header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Canada

 

Terug naar overzicht Noord-Amerika >>

 


Canada, federale staat in het noordelijke deel van Noord-Amerika, lid van het Gemenebest, 9.958.319 km2 (waarvan 755.109 km2 water), met 29.121.000 inw. (3 per km2); hoofdstad: Ottawa. De naam Canada is afgeleid van het Indiaanse Cannatha (= nederzetting). Munteenheid is de Canadian dollar (C$), verdeeld in 100 cents. De nationale feestdag is 1 juli, de dag waarop in 1867 de federale staat Canada tot stand kwam.

1. Fysische geografie
Qua oppervlakte staat Canada tussen Europa en de Verenigde Staten in. De kusten hebben een totale lengte van ca. 23.700 km en zijn zowel aan de oost- als aan de westzijde sterk geleed. In het noorden en noordwesten lost het continent zich op in een archipel van grote, merendeels lage en vlakke eilanden (Arctische Archipel), gescheiden door een ingewikkeld patroon van zeestraten. De grootste van deze eilanden zijn Baffin, Ellesmere, Victoria, Newfoundland en Vancouver. De Hudsonbaai (1.220.000 km2) dringt hier tot diep in het binnenland.
Canada pictures -British Columbia1.1 Geologie
De geologische bouw van Canada is gecompliceerd, onder meer doordat de geschiedenis een tijdsduur van meer dan 3000 miljoen jaar in beslag genomen heeft. In een groot deel van Canada komen gesteenten aan de oppervlakte die gevormd zijn door en tijdens gebergtevormende processen (geplooide, metamorfe en intrusieve gesteenten). In een aantal gebieden zijn deze gesteenten bedekt door ongeplooide, vlakliggende sedimenten van paleozoïsche, mesozoïsche en kenozoïsche ouderdom. Zie voorts Noord-Amerika § geologische bouw.
1.2 Waterhuishouding
Canada's rivieren en meren vormen een der grootste binnenwatergebieden ter wereld. Het Mackenzie River-systeem is met ca. 4250 km, van de mond van de Mackenzie tot de bovenloop van Finlay River, het langste van Canada. Het verzorgt de afwatering van ca. 25% van het Canadese grondgebied en doet dit op de Arctische Oceaan. De afwatering van het gebied van het Canadese Schild (zie Noord-Amerika § geologische bouw) en van de Interior Plains geschiedt grotendeels via de Hudsonbaai op de Atlantische Oceaan. Van dit gebied is het systeem van de Nelson River het omvangrijkst, met rivieren als de Saskatchewan, Assiniboine, Red Deer en de Bow.
De wateren van het grondgebied van de Maritieme provincies en van Zuidoost-Quebec zijn grotendeels georiënteerd op Canada's grootste rivier, de Saint Lawrence, die via Saint Lawrence Bay op de Atlantische Oceaan afwatert. De Rocky Mountains vormen de waterscheiding tussen het Schildgebied en het Pacifische afwateringsgebied. Van laatstgenoemd gebied zijn de belangrijkste rivieren de Yukon in Noordwest-Canada en de Columbia en Fraser in het zuidwesten. Een klein gebied in Zuid-Alberta watert via Milk River af op de Golf van Mexico. De talrijke meren, relicten uit de post-glaciale periode, zijn meestal onderling door rivieren verbonden. De grootste meren zijn de via de Saint Lawrence afwaterende Grote Meren, door vier waarvan de grens met de Verenigde Staten loopt, te weten Lake Superior of Bovenmeer, Lake Huron, Lake Erie en Lake Ontario, alsmede Lake St.-Clair. In het zuiden zijn de rivieren en meren ongeveer vijf maanden per jaar met ijs bedekt (de Great Lakes slechts aan de rand); in het noorden zijn alleen de grootste rivieren één tot twee maanden ijsvrij. Door de vele watervallen en stroomversnellingen in de rivieren beschikt Canada over een enorm potentieel aan hydro-elektrische energie.
1.3 Klimaat
Het klimaat van Canada wordt o.a. door de volgende factoren bepaald: a. de relatief warme Koero Sjiwo-driftstroom langs de westkust, waardoor West-Canada een gematigd klimaat heeft dat aan dat van Noordwest-Europa doet denken; b. de Rocky Mountains, die een obstakel vormen voor gematigde westelijke maritieme luchtstromingen, maar waardoor ook koude polaire lucht niet naar de westkust kan doordringen; c. de grote vlakten ten oosten van de Rocky Mountains, waartoe koude, van hoge breedte afkomstige luchtstromingen vrij toegang hebben; d. de aanwezigheid in het noorden van de Noordelijke IJszee; e. de koude Labradorstroom, die langs de oostkust zuidwaarts stroomt, waardoor de temperaturen daar veel lager blijven dan langs de westkust.
Als verdere algemene, het klimaat bepalende factoren kunnen voorts worden genoemd de betrekkelijk hoge breedte waarop het land is gelegen, van 49° N.Br. (in het oosten 42°) tot binnen de poolcirkel, en de met de grote uitgestrektheid van Noord-Amerika samenhangende sterke continentaliteit. De laagste wintertemperaturen worden aangetroffen in het noorden (Northwest Territories en Yukon) en in de laag gelegen stations ten oosten van de Rocky Mountains, waar de koude arctische lucht ongehinderd kan doordringen (Fort Vermilion, Prince Albert en Churchill). De laag gelegen stations langs de westkust (Vancouver) hebben een opmerkelijk zachter klimaat dan die welke aan de oostkust op dezelfde of zelfs lagere breedte zijn gelegen (St. John's en Halifax).
De neerslaghoeveelheden zijn aan beide kusten ongeveer gelijk, met aan de oostkust een iets gelijkmatiger verdeling over het jaar, een gevolg van de langs de kust trekkende depressies. In het centrum en noorden van het land valt betrekkelijk weinig neerslag, o.a. als gevolg van de afschermende werking van de Rocky Mountains.
De centrale gedeelten van Canada hebben een duidelijk continentaal klimaat met een jaarlijkse gang van de temperatuur, die zelfs in het op de breedte van Florence gelegen Toronto 26 °C bedraagt, dat is 4 °C meer dan in Warschau, dat 10° noordelijker ligt. In de Northwest Territories bedraagt de jaarlijkse gang van de temperatuur zelfs meestal meer dan 45 °C. Voorts is de jaarlijkse gang van de temperatuur langs de westkust aanmerkelijk kleiner dan langs de oostkust.
Volgens het klimaatsysteem van Köppen heeft het grootste gedeelte van Canada een boreaal of sneeuwwoudklimaat (Df). In het noorden van het land en met name op de Canadese eilanden heerst een toendraklimaat (ET). Voorts komt ten oosten van de Rocky Mountains plaatselijk het steppeklimaat (BS) voor. Langs de westkust bevindt zich ten slotte een smalle strook met een gematigd regenwoudklimaat (C). De lucht boven Canada is gewoonlijk van polaire of van arctische oorsprong. Tussen deze beide luchtsoorten pleegt een scherpe overgang te bestaan (zie front [meteorologie]), waarlangs zich depressies kunnen ontwikkelen, die dan van west naar oost over het land trekken. In de zomer dringt soms maritiem-tropische lucht uit de Golf van Mexico tot in Canada door. Ook langs het front tussen deze lucht en de polaire ontwikkelen zich veelal depressies. Deze trekken dan langs de oostkust van de Verenigde Staten naar het noordoosten en geven in het oosten van Canada (St. John's) veel neerslag. De bovengenoemde van west naar oost trekkende depressies geven gewoonlijk minder neerslag, o.a. als gevolg van de dalende beweging die de lucht ondergaat aan de oostzijde van de Rocky Mountains. Krachtige dalende föhnwinden worden hier chinooks genoemd. Het effect van deze chinooks is duidelijk terug te vinden in de temperaturen, bijv. Banff in Alberta op 1378 m hoogte met een gemiddelde januaritemperatuur van -11 °C tegen het lager gelegen maar verder van het gebergte verwijderde Winnipeg met -17 °C.
Andere bijzondere weersverschijnselen zijn de blizzards of barbers, zoals ze in Oost-Canada worden genoemd, sneeuwstormen die bij zeer lage temperaturen in de winter voorkomen tijdens en na het met grote snelheid binnenstromen van arctische lucht. Deze lucht dringt dan veelal tot in de Golf van Mexico door (cold waves).
Langs de kusten van Labrador en Newfoundland komt vaak mist voor, vooral gedurende de zomermaanden, een gevolg van de lage temperatuur van het water van de Labradorstroom. In combinatie met de ijsbergen, welke vooral in het voorjaar met de stroom meedrijven, vormt zich hier een voor de scheepvaart gevaarlijke situatie.
In de wintermaanden komt vrij frequent ijsmist voor. Deze ontstaat door in de atmosfeer zwevende ijskristallen, en wel uitsluitend bij zeer lage temperaturen.
1.4 Plantengroei
Gezien de enorme oppervlakte van het land is de flora van Canada relatief arm: 7000 à 7500 soorten vaatplanten op ca. 9.960.000 km2; in de relatief rijke provincie Quebec 2200 soorten op 1.480.000 km2 (ter vergelijking: Frankrijk 3900 soorten, Spanje 4500 soorten, beide op 542.000 km2). Dit is toe te schrijven zowel aan het strenge klimaat als aan de gelijkmatige natuurlijke gesteldheid. De noordelijke helft van Canada wordt ingenomen door woudvrije toendravegetaties.
Deze reiken aan de oost- en aan de westkust tot ver naar het zuiden; zo ligt Zuidoost-Labrador, op de breedte van Engeland, nog ten noorden van de boomgrens; daarentegen reikt het woud in het continentale midden tot boven de poolcirkel. Men moet zich de arctische vegetatie zeker niet als eentonig en soortenarm voorstellen. Vooral in het noorden en voorts in droog en continentaal klimaat en op kalkbodem overweegt een fjeld van tal van kleurig bloeiende planten; in de zuidelijke Arctis overwegen dwergstruikheiden en in beschutte kloven e.d. vindt men bosjes van berkesoorten.
Bijna de gehele zuidelijke helft van Canada bestaat uit boreale naaldwouden met dennen, sparren en levensbomen. Door brand, storm en insectenschade worden vaak grote oppervlakten vernietigd. Grote uitgestrektheden woud gaan geleidelijk over in veenmosvenen, die zich van Europese hoogvenen onder meer onderscheiden door een struiketage van voornamelijk heidesoorten, meest 'Indian tea' genaamd.
Afwijkend zijn het westelijk kustgebied en het zuidoosten. In het eerste komen, in aansluiting op de overeenkomstige vegetatie in de Verenigde Staten van Amerika, tot 100 m hoge wouden van de spar Picea sitchensis (1500-3000 mm neerslag) voor en, hoger op de bergen, de alaskaceder (Chamaecyparis nootkatensis). In het relatief warme zuidoosten, bij de Grote Meren en de Saint Lawrence, komen via een brede zone waar naald- en loofhout gemengd optreden, reeds echte loofwouden voor. Merkwaardig is dat hier naast tal van boreale soorten reeds vele vooral uit de tropen bekende geslachten voorkomen, zoals de zwepenboom en gierst. Het soortenrijkste woudtype, tevens op de rijkste gronden groeiend, is het beech-mapleforest met beuken en de witte esdoorn (maple), overeenkomend met de Europese eikenhaagbeukenbossen. Op armere en drogere standplaatsen groeit een bos van Amerikaanse eiken (te vergelijken met onze eikenberkenbossen), op vochtiger en vruchtbare gronden een woud met essen. Beroemd zijn de Zuidcanadese wouden vooral om hun prachtige herfstkleuren. Waar deze bossen gerooid zijn, ontstonden evenals in Europa plaatselijk heggenlandschappen, waarin gedurende de laatste eeuwen de meidoorn zich sterk uitbreidt.
1.5 Dierenwereld
Canada behoort tot het dierengeografische rijk Arctogaea. Men kan daarin weer onderscheiden: de arctische fauna en de nearctische fauna. De grens tussen deze twee wordt gevormd door de boomgrens, die in het westen ten noorden van de poolcirkel loopt, maar in het oosten meer zuidelijk, tot in Labrador. Een voor de Arctis endemische soort is de muskusos, die op de grotere Canadese eilanden nog tamelijk talrijk vertegenwoordigd is, maar ook op het vasteland voorkomt (tussen de Mackenzierivier en de Hudsonbaai), beschermd in enkele reservaten. Ook de ijsbeer komt hier voor. De toendra wordt bewoond door o.m. de wolf, de poolvos, de kariboe (het Amerikaanse rendier), de sneeuwhaas en de lemming. Van de vogels verdienen de sneeuwgors, de kneu, piepers en alpenleeuwerik vermelding.
In het nearctische deel van Canada zijn de roofdieren vertegenwoordigd door soorten als de poema, de lynx, de grizzlybeer (een vorm van de bruine beer, die hier zijn maximale grootte kan bereiken; alleen in het westen), de zwarte beer of baribal (in alle bossen), de wasbeer, de wolf en vossen; voorts marters, veelvraat en otter. Van de hoefdieren mogen worden genoemd de bosbizon (in het westen tussen de Rocky Mountains en Great Slave Lake), het wapitihert op vele plaatsen in het westen, evenals het muildierhert; het witstaarthert leeft in het zuiden van Canada. De eland (moose) heeft nog een groot verspreidingsgebied.
De gaffelantilope wordt slechts op een beperkt gebied in het zuidwesten aangetroffen. Het bergschaap bewoont evenals de sneeuwgeit alleen het uiterste westen. De knaagdieren zijn o.m. vertegenwoordigd door prairiehonden, lemmingen, eekhoorns, vliegende eekhoorns, boomstekelvarkens, muskusrat, bever, enz. Van de vogels verdienen vooral de kraanvogels vermelding. In de rivieren en meren leven o.m. snoeken en forellen; de Atlantische zalm trekt in Labrador de rivieren op. Vooral aan de oostkust speelt de visserij een grote rol. Door de geringe en geconcentreerde bevolking is de dierenwereld van Canada weinig in het nauw gebracht; een netwerk van reservaten is een waarborg voor de toekomst. De slachting van jonge zeehonden omwille van het bont aan de oost- en noordoostkust is in de jaren tachtig beëindigd, mede door druk van het buitenland.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Canada pictures - OttowaDe oorspronkelijke bewoners van Canada zijn de Indianen en de Eskimo's (samen 4% van de bevolking). In 1991 stonden 783.980 personen als Indiaan geregistreerd. Tezamen vormen zij de ruim 600 Indianenstammen die Canada telt. 300.000 Indianen wonen in reservaten (waarvan er meer dan 2500 zijn, met een totale oppervlakte van ca. 25.000 km2) en een gering aantal, vnl. in het noorden, leidt nog een nomadisch bestaan als jager (trapper). De groep der Eskimo's (Inuit) omvatte in 1991 49.255 zielen, van wie de meesten in de Northwest Territories wonen, in Noord-Quebec en in Labrador. In 1996 kregen de Inuit toestemming van de regering in Ottowa om in 1999 zelfbestuur op te zetten in de nieuw te vormen bestuurlijke eenheid Nunavut (1/5 van het Canadese grondgebied met ca. 25.000 inw.). Zowel de Indianen als de Eskimo's staan onder de hoede van een speciaal regeringslichaam, dat over geldmiddelen beschikt ten behoeve van onderwijs, medische verzorging en economische ontwikkeling.
Afgezien van bovengenoemde kleine groepen bestaat de gehele huidige bevolking van Canada uit immigranten en hun nakomelingen. Ruim 25% is van Britse en Ierse afkomst, ca. 24% is van oorsprong Frans, 4% Duits, 3% Italiaans, 2% Oekraïens, 1,4% Nederlands. De immigratiepolitiek van de regering is erop gericht slechts zoveel immigranten toe te laten als met de opnamecapaciteit van de landseconomie verenigbaar is.
Na 1945 heeft Canada ca. 4, 6 miljoen immigranten toegelaten. Topjaren waren 1957 (ruim 280.000) en 1992 (252.000). Sinds de jaren zeventig loopt het aantal immigranten uit Europa terug. Thans komt het grootste deel uit Azië. De meeste immigranten vestigen zich in de provincies Ontario, Quebec, British Columbia en Alberta.
De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg in de periode 1980-1992 1, 1%. De levensverwachting bij geboorte is 81 jaar voor vrouwen en 75 voor mannen.
De bevolkingsspreiding is zeer ongelijk. Het overgrote deel van het land, m.n. het noorden, is zeer dun bevolkt (gemiddeld minder dan 1 inw. per km2). Het grootste deel van de bevolking is geconcentreerd in een relatief klein, strookvormig gebied langs de zuidgrens. Het zwaartepunt ligt echter in het gebied van de Saint Lawrence en bij de Grote Meren: hier bevinden zich zeven van de vijftien grote agglomeraties die Canada telt. De stedelijke bevolking omvat ca. 80% van het totale inwoneraantal.
2.2 Taal
Canada kent twee officiële talen, Engels en Frans. Frans is de moedertaal van 24% van de bevolking.
2.3 Religie
In de 16de eeuw was de bevolking van Canada ten gevolge van de immigratie van Fransen hoofdzakelijk rooms-katholiek. Doordat in 1759 Canada in Britse handen overging en de protestantse kerken uit het moederland de gelegenheid kregen zich ook hier uit te breiden, werd Canada geleidelijk aan meer protestants. Volgens de census van 1991 is 41% van de bevolking rooms-katholiek, 7% behoort tot de United Church of Canada, 8% tot de Anglican Church of Canada, 3% is presbyteriaans, 3% lutheraans en 2,5% baptist. Voorts zijn te noemen de Reformed Church, waarbij zich vele Nederlands-hervormde immigranten, en de Christian Reformed Church, waarbij zich vele gereformeerden hebben aangesloten. De katholieken van de Byzantijnse ritus - voornamelijk (afstammelingen van) geïmmigreerde Oekraïners (Roethenen) - hebben in Canada een eigen hiërarchie en eigen kloosters. Canada telt ruim 340.000 joodse inwoners.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Canada is een zelfstandige staat binnen het Gemenebest. Als constitutionele monarchie omvat het parlement naar Brits model de Kroon, de Senaat en het Lagerhuis. De Koning wordt vertegenwoordigd door een door hem voor vijf jaar benoemde gouverneur-generaal. Deze wordt bijgestaan door een kabinet (privy council). In 1982 werd een grondwetswijziging doorgevoerd (Canada Act 1982) die de laatste grondwettelijke, directe banden met Groot-Brittannië ophief en het Canadese parlement de bevoegdheid gaf zelf wijzigingen in de grondwet aan te brengen zonder voorafgaande toestemming van het Britse parlement. In de Senaat geldt regionale vertegenwoordiging; de 104 leden worden net als in Groot-Brittannië door het kabinet benoemd. Een commissie begon in 1990 met een onderzoek naar de mogelijkheid de Senaat naar het model van de Verenigde Staten te structureren. De verdeling van de 295 Lagerhuiszetels geschiedt eveneens provinciegewijs en wordt bij elke volkstelling om de tien jaar aangepast. De leden worden voor vijf jaar bij algemeen kiesrecht gekozen. Vanaf 18 jaar is er actief stemrecht. De staatsinrichting heeft een federale structuur; elke provincie heeft een eigen constitutie, een door de gouverneur-generaal benoemde luitenant-gouverneur die door het federale kabinet wordt voorgedragen en een uit één Kamer bestaande wetgevende vergadering. De territoria worden direct bestuurd door de regering en het parlement in Ottawa, maar genieten een toenemende mate van zelfbestuur.
3.2 Administratieve indeling
Sinds 1949 bestaat Canada uit tien provincies en twee territoria. Iedere provincie heeft een hoge mate van autonomie, o.a. tot uiting komend in de bevoegdheid zelf het plaatselijk bestuur te regelen.
In 1990 raakte Canada in een constitutionele crisis toen twee provincies (Newfoundland en Manitoba) weigerden een amendement op de grondwet van 1982 te tekenen, waarin behalve een grotere zelfstandigheid van de provincies tevens de aparte status van de Franstalige provincie Quebec werd vastgelegd. Quebec weigerde daarna de Canada Act te tekenen.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Canada is lid van de Verenigde Naties en zijn suborganisaties, van de NATO, van de OECD, van het Gemenebest, van de APEC (Asia Pacific Economic Cooperation) en geassocieerd lid van het Colomboplan. Voorts heeft Canada de status van waarnemer in de Organisatie van Amerikaanse Staten en er bestaat een raamovereenkomst tot samenwerking met de EU.
3.4 Politieke organisatie, partijwezen, vakbeweging
De National Liberal Federation of Canada (de Liberale Partij, opgericht in 1840) is de oudste politieke partij van het land. Haar aanhang is vnl. afkomstig uit de steden. De Progressive Conservative Party of Canada (de Conservatieve Partij), opgericht in 1854, verkreeg haar tegenwoordige naam in 1942 na een fusie met de Progressieve Partij. De New Democratic Party (NDP) ontstond in 1961 door samensmelting van de Cooperative Commonwealth Federation en het Canadian Labour Congress, de grootste vakbond van het land. Parti Québécois staat afscheiding van de (Franstalige) provincie Quebec voor, zij het onder bepaalde voorwaarden. In een referendum over de politieke onafhankelijkheid van Quebec, in 1995 gehouden, werd afscheiding door de inwoners van de provincie nog maar met een kleine meerderheid afgewezen. Sindsdien heeft de partij op nationaal niveau concurrentie gekregen van het conservatieve Bloc Québécois, dat in 1990 is opgericht en eveneens afscheiding van de Franstalige provincie nastreeft.
De grootste vakbond is het Canadian Labour Congress (CLC) met 61% van de georganiseerde werknemers.

4. Economie
4.1 Algemeen
Canada heeft een hoog ontwikkelde industriële markteconomie, die sterk export georiënteerd en hecht verbonden is met de economie van de Verenigde Staten. Met een Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking van $ 19.570 (1994) behoort Canada tot de welvarendste landen ter wereld. Een zeer snelle expansie heeft Canada in enkele decennia van een overwegend van landbouw, pelshandel en bosexploitatie afhankelijk land omgevormd tot een der belangrijkste industrielanden ter wereld. De voor een belangrijk deel nog onontsloten hulpbronnen van het land zijn zeer omvangrijk; vooral de bodemschatten zijn van grote betekenis. De kapitaalbehoefte is zeer groot. Deze werd in het verleden grotendeels door Groot-Brittannië gedekt, thans echter voornamelijk door de Verenigde Staten.
Geen ander ontwikkeld land vertoont een zo grote mate van afhankelijkheid van een buurland; bijna alle niet-agrarische activiteiten worden gefinancierd door Amerikaans kapitaal. Deze afhankelijkheid is er de oorzaak van dat de Canadese overheid slechts in beperkte mate een zelfstandige economische politiek kan voeren. De sterk omstreden Foreign Investment Review Act, in 1974 door de liberale regering ingevoerd als instrument om buitenlandse investeringen te kunnen controleren, werd in 1984 afgeschaft.
Een ander probleem bij het vaststellen van een nationaal economisch beleid vormt de grote mate van zelfstandigheid van de afzonderlijke provincies, die bevoegdheden bezitten op het gebied van loon- en prijsontwikkeling en belastingheffing.
Van de beroepsbevolking (61% van de totale bevolking) was in 1994 4% werkzaam in de landbouw, 22% in de industrie en handel en 74% in de dienstensector.
4.2 Landbouw
De landbouw, waarvan het economische belang de laatste decennia aanmerkelijk is afgenomen (3% van de waarde van het Bruto Nationaal Product), berust op het sterk gemechaniseerde farmbedrijf, waar geproduceerd wordt voor de binnenlandse markt en in toenemende mate voor de export. Van de cultuurgrond (8,6% van de landoppervlakte) wordt ca. 90% ingenomen door grote bedrijven (de gemiddelde grootte van de ca. 300!000 bedrijven is 231 ha.). Het agrarische kerngebied wordt gevormd door de provincies Alberta, Saskatchewan en Manitoba. Landbouwproducten komen voorts voornamelijk uit Zuid-Ontario en Zuid-Quebec, uit de bergdalen van British Columbia en uit de Atlantische provincies, waar de bedrijven kleiner zijn.
De landbouwproductie is in de jaren tachtig nog verder geïntensiveerd; het aantal bedrijven nam af, maar de gemiddelde grootte nam sterk toe. Het aantal werkenden in de landbouw nam af, terwijl de productie steeg (jaarlijks 2,8%). Verreweg het belangrijkste product is tarwe, voor 90% afkomstig uit het agrarische kerngebied. Op de wereldmarkt is Canada een van de grootste tarweproducenten en -exporteurs. Na tarwe is het belangrijkste product haver; daarop volgen gerst, gemengde granen, maïs en rogge. Belangrijk is voorts de teelt van aardappelen en die van oliehoudende gewassen (vlas en raapzaad), terwijl peulvruchten, suikerbieten, groenten, tabak, voedergranen en fruit (appelen, peren, pruimen, kersen) eveneens een rol spelen.
De fruitteelt is voornamelijk geconcentreerd in Zuid-Ontario en in het zuiden van British Columbia. De federale en provinciale overheden verlenen landbouwbedrijven op vrijwel elk gebied steun, o.a. door het aanleggen van irrigatiewerken, het doen van onderzoek, door maatregelen ter bevordering van prijsstabiliteit en het verlenen van gunstige kredieten.
Gebieden met een sterk ontwikkelde veehouderij zijn Ontario en Quebec, waar de grotere bevolkingsdichtheid afzetmogelijkheden voor vlees en zuivelproducten biedt. Het fokken van slachtvee (runderen, varkens, schapen) vindt echter grotendeels plaats in Alberta en Saskatchewan.
4.3 Visserij
De visserij verschafte in het midden van de jaren tachtig, afgezien van de visverwerkende industrie, werk aan ca. 60.000 beroepsvissers, van wie tweederde zijn beroep uitoefent aan de Atlantische kust en ca. 20% aan de westkust; de overigen bevissen de binnenwateren. De Atlantische kust met belangrijke visgronden als de Newfoundlandbank levert bijna 70% van de totale visproductie, de Pacifische kust ruim 20% hiervan en de vooral op de Grote Meren en Manitobameren beoefende binnenvisserij het overige deel. De meest gevangen soorten zijn kabeljauw en haring (Atlantische kust), zalm (Pacifische kust), baars, steur en forel. Overbevissing heeft de vangsten onder druk gezet.
4.4 Pelsjacht
De jacht op pelsdieren vormde lange tijd Canada's grootste economische hulpbron. Meer en meer wordt echter het economische jagen (trappen) opgegeven ten gunste van het veel lucratievere fokken van pelsdieren op farms, voornamelijk in Zuid-Canada. De farms produceren vooral nerts-, chinchilla- en zilvervossenbont. De belangrijkste gejaagde pelsdieren zijn bevers, lynxen, bisamratten, vossen, eekhoorns, visotters, marters en zeehonden. Mede als gevolg van een Europese boycot is de zeehondenvangst begin jaren tachtig gedaald. In 1987 maakte de regering een einde aan de jacht op jonge zeehonden. De jacht op oudere dieren gaat onverminderd door.
4.5 Bosbouw
Bijna 45% van de landoppervlakte is met bossen bedekt, die van de oost- tot de westkust een ca. 1000 tot 2000 km brede gordel vormen. Dit gebied bestaat voornamelijk uit verschillende soorten naaldhout en is voor ca. driekwart exploiteerbaar. In principe behoort alle bos als kroonland de provincies toe, die licenties verstrekken voor het vellen van de houtopstanden, waarna de grond weer aan de staat toevalt. Canada is 's werelds grootste exporteur van hout en houtproducten. Het overgrote deel wordt verwerkt tot rondhout, zaaghout, houtpulp en papier. Het houttransport naar de verwerkingscentra geschiedt veelal op de rivieren in grote vlotten. Een specifiek Canadese vorm van bosexploitatie, voornamelijk beoefend in Quebec, is de winning van ahornsuiker (maple sirup) uit het sap van de ahornboom.
4.6 Mijnbouw en energievoorziening
Canada is een van de belangrijkste mijnbouwgebieden ter wereld. In alle provincies, vooral in Ontario, Alberta, Quebec en British Columbia, alsmede in beide territoria, worden minerale grondstoffen geëxploiteerd. Canada is de eerste wereldproducent van nikkel, zink, zilver en asbest en behoort tot de belangrijkste wereldproducenten van kalium, molybdeen, gips, uraan (belangrijke vondst in 1978 in Saskatchewan), zwavel, titaanconcentraten, platina, aluminium, goud, koper en ijzererts. Ongeveer 90% van de mijnbouwproductie wordt geëxporteerd. Steenkool komt in grote hoeveelheden voor en wordt sinds 1970 in toenemende mate geëxploiteerd, met name ten behoeve van de groeiende Japanse markt. Ca. 95% van de totale kolenexport gaat daarnaar toe.
Op het gebied van delfstoffen is de aardolie-industrie het belangrijkst, gevolgd door aardgas (gezamenlijke productiewaarde in 1994: ca. $ 12 miljard resp. $ 23,5 miljard). De winning is voor 90% geconcentreerd in Alberta. Een zeer uitgebreid net van oliepijpleidingen en aardgasleidingen zorgt voor het transport. Wat zijn energievoorziening betreft is Canada autarkisch. De energievoorziening op lange termijn kan worden veiliggesteld door exploratie van voorraden in de grensgebieden (Mackenziedelta, de arctische eilanden en de oostkust). Voorts bevatten de teerzanden van de Athabascarivier (Alberta) grote hoeveelheden ruwe olie, die echter met de huidige technologische kennis slechts ten dele geëxploiteerd kunnen worden.
Canada beschikt over een groot vermogen aan waterkracht. In 1996 was 60% van de opgewekte elektrische energie afkomstig van hydro-elektrische centrales. De grootste waterkrachtcentrale ter wereld is de Hydro-Quebec, met een vermogen van meer dan 5300 MW. Deze centrale vormt een onderdeel van de St. James Bay-waterkrachtcentrale (zuidelijke inham van de Hudsonbaai) waar in totaal vier centrales komen te staan. Bij de voltooiing hiervan zal Canada zijn export van elektriciteit verder kunnen uitbreiden. In 1967 werd de eerste commerciële atoomcentrale in Douglas Point aan het Huronmeer in gebruik gesteld. Andere bevinden zich in Pickering (ten oosten van Toronto), Gentilly (Quebec) en Bruce-station (Ontario).
4.7 Industrie
De industrie heeft zich na 1945 snel ontwikkeld, vooral dankzij de ontdekking en exploitatie van het enorme potentieel aan energiebronnen, met name aardolie. De belangrijkste tak van industrie is de metaalverwerkende. Centrum voor deze industrie is Ontario (Hamilton, Sault Ste Marie); andere centra zijn Sydney (Nova Scotia), Winnipeg (Manitoba), Edmonton (Alberta) en Vancouver (British Columbia). Van groot belang is de fabricage van transportmiddelen, met als centra Windsor en Oshawa (Ontario). Uraan wordt geraffineerd in Port Hope (Ontario), nikkel in Port Colborne (Ontario). Belangrijke centra voor metaalindustrie zijn voorts Trail in British Columbia (lood, zilver, zink), Flin Flon in Manitoba (koper, zink, cadmium) en Copper Cliff in Ontario (koper, goud, zilver). De non-ferrometaalbereiding is voornamelijk gebaseerd op de in eigen land geëxploiteerde delfstoffen, uitgezonderd de aluminiumfabricage (Quebec, voorts bij Kitimat in British Columbia), die met geïmporteerd bauxiet werkt en ca. 25% van de wereldaluminiumproductie levert.
Op de grote rijkdom aan hout is een aantal belangrijke industrieën gebaseerd: houtzagerijen, papier-, cellulose-, kunstzijde- en meubelindustrie, voornamelijk aan de westkust geconcentreerd. Canada is de eerste wereldproducent van krantenpapier (meer dan de helft van de wereldproductie) en de tweede van houtpulp. Ten slotte is de voedingsmiddelenindustrie van belang, voornamelijk gelokaliseerd in de landbouwgebieden. De belangrijkste onderdelen hiervan zijn slachterijen, conservenindustrie (vis, fruit, groenten) en de bereiding van dranken.
4.8 Handel
Canada behoort tot de belangrijkste industriële handelsnaties. De handelsbalans vertoont doorgaans een overschot. De betalingsbalans weerspiegelt echter een minder rooskleurig beeld van de Canadese economie. De dienstenrekening vertoont al jaren een tekort, veroorzaakt door bestedingen van Canadezen in het buitenland als gevolg van het sterk toegenomen toerisme. Het overheersende belang van buitenlands bezit in de Canadese economie veroorzaakt kapitaaloverdrachten naar het buitenland in de vorm van rente en dividend, hetgeen eveneens ongunstig is voor de betalingsbalans. Verreweg de belangrijkste importeur van Canadese producten is de Verenigde Staten (ca. 80% van de totale exportwaarde), gevolgd door Japan, Groot-Brittannië, Duitsland en Italië. De voornaamste exportgoederen zijn motorvoertuigen en onderdelen, aardolie en aardgas, hout en houtslijp, krantenpapier, tarwe, machines en non-ferro halffabrikaten. Ingevoerd worden o.a. aardolie, machines, auto's, elektrische apparaten, voedingsmiddelen en chemische producten. De belangrijkste leveranciers zijn de Verenigde Staten (driekwart van de importwaarde), Groot-Brittannië, Japan, Duitsland en de andere EU-landen. In 1997 zijn de weinige nog bestaande handelsbeperkingen tussen de Verenigde Staten en Canada opgeheven.
4.9 Bankwezen
Centrale bank is de in 1934 opgerichte Bank of Canada in Ottawa. De Federal Business Development Bank rekent het tot haar taak de ontwikkeling van industriële vestigingen in economisch nog weinig ontwikkelde gebieden te stimuleren. Het Canadese systeem van handelsbanken wordt gevormd door 63 chartered banks, met filialen in het hele land. Deze bankinstellingen behoeven een vergunning in het kader van de bankwet, die strikte voorwaarden stelt aan het functioneren van de banken, zoals gedetailleerde periodieke rapportages en inspecties. Voorts zijn er acht binnen- en buitenlandse banken.
4.10 Verkeer
De Saint Lawrence Seaway (voltooid in 1959), die Canada's belangrijkste industriegebied (Ontario) met de Atlantische Oceaan verbindt, is de meest intensief voor transport gebruikte binnenwaterweg en van groot belang voor de economie. De belangrijkste zeehavens aan de Atlantische zijde zijn Montreal, St. John's en Halifax, aan de Grote Oceaan Vancouver en Victoria. Van toenemend belang voor het goederenvervoer is het uitgebreide pijpleidingennetwerk. Ca. een kwart van het totale intercitygoederenvervoer vindt plaats met behulp van pijpleidingen. Ruggegraat van binnenlands verkeer en vervoer is evenwel het 93!544 km lange spoorwegnet. De grootste spoorwegmaatschappijen zijn de Canadian National Railways (CN) en de Canadian Pacific Railways (CP), resp. een staats- en een semi-overheidsinstelling, die behalve ca. 90% van de spoorwegen ook luchtlijnen, autowegen en hotels exploiteren. In april 1978 nam Via Rail, een overheidsinstelling, alle passagiersdiensten over die voor die tijd werden uitgevoerd door CP en CN. De in 1960 gereedgekomen Trans-Canada Highway (7871 km lengte) loopt door alle tien provincies en verbindt St. John's (Newfoundland) met Victoria (British Columbia). Het vliegverkeer vormt voor veel plaatsen in het hoge noorden de enige verkeersverbinding. Het binnenlandse luchtvaartnet is dan ook zeer vertakt (meer dan 100 vliegvelden). Intercontinentaal luchtverkeer wordt verzorgd door Air Canada (een overheidsbedrijf) en Canadian Airlines (particulier). De belangrijkste internationale luchthavens zijn Vancouver, Montreal, Toronto en Halifax.

5. Toeristische gegevens
Canada's uitgestrekte en ongerepte natuurgebieden vormen 's lands belangrijkste attractie voor toerisme en recreatie. De toeristische accommodatie is in het algemeen uitstekend. Het voor- en vooral het najaar zijn de beste tijden voor een verblijf: op vele plaatsen kan dan nog worden geskied en in de herfst zijn de Zuidcanadese wouden op hun mooist (de Indian summer). Stranden vindt men niet alleen aan de oceanen, maar ook aan de vele meren. Van de vele nationale en provinciale parken (met een gezamenlijke oppervlakte van 300!000 km2) is Banff National Park in de Rocky Mountains het oudste en Jasper National Park het grootste van Canada, beide in Alberta. Hier mag niet worden gejaagd, met het gevolg dat dieren als de zwarte beer en de eland er niet schuw zijn.
Canada telt 56 National Historic Parks and Sites, beschermde gebieden met historische bouwwerken of stadsdelen. De interessantste steden zijn Montreal, Quebec, Ottawa, Kingston, Halifax, Toronto, Vancouver en Victoria. De beroemdste watervallen zijn de Niagara Watervallen, maar er zijn er meer, bijv. de Athabasca Falls in Jasper National Park en de 85 m hoge Quiatchouane Falls bij Chambord. Befaamd zijn de Reversing Falls in de haven van Saint John in New Brunswick, waar het water als gevolg van opkomend tij teruggeduwd wordt; Canada heeft hier het grootste getijdenverschil ter wereld.
De grootste musea zijn het National Museum of Canada in Ottawa (o.m. collecties betreffende de cultuur van Indianen en Eskimo's) en het Royal Ontario Museum in Toronto (kunst en archeologische voorwerpen uit alle delen van de wereld). Kaarten, handschriften, munten e.d. betreffende de geschiedenis van Canada zijn tentoongesteld in de openbare archieven in Ottawa. Schilderijenmusea zijn gevestigd in o.m. Ottawa (National Gallery), Montreal (Museum of Fine Arts), Vancouver (Art Gallery) en Toronto (Art Gallery).

6. Geschiedenis
6.1 De oudste bewoners
Canada pictures -VancouverVoordat de blanken kwamen, moeten er in het wijde gebied dat thans Canada heet ca. 200.000 Indianen en enkele duizenden Eskimo's geleefd hebben. De volken waarmee de blanke ontdekkingsreizigers het eerste in contact kwamen, behoorden tot de taalfamilies van de Irokezen en de Algonkins. De Huronen, taalkundig behorend tot de Irokezen, maar felle vijanden van de eigenlijke Irokezen in de Mohawkvallei, waren de eerste vrienden van de Franse kolonisten. Al deze volken waren semi-nomaden. Zij kenden maïs, maar ook tabak, bonen e.d., en waren jagers. Zij woonden in wigwams.
6.2 De kolonisatie
In 1497 landden de eerste blanken op de kust van Canada, namelijk de Italiaanse ontdekkingsreiziger John Cabot en 18 mannen, in opdracht van koning Hendrik VII van Engeland. Deze reis werd gevolgd door andere, zowel van Cabot als van de Portugese ontdekkers Gasper en Miguel Corte-Real. De kust van Newfoundland werd weldra een gezocht visgebied, waarheen vooral Franse vissers zich begaven. In 1534 trok Jacques Cartier in opdracht van koning Frans I van Frankrijk naar Canada om de doortocht te zoeken naar Azië. Hij ontdekte de St.-Lawrence River en maakte contact met de Indianen bij een berg die hij de naam Mont Royal gaf. Aan Cartiers reis ontleende de Franse koning zijn aanspraken op Canada. In de 16de eeuw kwam het nog niet tot kolonisatie, maar de visserij nam toe en werd weldra gevolgd door de nog veel winstgevender bonthandel en de jacht op walrussen en walvissen.
De permanente kolonisatie begon toen Samuel de Champlain naar Canada trok. Van 1603 tot 1635 werkte hij in het nieuwe land en bracht het tot ontwikkeling door het stichten van nederzettingen als Quebec, Montreal en Port Royal. Engelse dreiging dwong hem in 1629 tot capitulatie, maar in 1632 werd het gebied aan Frankrijk teruggegeven. Tot 1663 stond het onder het bestuur van de Compagnie de la Nouvelle France en daarna werd het een kolonie onder direct bestuur van de koning. Deze benoemde een gouverneur en daarnaast een intendant, een taakverdeling die tot veel twist aanleiding gaf.
Bovendien ontstonden er spanningen tussen kerk en staat, want de kerk eiste vrijheden en voorrechten op. Zij had een grote macht en wijdde zich met overgave aan de missie onder de Indianen. Speciaal de jezuïeten hielden zich met de bekering bezig en verscheidene van hen kwamen als martelaren om het leven, onder wie beroemde mannen als Isaac Jogues en Jean de Brébeuf. De rapporten van de jezuïeten vormen de belangrijkste bron van de vroege geschiedenis van Canada.
6.3 Het Franse bewind
Tussen 1672 en 1698 was, met een korte onderbreking (1683-1689), de graaf van Frontenac gouverneur, die een zeer krachtige politiek voerde en het koninklijk gezag boven dat van de kerk liet prevaleren. Onder zijn bewind begonnen de grote ontdekkingen van het binnenland: in 1673 ontdekten Louis Jolliet en pater Marquette de Mississippi en in 1682 voer La Salle deze rivier geheel af. In de 18de eeuw gingen ook de reizen naar het westen steeds verder, in de jaren 1732-1743 trok La Vérendrye door de prairies tot het Rots Gebergte.
De Franse kolonisatie ging steeds meer in de breedte en in de verte, maar had geen stevige basis. Er bleven te weinig kolonisten binnenkomen en te veel verspreidden die weinigen zich in het binnenland. Een beperking van de immigratie door koning Lodewijk XIV deed veel schade. Nadelig werkte ook het strenge autocratische bestuur en het gevolg was dat in het midden van de 18de eeuw Frans Canada nog niet meer dan ca. 65!000 inwoners had, terwijl de Engelse koloniën ten zuiden van Canada toen al dicht bij de twee miljoen inwoners waren, die bovendien bijeen woonden langs de Atlantische kusten en in een betrekkelijke vrijheid leefden.
De botsing met Engeland in de verschillende koloniale oorlogen, die parallel liepen met de grote coalitie-oorlogen in Europa, bereikte haar hoogtepunt in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), die in Amerika iets eerder begon en eindigde (1754-1760) en daar de naam French and Indian War draagt. Reeds hadden de Fransen in de voorgaande oorlogen enige gebieden langs de kust verloren, o.a. Acadia, maar nu kwam het einde. Generaal Montcalm, de Franse opperbevelhebber, behaalde aanvankelijk nog successen van betekenis, veroverde de forten Oswego en William Henry in 1756 en 1757 en versloeg de Engelsen bij Ticonderoga in 1758.
De Engelse minister-president William Pitt de Oudere zette alles op alles en stuurde een groot expeditieleger onder generaal James Wolfe. Deze verraste in 1759 de stad Quebec en versloeg in een heroïsche strijd de Fransen op de Vlakten van Abraham bij de stad. Zowel Wolfe als zijn tegenstander Montcalm vond hierbij de dood. In 1760 viel ook Montreal en zo kwam een einde aan de oorlog en aan het Franse bestuur in Canada.
6.4 Canada onder Brits bestuur en als dominion
De Engelsen regelden het bestuur van het nieuw verworven gebied bij de Quebec Act van 1774, voornamelijk het werk van Sir Guy Carleton, die met geringe onderbrekingen Canada bestuurde van 1766 tot 1796. Hij was het ook die verantwoordelijk was voor de Constitutional Act van 1791 waarbij Canada werd verdeeld in een Frans- en een Engelstalig deel, Neder- en Opper-Canada. Er waren namelijk na de Amerikaanse Vrijheidsoorlog veel Engelse loyalisten binnengekomen, die zich vooral in de westelijke provincie Ontario hadden gevestigd. Pogingen van de Amerikanen in 1775 en 1776 en later weer in 1812 om tijdens hun oorlogen met Engeland Canada te veroveren, faalden volkomen. Toch waren de verhoudingen tussen Engelsen en Fransen in Canada dikwijls moeilijk, vooral tijdens het bewind van gouverneur Sir James Craig (1808-1810).
Ernstiger nog werd het interne conflict in 1837, toen zowel Franse Canadezen in het oosten als Engelse dissenters in het westen in opstand kwamen tegen de regering van het zgn. Family Compact, een kleine groep machthebbers. De opstand, geleid door Louis Papineau, werd neergeslagen, maar Engeland trok lering uit de gebeurtenissen. De nieuwe gouverneur, Lambton, Earl of Durham, onderzocht de toestand en schreef een bekwaam rapport: Report on the affairs of British North America (2 dln., 1839), waarop in 1840 de Union Act volgde. Canada werd weer een centrale eenheid, met Montreal als hoofdstad, en kreeg een sterke mate van zelfbestuur. In 1848 werd het Frans officieel als gelijkwaardige taal erkend.
De moeilijkheden met de Verenigde Staten over de grenzen werden geregeld in het Webster-Ashburton-verdrag van 1842 en in het Oregon-verdrag van 1846. Door het laatste kwam een einde aan de lange twist over Oregon; de grens werd vastgesteld langs de 49ste breedtegraad.
In 1867 eindelijk kwam de regeling tot stand die Canada tot een dominion maakte, bestaande uit een federatie van verschillende provincies, in het begin vier: Quebec, Ontario, Nova Scotia en New Brunswick. Een parlement van twee Huizen werd gevestigd in de nieuwe hoofdstad Ottawa. Door de uitbreiding naar het westen werden nieuwe provincies toegevoegd, Manitoba in 1870, British Columbia in 1871, Saskatchewan en Alberta in 1905, terwijl in 1948 ook Newfoundland als aparte provincie toetrad tot de federatie. De uitbreiding naar het westen bracht allerlei problemen met zich mee; een geweldig gebied moest worden ontsloten.
In 1881 werd een concessie gegeven aan de Canadian Pacific Railway Company, die in 1885 de verbinding tussen oost en west voltooide. Maar er ontstonden conflicten met de bevolking van het westen, zowel met de Indianen als met de halfbloeden. Deze vonden een leider in Louis Riel, die in 1870 in Manitoba en in 1885 in Saskatchewan een voorlopige regering van de 'métis', de halfbloeden van Frans-Indiaanse origine, vormde. Riels verzet was er voornamelijk een van de jagers en zwervers van de vlakten tegen het binnendringen der beschaving, maar hij werd ook door de Franse Canadezen beschouwd als een nationale figuur, vooral toen hij in 1885 was terechtgesteld. De strijd met de métis en de Indianen leidde tot de vorming van de Royal Canadian Mounted Police (1873).
De ontwikkeling van Canada verliep in economisch opzicht niet erg gunstig. Het bleek zeer moeilijk het uitgebreide gebied van het westen in cultuur te brengen; de speciale methoden die nodig waren voor de landbouw, had men nog niet onder de knie en de hoop die was gewekt door het bouwen van de westerse spoorweg, eindigde in veel teleurstelling. Een langdurige crisis teisterde het land en had een grote emigratie naar de Verenigde Staten tot gevolg van zeker 2 miljoen mensen tussen 1871 en 1901 op een bevolking van niet meer dan 4 à 5 miljoen. Pas tegen het einde van de 19de eeuw begon er enige verbetering te komen door het toepassen van allerlei nieuwe methoden en een betere exploitatie van de bodemrijkdommen.
In het Dominion had zich ondertussen een partijsysteem ontwikkeld naar Engels voorbeeld. De twee grote partijen werden de Conservatieven en de Liberalen. De eersten vonden een bekwaam leider in Sir John Alexander Macdonald, die van 1878 tot 1891 eerste-minister was. Hij legde de grondslag voor de latere opbloei. Onder de liberale leider Sir Wilfrid Laurier (1896-1911), die indertijd beroemd was geworden wegens zijn verdediging van de rechten van de métis, kwam inderdaad de grote vooruitgang. Zijn politiek waarbij immigratie werd aangemoedigd en de vestiging in het westen werd gesteund, was een zegen voor het land. Laurier was voorzichtig in zijn politiek ten opzichte van het moederland; van Engelands imperialisme wilde hij weinig weten. Het was onder zijn conservatieve opvolger, Sir Robert Laird Borden, dat Canada krachtige steun gaf aan Engeland in de Eerste Wereldoorlog. Sinds 1921 waren de liberalen in Canada lange tijd de heersende partij, geleid door de bekwame William Lyon Mackenzie King, die zelf tot 1948 regeerde.
6.5 Canada als soevereine mogendheid
In 1931 werd Canada krachtens het statuut van Westminster als lid van het Britse Gemenebest een onafhankelijke staat (in 1926 was het al autonoom verklaard). Dit bleek ook uit de belangrijke rol die Canada's conservatieve premier R.B. Bennett (1930-1935) kon spelen op de Imperial Conference van Ottawa (1932), waar een stelsel van tariefpreferenties werd aanvaard ter bestrijding van de grote economische crisis van 1929, die Canada zeer trof. Bennett slaagde er echter niet in, zijn radicaal economisch program door het kabinet te loodsen. Zijn liberale opvolger Mackenzie King nam echter veel van zijn voorstellen over. Canada verklaarde in 1939 zelfstandig de oorlog aan Duitsland. Het werd meer en meer het economisch centrum van het Gemenebest, werkte nauw samen met de Verenigde Staten en was na de Tweede Wereldoorlog de vierde industriële mogendheid van de wereld geworden. Militair heeft Canada een belangrijk aandeel gehad in de geallieerde overwinning in de Tweede Wereldoorlog.
In 1946 werd het Canadese staatsburgerschap ingevoerd. In 1948 trad Newfoundland toe tot Canada. In 1952 werd voor het eerst een Canadees gouverneur namens de Britse kroon. In 1948 werd Mackenzie King opgevolgd door zijn partijgenoot Saint Laurent. Van 1957 tot 1963 was er een conservatieve regering-Diefenbaker. De verkiezingen van 1963 leverden een liberale overwinning op. Premier werd Lester Pearson, die zich in 1968 terugtrok en werd opgevolgd door de Frans-Canadees Pierre Elliott Trudeau. Zijn regering zag zich in de jaren zeventig gesteld voor grote problemen door de opkomst van een fel Frans-Canadees nationalisme.
De oorzaken hiervan moeten gezocht worden in de snelle industrialisatie van het vanouds landelijke gebied van Quebec, in de toenemende economische invloed van de Verenigde Staten in Canada en de navenante verzwakking van de Britse economische relaties en in de algemene generatieconflicten van de jaren zestig. De jonge intellectuelen in Frans-Canada keerden zich gelijkelijk tegen de conservatieve invloed van de Rooms-Katholieke Kerk in hun gebied en tegen de federale regering in Ottawa. Reeds in de jaren 1960-1966, toen Quebec bestuurd werd door een progressieve liberale regering onder leiding van Jean Lesage, begon er wat de stille revolutie is genoemd, socialisatie van belangrijke natuurlijke hulpbronnen, modernisering van het onderwijs en verdediging van de eigen taal.
Een nieuwe stimulans kreeg het Franse gevoel door het bezoek van generaal De Gaulle in 1967. In datzelfde jaar werd een nieuwe nationale partij opgericht, de Parti Québécois, die volledige onafhankelijkheid nastreefde. Tegelijk opereerde er een geheime terroristische groep, de Fédération pour la Liberation de Québec, die al in 1963 verschillende bomaanslagen uitvoerde, maar in 1970 nog verder ging en enkele vooraanstaande mensen ontvoerde, onder wie minister Laporte, die vermoord werd. De Parti Québécois (PQ, vandaar Péquistes genoemd) distantieerde zich scherp van dit radicalisme. Haar leider, de journalist René Lévesque, won steeds meer aanhang en in 1976 behaalde de PQ de meerderheid in het parlement van Quebec, waarop Lévesque een regering vormde. Ogenblikkelijk werden zeer radicale taalwetten doorgevoerd, vooral bedoeld om de zeer talrijke immigranten uit Zuid-Europa te dwingen Franstalig te worden en zo een toekomstige Engels sprekende meerderheid te voorkomen.
In 1979 kwam een eind aan een periode van meer dan 15 jaar liberaal bewind. Na een verkiezingsnederlaag moest Trudeau plaats maken voor de conservatieve leider Joe Clark. Het succes van Trudeaus politiek van samenwerking met het electoraat van Quebec bleek toen Quebec in 1982 een voorstel van René Lévesque tot afscheiding verwierp. Daarnaast slaagde Trudeau erin een reeds lang gekoesterde nationalistische wens te vervullen: het Engelse parlement nam in 1982 de British North American Act aan, waardoor Canada de volledige controle over de eigen grondwet verkreeg. De conservatieve minderheidsregering van Clark viel al in 1980. Trudeau regeerde weer tot 1984. Toen werd hij opgevolgd door zijn partijgenoot John M. Turner. Het electoraat was echter conservatiever geworden onder invloed van economische crises en Turner werd in sept. 1984 opgevolgd door de conservatief Brian Mulroney. Deze voerde een krap-geld-politiek, beteugelde de inflatie en streefde ernaar de invloed van de overheid op de economie te verminderen.
In 1990 raakte Canada in een constitutionele crisis toen twee provincies (Newfoundland en Manitoba) weigerden een amendement (het Meech-Lake-Akkoord) op de grondwet van 1982 te tekenen, waarin behalve een grotere zelfstandigheid van de provincies tevens de aparte status (distinct society) van de Franstalige provincie Quebec werd vastgelegd. Quebec weigerde daarna de Canada Act te tekenen. Uitvoerige onderhandelingen tussen de premiers van de afzonderlijke provincies en de federale regering leidden uiteindelijk in augustus 1992 tot een nieuw compromis.
Dit Akkoord van Charlottetown (naar de hoofdstad van de kleinste provincie, Prince Edward Island) erkende Québec eveneens als een aparte gemeenschap, maar gaf ook aan de overige deelstaten een grotere mate van autonomie, met name op het gebied van immigratie, bosbouw, mijnbouw, toerisme en stadsontwikkeling. Aan de oorspronkelijke bewoners van Canada, Indianen en Eskimo's, werd een grote mate van zelfbestuur in het vooruitzicht gesteld. De kiezers verwierpen echter in een referendum in oktober 1992 dit akkoord. De Indianen en vooral de Eskimo's waren zeer verontwaardigd. In mei 1992 hadden de Eskimo's zich namelijk al uitgesproken voor een verdeling van de Northwest Territories, zodat zij daarin hun eigen gebied, Nunavit zouden krijgen.
Tijdens de Tweede Golfoorlog in 1991 nam Canada deel aan de bevrijding van Koeweit.
In juni 1993 werd Kim Campbell gekozen tot opvolger van Mulroney als leider van de regerende conservatieve partij. Zij werd daardoor de eerste vrouwelijke premier van Canada Bij de verkiezingen in okt. 1993 werd Campbells conservatieve partij vernietigend verslagen door de Liberalen. De conservatieven hielden na hun negen jaar durende regeringsperiode van de 153 zetels er slechts 2 over. Premier werd Jean Chrétien van de Liberale Partij.
In okt. 1995 was de status van Quebec wederom aan de orde. In een referendum verwierpen de Québécois nipt een voorstel om de Canadese federatie te verlaten. Jacques Parizeau trad na de nederlaag af als premier en leider van de Parti Québécois en werd in beide functies opgevolgd door Lucien Bouchard, de voormalige leider van het Bloc Québécois in het parlement van Ottowa. Bouchard nam een verzoenende houding aan jegens de regering in Ottowa en beloofde vóór 1999 geen nieuw referendum te zullen uitschrijven over de onafhankelijkheid van Quebec.

Telefoongids Canada
Postcodes Canada

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009