|
1. Fysische geografie
Qua oppervlakte staat Canada
tussen Europa en de Verenigde Staten in. De kusten hebben een totale
lengte van ca. 23.700 km en zijn zowel aan de oost- als aan de westzijde
sterk geleed. In het noorden en noordwesten lost het continent zich op
in een archipel van grote, merendeels lage en vlakke eilanden (Arctische
Archipel), gescheiden door een ingewikkeld patroon van zeestraten. De
grootste van deze eilanden zijn Baffin, Ellesmere, Victoria,
Newfoundland en Vancouver. De Hudsonbaai (1.220.000 km2) dringt hier tot
diep in het binnenland.
1.1
Geologie
De geologische bouw van Canada is gecompliceerd, onder meer doordat de
geschiedenis een tijdsduur van meer dan 3000 miljoen jaar in beslag
genomen heeft. In een groot deel van Canada komen gesteenten aan de
oppervlakte die gevormd zijn door en tijdens gebergtevormende processen
(geplooide, metamorfe en intrusieve gesteenten). In een aantal gebieden
zijn deze gesteenten bedekt door ongeplooide, vlakliggende sedimenten
van paleozoïsche, mesozoïsche en kenozoïsche ouderdom. Zie voorts
Noord-Amerika § geologische bouw.
1.2 Waterhuishouding
Canada's rivieren en meren vormen een der grootste binnenwatergebieden
ter wereld. Het Mackenzie River-systeem is met ca. 4250 km, van de mond
van de Mackenzie tot de bovenloop van Finlay River, het langste van
Canada. Het verzorgt de afwatering van ca. 25% van het Canadese
grondgebied en doet dit op de Arctische Oceaan. De afwatering van het
gebied van het Canadese Schild (zie Noord-Amerika § geologische bouw) en
van de Interior Plains geschiedt grotendeels via de Hudsonbaai op de
Atlantische Oceaan. Van dit gebied is het systeem van de Nelson River
het omvangrijkst, met rivieren als de Saskatchewan, Assiniboine, Red
Deer en de Bow.
De wateren van het grondgebied van de Maritieme provincies en van
Zuidoost-Quebec zijn grotendeels georiënteerd op Canada's grootste
rivier, de Saint Lawrence, die via Saint Lawrence Bay op de Atlantische
Oceaan afwatert. De Rocky Mountains vormen de waterscheiding tussen het
Schildgebied en het Pacifische afwateringsgebied. Van laatstgenoemd
gebied zijn de belangrijkste rivieren de Yukon in Noordwest-Canada en de
Columbia en Fraser in het zuidwesten. Een klein gebied in Zuid-Alberta
watert via Milk River af op de Golf van Mexico. De talrijke meren,
relicten uit de post-glaciale periode, zijn meestal onderling door
rivieren verbonden. De grootste meren zijn de via de Saint Lawrence
afwaterende Grote Meren, door vier waarvan de grens met de Verenigde
Staten loopt, te weten Lake Superior of Bovenmeer, Lake Huron, Lake Erie
en Lake Ontario, alsmede Lake St.-Clair. In het zuiden zijn de rivieren
en meren ongeveer vijf maanden per jaar met ijs bedekt (de Great Lakes
slechts aan de rand); in het noorden zijn alleen de grootste rivieren
één tot twee maanden ijsvrij. Door de vele watervallen en
stroomversnellingen in de rivieren beschikt Canada over een enorm
potentieel aan hydro-elektrische energie.
1.3 Klimaat
Het klimaat van Canada wordt o.a. door de volgende factoren bepaald: a.
de relatief warme Koero Sjiwo-driftstroom langs de westkust, waardoor
West-Canada een gematigd klimaat heeft dat aan dat van Noordwest-Europa
doet denken; b. de Rocky Mountains, die een obstakel vormen voor
gematigde westelijke maritieme luchtstromingen, maar waardoor ook koude
polaire lucht niet naar de westkust kan doordringen; c. de grote vlakten
ten oosten van de Rocky Mountains, waartoe koude, van hoge breedte
afkomstige luchtstromingen vrij toegang hebben; d. de aanwezigheid in
het noorden van de Noordelijke IJszee; e. de koude Labradorstroom, die
langs de oostkust zuidwaarts stroomt, waardoor de temperaturen daar veel
lager blijven dan langs de westkust.
Als verdere algemene, het klimaat bepalende factoren kunnen voorts
worden genoemd de betrekkelijk hoge breedte waarop het land is gelegen,
van 49° N.Br. (in het oosten 42°) tot binnen de poolcirkel, en de met de
grote uitgestrektheid van Noord-Amerika samenhangende sterke
continentaliteit. De laagste wintertemperaturen worden aangetroffen in
het noorden (Northwest Territories en Yukon) en in de laag gelegen
stations ten oosten van de Rocky Mountains, waar de koude arctische
lucht ongehinderd kan doordringen (Fort Vermilion, Prince Albert en
Churchill). De laag gelegen stations langs de westkust (Vancouver)
hebben een opmerkelijk zachter klimaat dan die welke aan de oostkust op
dezelfde of zelfs lagere breedte zijn gelegen (St. John's en Halifax).
De neerslaghoeveelheden zijn aan beide kusten ongeveer gelijk, met aan
de oostkust een iets gelijkmatiger verdeling over het jaar, een gevolg
van de langs de kust trekkende depressies. In het centrum en noorden van
het land valt betrekkelijk weinig neerslag, o.a. als gevolg van de
afschermende werking van de Rocky Mountains.
De centrale gedeelten van Canada hebben een duidelijk continentaal
klimaat met een jaarlijkse gang van de temperatuur, die zelfs in het op
de breedte van Florence gelegen Toronto 26 °C bedraagt, dat is 4 °C meer
dan in Warschau, dat 10° noordelijker ligt. In de Northwest Territories
bedraagt de jaarlijkse gang van de temperatuur zelfs meestal meer dan 45
°C. Voorts is de jaarlijkse gang van de temperatuur langs de westkust
aanmerkelijk kleiner dan langs de oostkust.
Volgens het klimaatsysteem van Köppen heeft het grootste gedeelte van
Canada een boreaal of sneeuwwoudklimaat (Df). In het noorden van het
land en met name op de Canadese eilanden heerst een toendraklimaat (ET).
Voorts komt ten oosten van de Rocky Mountains plaatselijk het
steppeklimaat (BS) voor. Langs de westkust bevindt zich ten slotte een
smalle strook met een gematigd regenwoudklimaat (C). De lucht boven
Canada is gewoonlijk van polaire of van arctische oorsprong. Tussen deze
beide luchtsoorten pleegt een scherpe overgang te bestaan (zie front
[meteorologie]), waarlangs zich depressies kunnen ontwikkelen, die dan
van west naar oost over het land trekken. In de zomer dringt soms
maritiem-tropische lucht uit de Golf van Mexico tot in Canada door. Ook
langs het front tussen deze lucht en de polaire ontwikkelen zich veelal
depressies. Deze trekken dan langs de oostkust van de Verenigde Staten
naar het noordoosten en geven in het oosten van Canada (St. John's) veel
neerslag. De bovengenoemde van west naar oost trekkende depressies geven
gewoonlijk minder neerslag, o.a. als gevolg van de dalende beweging die
de lucht ondergaat aan de oostzijde van de Rocky Mountains. Krachtige
dalende föhnwinden worden hier chinooks genoemd. Het effect van deze
chinooks is duidelijk terug te vinden in de temperaturen, bijv. Banff in
Alberta op 1378 m hoogte met een gemiddelde januaritemperatuur van -11
°C tegen het lager gelegen maar verder van het gebergte verwijderde
Winnipeg met -17 °C.
Andere bijzondere weersverschijnselen zijn de blizzards of barbers,
zoals ze in Oost-Canada worden genoemd, sneeuwstormen die bij zeer lage
temperaturen in de winter voorkomen tijdens en na het met grote snelheid
binnenstromen van arctische lucht. Deze lucht dringt dan veelal tot in
de Golf van Mexico door (cold waves).
Langs de kusten van Labrador en Newfoundland komt vaak mist voor, vooral
gedurende de zomermaanden, een gevolg van de lage temperatuur van het
water van de Labradorstroom. In combinatie met de ijsbergen, welke
vooral in het voorjaar met de stroom meedrijven, vormt zich hier een
voor de scheepvaart gevaarlijke situatie.
In de wintermaanden komt vrij frequent ijsmist voor. Deze ontstaat door
in de atmosfeer zwevende ijskristallen, en wel uitsluitend bij zeer lage
temperaturen.
1.4 Plantengroei
Gezien de enorme oppervlakte van het land is de flora van Canada
relatief arm: 7000 à 7500 soorten vaatplanten op ca. 9.960.000 km2; in
de relatief rijke provincie Quebec 2200 soorten op 1.480.000 km2 (ter
vergelijking: Frankrijk 3900 soorten, Spanje 4500 soorten, beide op
542.000 km2). Dit is toe te schrijven zowel aan het strenge klimaat als
aan de gelijkmatige natuurlijke gesteldheid. De noordelijke helft van
Canada wordt ingenomen door woudvrije toendravegetaties.
Deze reiken aan de oost- en aan de westkust tot ver naar het zuiden; zo
ligt Zuidoost-Labrador, op de breedte van Engeland, nog ten noorden van
de boomgrens; daarentegen reikt het woud in het continentale midden tot
boven de poolcirkel. Men moet zich de arctische vegetatie zeker niet als
eentonig en soortenarm voorstellen. Vooral in het noorden en voorts in
droog en continentaal klimaat en op kalkbodem overweegt een fjeld van
tal van kleurig bloeiende planten; in de zuidelijke Arctis overwegen
dwergstruikheiden en in beschutte kloven e.d. vindt men bosjes van
berkesoorten.
Bijna de gehele zuidelijke helft van Canada bestaat uit boreale
naaldwouden met dennen, sparren en levensbomen. Door brand, storm en
insectenschade worden vaak grote oppervlakten vernietigd. Grote
uitgestrektheden woud gaan geleidelijk over in veenmosvenen, die zich
van Europese hoogvenen onder meer onderscheiden door een struiketage van
voornamelijk heidesoorten, meest 'Indian tea' genaamd.
Afwijkend zijn het westelijk kustgebied en het zuidoosten. In het eerste
komen, in aansluiting op de overeenkomstige vegetatie in de Verenigde
Staten van Amerika, tot 100 m hoge wouden van de spar Picea sitchensis
(1500-3000 mm neerslag) voor en, hoger op de bergen, de alaskaceder (Chamaecyparis
nootkatensis). In het relatief warme zuidoosten, bij de Grote Meren en
de Saint Lawrence, komen via een brede zone waar naald- en loofhout
gemengd optreden, reeds echte loofwouden voor. Merkwaardig is dat hier
naast tal van boreale soorten reeds vele vooral uit de tropen bekende
geslachten voorkomen, zoals de zwepenboom en gierst. Het soortenrijkste
woudtype, tevens op de rijkste gronden groeiend, is het
beech-mapleforest met beuken en de witte esdoorn (maple), overeenkomend
met de Europese eikenhaagbeukenbossen. Op armere en drogere
standplaatsen groeit een bos van Amerikaanse eiken (te vergelijken met
onze eikenberkenbossen), op vochtiger en vruchtbare gronden een woud met
essen. Beroemd zijn de Zuidcanadese wouden vooral om hun prachtige
herfstkleuren. Waar deze bossen gerooid zijn, ontstonden evenals in
Europa plaatselijk heggenlandschappen, waarin gedurende de laatste
eeuwen de meidoorn zich sterk uitbreidt.
1.5 Dierenwereld
Canada behoort tot het dierengeografische rijk Arctogaea. Men kan daarin
weer onderscheiden: de arctische fauna en de nearctische fauna. De grens
tussen deze twee wordt gevormd door de boomgrens, die in het westen ten
noorden van de poolcirkel loopt, maar in het oosten meer zuidelijk, tot
in Labrador. Een voor de Arctis endemische soort is de muskusos, die op
de grotere Canadese eilanden nog tamelijk talrijk vertegenwoordigd is,
maar ook op het vasteland voorkomt (tussen de Mackenzierivier en de
Hudsonbaai), beschermd in enkele reservaten. Ook de ijsbeer komt hier
voor. De toendra wordt bewoond door o.m. de wolf, de poolvos, de kariboe
(het Amerikaanse rendier), de sneeuwhaas en de lemming. Van de vogels
verdienen de sneeuwgors, de kneu, piepers en alpenleeuwerik vermelding.
In het nearctische deel van Canada zijn de roofdieren vertegenwoordigd
door soorten als de poema, de lynx, de grizzlybeer (een vorm van de
bruine beer, die hier zijn maximale grootte kan bereiken; alleen in het
westen), de zwarte beer of baribal (in alle bossen), de wasbeer, de wolf
en vossen; voorts marters, veelvraat en otter. Van de hoefdieren mogen
worden genoemd de bosbizon (in het westen tussen de Rocky Mountains en
Great Slave Lake), het wapitihert op vele plaatsen in het westen,
evenals het muildierhert; het witstaarthert leeft in het zuiden van
Canada. De eland (moose) heeft nog een groot verspreidingsgebied.
De gaffelantilope wordt slechts op een beperkt gebied in het zuidwesten
aangetroffen. Het bergschaap bewoont evenals de sneeuwgeit alleen het
uiterste westen. De knaagdieren zijn o.m. vertegenwoordigd door
prairiehonden, lemmingen, eekhoorns, vliegende eekhoorns,
boomstekelvarkens, muskusrat, bever, enz. Van de vogels verdienen vooral
de kraanvogels vermelding. In de rivieren en meren leven o.m. snoeken en
forellen; de Atlantische zalm trekt in Labrador de rivieren op. Vooral
aan de oostkust speelt de visserij een grote rol. Door de geringe en
geconcentreerde bevolking is de dierenwereld van Canada weinig in het
nauw gebracht; een netwerk van reservaten is een waarborg voor de
toekomst. De slachting van jonge zeehonden omwille van het bont aan de
oost- en noordoostkust is in de jaren tachtig beëindigd, mede door druk
van het buitenland.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
oorspronkelijke bewoners van Canada zijn de Indianen en de Eskimo's
(samen 4% van de bevolking). In 1991 stonden 783.980 personen als
Indiaan geregistreerd. Tezamen vormen zij de ruim 600 Indianenstammen
die Canada telt. 300.000 Indianen wonen in reservaten (waarvan er meer
dan 2500 zijn, met een totale oppervlakte van ca. 25.000 km2) en een
gering aantal, vnl. in het noorden, leidt nog een nomadisch bestaan als
jager (trapper). De groep der Eskimo's (Inuit) omvatte in 1991 49.255
zielen, van wie de meesten in de Northwest Territories wonen, in
Noord-Quebec en in Labrador. In 1996 kregen de Inuit toestemming van de
regering in Ottowa om in 1999 zelfbestuur op te zetten in de nieuw te
vormen bestuurlijke eenheid Nunavut (1/5 van het Canadese grondgebied
met ca. 25.000 inw.). Zowel de Indianen als de Eskimo's staan onder de
hoede van een speciaal regeringslichaam, dat over geldmiddelen beschikt
ten behoeve van onderwijs, medische verzorging en economische
ontwikkeling.
Afgezien van bovengenoemde kleine groepen bestaat de gehele huidige
bevolking van Canada uit immigranten en hun nakomelingen. Ruim 25% is
van Britse en Ierse afkomst, ca. 24% is van oorsprong Frans, 4% Duits,
3% Italiaans, 2% Oekraïens, 1,4% Nederlands. De immigratiepolitiek van
de regering is erop gericht slechts zoveel immigranten toe te laten als
met de opnamecapaciteit van de landseconomie verenigbaar is.
Na 1945 heeft Canada ca. 4, 6 miljoen immigranten toegelaten. Topjaren
waren 1957 (ruim 280.000) en 1992 (252.000). Sinds de jaren zeventig
loopt het aantal immigranten uit Europa terug. Thans komt het grootste
deel uit Azië. De meeste immigranten vestigen zich in de provincies
Ontario, Quebec, British Columbia en Alberta.
De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg in de periode 1980-1992 1, 1%. De
levensverwachting bij geboorte is 81 jaar voor vrouwen en 75 voor
mannen.
De bevolkingsspreiding is zeer ongelijk. Het overgrote deel van het
land, m.n. het noorden, is zeer dun bevolkt (gemiddeld minder dan 1 inw.
per km2). Het grootste deel van de bevolking is geconcentreerd in een
relatief klein, strookvormig gebied langs de zuidgrens. Het zwaartepunt
ligt echter in het gebied van de Saint Lawrence en bij de Grote Meren:
hier bevinden zich zeven van de vijftien grote agglomeraties die Canada
telt. De stedelijke bevolking omvat ca. 80% van het totale
inwoneraantal.
2.2 Taal
Canada kent twee officiële talen, Engels en Frans. Frans is de
moedertaal van 24% van de bevolking.
2.3 Religie
In de 16de eeuw was de bevolking van Canada ten gevolge van de
immigratie van Fransen hoofdzakelijk rooms-katholiek. Doordat in 1759
Canada in Britse handen overging en de protestantse kerken uit het
moederland de gelegenheid kregen zich ook hier uit te breiden, werd
Canada geleidelijk aan meer protestants. Volgens de census van 1991 is
41% van de bevolking rooms-katholiek, 7% behoort tot de United Church of
Canada, 8% tot de Anglican Church of Canada, 3% is presbyteriaans, 3%
lutheraans en 2,5% baptist. Voorts zijn te noemen de Reformed Church,
waarbij zich vele Nederlands-hervormde immigranten, en de Christian
Reformed Church, waarbij zich vele gereformeerden hebben aangesloten. De
katholieken van de Byzantijnse ritus - voornamelijk (afstammelingen van)
geïmmigreerde Oekraïners (Roethenen) - hebben in Canada een eigen
hiërarchie en eigen kloosters. Canada telt ruim 340.000 joodse inwoners.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Canada is een zelfstandige staat binnen het Gemenebest. Als
constitutionele monarchie omvat het parlement naar Brits model de Kroon,
de Senaat en het Lagerhuis. De Koning wordt vertegenwoordigd door een
door hem voor vijf jaar benoemde gouverneur-generaal. Deze wordt
bijgestaan door een kabinet (privy council). In 1982 werd een
grondwetswijziging doorgevoerd (Canada Act 1982) die de laatste
grondwettelijke, directe banden met Groot-Brittannië ophief en het
Canadese parlement de bevoegdheid gaf zelf wijzigingen in de grondwet
aan te brengen zonder voorafgaande toestemming van het Britse parlement.
In de Senaat geldt regionale vertegenwoordiging; de 104 leden worden net
als in Groot-Brittannië door het kabinet benoemd. Een commissie begon in
1990 met een onderzoek naar de mogelijkheid de Senaat naar het model van
de Verenigde Staten te structureren. De verdeling van de 295
Lagerhuiszetels geschiedt eveneens provinciegewijs en wordt bij elke
volkstelling om de tien jaar aangepast. De leden worden voor vijf jaar
bij algemeen kiesrecht gekozen. Vanaf 18 jaar is er actief stemrecht. De
staatsinrichting heeft een federale structuur; elke provincie heeft een
eigen constitutie, een door de gouverneur-generaal benoemde
luitenant-gouverneur die door het federale kabinet wordt voorgedragen en
een uit één Kamer bestaande wetgevende vergadering. De territoria worden
direct bestuurd door de regering en het parlement in Ottawa, maar
genieten een toenemende mate van zelfbestuur.
3.2 Administratieve indeling
Sinds 1949 bestaat Canada uit tien provincies en twee territoria. Iedere
provincie heeft een hoge mate van autonomie, o.a. tot uiting komend in
de bevoegdheid zelf het plaatselijk bestuur te regelen.
In 1990 raakte Canada in een constitutionele crisis toen twee provincies
(Newfoundland en Manitoba) weigerden een amendement op de grondwet van
1982 te tekenen, waarin behalve een grotere zelfstandigheid van de
provincies tevens de aparte status van de Franstalige provincie Quebec
werd vastgelegd. Quebec weigerde daarna de Canada Act te tekenen.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Canada is lid van de Verenigde Naties en zijn suborganisaties, van de
NATO, van de OECD, van het Gemenebest, van de APEC (Asia Pacific
Economic Cooperation) en geassocieerd lid van het Colomboplan. Voorts
heeft Canada de status van waarnemer in de Organisatie van Amerikaanse
Staten en er bestaat een raamovereenkomst tot samenwerking met de EU.
3.4 Politieke organisatie, partijwezen, vakbeweging
De National Liberal Federation of Canada (de Liberale Partij, opgericht
in 1840) is de oudste politieke partij van het land. Haar aanhang is
vnl. afkomstig uit de steden. De Progressive Conservative Party of
Canada (de Conservatieve Partij), opgericht in 1854, verkreeg haar
tegenwoordige naam in 1942 na een fusie met de Progressieve Partij. De
New Democratic Party (NDP) ontstond in 1961 door samensmelting van de
Cooperative Commonwealth Federation en het Canadian Labour Congress, de
grootste vakbond van het land. Parti Québécois staat afscheiding van de
(Franstalige) provincie Quebec voor, zij het onder bepaalde voorwaarden.
In een referendum over de politieke onafhankelijkheid van Quebec, in
1995 gehouden, werd afscheiding door de inwoners van de provincie nog
maar met een kleine meerderheid afgewezen. Sindsdien heeft de partij op
nationaal niveau concurrentie gekregen van het conservatieve Bloc
Québécois, dat in 1990 is opgericht en eveneens afscheiding van de
Franstalige provincie nastreeft.
De grootste vakbond is het Canadian Labour Congress (CLC) met 61% van de
georganiseerde werknemers.
4. Economie
4.1 Algemeen
Canada heeft een hoog ontwikkelde industriële markteconomie, die sterk
export georiënteerd en hecht verbonden is met de economie van de
Verenigde Staten. Met een Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de
bevolking van $ 19.570 (1994) behoort Canada tot de welvarendste landen
ter wereld. Een zeer snelle expansie heeft Canada in enkele decennia van
een overwegend van landbouw, pelshandel en bosexploitatie afhankelijk
land omgevormd tot een der belangrijkste industrielanden ter wereld. De
voor een belangrijk deel nog onontsloten hulpbronnen van het land zijn
zeer omvangrijk; vooral de bodemschatten zijn van grote betekenis. De
kapitaalbehoefte is zeer groot. Deze werd in het verleden grotendeels
door Groot-Brittannië gedekt, thans echter voornamelijk door de
Verenigde Staten.
Geen ander ontwikkeld land vertoont een zo grote mate van
afhankelijkheid van een buurland; bijna alle niet-agrarische
activiteiten worden gefinancierd door Amerikaans kapitaal. Deze
afhankelijkheid is er de oorzaak van dat de Canadese overheid slechts in
beperkte mate een zelfstandige economische politiek kan voeren. De sterk
omstreden Foreign Investment Review Act, in 1974 door de liberale
regering ingevoerd als instrument om buitenlandse investeringen te
kunnen controleren, werd in 1984 afgeschaft.
Een ander probleem bij het vaststellen van een nationaal economisch
beleid vormt de grote mate van zelfstandigheid van de afzonderlijke
provincies, die bevoegdheden bezitten op het gebied van loon- en
prijsontwikkeling en belastingheffing.
Van de beroepsbevolking (61% van de totale bevolking) was in 1994 4%
werkzaam in de landbouw, 22% in de industrie en handel en 74% in de
dienstensector.
4.2 Landbouw
De landbouw, waarvan het economische belang de laatste decennia
aanmerkelijk is afgenomen (3% van de waarde van het Bruto Nationaal
Product), berust op het sterk gemechaniseerde farmbedrijf, waar
geproduceerd wordt voor de binnenlandse markt en in toenemende mate voor
de export. Van de cultuurgrond (8,6% van de landoppervlakte) wordt ca.
90% ingenomen door grote bedrijven (de gemiddelde grootte van de ca.
300!000 bedrijven is 231 ha.). Het agrarische kerngebied wordt gevormd
door de provincies Alberta, Saskatchewan en Manitoba. Landbouwproducten
komen voorts voornamelijk uit Zuid-Ontario en Zuid-Quebec, uit de
bergdalen van British Columbia en uit de Atlantische provincies, waar de
bedrijven kleiner zijn.
De landbouwproductie is in de jaren tachtig nog verder geïntensiveerd;
het aantal bedrijven nam af, maar de gemiddelde grootte nam sterk toe.
Het aantal werkenden in de landbouw nam af, terwijl de productie steeg
(jaarlijks 2,8%). Verreweg het belangrijkste product is tarwe, voor 90%
afkomstig uit het agrarische kerngebied. Op de wereldmarkt is Canada een
van de grootste tarweproducenten en -exporteurs. Na tarwe is het
belangrijkste product haver; daarop volgen gerst, gemengde granen, maïs
en rogge. Belangrijk is voorts de teelt van aardappelen en die van
oliehoudende gewassen (vlas en raapzaad), terwijl peulvruchten,
suikerbieten, groenten, tabak, voedergranen en fruit (appelen, peren,
pruimen, kersen) eveneens een rol spelen.
De fruitteelt is voornamelijk geconcentreerd in Zuid-Ontario en in het
zuiden van British Columbia. De federale en provinciale overheden
verlenen landbouwbedrijven op vrijwel elk gebied steun, o.a. door het
aanleggen van irrigatiewerken, het doen van onderzoek, door maatregelen
ter bevordering van prijsstabiliteit en het verlenen van gunstige
kredieten.
Gebieden met een sterk ontwikkelde veehouderij zijn Ontario en Quebec,
waar de grotere bevolkingsdichtheid afzetmogelijkheden voor vlees en
zuivelproducten biedt. Het fokken van slachtvee (runderen, varkens,
schapen) vindt echter grotendeels plaats in Alberta en Saskatchewan.
4.3 Visserij
De visserij verschafte in het midden van de jaren tachtig, afgezien van
de visverwerkende industrie, werk aan ca. 60.000 beroepsvissers, van wie
tweederde zijn beroep uitoefent aan de Atlantische kust en ca. 20% aan
de westkust; de overigen bevissen de binnenwateren. De Atlantische kust
met belangrijke visgronden als de Newfoundlandbank levert bijna 70% van
de totale visproductie, de Pacifische kust ruim 20% hiervan en de vooral
op de Grote Meren en Manitobameren beoefende binnenvisserij het overige
deel. De meest gevangen soorten zijn kabeljauw en haring (Atlantische
kust), zalm (Pacifische kust), baars, steur en forel. Overbevissing
heeft de vangsten onder druk gezet.
4.4 Pelsjacht
De jacht op pelsdieren vormde lange tijd Canada's grootste economische
hulpbron. Meer en meer wordt echter het economische jagen (trappen)
opgegeven ten gunste van het veel lucratievere fokken van pelsdieren op
farms, voornamelijk in Zuid-Canada. De farms produceren vooral nerts-,
chinchilla- en zilvervossenbont. De belangrijkste gejaagde pelsdieren
zijn bevers, lynxen, bisamratten, vossen, eekhoorns, visotters, marters
en zeehonden. Mede als gevolg van een Europese boycot is de
zeehondenvangst begin jaren tachtig gedaald. In 1987 maakte de regering
een einde aan de jacht op jonge zeehonden. De jacht op oudere dieren
gaat onverminderd door.
4.5 Bosbouw
Bijna 45% van de landoppervlakte is met bossen bedekt, die van de oost-
tot de westkust een ca. 1000 tot 2000 km brede gordel vormen. Dit gebied
bestaat voornamelijk uit verschillende soorten naaldhout en is voor ca.
driekwart exploiteerbaar. In principe behoort alle bos als kroonland de
provincies toe, die licenties verstrekken voor het vellen van de
houtopstanden, waarna de grond weer aan de staat toevalt. Canada is 's
werelds grootste exporteur van hout en houtproducten. Het overgrote deel
wordt verwerkt tot rondhout, zaaghout, houtpulp en papier. Het
houttransport naar de verwerkingscentra geschiedt veelal op de rivieren
in grote vlotten. Een specifiek Canadese vorm van bosexploitatie,
voornamelijk beoefend in Quebec, is de winning van ahornsuiker (maple
sirup) uit het sap van de ahornboom.
4.6 Mijnbouw en energievoorziening
Canada is een van de belangrijkste mijnbouwgebieden ter wereld. In alle
provincies, vooral in Ontario, Alberta, Quebec en British Columbia,
alsmede in beide territoria, worden minerale grondstoffen geëxploiteerd.
Canada is de eerste wereldproducent van nikkel, zink, zilver en asbest
en behoort tot de belangrijkste wereldproducenten van kalium, molybdeen,
gips, uraan (belangrijke vondst in 1978 in Saskatchewan), zwavel,
titaanconcentraten, platina, aluminium, goud, koper en ijzererts.
Ongeveer 90% van de mijnbouwproductie wordt geëxporteerd. Steenkool komt
in grote hoeveelheden voor en wordt sinds 1970 in toenemende mate
geëxploiteerd, met name ten behoeve van de groeiende Japanse markt. Ca.
95% van de totale kolenexport gaat daarnaar toe.
Op het gebied van delfstoffen is de aardolie-industrie het belangrijkst,
gevolgd door aardgas (gezamenlijke productiewaarde in 1994: ca. $ 12
miljard resp. $ 23,5 miljard). De winning is voor 90% geconcentreerd in
Alberta. Een zeer uitgebreid net van oliepijpleidingen en
aardgasleidingen zorgt voor het transport. Wat zijn energievoorziening
betreft is Canada autarkisch. De energievoorziening op lange termijn kan
worden veiliggesteld door exploratie van voorraden in de grensgebieden (Mackenziedelta,
de arctische eilanden en de oostkust). Voorts bevatten de teerzanden van
de Athabascarivier (Alberta) grote hoeveelheden ruwe olie, die echter
met de huidige technologische kennis slechts ten dele geëxploiteerd
kunnen worden.
Canada beschikt over een groot vermogen aan waterkracht. In 1996 was 60%
van de opgewekte elektrische energie afkomstig van hydro-elektrische
centrales. De grootste waterkrachtcentrale ter wereld is de Hydro-Quebec,
met een vermogen van meer dan 5300 MW. Deze centrale vormt een onderdeel
van de St. James Bay-waterkrachtcentrale (zuidelijke inham van de
Hudsonbaai) waar in totaal vier centrales komen te staan. Bij de
voltooiing hiervan zal Canada zijn export van elektriciteit verder
kunnen uitbreiden. In 1967 werd de eerste commerciële atoomcentrale in
Douglas Point aan het Huronmeer in gebruik gesteld. Andere bevinden zich
in Pickering (ten oosten van Toronto), Gentilly (Quebec) en
Bruce-station (Ontario).
4.7 Industrie
De industrie heeft zich na 1945 snel ontwikkeld, vooral dankzij de
ontdekking en exploitatie van het enorme potentieel aan energiebronnen,
met name aardolie. De belangrijkste tak van industrie is de
metaalverwerkende. Centrum voor deze industrie is Ontario (Hamilton,
Sault Ste Marie); andere centra zijn Sydney (Nova Scotia), Winnipeg (Manitoba),
Edmonton (Alberta) en Vancouver (British Columbia). Van groot belang is
de fabricage van transportmiddelen, met als centra Windsor en Oshawa (Ontario).
Uraan wordt geraffineerd in Port Hope (Ontario), nikkel in Port Colborne
(Ontario). Belangrijke centra voor metaalindustrie zijn voorts Trail in
British Columbia (lood, zilver, zink), Flin Flon in Manitoba (koper,
zink, cadmium) en Copper Cliff in Ontario (koper, goud, zilver). De
non-ferrometaalbereiding is voornamelijk gebaseerd op de in eigen land
geëxploiteerde delfstoffen, uitgezonderd de aluminiumfabricage (Quebec,
voorts bij Kitimat in British Columbia), die met geïmporteerd bauxiet
werkt en ca. 25% van de wereldaluminiumproductie levert.
Op de grote rijkdom aan hout is een aantal belangrijke industrieën
gebaseerd: houtzagerijen, papier-, cellulose-, kunstzijde- en
meubelindustrie, voornamelijk aan de westkust geconcentreerd. Canada is
de eerste wereldproducent van krantenpapier (meer dan de helft van de
wereldproductie) en de tweede van houtpulp. Ten slotte is de
voedingsmiddelenindustrie van belang, voornamelijk gelokaliseerd in de
landbouwgebieden. De belangrijkste onderdelen hiervan zijn slachterijen,
conservenindustrie (vis, fruit, groenten) en de bereiding van dranken.
4.8 Handel
Canada behoort tot de belangrijkste industriële handelsnaties. De
handelsbalans vertoont doorgaans een overschot. De betalingsbalans
weerspiegelt echter een minder rooskleurig beeld van de Canadese
economie. De dienstenrekening vertoont al jaren een tekort, veroorzaakt
door bestedingen van Canadezen in het buitenland als gevolg van het
sterk toegenomen toerisme. Het overheersende belang van buitenlands
bezit in de Canadese economie veroorzaakt kapitaaloverdrachten naar het
buitenland in de vorm van rente en dividend, hetgeen eveneens ongunstig
is voor de betalingsbalans. Verreweg de belangrijkste importeur van
Canadese producten is de Verenigde Staten (ca. 80% van de totale
exportwaarde), gevolgd door Japan, Groot-Brittannië, Duitsland en
Italië. De voornaamste exportgoederen zijn motorvoertuigen en
onderdelen, aardolie en aardgas, hout en houtslijp, krantenpapier,
tarwe, machines en non-ferro halffabrikaten. Ingevoerd worden o.a.
aardolie, machines, auto's, elektrische apparaten, voedingsmiddelen en
chemische producten. De belangrijkste leveranciers zijn de Verenigde
Staten (driekwart van de importwaarde), Groot-Brittannië, Japan,
Duitsland en de andere EU-landen. In 1997 zijn de weinige nog bestaande
handelsbeperkingen tussen de Verenigde Staten en Canada opgeheven.
4.9 Bankwezen
Centrale bank is de in 1934 opgerichte Bank of Canada in Ottawa. De
Federal Business Development Bank rekent het tot haar taak de
ontwikkeling van industriële vestigingen in economisch nog weinig
ontwikkelde gebieden te stimuleren. Het Canadese systeem van
handelsbanken wordt gevormd door 63 chartered banks, met filialen in het
hele land. Deze bankinstellingen behoeven een vergunning in het kader
van de bankwet, die strikte voorwaarden stelt aan het functioneren van
de banken, zoals gedetailleerde periodieke rapportages en inspecties.
Voorts zijn er acht binnen- en buitenlandse banken.
4.10 Verkeer
De Saint Lawrence Seaway (voltooid in 1959), die Canada's belangrijkste
industriegebied (Ontario) met de Atlantische Oceaan verbindt, is de
meest intensief voor transport gebruikte binnenwaterweg en van groot
belang voor de economie. De belangrijkste zeehavens aan de Atlantische
zijde zijn Montreal, St. John's en Halifax, aan de Grote Oceaan
Vancouver en Victoria. Van toenemend belang voor het goederenvervoer is
het uitgebreide pijpleidingennetwerk. Ca. een kwart van het totale
intercitygoederenvervoer vindt plaats met behulp van pijpleidingen.
Ruggegraat van binnenlands verkeer en vervoer is evenwel het 93!544 km
lange spoorwegnet. De grootste spoorwegmaatschappijen zijn de Canadian
National Railways (CN) en de Canadian Pacific Railways (CP), resp. een
staats- en een semi-overheidsinstelling, die behalve ca. 90% van de
spoorwegen ook luchtlijnen, autowegen en hotels exploiteren. In april
1978 nam Via Rail, een overheidsinstelling, alle passagiersdiensten over
die voor die tijd werden uitgevoerd door CP en CN. De in 1960
gereedgekomen Trans-Canada Highway (7871 km lengte) loopt door alle tien
provincies en verbindt St. John's (Newfoundland) met Victoria (British
Columbia). Het vliegverkeer vormt voor veel plaatsen in het hoge noorden
de enige verkeersverbinding. Het binnenlandse luchtvaartnet is dan ook
zeer vertakt (meer dan 100 vliegvelden). Intercontinentaal luchtverkeer
wordt verzorgd door Air Canada (een overheidsbedrijf) en Canadian
Airlines (particulier). De belangrijkste internationale luchthavens zijn
Vancouver, Montreal, Toronto en Halifax.
5. Toeristische gegevens
Canada's uitgestrekte en ongerepte natuurgebieden vormen 's lands
belangrijkste attractie voor toerisme en recreatie. De toeristische
accommodatie is in het algemeen uitstekend. Het voor- en vooral het
najaar zijn de beste tijden voor een verblijf: op vele plaatsen kan dan
nog worden geskied en in de herfst zijn de Zuidcanadese wouden op hun
mooist (de Indian summer). Stranden vindt men niet alleen aan de
oceanen, maar ook aan de vele meren. Van de vele nationale en
provinciale parken (met een gezamenlijke oppervlakte van 300!000 km2) is
Banff National Park in de Rocky Mountains het oudste en Jasper National
Park het grootste van Canada, beide in Alberta. Hier mag niet worden
gejaagd, met het gevolg dat dieren als de zwarte beer en de eland er
niet schuw zijn.
Canada telt 56 National Historic Parks and Sites, beschermde gebieden
met historische bouwwerken of stadsdelen. De interessantste steden zijn
Montreal, Quebec, Ottawa, Kingston, Halifax, Toronto, Vancouver en
Victoria. De beroemdste watervallen zijn de Niagara Watervallen, maar er
zijn er meer, bijv. de Athabasca Falls in Jasper National Park en de 85
m hoge Quiatchouane Falls bij Chambord. Befaamd zijn de Reversing Falls
in de haven van Saint John in New Brunswick, waar het water als gevolg
van opkomend tij teruggeduwd wordt; Canada heeft hier het grootste
getijdenverschil ter wereld.
De grootste musea zijn het National Museum of Canada in Ottawa (o.m.
collecties betreffende de cultuur van Indianen en Eskimo's) en het Royal
Ontario Museum in Toronto (kunst en archeologische voorwerpen uit alle
delen van de wereld). Kaarten, handschriften, munten e.d. betreffende de
geschiedenis van Canada zijn tentoongesteld in de openbare archieven in
Ottawa. Schilderijenmusea zijn gevestigd in o.m. Ottawa (National
Gallery), Montreal (Museum of Fine Arts), Vancouver (Art Gallery) en
Toronto (Art Gallery).
6. Geschiedenis
6.1 De oudste bewoners
Voordat
de blanken kwamen, moeten er in het wijde gebied dat thans Canada heet
ca. 200.000 Indianen en enkele duizenden Eskimo's geleefd hebben. De
volken waarmee de blanke ontdekkingsreizigers het eerste in contact
kwamen, behoorden tot de taalfamilies van de Irokezen en de Algonkins.
De Huronen, taalkundig behorend tot de Irokezen, maar felle vijanden van
de eigenlijke Irokezen in de Mohawkvallei, waren de eerste vrienden van
de Franse kolonisten. Al deze volken waren semi-nomaden. Zij kenden
maïs, maar ook tabak, bonen e.d., en waren jagers. Zij woonden in
wigwams.
6.2 De kolonisatie
In 1497 landden de eerste blanken op de kust van Canada, namelijk de
Italiaanse ontdekkingsreiziger John Cabot en 18 mannen, in opdracht van
koning Hendrik VII van Engeland. Deze reis werd gevolgd door andere,
zowel van Cabot als van de Portugese ontdekkers Gasper en Miguel
Corte-Real. De kust van Newfoundland werd weldra een gezocht visgebied,
waarheen vooral Franse vissers zich begaven. In 1534 trok Jacques
Cartier in opdracht van koning Frans I van Frankrijk naar Canada om de
doortocht te zoeken naar Azië. Hij ontdekte de St.-Lawrence River en
maakte contact met de Indianen bij een berg die hij de naam Mont Royal
gaf. Aan Cartiers reis ontleende de Franse koning zijn aanspraken op
Canada. In de 16de eeuw kwam het nog niet tot kolonisatie, maar de
visserij nam toe en werd weldra gevolgd door de nog veel winstgevender
bonthandel en de jacht op walrussen en walvissen.
De permanente kolonisatie begon toen Samuel de Champlain naar Canada
trok. Van 1603 tot 1635 werkte hij in het nieuwe land en bracht het tot
ontwikkeling door het stichten van nederzettingen als Quebec, Montreal
en Port Royal. Engelse dreiging dwong hem in 1629 tot capitulatie, maar
in 1632 werd het gebied aan Frankrijk teruggegeven. Tot 1663 stond het
onder het bestuur van de Compagnie de la Nouvelle France en daarna werd
het een kolonie onder direct bestuur van de koning. Deze benoemde een
gouverneur en daarnaast een intendant, een taakverdeling die tot veel
twist aanleiding gaf.
Bovendien ontstonden er spanningen tussen kerk en staat, want de kerk
eiste vrijheden en voorrechten op. Zij had een grote macht en wijdde
zich met overgave aan de missie onder de Indianen. Speciaal de jezuïeten
hielden zich met de bekering bezig en verscheidene van hen kwamen als
martelaren om het leven, onder wie beroemde mannen als Isaac Jogues en
Jean de Brébeuf. De rapporten van de jezuïeten vormen de belangrijkste
bron van de vroege geschiedenis van Canada.
6.3 Het Franse bewind
Tussen 1672 en 1698 was, met een korte onderbreking (1683-1689), de
graaf van Frontenac gouverneur, die een zeer krachtige politiek voerde
en het koninklijk gezag boven dat van de kerk liet prevaleren. Onder
zijn bewind begonnen de grote ontdekkingen van het binnenland: in 1673
ontdekten Louis Jolliet en pater Marquette de Mississippi en in 1682
voer La Salle deze rivier geheel af. In de 18de eeuw gingen ook de
reizen naar het westen steeds verder, in de jaren 1732-1743 trok La
Vérendrye door de prairies tot het Rots Gebergte.
De Franse kolonisatie ging steeds meer in de breedte en in de verte,
maar had geen stevige basis. Er bleven te weinig kolonisten binnenkomen
en te veel verspreidden die weinigen zich in het binnenland. Een
beperking van de immigratie door koning Lodewijk XIV deed veel schade.
Nadelig werkte ook het strenge autocratische bestuur en het gevolg was
dat in het midden van de 18de eeuw Frans Canada nog niet meer dan ca.
65!000 inwoners had, terwijl de Engelse koloniën ten zuiden van Canada
toen al dicht bij de twee miljoen inwoners waren, die bovendien bijeen
woonden langs de Atlantische kusten en in een betrekkelijke vrijheid
leefden.
De botsing met Engeland in de verschillende koloniale oorlogen, die
parallel liepen met de grote coalitie-oorlogen in Europa, bereikte haar
hoogtepunt in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), die in Amerika iets
eerder begon en eindigde (1754-1760) en daar de naam French and Indian
War draagt. Reeds hadden de Fransen in de voorgaande oorlogen enige
gebieden langs de kust verloren, o.a. Acadia, maar nu kwam het einde.
Generaal Montcalm, de Franse opperbevelhebber, behaalde aanvankelijk nog
successen van betekenis, veroverde de forten Oswego en William Henry in
1756 en 1757 en versloeg de Engelsen bij Ticonderoga in 1758.
De Engelse minister-president William Pitt de Oudere zette alles op
alles en stuurde een groot expeditieleger onder generaal James Wolfe.
Deze verraste in 1759 de stad Quebec en versloeg in een heroïsche strijd
de Fransen op de Vlakten van Abraham bij de stad. Zowel Wolfe als zijn
tegenstander Montcalm vond hierbij de dood. In 1760 viel ook Montreal en
zo kwam een einde aan de oorlog en aan het Franse bestuur in Canada.
6.4 Canada onder Brits bestuur en als dominion
De Engelsen regelden het bestuur van het nieuw verworven gebied bij de
Quebec Act van 1774, voornamelijk het werk van Sir Guy Carleton, die met
geringe onderbrekingen Canada bestuurde van 1766 tot 1796. Hij was het
ook die verantwoordelijk was voor de Constitutional Act van 1791 waarbij
Canada werd verdeeld in een Frans- en een Engelstalig deel, Neder- en
Opper-Canada. Er waren namelijk na de Amerikaanse Vrijheidsoorlog veel
Engelse loyalisten binnengekomen, die zich vooral in de westelijke
provincie Ontario hadden gevestigd. Pogingen van de Amerikanen in 1775
en 1776 en later weer in 1812 om tijdens hun oorlogen met Engeland
Canada te veroveren, faalden volkomen. Toch waren de verhoudingen tussen
Engelsen en Fransen in Canada dikwijls moeilijk, vooral tijdens het
bewind van gouverneur Sir James Craig (1808-1810).
Ernstiger nog werd het interne conflict in 1837, toen zowel Franse
Canadezen in het oosten als Engelse dissenters in het westen in opstand
kwamen tegen de regering van het zgn. Family Compact, een kleine groep
machthebbers. De opstand, geleid door Louis Papineau, werd neergeslagen,
maar Engeland trok lering uit de gebeurtenissen. De nieuwe gouverneur,
Lambton, Earl of Durham, onderzocht de toestand en schreef een bekwaam
rapport: Report on the affairs of British North America (2 dln., 1839),
waarop in 1840 de Union Act volgde. Canada werd weer een centrale
eenheid, met Montreal als hoofdstad, en kreeg een sterke mate van
zelfbestuur. In 1848 werd het Frans officieel als gelijkwaardige taal
erkend.
De moeilijkheden met de Verenigde Staten over de grenzen werden geregeld
in het Webster-Ashburton-verdrag van 1842 en in het Oregon-verdrag van
1846. Door het laatste kwam een einde aan de lange twist over Oregon; de
grens werd vastgesteld langs de 49ste breedtegraad.
In 1867 eindelijk kwam de regeling tot stand die Canada tot een dominion
maakte, bestaande uit een federatie van verschillende provincies, in het
begin vier: Quebec, Ontario, Nova Scotia en New Brunswick. Een parlement
van twee Huizen werd gevestigd in de nieuwe hoofdstad Ottawa. Door de
uitbreiding naar het westen werden nieuwe provincies toegevoegd,
Manitoba in 1870, British Columbia in 1871, Saskatchewan en Alberta in
1905, terwijl in 1948 ook Newfoundland als aparte provincie toetrad tot
de federatie. De uitbreiding naar het westen bracht allerlei problemen
met zich mee; een geweldig gebied moest worden ontsloten.
In 1881 werd een concessie gegeven aan de Canadian Pacific Railway
Company, die in 1885 de verbinding tussen oost en west voltooide. Maar
er ontstonden conflicten met de bevolking van het westen, zowel met de
Indianen als met de halfbloeden. Deze vonden een leider in Louis Riel,
die in 1870 in Manitoba en in 1885 in Saskatchewan een voorlopige
regering van de 'métis', de halfbloeden van Frans-Indiaanse origine,
vormde. Riels verzet was er voornamelijk een van de jagers en zwervers
van de vlakten tegen het binnendringen der beschaving, maar hij werd ook
door de Franse Canadezen beschouwd als een nationale figuur, vooral toen
hij in 1885 was terechtgesteld. De strijd met de métis en de Indianen
leidde tot de vorming van de Royal Canadian Mounted Police (1873).
De ontwikkeling van Canada verliep in economisch opzicht niet erg
gunstig. Het bleek zeer moeilijk het uitgebreide gebied van het westen
in cultuur te brengen; de speciale methoden die nodig waren voor de
landbouw, had men nog niet onder de knie en de hoop die was gewekt door
het bouwen van de westerse spoorweg, eindigde in veel teleurstelling.
Een langdurige crisis teisterde het land en had een grote emigratie naar
de Verenigde Staten tot gevolg van zeker 2 miljoen mensen tussen 1871 en
1901 op een bevolking van niet meer dan 4 à 5 miljoen. Pas tegen het
einde van de 19de eeuw begon er enige verbetering te komen door het
toepassen van allerlei nieuwe methoden en een betere exploitatie van de
bodemrijkdommen.
In het Dominion had zich ondertussen een partijsysteem ontwikkeld naar
Engels voorbeeld. De twee grote partijen werden de Conservatieven en de
Liberalen. De eersten vonden een bekwaam leider in Sir John Alexander
Macdonald, die van 1878 tot 1891 eerste-minister was. Hij legde de
grondslag voor de latere opbloei. Onder de liberale leider Sir Wilfrid
Laurier (1896-1911), die indertijd beroemd was geworden wegens zijn
verdediging van de rechten van de métis, kwam inderdaad de grote
vooruitgang. Zijn politiek waarbij immigratie werd aangemoedigd en de
vestiging in het westen werd gesteund, was een zegen voor het land.
Laurier was voorzichtig in zijn politiek ten opzichte van het
moederland; van Engelands imperialisme wilde hij weinig weten. Het was
onder zijn conservatieve opvolger, Sir Robert Laird Borden, dat Canada
krachtige steun gaf aan Engeland in de Eerste Wereldoorlog. Sinds 1921
waren de liberalen in Canada lange tijd de heersende partij, geleid door
de bekwame William Lyon Mackenzie King, die zelf tot 1948 regeerde.
6.5 Canada als soevereine mogendheid
In 1931 werd Canada krachtens het statuut van Westminster als lid van
het Britse Gemenebest een onafhankelijke staat (in 1926 was het al
autonoom verklaard). Dit bleek ook uit de belangrijke rol die Canada's
conservatieve premier R.B. Bennett (1930-1935) kon spelen op de Imperial
Conference van Ottawa (1932), waar een stelsel van tariefpreferenties
werd aanvaard ter bestrijding van de grote economische crisis van 1929,
die Canada zeer trof. Bennett slaagde er echter niet in, zijn radicaal
economisch program door het kabinet te loodsen. Zijn liberale opvolger
Mackenzie King nam echter veel van zijn voorstellen over. Canada
verklaarde in 1939 zelfstandig de oorlog aan Duitsland. Het werd meer en
meer het economisch centrum van het Gemenebest, werkte nauw samen met de
Verenigde Staten en was na de Tweede Wereldoorlog de vierde industriële
mogendheid van de wereld geworden. Militair heeft Canada een belangrijk
aandeel gehad in de geallieerde overwinning in de Tweede Wereldoorlog.
In 1946 werd het Canadese staatsburgerschap ingevoerd. In 1948 trad
Newfoundland toe tot Canada. In 1952 werd voor het eerst een Canadees
gouverneur namens de Britse kroon. In 1948 werd Mackenzie King opgevolgd
door zijn partijgenoot Saint Laurent. Van 1957 tot 1963 was er een
conservatieve regering-Diefenbaker. De verkiezingen van 1963 leverden
een liberale overwinning op. Premier werd Lester Pearson, die zich in
1968 terugtrok en werd opgevolgd door de Frans-Canadees Pierre Elliott
Trudeau. Zijn regering zag zich in de jaren zeventig gesteld voor grote
problemen door de opkomst van een fel Frans-Canadees nationalisme.
De oorzaken hiervan moeten gezocht worden in de snelle industrialisatie
van het vanouds landelijke gebied van Quebec, in de toenemende
economische invloed van de Verenigde Staten in Canada en de navenante
verzwakking van de Britse economische relaties en in de algemene
generatieconflicten van de jaren zestig. De jonge intellectuelen in
Frans-Canada keerden zich gelijkelijk tegen de conservatieve invloed van
de Rooms-Katholieke Kerk in hun gebied en tegen de federale regering in
Ottawa. Reeds in de jaren 1960-1966, toen Quebec bestuurd werd door een
progressieve liberale regering onder leiding van Jean Lesage, begon er
wat de stille revolutie is genoemd, socialisatie van belangrijke
natuurlijke hulpbronnen, modernisering van het onderwijs en verdediging
van de eigen taal.
Een nieuwe stimulans kreeg het Franse gevoel door het bezoek van
generaal De Gaulle in 1967. In datzelfde jaar werd een nieuwe
nationale partij opgericht, de Parti Québécois, die volledige
onafhankelijkheid nastreefde. Tegelijk opereerde er een geheime
terroristische groep, de Fédération pour la Liberation de Québec, die al
in 1963 verschillende bomaanslagen uitvoerde, maar in 1970 nog verder
ging en enkele vooraanstaande mensen ontvoerde, onder wie minister
Laporte, die vermoord werd. De Parti Québécois (PQ, vandaar Péquistes
genoemd) distantieerde zich scherp van dit radicalisme. Haar leider, de
journalist René Lévesque, won steeds meer aanhang en in 1976 behaalde de
PQ de meerderheid in het parlement van Quebec, waarop Lévesque een
regering vormde. Ogenblikkelijk werden zeer radicale taalwetten
doorgevoerd, vooral bedoeld om de zeer talrijke immigranten uit
Zuid-Europa te dwingen Franstalig te worden en zo een toekomstige Engels
sprekende meerderheid te voorkomen.
In 1979 kwam een eind aan een periode van meer dan 15 jaar liberaal
bewind. Na een verkiezingsnederlaag moest Trudeau plaats maken voor de
conservatieve leider Joe Clark. Het succes van Trudeaus politiek van
samenwerking met het electoraat van Quebec bleek toen Quebec in 1982 een
voorstel van René Lévesque tot afscheiding verwierp. Daarnaast slaagde
Trudeau erin een reeds lang gekoesterde nationalistische wens te
vervullen: het Engelse parlement nam in 1982 de British North American
Act aan, waardoor Canada de volledige controle over de eigen grondwet
verkreeg. De conservatieve minderheidsregering van Clark viel al in
1980. Trudeau regeerde weer tot 1984. Toen werd hij opgevolgd door zijn
partijgenoot John M. Turner. Het electoraat was echter conservatiever
geworden onder invloed van economische crises en Turner werd in sept.
1984 opgevolgd door de conservatief Brian Mulroney. Deze voerde een
krap-geld-politiek, beteugelde de inflatie en streefde ernaar de invloed
van de overheid op de economie te verminderen.
In 1990 raakte Canada in een constitutionele crisis toen twee provincies
(Newfoundland en Manitoba) weigerden een amendement (het
Meech-Lake-Akkoord) op de grondwet van 1982 te tekenen, waarin behalve
een grotere zelfstandigheid van de provincies tevens de aparte status (distinct
society) van de Franstalige provincie Quebec werd vastgelegd. Quebec
weigerde daarna de Canada Act te tekenen. Uitvoerige onderhandelingen
tussen de premiers van de afzonderlijke provincies en de federale
regering leidden uiteindelijk in augustus 1992 tot een nieuw compromis.
Dit Akkoord van Charlottetown (naar de hoofdstad van de kleinste
provincie, Prince Edward Island) erkende Québec eveneens als een aparte
gemeenschap, maar gaf ook aan de overige deelstaten een grotere mate van
autonomie, met name op het gebied van immigratie, bosbouw, mijnbouw,
toerisme en stadsontwikkeling. Aan de oorspronkelijke bewoners van
Canada, Indianen en Eskimo's, werd een grote mate van zelfbestuur in het
vooruitzicht gesteld. De kiezers verwierpen echter in een referendum in
oktober 1992 dit akkoord. De Indianen en vooral de Eskimo's waren zeer
verontwaardigd. In mei 1992 hadden de Eskimo's zich namelijk al
uitgesproken voor een verdeling van de Northwest Territories, zodat zij
daarin hun eigen gebied, Nunavit zouden krijgen.
Tijdens de Tweede Golfoorlog in 1991 nam Canada deel aan de bevrijding
van Koeweit.
In juni 1993 werd Kim Campbell gekozen tot opvolger van Mulroney als
leider van de regerende conservatieve partij. Zij werd daardoor de
eerste vrouwelijke premier van Canada Bij de verkiezingen in okt. 1993
werd Campbells conservatieve partij vernietigend verslagen door de
Liberalen. De conservatieven hielden na hun negen jaar durende
regeringsperiode van de 153 zetels er slechts 2 over. Premier werd Jean
Chrétien van de Liberale Partij.
In okt. 1995 was de status van Quebec wederom aan de orde. In een
referendum verwierpen de Québécois nipt een voorstel om de Canadese
federatie te verlaten. Jacques Parizeau trad na de nederlaag af als
premier en leider van de Parti Québécois en werd in beide functies
opgevolgd door Lucien Bouchard, de voormalige leider van het Bloc
Québécois in het parlement van Ottowa. Bouchard nam een verzoenende
houding aan jegens de regering in Ottowa en beloofde vóór 1999 geen
nieuw referendum te zullen uitschrijven over de onafhankelijkheid van
Quebec.
Telefoongids Canada
Postcodes Canada
|