|
1. Fysische geografie
Het
landschap wordt bepaald door het west-oost gerichte plateau van
Oubangui-Chari (gemiddeld 650 m hoog); in het westen en oosten door
resp. de massieven van Yadé en Bongo (gemiddeld 1400 m hoog). Het
plateau vormt de waterscheiding tussen de rivieren die behoren tot het
Tsjaadbekken (naar het noorden stromend) en die welke behoren tot het
stroomgebied van de Zaïre (naar het zuiden stromend). De laatste monden
bijna alle uit in de Oubangui-Mbomu, die de natuurlijke zuidgrens vormt.
In het zuiden heerst een tropisch regenwoudklimaat, met twee
regenseizoenen per jaar; in het noorden een savanneklimaat. Zware regens
vallen van juni tot oktober; het begin van de regentijd wordt gekenmerkt
door tornado's. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt 26 °C, de
gemiddelde neerslag 1400 mm per jaar.
Het noorden van het land wordt bedekt door boomloze savannen, maar in
het zuiden dringt het tropisch regenwoud, vooral langs de rivieren, ver
het land in.
De rijke dierenwereld omvat o.m. nog gorilla's en chimpansees,
reuzeneekhoorns, antilopen, hyena's, en in het Bamingui Bangoran
Nationaal Park ook olifanten en neushoorns. Jacht- en
natuurbeschermingswetten worden echter nauwelijks toegepast en veel
diersoorten zijn al vrijwel uitgeroeid.
2. Bevolking
De
bevolking bestaat uit vele etnische groepen, van wie de Banda, de Baya
en de Mandjia de grootste zijn: elk vertegenwoordigt ongeveer een
vierde van de totale bevolking. In de regenwouden van het zuidwesten
leven enige duizenden pygmeeën, waarschijnlijk de oorspronkelijke
bewoners van het gebied. De spreiding van de bevolking is zeer
ongelijkmatig; de grootste concentratie is in het zuiden en westen,
terwijl grote delen van het oosten vrijwel onbewoond zijn. Bijna 20% van
de bevolking woont in de hoofdstad Bangui. In 1990-1995 bedroeg de
jaarlijkse bevolkingsgroei gemiddeld 2,4%. In 1995 was ca. de helft van
de bevolking minderjarig. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte
was in dat jaar voor mannen 41, voor vrouwen 44 jaar.
2.1 Godsdienst
Geschat wordt dat 57% van de bevolking animistische godsdiensten
aanhangt; 35% is christen (waarvan 20% rooms-katholiek); 8% is islamiet.
2.2 Taal
Officiële talen zijn het Frans, dat maar door 11% van de bevolking
gesproken wordt, en het Sangho, dat vele dialecten kent, de omgangstaal
is.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Bestuur
Volgens
de nieuwe grondwet van 1995, die op die van Frankrijk is gebaseerd, is
het land een presidentiële republiek. De president wordt voor een
ambtstermijn van zes jaar direct (evt. in twee kiesronden) gekozen. De
uitvoerende macht berust bij hem; hij benoemt de minister-president en
heeft het recht het parlement te ontbinden en verkiezingen uit te
schrijven. Het parlement bestaat uit drie Kamers: de voor vijf jaar
gekozen Assemblée Nationale en verder de Economische en de Regionale
Raad, waarin vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en
maatschappelijke organisaties zitten. Samen vormen deze drie Kamers het
Congres, dat wetgevende macht heeft.
3.2 Administratieve indeling
Het land is verdeeld in 17 administratieve eenheden (16 préfectures en
één autonome gemeente), die onderverdeeld zijn in 49 districten. De
hoofdstad, Bangui, bezit een speciale status.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
De Centraal-Afrikaanse Republiek is aangesloten bij de Verenigde Naties
en een aantal van haar suborganisaties, de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid (OAE), de UDEAC (Centraal-Afrikaanse Douane- en Economische
Unie), de OCAM (Afrikaans-Mauritiaanse Gemeenschappelijke Organisatie)
en de Franse Gemeenschap. Voorts is het land geassocieerd lid van de EU
en ontvangt het financiële steun van de Arabische Bank voor Economische
Ontwikkeling van Afrika, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, het IMF en de
Wereldbank.
3.4 Politieke partijen
De belangrijkste politieke partijen zijn het Rassemblement Démocratique
Centrafricain (RDC), dat tussen 1987 en 1991 de enige legale partij was,
en de Mouvement pour la Libération du Peuple Centrafricain (MLPC), dat
in 1979 in ballingschap werd opgericht, in 1991 werd gelegaliseerd en
thans de grootste partij is.
4. Economie
De economie wordt geleid volgens meerjarenplannen. Na een langzame groei
van het Bruto Nationaal Product gedurende de voorgaande 11 jaar
vertoonde 1984 een groei van 8, 7%. De daarop volgende jaren kenden, ten
gevolge van lagere koffie- en katoenoogsten, een veel lagere groei (ca.
2%); in de jaren negentig was de groei negatief. Ca. 60% van de
economisch actieve bevolking is werkzaam in de agrarische sector,
waaruit slechts 44% van het bruto nationaal product (bnp) voortkomt. Van
de totale oppervlakte is 8% in gebruik als landbouwgrond, maar slechts
een klein deel daarvan wordt continu bebouwd. De landbouw wordt vnl.
uitgeoefend op zeer kleine bedrijven in het zuidwesten en de
savannegebieden in het centrale en noordwestelijke deel van het land. De
voedselgewassen (cassave, maïs, gierst en rijst) zijn vnl. voor eigen
consumptie bestemd. Voor export worden vooral katoen en koffie verbouwd.
De vergroting van de katoenproductie is een van de prioriteiten van de
regering. Tevens tracht zij de productie van palmolie en andere
producten te verbeteren (landbouwproefstations te Boukoko, Grimani,
Bossangoa en Bambari) en uit te breiden. De veestapel heeft zich kunnen
uitbreiden na de vaccinatie tegen trypanosomiasis, een vorm van
slaapziekte. Ook de vestiging van gevluchte nomaden uit Tsjaad en Soedan
heeft aan de vergroting van de veestapel bijgedragen. Ondanks de rijkdom
aan goede houtsoorten is de bosbouw nog weinig ontwikkeld, vnl. ten
gevolge van transportproblemen. Driekwart van het land is bebost; de
houtexport is goed voor 20% van de inkomende deviezen. Diamant is het
belangrijkste mijnbouw- en (met 45% van het totaal) exportartikel van
het land; de diamantindustrie is de grootste industrie. De voornaamste
vindplaatsen zijn het Bongobergland (of Chaîne des Mongos) in het
noordoosten en het gebied langs de Sanga in het uiterste zuidwesten. Bij
Bakouma (480 km ten oosten van Bangui) is uraan ontdekt. Energie wordt
voor 90% geleverd door waterkracht (stations bij Boali, Bouar en Mbaïki);
bij Bangui is een thermische centrale; bij de watervallen in de Kotto
een hydro-elektrische centrale, waarvan de productie naar schatting 800
ton per jaar bedraagt.
De handelsbalans vertoonde in het begin van de jaren zeventig een
fluctuerend beeld. Ten gevolge van een steeds groeiende import bij een
vrijwel gelijk blijvende export, vertoont het land sinds het begin van
de jaren tachtig een steeds negatievere handelsbalans. Hierdoor bedroeg
de buitenlandse schuld in 1995 ruim 920 miljoen dollar. De belangrijkste
handelspartner, zowel voor export (diamant, katoen, koffie) als voor
import (voedingsmiddelen, machines, chemische producten), is Frankrijk;
daarna volgen de Benelux en de andere EU-landen. Voor de uitvoering van
ontwikkelingsprojecten is het land sterk afhankelijk van Frankrijk,
waarvan het in 1986 hulp ter waarde van de helft van de eigen
overheidsuitgaven ontving.
Naast de Centrale Bank, de Banque des Etats de l'Afrique Centrale,
bestaan er zes commerciële banken en een investeringsbank.
De weg van Yuba (Soedan) naar Douala (Kameroen) vormt de enige
betrouwbare verbinding tussen Bangassou (in het zuiden) en Bangui.
Spoorwegen ontbreken: er bestaan plannen voor de aanleg van een
spoorlijn die Bangui zou moeten aansluiten op de Trans-Kameroenspoorweg.
De rivieren hebben, op de Oubongui-Mbomu na (rivierhaven te Bangui),
geen verkeersfunctie. Bangui heeft een internationale luchthaven. Lokale
luchtverbindingen worden onderhouden door twee maatschappijen in
particulier bezit. Air Afrique en Air France verzorgen het
internationale luchtverkeer.
5. Geschiedenis
Het gebied dat thans de Centraal-Afrikaanse Republiek vormt, werd sedert
het eind van de 19de eeuw door Fransen veroverd. Er woonden vier volken,
nl. de Baya, Mandja, Banda en Azande, die er in de 19de eeuw onder druk
van Arabische slavendrijvers uit Soedan waren binnengevallen.
Kannibalisme en oorlog waren frequent. In 1898 leidde het
Fasjoda-incident tot vaststelling van de grens tussen Soedan (Anglo-Egyptisch)
en Frans Equatoriaal Afrika, waartoe het gebied behoorde. Het kreeg zijn
grenzen in 1905, toen het als Franse kolonie werd opgericht onder de
naam Oubangui-Chari, maar werd in 1910 onderdeel van Frans Equatoriaal
Afrika.
In 1946 werd Oubangui-Chari een overzees gebiedsdeel in de Franse Unie
(met een gekozen vergadering). In 1957 werd Barthélemy Boganda, leider
van de grootste partij, de Mouvement pour l'Évolution Sociale de
l'Afrique Noire (MESAN), president van de Grote Raad van Frans
Equatoriaal Afrika. In 1958 werd Oubangui-Chari een autonome staat in de
Franse Gemeenschap onder de naam Centraal-Afrikaanse Republiek. In 1959
kwam Boganda om het leven; hij werd opgevolgd door David Dacko. Op 13
aug. 1960 werd het land een onafhankelijke republiek. In 1962 werden
alle politieke partijen met uitzondering van de MESAN verboden.
Op 1 jan. 1966 ondernam het leger een staatsgreep, waarbij president D.
Dacko werd afgezet en zijn partij werd ontbonden. Als nieuwe president,
tevens premier, trad op de stafchef van het leger, kolonel Jean-Bedel
Bokassa. Hij stelde de grondwet buiten werking, ontbond het parlement en
verbrak de betrekkingen met China (de invloed van de Chinezen gold als
motief voor de staatsgreep). Bokassa trok steeds meer macht aan zich.
Hij liet zich in 1972 door de MESAN tot president voor het leven
benoemen. Tegen zijn dictatoriale en barbaarse bewind werd door
internationale organisaties stelling genomen. In verband met de kritiek
op zijn beleid stelde hij censuur in - tijdelijk - en voerde hij een
anti-Franse politiek.
Op 4 dec. 1976 riep Bokassa (zie foto) zichzelf uit tot
keizer, en werd de naam van de staat Centraal-Afrikaans Keizerrijk. In
1979 werd bekend dat een groot aantal kinderen (schattingen tussen 50 en
200) was vermoord en dat Bokassa daarbij persoonlijk betrokken was
geweest.
Daarop besloten Frankrijk en de Verenigde Staten geen steun meer te
geven aan zijn bewind. Op 20 sept. 1979 werd Bokassa afgezet, waarna hij
naar Frankrijk vluchtte. In 1980 werd hij bij verstek ter dood
veroordeeld wegens moord, verduistering, ontvoering en detentie van
kinderen. Nadat hij op 23 okt. 1986 naar zijn vaderland was
teruggekeerd, moest hij opnieuw terechtstaan.
Op 12 juni 1987 werd hij ter dood veroordeeld wegens moord, foltering en
verduistering, maar in 1988 werd de doodstraf omgezet in levenslange
dwangarbeid.
De macht werd overgenomen door ex-president Dacko die de republiek
herstelde en een nieuwe politieke partij oprichtte, de
Centraal-Afrikaanse Democratische Unie. Oppositie werd niet door hem
geduld en de corruptie bleef bestaan. In september 1981 werd Dacko door
een militaire coup gedwongen om de macht over te dragen aan chef-staf
generaal Andre Kolingba. In november 1986 werd hij op basis van de
nieuwe grondwet tot staatshoofd benoemd.
De nieuwe grondwet voorzag in o.a. een wetgevend congres, samengesteld
uit een direct gekozen Nationale Vergadering en een door de president en
Nationale Vergadering aangewezen Economische en Sociale Raad. De
president wordt voor vijf jaar gekozen en heeft de leiding over de
strijdkrachten.
In 1991 werd een meerpartijenstelsel ingevoerd. De ingezette
democratisering werd ernstig geschaad toen in augustus 1992
oppositieleider Claude Conjugo door soldaten werd gedood. In oktober
1992 werden de presidentsverkiezingen stopgezet omdat er sprake zou zijn
van sabotage. De resultaten van de verkiezingen voor parlement en
president van aug. 1993 mochten op last van de president niet worden
gepubliceerd. Desondanks werd Ange-Felix Patasse van de Liberation Party
op 27 sept. 1993 president.
Nadat voormalig keizer Jean-Bedel Bokassa op 23 okt. 1986 naar zijn
vaderland was teruggekeerd, moest hij opnieuw terechtstaan. Op 12 juni
1987 werd hij ter dood veroordeeld wegens moord, foltering en
verduistering, maar in 1988 werd de doodstraf omgezet in levenslange
dwangarbeid. De aftredende president Andre Kolingba liet bij een
amnestie op 1 sept. 1993 ook Bokassa vrij.
De nieuwe grondwet, die eind 1994 bij referendum werd goedgekeurd,
voorziet in decentralisatie van het bestuur. De in 1994 door president
Patassé aangestelde premier Jean-Luc Mandaba diende al in april 1995
zijn ontslag in, waarna hij werd opgevolgd door Gabriel Koyambounou, die
op zijn beurt in juni 1996 het veld moest ruimen voor Jean-Paul
Ngoupande. In 1996 werden met behulp van Franse troepen drie muiterijen
van het leger neergeslagen. In nov. 1996 overleed ex-keizer Bokassa.
|