het verzet werd gevormd door de communistische Rode Khmer, gesteund door Noord-Vietnam via het Zuid-Vietnamese Bevrijdingsfront. Ondanks steun van Zuid-Vietnam en de Amerikaanse luchtmacht kon Lon Nol zich militair niet handhaven tegen de guerrilla die het grootste deel van Cambodja ging beheersen.
Begin april 1975 begaf Lon Nol zich in ballingschap en medio april van dat jaar rukte de Rode Khmer, die inmiddels Sihanouk als formeel staatshoofd had erkend, Phnom Penh binnen. Een jaar later trad Sihanouk af; hij werd opgevolgd door Khieu Samphan, die de titel voorzitter van het staatspresidium kreeg. Premier werd Pol Pot; vice-premiers werden Ieng Sary (Buitenlandse Betrekkingen) en Son Sen (Defensie).
Binnen de Rode Khmer waren in april 1975 duidelijk drie verschillende stromingen te onderscheiden.
De eerste groep, onder leiding van de populaire parlementariŽr Hu Nim, tevens een van de voornaamste leiders van de Kampuchea-China Vriendschapsvereniging, volgde een politieke lijn die sterke gelijkenissen vertoonde met de politiek van de aanhangers van de Culturele Revolutie in China. Vele onderwijzers en studenten sloten zich tijdens het verzet tegen het regime van Lon Nol bij deze groep, die haar basis in het zuidwesten van Cambodja had, aan.
De tweede groep, waarvan o.a. de latere premier Heng Samrin en de latere minister van Defensie Pen Sovan deel uitmaakten, oriŽnteerde zich meer op een socialistisch ontwikkelingsmodel dat in Vietnam werd gevolgd. Voor de ontwikkeling van hun land wilden zij samenwerking met andere landen. Deze groep was het meest actief in het oosten van het land.
De derde groep, die in de loop van 1976 de beide andere groepen wist te liquideren, werd geleid door premier Pol Pot. Deze groep breidde haar invloed vanuit het noordoosten in het noorden van het land uit. Het radicalisme van deze groep kwam tot uiting in de verregaande onderdrukking van de bourgeoisie, het afschaffen van privť-eigendom, het geldverkeer en de posterijen en gedwongen collectivisatie op economisch en sociaal gebied. Deze groep voerde ook een extreem nationalistische politiek, die zich met name richtte tegen de buurlanden. In de propaganda werd al over het herstel van het Khmerrijk uit de 12de eeuw gesproken. In feite hield dat in dat de nationalisten delen van Thailand, Laos en Vietnam wilden veroveren.
Op 5 jan. 1976 kreeg het land officieel de naam Democratisch Kampuchea en tot 1978 was het vrijwel hermetisch van de buitenwereld afgesloten. In de schaarse berichtgeving werd gesproken van een ingrijpende politieke en sociale revolutie.
Tijdens de Indo-Chinese Oorlog waren duizenden, vooral boeren, voor de Amerikaanse bombardementen naar de hoofdstad gevlucht. In 1968 had Phnom Penh 300!000 inwoners en in 1975 bijna drie miljoen. Uiteraard kon voor deze mensen in de steden geen werk worden geschapen en de regering Pol Pot dwong de bevolking naar het platteland te gaan om daar land te ontginnen, om in hun levensonderhoud te voorzien. De zeer ingrijpende sociale en politieke revolutie in het kader waarvan de politiek van ontvolking van de steden werd voortgezet, leidde ertoe dat Phnom Penh in jan. 1979 nog slechts een bevolking had van 23!000 (in jan. 1980 was dit aantal inmiddels weer aangegroeid tot ca. 80!000).
De hongersnood had bovendien duizenden gedwongen te vluchten en naar schatting 500!000 tot een miljoen Cambodjanen zouden, volgens verklaringen van vluchtelingen en westerlingen in 1977, de dood hebben gevonden door honger, ziekten, maar ook door de massa-executies waarmee de bevolkingsverplaatsingen en de politieke hervormingen gepaard zouden zijn gegaan. In de loop van 1979 nam de hongersituatie ongekend dramatische vormen aan. Volgens westerse waarnemers werden ca. een miljoen Cambodjanen direct met de hongerdood bedreigd.
De straffe wijze waarop de regering Pol Pot alomvattende maatschappijhervormingen trachtte door te voeren, leidde in 1978 enerzijds tot een massale vlucht van Cambodjanen naar Thailand en Vietnam en anderzijds tot direct verzet tegen de machthebbers. Dit laatste was m.n. het geval in de oostelijke provincies langs de grens met Vietnam, welk land de opstandelingen steunde. Cambodja en Vietnam beschuldigden elkaar van grensschendingen, invasies en sabotagedaden. Cambodja genoot in dit conflict de steun van China. Begin dec. 1978 werd in Hanoi het Verenigd Front voor de Redding van Kampuchea (FUNSK) opgericht.
Nog dezelfde maand (25 dec.) begon de invasie in Cambodja van het FUNSK, hierbij gesteund door ca. 200!000 man geregelde Vietnamese troepen. Op 7 jan. 1979 waren Phnom Penh en de belangrijke havenstad Kompong Som op het leger van Pol Pot veroverd. Op 11 jan. 1979 werd de Volksrepubliek Kampuchea uitgeroepen. Er werd een regering gevormd onder leiding van Heng Samrin, die in sept. 1979 door nog slechts 31 staten, waaronder Vietnam, Laos, de Sovjet-Unie en de andere Oostbloklanden, was erkend, terwijl het forum van de Verenigde Naties (waarvan Cambodja sinds 1955 lid is) zich in die maand uitsprak voor een blijvende erkenning van de vertegenwoordiger van de Pol Pot-regering in ballingschap als de wettige representant van het Cambodjaanse volk. (India, een van de belangrijkste niet-gebonden landen, erkende de regering in juli 1980.)
In aug. 1979 waren ex-premier Pol Pot en ex-vice-premier Ieng Sary bij verstek ter dood veroordeeld door een revolutionaire volksrechtbank in Phnom Penh. Ook binnenslands bleef de regering Heng Samrin op verzet stuiten. De Rode-Khmertroepen van Pol Pot (waarvan de sterkte begin 1980 op max. 25!000 man werd geschat) zetten vanuit de noordwestelijke en noordoostelijke grensprovincies de guerrilla voort. Voorts sloten zij een verbond met hun voormalige erfvijanden, de Khmer Serei (de 'vrije Khmers', een in 1956 door Son Ngoc Thanh in Thailand opgerichte beweging, die de steun genoot van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA); hun getalsterkte werd begin 1980 op 10!000 man geschat.
Daarnaast opereerden er begin 1980 nog guerrillagroeperingen die zich zowel tegen de restanten van het Pol Pot-regime keerden als tegen de regering van Heng Samrin. Enkele van hen zijn 'het Nationale Front van Kampuchea', de 'Confederatie van de Nationale Khmong' (door Sihanouk opgericht in P'yongyang, Noord-Korea) en het 'Nationale Bevrijdingsfront van het Khmer-volk' (geleid door Son Sann, een ex-premier uit de Sihanoukperiode).
Onderhandelingen tussen de strijdende partijen werden op aandringen van met name de ASEAN-lidstaten georganiseerd, aangezien de bezetting van Cambodja door Vietnam als een bedreiging voor de vrede en stabiliteit in de regio werd ervaren.
De coalitieregering (in ballingschap) van de Khmer People's National Liberation Front (KPNLF) onder leiding van Son Sann, de Sihanoukisten (met de militaire vleugel Armťe Nationale Sihanoukiste [ANS]) en de Rode Khmer onder leiding van Khieu Sampan, werd door China, de Verenigde Naties en het Westen als de legitieme regering gezien. In april 1989 kondigde de Cambodjaanse premier Hun Sen de terugtrekking van de Vietnamese troepen uit Cambodja aan vůůr september van datzelfde jaar. In mei 1989 werd de officiŽle naam in Cambodja veranderd en werd ook de vlag veranderd.
Na de terugtrekking van de troepen werden verkiezingen beloofd, tegelijkertijd namen de guerrilla-activiteiten in het land toe. Na het mislukken van de internationale vredesconferentie te Parijs (augustus 1989) en twee bijeenkomsten in Jakarta (februari 1990 en september 1990) begon een moeizaam onderhandelingsproces tussen de Cambodjaanse verzetsgroepen en de nog door Vietnam geÔnstalleerde
HM King Norodom Sihanoukregering. Uiteindelijk keerde prins Norodom Sihanouk - zie foto in november 1991 naar Phnom Penh terug, nadat op 23 okt. de strijdende partijen onder toezicht van de vijf permanente leden van de Verenigde Naties het vredesakkoord tekenden, dat de weg vrijmaakte voor de komst van de UN Transitional Authority in Cambodia (UNTAC). Deze troepen moesten toezicht houden op het staakt-het-vuren, de vier strijdende partijen deels ontwapenen en het zodoende mogelijk maken dat vrije verkiezingen gehouden konden worden.
De vier partijen vormden samen met de UNTAC een overgangsregering, de Opperste Nationale Raad (ONR). De Rode Khmer onder leiding van Khieu Sampan bleef echter dwarsliggen en trok in april 1993 al haar vertegenwoordigers terug uit Phnom Penh, waar zij sinds eind 1991 deelnamen aan overleg en regering. Na de in mei 1993 gehouden - dankzij VN-toezicht inderdaad vrije verkiezingen - bleek dat het Verenigd Nationaal Front voor een Onafhankelijk, Neutraal, Vredelievend en Samenwerkend Cambodja (Funcinpec) gewonnen had.
De Rode Khmer had, tegen de aanvankelijke verwachting in, de verkiezingen niet verstoord, evenwel nadat prins Norodom Sihanouk had toegezegd de Rode Khmer in elk van zijn te vormen regeringen te zullen opnemen. De voortgang van het vredesproces werd ernstig in gevaar gebracht door de weigering van Democratisch Kampuchea (DK, oftewel de Rode Khmer) om de wapens in te leveren en de kiezers te laten registreren in districten die onder haar gezag stonden (naar schatting 20% van het Cambodjaanse grondgebied). In de eerste maanden van 1994 braken hevige gevechten uit tussen het regeringsleger en de Rode Khmer. Pogingen van koning Norodom Sihanouk om de Rode Khmer aan de onderhandelingstafel te krijgen liepen op niets uit. De toenemende binnenlandse crisis eiste haar tol op economisch gebied, terwijl machtsmisbruik van militairen en burgerlijke gezagsdragers (onder meer verdacht van betrokkenheid bij de drugshandel), het ontbreken van een adequaat rechtssysteem en terreur van de Rode Khmer voor een verdere uitholling van de mensenrechten zorgden. Begin 1996 vond er een felle confrontatie plaats tussen de beide premiers van de coalitieregering. In het najaar kwam het tot een breuk binnen de Rode Khmer, na een geschil tussen de eerder doodgewaande leider Pol Pot en diens zwager Ieng Sary.

Telefoongids Cambodja
Postcodes Cambodja

 

 

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009