|
  Deze
naam wordt gegeven aan het hout van verschillende soorten van het
geslacht levensboom ten onrechte in het Nederlands wel als ceder
aangeduid. De bekendste soort is western red cedar van Thuja plicata,
vnl. groeiend in westelijk Noord-Amerika. Het kernhout vertoont
kleurvariaties van licht- tot donkerbruin; door de inwerking van
licht en lucht wordt het rozeachtig. In technisch opzicht is het
donkere en lichte hout gelijk. Western red cedar is meestal
rechtdradig, soms wat grof van structuur; het is zacht en licht (de
gemiddelde volumieke massa 370 kg/m3), doch duurzaam. Zowel met de
hand als machinaal is het goed te bewerken en het trekt en werkt
weinig, zodat het voor lichte, duurzame constructies zowel binnens-
als buitenshuis wordt toegepast, o.a. voor betimmeringen, plafonds
en kozijnen.
Ook soorten van de verwante geslachten dwergcipres en Libocedrus
worden wel als cedar aangeduid; resp. als Port Orford cedar (van
Chamaecyparis lawsoniana) en incense cedar (van L. decurrens).
Als eastern red cedar wordt het hout van Juniperus virginiana (=
cederhoutboom) en J. silicicola (zie jeneverbes) verhandeld.
dwergcipres, het plantengeslacht Chamaecyparis (v. Gr. chamai =
laag; kuparissos = cipres) uit de Cipresfamilie. Er zijn zes
soorten, die voorkomen in Noord-Amerika en Oost-Azië. Dit geslacht
heeft platte twijgen met schubvormige bladen met bijna altijd witte
huidmondvlekken op de achterzijde. De vrouwelijke kegels bezitten
slechts twee tot vier zaadknoppen per schub. Enkele soorten worden
als sierboom of sierheester geteeld. Zeer algemeen is de
Californische cipres (C. lawsoniana) uit Noord-Amerika. Andere zijn
de Hinoki-cipres (C. obtusa) en de Japanse cipres (C. pisifera) uit
Japan, en de Alaskaceder (C. nootkatensis) uit Noord-Amerika. Alle
worden in diverse cultivars geteeld, verschillend in groeiwijze en
kleur. Bijzondere vormen zijn bekend als Retinospora, het zijn
gefixeerde jeugdvormen die hun jeugdbladen (meer naaldvormig)
behouden. Enkele soorten van het geslacht kunnen tot hoge bomen
uitgroeien en zijn belangrijk voor de bosbouw. Het hout is in de
handel bekend als cederhout (ceder, cedar, Port Orford cedar, Alaska
ceder, Saware-ceder).
Port Orford cedar, het hout van de Californische cipres (Chamaecyparis
lawsoniana, een soort uit het geslacht dwergcipres van de
Cipresfamilie), groeiend in het westen van Noord-Amerika. Geelwit
tot geelbruin hout. Vrij licht (gemiddelde volumieke massa 460
kg/m3), vrij zacht, grofnervig, recht van draad. Het duurzame hout
kan voor allerlei soorten binnen- en buitentimmerwerk worden
toegepast.
levensboom [plantkunde], het boomgeslacht Thuja (v. Gr. plantennaam
thuia, een boom met geurig hout) uit de Cipresfamilie. Er zijn ca.
zes soorten, die voorkomen in Oost-Azië en Noord-Amerika. De
vrouwelijke kegels bestaan uit slechts enkele schubben. De westerse
levensboom (T. occidentalis), afkomstig uit Noord-Amerika, wordt
veel als sierboom of -heester aangeplant; er zijn vele cultivars. De
soort is goed te snoeien en daardoor geschikt voor heggen. De
oosterse levensboom (T. orientalis), uit China en Japan,
onderscheidt zich o.a. door de vertakking in een verticaal vlak (bij
T. occidentalis in een horizontaal vlak). Het hout van o.a. T.
plicata staat bekend als cedar, maar wordt ook wel ceder genoemd. In
de bosbouw wordt deze soort veel toegepast voor onderplanting en
voor groepsgewijze aanplant tegelijk met en tussen douglasspar,
sitkaspar en lariks. |