header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Centraal Afrika

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 



Oppervlakte : 622.984 km²
Aantal Inwoners : 3.642.739 mensen (Juli 2002)
In : Centraal-Afrika
Hoofdstad : Bangui
Staatshoofd: Ange-Felix Patasse
Premier : Martin Ziguele
Onafhankelijk sinds : 13 Augustus 1960 (van Frankrijk)
Valuta: Franc (XAF)

1. Fysische geografie
Image:centralaf22.PNGHet landschap wordt bepaald door het west-oost gerichte plateau van Oubangui-Chari (gemiddeld 650 m hoog); in het westen en oosten door resp. de massieven van Yadé en Bongo (gemiddeld 1400 m hoog). Het plateau vormt de waterscheiding tussen de rivieren die behoren tot het Tsjaadbekken (naar het noorden stromend) en die welke behoren tot het stroomgebied van de Zaïre (naar het zuiden stromend). De laatste monden bijna alle uit in de Oubangui-Mbomu, die de natuurlijke zuidgrens vormt.
In het zuiden heerst een tropisch regenwoudklimaat, met twee regenseizoenen per jaar; in het noorden een savanneklimaat. Zware regens vallen van juni tot oktober; het begin van de regentijd wordt gekenmerkt door tornado's. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt 26 °C, de gemiddelde neerslag 1400 mm per jaar.
Het noorden van het land wordt bedekt door boomloze savannen, maar in het zuiden dringt het tropisch regenwoud, vooral langs de rivieren, ver het land in.
De rijke dierenwereld omvat o.m. nog gorilla's en chimpansees, reuzeneekhoorns, antilopen, hyena's, en in het Bamingui Bangoran Nationaal Park ook olifanten en neushoorns. Jacht- en natuurbeschermingswetten worden echter nauwelijks toegepast en veel diersoorten zijn al vrijwel uitgeroeid.

2. Bevolking
De bevolking bestaat uit vele etnische groepen, van wie de Banda, de Baya en de Mandjia de grootste zijn: elk vertegenwoordigt ongeveer een vierde van de totale bevolking. In de regenwouden van het zuidwesten leven enige duizenden pygmeeën, waarschijnlijk de oorspronkelijke bewoners van het gebied. De spreiding van de bevolking is zeer ongelijkmatig; de grootste concentratie is in het zuiden en westen, terwijl grote delen van het oosten vrijwel onbewoond zijn. Bijna 20% van de bevolking woont in de hoofdstad Bangui. In 1990-1995 bedroeg de jaarlijkse bevolkingsgroei gemiddeld 2,4%. In 1995 was ca. de helft van de bevolking minderjarig. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte was in dat jaar voor mannen 41, voor vrouwen 44 jaar.
2.1 Godsdienst
Geschat wordt dat 57% van de bevolking animistische godsdiensten aanhangt; 35% is christen (waarvan 20% rooms-katholiek); 8% is islamiet.
2.2 Taal
Officiële talen zijn het Frans, dat maar door 11% van de bevolking gesproken wordt, en het Sangho, dat vele dialecten kent, de omgangstaal is.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Bestuur
Volgens de nieuwe grondwet van 1995, die op die van Frankrijk is gebaseerd, is het land een presidentiële republiek. De president wordt voor een ambtstermijn van zes jaar direct (evt. in twee kiesronden) gekozen. De uitvoerende macht berust bij hem; hij benoemt de minister-president en heeft het recht het parlement te ontbinden en verkiezingen uit te schrijven. Het parlement bestaat uit drie Kamers: de voor vijf jaar gekozen Assemblée Nationale en verder de Economische en de Regionale Raad, waarin vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zitten. Samen vormen deze drie Kamers het Congres, dat wetgevende macht heeft.
3.2 Administratieve indeling
Het land is verdeeld in 17 administratieve eenheden (16 préfectures en één autonome gemeente), die onderverdeeld zijn in 49 districten. De hoofdstad, Bangui, bezit een speciale status.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
De Centraal-Afrikaanse Republiek is aangesloten bij de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de UDEAC (Centraal-Afrikaanse Douane- en Economische Unie), de OCAM (Afrikaans-Mauritiaanse Gemeenschappelijke Organisatie) en de Franse Gemeenschap. Voorts is het land geassocieerd lid van de EU en ontvangt het financiële steun van de Arabische Bank voor Economische Ontwikkeling van Afrika, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, het IMF en de Wereldbank.
3.4 Politieke partijen
De belangrijkste politieke partijen zijn het Rassemblement Démocratique Centrafricain (RDC), dat tussen 1987 en 1991 de enige legale partij was, en de Mouvement pour la Libération du Peuple Centrafricain (MLPC), dat in 1979 in ballingschap werd opgericht, in 1991 werd gelegaliseerd en thans de grootste partij is.

4. Economie
De economie wordt geleid volgens meerjarenplannen. Na een langzame groei van het Bruto Nationaal Product gedurende de voorgaande 11 jaar vertoonde 1984 een groei van 8, 7%. De daarop volgende jaren kenden, ten gevolge van lagere koffie- en katoenoogsten, een veel lagere groei (ca. 2%); in de jaren negentig was de groei negatief. Ca. 60% van de economisch actieve bevolking is werkzaam in de agrarische sector, waaruit slechts 44% van het bruto nationaal product (bnp) voortkomt. Van de totale oppervlakte is 8% in gebruik als landbouwgrond, maar slechts een klein deel daarvan wordt continu bebouwd. De landbouw wordt vnl. uitgeoefend op zeer kleine bedrijven in het zuidwesten en de savannegebieden in het centrale en noordwestelijke deel van het land. De voedselgewassen (cassave, maïs, gierst en rijst) zijn vnl. voor eigen consumptie bestemd. Voor export worden vooral katoen en koffie verbouwd. De vergroting van de katoenproductie is een van de prioriteiten van de regering. Tevens tracht zij de productie van palmolie en andere producten te verbeteren (landbouwproefstations te Boukoko, Grimani, Bossangoa en Bambari) en uit te breiden. De veestapel heeft zich kunnen uitbreiden na de vaccinatie tegen trypanosomiasis, een vorm van slaapziekte. Ook de vestiging van gevluchte nomaden uit Tsjaad en Soedan heeft aan de vergroting van de veestapel bijgedragen. Ondanks de rijkdom aan goede houtsoorten is de bosbouw nog weinig ontwikkeld, vnl. ten gevolge van transportproblemen. Driekwart van het land is bebost; de houtexport is goed voor 20% van de inkomende deviezen. Diamant is het belangrijkste mijnbouw- en (met 45% van het totaal) exportartikel van het land; de diamantindustrie is de grootste industrie. De voornaamste vindplaatsen zijn het Bongobergland (of Chaîne des Mongos) in het noordoosten en het gebied langs de Sanga in het uiterste zuidwesten. Bij Bakouma (480 km ten oosten van Bangui) is uraan ontdekt. Energie wordt voor 90% geleverd door waterkracht (stations bij Boali, Bouar en Mbaïki); bij Bangui is een thermische centrale; bij de watervallen in de Kotto een hydro-elektrische centrale, waarvan de productie naar schatting 800 ton per jaar bedraagt.
De handelsbalans vertoonde in het begin van de jaren zeventig een fluctuerend beeld. Ten gevolge van een steeds groeiende import bij een vrijwel gelijk blijvende export, vertoont het land sinds het begin van de jaren tachtig een steeds negatievere handelsbalans. Hierdoor bedroeg de buitenlandse schuld in 1995 ruim 920 miljoen dollar. De belangrijkste handelspartner, zowel voor export (diamant, katoen, koffie) als voor import (voedingsmiddelen, machines, chemische producten), is Frankrijk; daarna volgen de Benelux en de andere EU-landen. Voor de uitvoering van ontwikkelingsprojecten is het land sterk afhankelijk van Frankrijk, waarvan het in 1986 hulp ter waarde van de helft van de eigen overheidsuitgaven ontving.
Naast de Centrale Bank, de Banque des Etats de l'Afrique Centrale, bestaan er zes commerciële banken en een investeringsbank.
De weg van Yuba (Soedan) naar Douala (Kameroen) vormt de enige betrouwbare verbinding tussen Bangassou (in het zuiden) en Bangui. Spoorwegen ontbreken: er bestaan plannen voor de aanleg van een spoorlijn die Bangui zou moeten aansluiten op de Trans-Kameroenspoorweg. De rivieren hebben, op de Oubongui-Mbomu na (rivierhaven te Bangui), geen verkeersfunctie. Bangui heeft een internationale luchthaven. Lokale luchtverbindingen worden onderhouden door twee maatschappijen in particulier bezit. Air Afrique en Air France verzorgen het internationale luchtverkeer.

5. Geschiedenis
Het gebied dat thans de Centraal-Afrikaanse Republiek vormt, werd sedert het eind van de 19de eeuw door Fransen veroverd. Er woonden vier volken, nl. de Baya, Mandja, Banda en Azande, die er in de 19de eeuw onder druk van Arabische slavendrijvers uit Soedan waren binnengevallen. Kannibalisme en oorlog waren frequent. In 1898 leidde het Fasjoda-incident tot vaststelling van de grens tussen Soedan (Anglo-Egyptisch) en Frans Equatoriaal Afrika, waartoe het gebied behoorde. Het kreeg zijn grenzen in 1905, toen het als Franse kolonie werd opgericht onder de naam Oubangui-Chari, maar werd in 1910 onderdeel van Frans Equatoriaal Afrika.
In 1946 werd Oubangui-Chari een overzees gebiedsdeel in de Franse Unie (met een gekozen vergadering). In 1957 werd Barthélemy Boganda, leider van de grootste partij, de Mouvement pour l'Évolution Sociale de l'Afrique Noire (MESAN), president van de Grote Raad van Frans Equatoriaal Afrika. In 1958 werd Oubangui-Chari een autonome staat in de Franse Gemeenschap onder de naam Centraal-Afrikaanse Republiek. In 1959 kwam Boganda om het leven; hij werd opgevolgd door David Dacko. Op 13 aug. 1960 werd het land een onafhankelijke republiek. In 1962 werden alle politieke partijen met uitzondering van de MESAN verboden.
Op 1 jan. 1966 ondernam het leger een staatsgreep, waarbij president D. Dacko werd afgezet en zijn partij werd ontbonden. Als nieuwe president, tevens premier, trad op de stafchef van het leger, kolonel Jean-Bedel Bokassa. Hij stelde de grondwet buiten werking, ontbond het parlement en verbrak de betrekkingen met China (de invloed van de Chinezen gold als motief voor de staatsgreep). Bokassa trok steeds meer macht aan zich. Hij liet zich in 1972 door de MESAN tot president voor het leven benoemen. Tegen zijn dictatoriale en barbaarse bewind werd door internationale organisaties stelling genomen. In verband met de kritiek op zijn beleid stelde hij censuur in - tijdelijk - en voerde hij een anti-Franse politiek.
Op 4 dec. 1976 riep Bokassa (zie foto) zichzelf uit tot keizer, en werd de naam van de staat Centraal-Afrikaans Keizerrijk. In 1979 werd bekend dat een groot aantal kinderen (schattingen tussen 50 en 200) was vermoord en dat Bokassa daarbij persoonlijk betrokken was geweest. Daarop besloten Frankrijk en de Verenigde Staten geen steun meer te geven aan zijn bewind. Op 20 sept. 1979 werd Bokassa afgezet, waarna hij naar Frankrijk vluchtte. In 1980 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld wegens moord, verduistering, ontvoering en detentie van kinderen. Nadat hij op 23 okt. 1986 naar zijn vaderland was teruggekeerd, moest hij opnieuw terechtstaan.
Op 12 juni 1987 werd hij ter dood veroordeeld wegens moord, foltering en verduistering, maar in 1988 werd de doodstraf omgezet in levenslange dwangarbeid.
De macht werd overgenomen door ex-president Dacko die de republiek herstelde en een nieuwe politieke partij oprichtte, de Centraal-Afrikaanse Democratische Unie. Oppositie werd niet door hem geduld en de corruptie bleef bestaan. In september 1981 werd Dacko door een militaire coup gedwongen om de macht over te dragen aan chef-staf generaal Andre Kolingba. In november 1986 werd hij op basis van de nieuwe grondwet tot staatshoofd benoemd.
De nieuwe grondwet voorzag in o.a. een wetgevend congres, samengesteld uit een direct gekozen Nationale Vergadering en een door de president en Nationale Vergadering aangewezen Economische en Sociale Raad. De president wordt voor vijf jaar gekozen en heeft de leiding over de strijdkrachten.
In 1991 werd een meerpartijenstelsel ingevoerd. De ingezette democratisering werd ernstig geschaad toen in augustus 1992 oppositieleider Claude Conjugo door soldaten werd gedood. In oktober 1992 werden de presidentsverkiezingen stopgezet omdat er sprake zou zijn van sabotage. De resultaten van de verkiezingen voor parlement en president van aug. 1993 mochten op last van de president niet worden gepubliceerd. Desondanks werd Ange-Felix Patasse van de Liberation Party op 27 sept. 1993 president.
Nadat voormalig keizer Jean-Bedel Bokassa op 23 okt. 1986 naar zijn vaderland was teruggekeerd, moest hij opnieuw terechtstaan. Op 12 juni 1987 werd hij ter dood veroordeeld wegens moord, foltering en verduistering, maar in 1988 werd de doodstraf omgezet in levenslange dwangarbeid. De aftredende president Andre Kolingba liet bij een amnestie op 1 sept. 1993 ook Bokassa vrij.
De nieuwe grondwet, die eind 1994 bij referendum werd goedgekeurd, voorziet in decentralisatie van het bestuur. De in 1994 door president Patassé aangestelde premier Jean-Luc Mandaba diende al in april 1995 zijn ontslag in, waarna hij werd opgevolgd door Gabriel Koyambounou, die op zijn beurt in juni 1996 het veld moest ruimen voor Jean-Paul Ngoupande. In 1996 werden met behulp van Franse troepen drie muiterijen van het leger neergeslagen. In nov. 1996 overleed ex-keizer Bokassa.

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009