|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Chili bevindt zich aan de geologisch instabiele westrand van het
Zuid-Amerikaanse continentale plateau. Actieve vulkanen, zoals de
Tronador, de Fitz Roy en de Maipo, bevinden zich in het Andesgebergte,
vooral in het midden en zuiden; aardbevingen komen veelvuldig voor. Van
de noordgrens tot 47° Z.Br. loopt langs de kust een oude, in het
Mesozoïcum ontstane bergrug, de Cordillera de la Costa. De oostgrens
wordt gevormd door de Andes (Cordillera de los Andes). Tussen de
Cordillera de la Costa en de Andes strekt zich de Centrale Vallei (Llano
Intermedio) uit, van oorsprong een slenkdal.
In de vier noordelijkste provincies wordt het landschap bepaald door een
sterk verweerd en geërodeerd hoogland (Puna de Atacama), dat deel
uitmaakt van de Peruviaanse-Boliviaanse meseta. In de provincies
Tarapacá, Antofagasta en Atacama liggen de Pampa del Tamarugal en de
Atacamawoestijn, droge bergachtige woestijngebieden; de bodem bestaat
hoofdzakelijk uit grijze steppenaarde. Hier liggen ook de grote
zoutvlakten (salares). De lage Cordillera Domeyko vormt in de provincies
Antofagasta en Atacama een derde noord-zuid lopende bergrug. De
steppeachtige provincie Coquimbo vormt de overgang naar Centraal-Chili,
waar de geel-rode 'mediterrane' aarde, mits voldoende geïrrigeerd, zeer
vruchtbaar is.
De eigenlijke, ruim 600 km lange Centrale Vallei begint bij Santiago,
gaat in de provincie Valdivia over in een bosrijk merengebied en bereikt
bij Puerto Montt de Grote Oceaan. In de provincies Chiloé, Aisén en
Magallanes loopt de Andes uit in de Grote Oceaan. Hier heeft de ijskap,
die sinds het Kwartair nooit geheel verdwenen is, de kust een sterk
geleed karakter gegeven.
1.2 Afwatering
De aan de westzijde zeer steile Andesketen vormt de grote waterscheiding
van zuidelijk Zuid-Amerika. De rivieren in Chili stromen in hoofdzaak
van oost naar west. In het noorden is de Río Loa de enige rivier die een
regelmatige watertoevoer heeft en de oceaan bereikt. Meer zuidelijk
doorbreken de rivieren de Cordillera de la Costa en bereiken wel de
oceaan. Irrigatie (Río Maule en Río Bío-Bío) en opwekking van
elektriciteit zijn hier mogelijk. Voor de scheepvaart zijn de rivieren
niet van betekenis.
1.3 Klimaat
Het klimaat van Chili wordt bepaald door het subtropische gebied van
hoge luchtdruk boven de Grote Oceaan en de daarmee samenhangende Peru-
of Humboldtstroom, die relatief koud water langs de kust naar het
noorden voert, en door het Andesgebergte. Het laatste stijgt nagenoeg
direct uit de oceaan op, zij het ook dat het kustgebergte bijna nergens
hoger dan 1500 m is en het eigenlijke hooggebergte zich op een afstand
van ca. 100 km van de kust bevindt.
Door de Humboldtstroom zijn de temperaturen langs de westkust van
Zuid-Amerika aanzienlijk lager dan met de geografische breedte
overeenkomt. Het verschil met de temperaturen aan de oostkust van het
continent bedraagt gemiddeld over het jaar genomen 4 tot 5 °C. Daardoor
wordt de lucht die naar de westkust stroomt, altijd door het
onderliggende zeeoppervlak afgekoeld en daardoor sterk stabiel van
opbouw, zodat zich geen buien kunnen vormen. Dit betekent dat op lage
breedte, waar neerslag brengende atmosferische storingen ontbreken, geen
of vrijwel geen neerslag valt.
Ten zuiden van 30° Z.Br., waar zich ongeveer de as van het bovengenoemde
subtropische hogedrukgebied bevindt, kunnen de depressies van gematigde
breedte tot de kust van Chili doordringen (zij trekken zelfs in het
algemeen over het Andesgebergte heen) en zij brengen daar frontale
neerslag, die door stuw tegen het gebergte nog wordt geïntensiveerd.
In het gebergte nemen de temperaturen met toenemende hoogte af (voor de
gemiddelde jaartemperatuur ca. 0, 5 °C per 100 m). Het kustgebied in het
noorden van het land heeft veel lage bewolking, terwijl verder naar het
zuiden mist frequent is: gem. 50 dagen per jaar in Valparaíso en zelfs
90 dagen in de Golf van Peñas op 48° Z.Br.
1.4 Plantengroei
Chili kent geen tropische flora, daar de Andes het land naar het oosten
toe afsluit en de Pacifische winden koud en droog zijn. Van 18° tot 35°
Z.Br. is het land arm aan regen. Het noorden is een nevelwoestijn,
waarin voornamelijk het kustgebergte nog plantengroei draagt, de
Loma-formatie, met o.a. wolfsmelk en verscheidene cactussoorten. Van
18°-19° vindt men alleen struweel in de rivierdalen; vnl. bestaande uit
composieten. Zeer arm aan plantengroei is de zoutsteppe van Iquique
(20°-21°). Omstreeks 25° begint een dwergstruweel van o.a.
boksdoornsoorten op te treden. Eerst ten zuiden van de Atacamawoestijn
wordt het landschap minder dor en gaat Acacia cavenia doornstruwelen (espinales)
vormen.
Bij Valparaíso nemen cactussen, bromelia's en palmen toe; de Chileense
laagvlakte bij Santiago (2700-2750 mm neerslag) is het cultuurgebied van
appels, peren, pruimen, perziken, sinaasappels, citroenen, vijgen en
druiven, met belangrijke wijnbouw. Van hier strekt zich zuidwaarts het
gematigde regenwoud uit, dat 27% van de oppervlakte van Chili inneemt.
Tot 35° Z.Br. is dit altijd groen; hier domineren op onze beuken
gelijkende Nothofagus-soorten. Verder zuidwaarts overwegen
loofverliezende Nothofagus-soorten.
De altijdgroene wouden zijn rijker gestructureerd dan de loofverliezende
en vallen op door hun vele struiken, lianen en epifyten. Een der meest
opvallende planten is hier Lapageria rosea (Leliefamilie) met grote rode
klokken, de nationale bloem van Chili. In West-Patagonië en het
Chileense fjordenlandschap krijgen naaldbomen een belangrijk aandeel in
het plantendek. De bamboesoort Chusquea quila vormt ondoordringbare
velden; daar deze soort eens in de 20 jaar bloeit en daarna afsterft,
neemt dan het brandgevaar sterk toe. Op het Patagonisch tafelland en
Vuurland daalt de sneeuwgrens reeds tot 1000 m en wordt het klimaat door
de lage zomertemperatuur en aanhoudend sterke winden weinig geschikt
voor boomgroei; hier overwegen venen, kussenvegetaties van Azorella
(Schermbloemenfamilie) en dorre grassteppen.
1.5 Dieren
Door de langgerekte vorm strekt Chili zich uit over vrijwel alle
klimaatgordels van de evenaar tot in het subantarctische gebied;
klimaat, landschap (hoge bergen: Andes) en vegetatie zijn de factoren
die een rijk geschakeerde dierenwereld opleveren. Bosdieren als apen en
tapirs ontbreken. Onder de hoefdieren van meer open terrein spelen
verscheidene hertesoorten en twee wilde lama's, de vicoenja en de
guanaco, een belangrijke rol. In het noorden komt in de Andes nog de
brilbeer, de enige vertegenwoordiger van de beren in Zuid-Amerika, voor;
deze soort bereikt hier zijn zuidgrens. In meer begroeide streken treft
men de poedoes aan, hertjes zo groot als een terriër, met een onvertakt
gewei. Onder de knaagdieren spelen de wolmuizen een rol van belang; deze
familie omvat o.a. de chinchilla, die tot op 4000 m hoogte voorkomt en
als pelsdier bekend geworden is (in het wild overigens zeldzaam
geworden). De tandarmen zijn o.m. vertegenwoordigd door de kleine
gordelmuis of schildmol. Merkwaardige vogels zijn een papegaai (Henicognathus),
enkele duivesoorten, zwarthalszwaan en coscorobazwaan, beide bekende
watervogels. Van de amfibieën leven er alleen kikkers en padden. De
kustwateren van Chili herbergen een zeer rijke vis- (en daarvan
afhankelijke vogel)fauna. Ongebreidelde jacht, slecht nagekomen
natuurbeschermingswetten en een zich uitbreidende bevolking hebben de
fauna zeer in het nauw gebracht.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Chili's inwonertal werd eind 1995 geschat op 14.210.000. Het tempo van
de natuurlijke bevolkingsgroei verminderde gestaag (1960: 2, 3%; 1970:
2,0%; 1978: 1,8%; 1986: 1,6%), maar nam begin jaren negentig weer iets
toe (1995: 1,7%). Van de bevolking is 31% jonger dan 15 jaar. De laatste
decennia heeft een versnelde verstedelijking plaatsgevonden.
Groot-Santiago, dat in 1952 anderhalf miljoen inwoners telde, omvatte in
1995 met 5,1 miljoen inwoners 36% van de totale bevolking. Andere
stedelijke centra zijn Concepció Viña del Mar,Valparaíso en Temuco. De
omvangrijke krottenwijken aan de rand van de grote steden worden
poblaciones marginales of callampas (paddestoelen) genoemd. Als gevolg
van de aanhoudende trek naar de steden woont nog slechts 14% van de
bevolking op het platteland. Geschat wordt dat vanaf 1973 tot eind jaren
tachtig een miljoen Chilenen het land om politieke of economische
redenen hadden verlaten.
Van de oorspronkelijke Indianenbevolking hebben slechts de
Araucanenvolken (zie Araukanen) zich met succes weten te verzetten tegen
de Spaanse kolonisatie. Pas in 1883 wist het leger het grondgebied van
deze vnl. uit Mapuche-Indianen bestaande inheemse bevolking te
veroveren. Er zijn nog ruim 3000 Mapuche-gemeenschappen in het zuiden
van het land (6, 8% van de bevolking).
2.2 Taal
De voertaal is Spaans. De Mapuche-taal is regionaal nog belangrijk.
2.3 Religie
Bijna 78% van de bevolking wordt gerekend tot de Rooms-Katholieke Kerk.
In de grondwet van 1833 werd het rooms-katholicisme als staatsgodsdienst
erkend. Bij de grondwetswijziging van 1925 werd de scheiding van kerk en
staat doorgevoerd. Er zijn vijf aartsbisdommen, zestien bisdommen, twee
prelaturen en twee apostolische vicariaten. Er is een groot gebrek aan
priesters; 50% van de mannelijke religieuzen bestaat uit buitenlanders.
De Rooms-Katholieke Kerk drukt een belangrijk stempel op het onderwijs
en ontwikkelt tal van sociale activiteiten. Veel gezag heeft ze
verworven door het bieden van onderdak en hulp aan de vervolgden van het
militaire regime en door de humanitaire werkzaamheden van het 'Vicariaat
van de Solidariteit', dat in 1976 werd opgericht. Dit ontving in 1978 de
vredesprijs van de Verenigde Naties.
Binnen het protestantisme (6% van de bevolking) vormen de methodisten en
de lutherse kerken de belangrijkste groeperingen. Sterk in opkomst,
vooral onder de economisch zwakkere groepen, is de Pinksterbeweging.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
De militaire junta die na de staatsgreep van sept. 1973 werd gevormd,
trok de grondwetgevende, wetgevende en uitvoerende macht aan zich. Het
Nationaal Congres werd ontbonden. In 1980 werd bij referendum een nieuwe
grondwet goedgekeurd, die na een overgangsperiode van acht jaar de
instelling van een 'beschermde democratie' in het vooruitzicht stelde.
De grondwet voorzag in presidentsverkiezingen om de acht jaar, een Kamer
van Afgevaardigden van 120 leden en een Senaat van 38 gekozen en negen
benoemde leden. Ook werd een Nationale Veiligheidsraad ingesteld,
waarvan de president, de leden van de junta en de voorzitters van de
Hoge Raad en de Senaat deel uitmaakten. De grondwet beperkt het
stakingsrecht, de vrijheid van vergadering en het recht op vrije
meningsuiting. Sedert 1989 zijn enige wijzigingen in de grondwet
aangebracht, waaronder een verkorting van de presidentiële ambtstermijn
tot zes jaar, het uitsluiten van de mogelijkheid de zittende president
voor een tweede, aansluitende termijn te kiezen en een beperking van de
bevoegdheden van de Nationale Veiligheidsraad. Veel
hervormingsvoorstellen haalden het echter niet, omdat daarvoor een
tweederde meerderheid in het parlement nodig is en de rechtse oppositie
sinds 1993 ruim 36% van de zetels bezit.
Een unieke plaats wordt binnen het Chileense staatsbestel ingenomen door
de Contraloría General, een bij de grondwet van 1925 in het leven
geroepen instelling die toezicht houdt op financiële, wetgevende en
administratieve daden van de uitvoerende macht.
3.2 Administratieve indeling
Het land is verdeeld in 12 (incl. Santiago 13) regio's; deze zijn weer
onderverdeeld in provincies (40). De hoofden van gemeenten, provincies
en regio's worden sinds 1992 in directe verkiezingen gekozen.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Chili is lid van de Verenigde Naties en haar gespecialiseerde organen
(waaronder de Economische Commissie voor Latijns-Amerika, ECLA), de
Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Inter-Amerikaanse
Ontwikkelingsbank (IDB), de Alliantie voor de Vooruitgang, de
Latijns-Amerikaanse Integratie-associatie (LAIA), het Latijns-Amerikaans
Economisch Systeem (SELA) en de Organisatie van koperexporterende landen
(CIPEC). In 1976 trad Chili uit het Andes-Pact.
3.4 Partij- en vakbondswezen
Na de staatsgreep van 1973 werden alle linkse politieke partijen
illegaal verklaard en in 1977 verbood het militaire bewind ook de
activiteiten van de overige partijen, waaronder de
Christen-Democratische Partij (PDC: Partido Demócrata Cristiano). De
afkondiging in 1987 van de wet op de registratie van kiezers (na de
staatsgreep waren alle kiesregisters vernietigd) en de wet op de
politieke partijen (m.u.v. marxistische) maakten het legaal functioneren
van oppositiepartijen mogelijk. De in 1983 als burgerlijke steungroep
voor het militaire bewind opgerichte Onafhankelijke Democratische Unie (UDI:
Unión Democrática Independiente) en de in 1987 gevormde Partij voor
Nationale Vernieuwing (RN: Renovación Nacional) zijn de voornaamste
partijen in de rechtse coalitie Unión para el Progreso de Chile (UPC).
Sinds 1988 werken vijf politieke partijen, waaronder de
christen-democraten, de Partido por la Democracia (PPD) en de Partido
Socialista de Chile (PS), samen in het Akkoord voor de Democratie (CPD:
Concertación de Partidos por la Democracia), welke coalitie bij de
eerste vrije verkiezingen in 1993 ruim 55% van de stemmen behaalde en
sedertdien aan de regering is.
Ongeveer 10% van de werknemers is in vakbonden georganiseerd. Het
Wetboek van Arbeid heeft centralisatie van het vakbondswezen niet
bevorderd. Organisatie van het overheidspersoneel en het afsluiten van
CAO's per bedrijfstak werden erin verboden. Als de belangrijkste factor
in het vakbondswezen kon tot sept. 1973 (toen zij werd ontbonden) en
sinds 1988 (toen zij heropgericht werd) de in 1953 opgerichte Chileense
Eenheids Vakcentrale (CUT) worden beschouwd, die historisch min of meer
de lijn doortrok van het eenheidsstreven van de Arbeidersfederatie van
Chili (FOCH) uit 1909. Aan het ontstaan van deze eerste vakcentrale is
de naam verbonden van Emilio Recabarren.
Organisaties van personen die eenzelfde beroep uitoefenen, vooral
voorkomend onder academici en zelfstandigen, worden gremio's genoemd;
zij speelden een belangrijke rol in de omverwerping van de
regering-Allende.
4. Economie
4.1 Inleiding
Na de wereldcrisis van de jaren dertig tot het einde van de jaren
vijftig werd de Chileense economie gekenmerkt door de opbouw van een
nationale industrie ter vervanging van importgoederen
(importsubstitutie). Door de beperkte omvang van de binnenlandse markt
en een onvoldoende stijging van de koopkracht raakte dit beleid in een
impasse. De regering-Frei (1964-1970) trachtte hierin tevergeefs een
uitweg te vinden door uitbreiding van de binnenlandse markt door middel
van landbouwhervormingen en het openen van nieuwe afzetgebieden via het
propageren van een Latijns-Amerikaanse economische integratie. De
regering-Allende (1970-1973) zocht het vooral in maatregelen die een
snelle en fundamentele herverdeling van de inkomens, alsmede een
maximaal gebruik van de aanwezige productiecapaciteit beoogden.
Sinds 1973 heeft een volledige heroriëntatie van het beleid
plaatsgevonden, die moet leiden tot een economische structuur die
primair gericht is op export. Andere kenmerken van dit extreem liberale
model zijn: een minimaal aandeel van de overheid in consumptie,
investeringen en productie van goederen en diensten; afschaffing van
subsidies, opheffing van handelsbeperkende en andere protectionistische
maatregelen; vrijlaten van prijzen; terugdringen van de arbeidskosten;
scheppen van gunstige voorwaarden voor buitenlandse investeringen. Dit
beleid leidde tot massale ontslagen bij overheidsinstellingen, het
faillissement van duizenden kleine en middelgrote ondernemingen, sterke
inkomens- en vermogensconcentraties en een verhoogde afhankelijkheid van
het buitenland. Na een snelle economische groei eind jaren zeventig
(gemiddeld 9% per jaar) brak in 1982 een zware economische crisis uit,
veroorzaakt door de hoge kosten van de buitenlandse schuld en een daling
van de prijzen voor Chili's exportproducten. Het Bruto Nationaal Product
(bnp) daalde met 14% en de industriële productie met 20%. Na 1985
herstelde de economie zich zienderogen, mede dankzij een stijging van de
export en het totstandkomen van een schuldenregeling met het
Internationale Monetaire Fonds. Het bnp groeide van 1985 tot 1989 met
gemiddeld 5% per jaar, van 1990 tot 1994 met 7,5%. De inflatie bedroeg
in de jaren tachtig gemiddeld 20% per jaar, een vergeleken met de
buurlanden geringe geldontwaarding. Van 1985 tot 1994 was de inflatie
nog teruggelopen tot 18,5%, in 1995 zelfs tot 8,1%. Het bnp in 1994
bedroeg $ 3560 per inwoner, overigens ongelijk verdeeld: de kloof tussen
arm en rijk is alleen maar toegenomen.
4.2 Arbeidsmarkt
Van de totale bevolking was in 1986 35% economisch actief, waarvan een
kwart in de agrarische sector, een kwart in industrie, mijnbouw,
energiesector en bouwnijverheid, en de helft in de dienstensector. Het
officiële werkloosheidscijfer bedroeg in 1995 5,4%. Verschijnselen als
onvolledige werkgelegenheid, verborgen werkloosheid en
seizoenswerkloosheid vallen buiten de officiële statistieken, evenals
het grote aantal zgn. 'inactieven' die werk zoeken. Bestrijding van het
werkloosheidsprobleem wordt primair gezien als een taak van het
particuliere bedrijfsleven. Wel geeft de overheid steun aan enkele
bijzondere werkverschaffingsprogramma's. Van de beroepsbevolking werkt
17% in de landbouw, 27% in de industrie en 56% in de dienstverlening
(1993).
4.3 Landbouw
Van de totale bodemoppervlakte komt nog niet de helft voor cultivering
in aanmerking: 6% is akkerland, 16% weidegrond en 20% bos. De
landbouwproductie is geconcentreerd in de centrale vallei en de regio's
Bío-Bío en La Araucana. De belangrijkste producten zijn granen,
aardappelen, suikerbieten, maïs en fruit (m.n. appels en druiven). Het
aandeel van de landbouw in het bruto nationaal product (15% in 1950) is
gaandeweg gedaald naar 8%, terwijl 17% van de beroepsbevolking in deze
sector werkzaam is. De export van landbouwproducten (met name fruit)
wordt gestimuleerd. Chili's uitgestrekte natuurlijke weidegebieden maken
extensieve veehouderij mogelijk. In de streek tussen Bío-Bío en
Llanquihue is 50% van de rundveehouderij geconcentreerd. De beschikbare
hoeveelheid vlees per hoofd van de bevolking daalt. Het belang van de
varkensmesterij en de schapenhouderij (o.a. wolexport) neemt toe. Het
land kan zichzelf voeden.
4.4 Bosbouw en visserij
Ondanks de omvangrijke hoeveelheid bosgronden is de bosbouw, o.m. door
gebrekkige vervoersmogelijkheden, nog weinig ontwikkeld. Toch is het
duidelijk een groeisector. Belangrijkste boomsoorten zijn naaldbomen en
de eucalyptus. De exploitatie is geconcentreerd in de provincies Cautín
en Valdivia. Bosbouwproducten (vnl. in tot papier en cellulose verwerkte
vorm) omvatten 9,6% van Chili's totale exportwaarde ($ 403 miljoen in
1986). 70% van het bosareaal is particulier bezit.
De natuurlijke rijkdom aan vis en schaaldieren van de kustwateren (Humboldtstroom)
biedt grote mogelijkheden voor een bloeiende visserij en visverwerkende
industrie. De belangrijkste visserijzone ligt in het noorden, terwijl in
de zuidelijke wateren grote hoeveelheden schaal- en weekdieren worden
gevangen. De totale jaarlijkse productie is 6 tot 7 miljoen ton. Chili
is de belangrijkste visserijnatie van Zuid-Amerika en de grootste
vismeel exporteur ter wereld. Met Japan en Spanje bestaan langlopende
samenwerkingsovereenkomsten.
4.5 Mijnbouw en energiewinning
Chili beschikt over grote voorraden minerale grondstoffen. Koperwinning
vormt nog steeds veruit de belangrijkste bron van inkomsten, hoewel het
aandeel van dit product in de totale export in de loop der jaren is
afgenomen (1972: 74,4%; 1987: 41,2%, niettemin goed voor 40% van de
deviezen). Na de ontdekking van nieuwe ertslagen bij El Abra wordt de
voorraad op 700 miljoen ton geschat (40% van de wereldvoorraad).
De belangrijkste mijnen waren tot 1966 Amerikaans eigendom. Sinds 1971
worden de vijf grootste mijnen beheerd door het overheidsbedrijf CODELCO.
Belangrijke bijproducten van de koperdelving zijn goud, zilver, zink,
mangaan en vooral molybdeen, waarvan de export spectaculair toeneemt. In
1979 werd begonnen met de exploitatie van uraniumvoorraden. IJzererts
(in de regio's Atacama en Coquimbo) vormt nog een belangrijk
exportproduct. Het staatsbedrijf ENACAR heeft vestigingen in de
provincies Arauco en Concepción. Grote reserves liggen bij Punta Arenas.
Salpeter, eens Chili's belangrijkste inkomstenbron, speelt nog maar een
bescheiden rol. Olie en aardgas worden vnl. gewonnen in de regio
Magallanes. Het overheidsbedrijf ENAP streeft naar samenwerking met
buitenlandse ondernemingen. Door de dalende eigen productie en de
stijgende wereldmarktprijzen betekent de invoer van aardolie een steeds
grotere last op de handelsbalans.
Bijna de helft van de elektrische energie wordt gebruikt bij de
koperraffinage. Chili heeft het hoogste hydro-elektrische potentieel ter
wereld per hoofd van de bevolking. Ca. 70% van de elektriciteit wordt
opgewekt door waterkracht. De waterkrachtcentrale Colbún-Machicura aan
de rivier de Maule, in 1985 in gebruik genomen, produceert een kwart van
de door waterkracht opgewekte elektriciteit. Daarmee is het potentieel
nog niet op zijn einde. Veel wordt ook verwacht van zonne-energie.
4.6 Industrie
Sedert de oprichting van de CORFO (de maatschappij voor industriële
ontwikkeling) in 1938 heeft de Chileense overheid een grote rol gespeeld
bij ontstaan en verdere ontwikkeling van industriële bedrijven, waardoor
's lands industriepark uitgroeide tot een van de belangrijkste van
Latijns-Amerika. Het aandeel van de industrie in het bruto nationaal
product (bnp) schommelde in de jaren tachtig rond de 20%. De daling van
de industriële productie sinds 1972 was te wijten aan de concurrentie
uit het buitenland als gevolg van het liberale importbeleid en aan het
lage niveau van investeringen in de industriële sector. Geografisch is
de industriële sector geconcentreerd in de steden Santiago, Valparaíso
en Concepción (samen 80% van de productie). Vanouds bestaat er een
sterke tendens tot oligopolievorming in de industriële productiviteit en
een hoge graad van aanwending van kapitaal en technologische kennis. In
1965 had één procent van de aandeelhouders in de industriesector bijna
de helft van het totale aandelenkapitaal in handen. Het aandeel van
buitenlands kapitaal in industriële NV's bedroeg in 1969 ca. 20%. De
regering-Allende bracht een groot aantal bedrijven die ze van
fundamenteel belang achtte voor de economische ontwikkeling van het
land, onder overheidscontrole, via onteigening, inbeslagname en
aandelenaankoop, welke tezamen deel zouden gaan uitmaken van de sector
van het zgn. 'sociaal eigendom'. In het kader van de privatisering van
de economie heeft de militaire regering het grootste deel van deze
bedrijven weer naar de particuliere sector teruggebracht. Slechts een
tiental bedrijven zal nog onder staatsbeheer blijven. De CORFO wordt
omgevormd tot ontwikkelingsbank voor de privésector.
4.7 Handel en bankwezen
De handel met het buitenland is onder het militaire bewind sterk
geliberaliseerd, hetgeen tot een spectaculaire groei van de export- en
importvolumes heeft geleid. Voornaamste handelspartners zijn Japan,
Argentinië, Brazilië, de Europese Unie en de Verenigde Staten. De
Volksrepubliek China neemt een steeds belangrijker plaats in als afnemer
van koper en nitraten. Het overschot op de handelsbalans steeg van ruim
$ 1 miljard in 1986 naar $ 2,5 miljard in 1994.
De functies van de staatsbank, de Banco del Estado, zijn met het afnemen
van het aantal overheidsbedrijven sterk ingekrompen. De belangrijkste
handelsbank is de Banco de Chile. De deviezenhandel, buitenlandse
kredieten en andere vormen van kapitaalinvoer staan onder controle van
de Banco Central de Chile, die ook toezicht houdt op het bankwezen.
4.8 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Het in 1967 opgerichte Nationaal Planbureau ODEPLAN staat onder leiding
van de president en houdt zich bezig met sociaal-economische planning.
In 1975 wijzigde ODEPLAN zijn activiteiten en structuur: van planning
per economische sector werd overgegaan op regionale planning, waarbij
het accent kwam te liggen op de ontwikkeling van de noordelijke en
zuidelijke provincies.
4.9 Verkeer
Het wegennet is tussen de regio's La Serena en Puerto Montt redelijk
goed ontwikkeld. De belangrijkste noord-zuidverbinding vormt de
Carretera Panamericana, die vanuit Peru Arica binnenkomt en vandaar tot
voorbij Puerto Montt reikt (met een uitloop op het eiland Chiloé). Er
zijn drie autowegen met Argentinië: van Valparaíso naar Mendoza (de
Carretera Transandina), in het noorden van Antofagasta naar Salta en in
het zuiden van Osorno naar Bariloche. Van Arica loopt een autoweg naar
de Boliviaanse hoofdstad La Paz. Er is de laatste jaren veel geld in
deze infrastructuur gepompt. De spoorwegen zijn vrijwel geheel
staatseigendom, maar er is een gedeeltelijke privatisering voorzien,
evenals een modernisering van het spoor. De lijn Iquique-Puerto Montt
(uitloop naar Castro), met verschillende oost-westaftakkingen, kent drie
verschillende spoorbreedten. In 1975 werd in Santiago de stedelijke
metro geopend. De belangrijkste luchtvaartmaatschappij (naast Fast Air
en Ladeco) is Linea Aérea Nacional (LAN), die alle belangrijke Chileense
steden aandoet en vanuit het internationale vliegveld Pudahuel bij
Santiago verbindingen onderhoudt met de belangrijkste
Latijns-Amerikaanse steden, de Verenigde Staten en West-Europa. Van de
80 Chileense havens, waarvan 15 grotere zeehavens, is die van Valparaíso
de grootste.
Sedert 1979 zijn particuliere kapitaalinvesteringen toegestaan bij de
spoorwegen, de scheepvaart, luchtvaartlijnen, havens en de metro van
Santiago.
5. Geschiedenis
5.1 Koloniale periode
Noord-Chili behoorde sedert de 14de eeuw tot het rijk van de Inka (zie
ook precolumbiaanse kunst). In 1540 viel de Spaanse veroveraar Pedro de
Valdivia het land vanuit Peru binnen. Hij stichtte verscheidene steden,
waaronder Santiago, Concepción en Valdívia. Reeds in 1535 was Diego de
Almagro hem voorgegaan, maar Chili's schijnbare armoede deed deze afzien
van bezetting. Voortdurend verzet van de Arauka-Indianen tegen de
uitbreiding van het vice-koninkrijk Peru, afwezigheid van ontginbare
edele metalen en de ongunstige ligging ten opzichte van Europa maakten
dat Chili lange tijd een verwaarloosd gebied bleef. Pas na de
ontwikkeling van landbouw en veehouderij in de 18de eeuw begon een
periode van economische opgang, waardoor vele immigranten uit Europa
werden aangetrokken. De bevolking steeg van 100.000 zielen in 1700 tot
ruim een miljoen honderd jaar later.
De uit de Franse Revolutie stammende liberale denkbeelden en het
uitroepen van de Noord-Amerikaanse onafhankelijkheid (1776) lieten ook
Chili niet onberoerd. Dit, gevoegd bij de groeiende ontevredenheid van
de in Chili geboren en tot welvaart gekomen burgerij over de
overheersende invloed van Spanjaarden in het bestuursapparaat, leidde
tot een jaren durende politieke crisis. In 1810 werd de Spaanse
gouverneur tot aftreden gedwongen. Het gezag werd overgenomen door een
junta, die op haar beurt later werd weggejaagd door José Miguel Carrera.
In 1814 werd Carrera verdreven door de door royalisten gesteunde
Spanjaarden, die prompt het koloniaal bewind herstelden. Drie jaar later
werden de Spanjaarden echter zonder veel moeite verslagen door de
autonomisten onder aanvoering van Bernardo O'Higgins, die de strijd
voortzette om de Spanjaarden ook uit Peru te verdrijven.
5.2 Onafhankelijkheid
In 1818 riep O'Higgins de onafhankelijkheid van Chili uit. Bij zijn
pogingen het bestuur te reorganiseren en de invloed van landadel en kerk
te beteugelen, ontmoette hij zoveel weerstand, dat hij in 1823 aftrad.
Er volgde een periode van opstanden en staatsgrepen, waaraan generaal
Prieto in 1833 een einde maakte. Zijn invloedrijke minister, Diego
Portales, legde in de nieuwe grondwet de basis voor een bijna veertig
jaar durend autoritair staatsbestel. In deze periode kwam de economie
tot grote bloei. Het conservatieve beleid van de achtereenvolgende
presidenten deed de spanningen met meer liberale stromingen steeds meer
toenemen. Deze zagen enkele verlangens ten aanzien van het systeem van
presidentsverkiezingen ingewilligd bij de grondwetsherziening van 1871.
5.3 Salpeteroorlog
In 1879 brak met Bolivia en Peru de zgn. Salpeteroorlog of
Pacific-oorlog uit over de beschikking over omvangrijke nitraatvelden in
een door Bolivia bestuurd gebied. De Chileense marine besliste de
strijd, waarna de beide buurlanden mineraalrijk grondgebied aan Chili
moesten afstaan. De export van salpeter bleef tot in de Eerste
Wereldoorlog Chili's belangrijkste bron van inkomsten.
De in 1886 gekozen president Balmaceda ondervond veel tegenstand bij
zijn inspanningen om de afhankelijkheid van het Britse kapitaal te doen
verminderen en de overheid een grotere rol toe te kennen in het
economische leven. Nadat het Congres de begroting afkeurde, ontstond een
bestuurscrisis. Het leger bleef de president trouw, maar de vloot kwam,
onder leiding van Jorge Montt, in opstand. Montt werd de aanvoerder van
de congressionalisten, die zich in het noorden samentrokken en de
inkomsten van de salpeterwinning inden. Toen de regeringstroepen bij
Valparaíso verpletterend werden verslagen, pleegde Balmaceda zelfmoord.
Montt werd zijn opvolger (1891-1896). Hij schoeide de staatsinrichting
op West-Europees-parlementaire leest. Met Arturo Alessandri kwam in 1920
de eerste president aan de macht die niet uit een van de aanzienlijke
families stamde. Pas na tussenkomst van het leger kon hij zijn
hervormingsplannen doorvoeren, waaronder herstel van de macht van de
president (grondwetsherziening 1925), belastingmaatregelen en
arbeidswetten. In 1927 greep de legerofficier Carlos Ibañez de macht en
leidde tot 1931 een dictatoriaal bewind. In dat jaar brak revolutie uit
en werd er een socialistische republiek uitgeroepen die slechts elf
dagen standhield. In 1932 slaagde Alessandri erin de macht te heroveren,
en daarna zijn ambtstermijn vol te maken. De toegenomen invloed van
linkse partijen kwam in 1938 tot uitdrukking in de verkiezing tot
president van Pedro Aguirre Cerda, de kandidaat van het Volksfront. Hij
verbeterde het onderwijs en stimuleerde de industrialisatie.
5.4 Amerikaanse invloed
De Duits sprekende minderheid wist te bereiken dat Chili gedurende de
Tweede Wereldoorlog tot jan. 1943 neutraal bleef; daarna koos het de
zijde van de geallieerden, die Chileense steun ontvingen door goedkope
koperleveranties ten behoeve van de oorlogsindustrie. De Amerikaanse
invloed deed zich steeds meer gelden. Een door president Gabriel Videla
(1946-1952) ingevoerde wet op de bescherming van de democratie leidde
tot ontslag van communistische ministers en grootscheepse vervolging van
leden en sympathisanten van de communistische partij. Bij de
verkiezingen van 1952, waaraan voor het eerst vrouwen mochten deelnemen,
werd de nationalist Ibañez weer tot president gekozen. Na de
conservatieve regering van Jorge Alessandri (1958-1964) kwam voor het
eerst een christen-democraat aan de macht: Eduardo Frei. Hij nam enkele
progressieve maatregelen, waaronder hervormingen op het platteland, maar
verzette zich tegen nationalisatie van de Amerikaanse ondernemingen in
de koperindustrie.
5.5 Periode-Allende
Dit
gebeurde pas onder de socialistische president
Salvador Allende, die als kandidaat van de linkse coalitie Unidad
Popular (Volkseenheid) bij de verkiezingen van 1970 een kleine
meerderheid had behaald. Het Congres koos hem daarna tot president.
Naast socialisten en communisten maakten ook radicalen,
christen-radicalen en enkele kleinere partijen deel uit van de Unidad
Popular. Het 'Chileense experiment', dat erin bestond langs
democratische en vreedzame weg het socialisme te vestigen, duurde
slechts drie jaar (nov. 1970 - sept. 1973). Allende werd voortdurend
geconfronteerd met hevige politieke tegenstand, economische
moeilijkheden en maatschappelijke polarisatie. De kern van het conflict
tussen regering en oppositie vormde de eigendom van de
productiemiddelen. De regering wilde komen tot een gesocialiseerde
sector van de economie (het onder overheidscontrole plaatsen van
sleutelbedrijven als banken, grondstoffenindustrie, enz.), maar het
Congres keurde de betrokken plannen af. Ingewikkelde
competentiegeschillen tussen wetgevende en uitvoerende macht leidden tot
een volslagen impasse in de wetgevende arbeid. Rechtse groeperingen, in
hun strevingen gesteund door de Verenigde Staten en een groot deel van
de middenklasse, lokten politiek geweld en economische wanorde uit en
riepen het leger op in te grijpen. Putschisten slaagden erin de
vervanging te bewerkstelligen van de opperbevelhebber van het leger,
generaal Prats, door generaal Augusto Pinochet.
5.6 Staatsgreep
Op 11 sept. 1973 nam een militaire junta, na een bloedige
staatsgreep, waarbij Allende om het leven kwam, de macht over. In de
daaropvolgende massale repressie tegen linkse sympathisanten vielen
20.000 doden en werden tienduizenden in concentratiekampen en
foltercentra gedetineerd. Onder krachtige internationale druk werden de
veiligheidsmaatregelen naderhand minder streng en werden vele politieke
gevangenen naar het buitenland verbannen.
De leider van de junta, generaal Pinochet, die medio 1974 tot president
werd benoemd, wist zich te ontdoen van opposanten binnen het leger,
organiseerde tegen de wil van andere juntaleden een volksstemming (jan.
1978) naar aanleiding van de veroordeling van Chili in de Verenigde
Naties en dwong juntalid generaal Leigh tot aftreden. De verhouding tot
de Rooms-Katholieke Kerk bleef gespannen. Maatschappelijke groeperingen
die de staatsgreep aanvankelijk hadden toegejuicht (ondernemers,
middenstand, sommige vakbonden), gaven steeds meer blijk van
ontevredenheid over het vooral op de export gerichte, zeer liberale
economische beleid.
Ook internationaal bleef het regime in een isolement. Wegens het op
grote schaal en voortdurend schenden van de mensenrechten is het
militaire regime in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
herhaaldelijk veroordeeld. De betrekkingen met de Verenigde Staten
bereikten een dieptepunt met het stopzetten van de militaire en
economische hulp door de regering-Carter. De betrekkingen met de
buurlanden waren eveneens gespannen. De in 1974 herstelde diplomatieke
relaties met Bolivia werden in maart 1978 weer verbroken. Peru
verklaarde de Chileense ambassadeur begin 1979 tot persona non grata, na
de ontdekking van een Chileens spionagenet. Met Argentinië leidde het
conflict over de soevereiniteit van het Beaglekanaal tot
oorlogsdreigingen. In dit geschil bood paus
Johannes Paulus II zijn bemiddeling aan.
De bemiddeling van het Vaticaan leidde tot onderhandelingen die in
oktober 1984 uitmondden in de ondertekening van een verdrag, waarbij
Chili de soevereiniteit kreeg over de drie belangrijkste eilanden in het
Beaglekanaal en beide landen elkaar de vrijheid van doorvaart
garandeerden.
Op 11 sept. 1980 keurde een meerderheid van de kiezers een nieuwe
grondwet goed die de heerschappij van Pinochet tot 1989 vastlegde. Op
basis hiervan kon hij op 11 maart 1981 als constitutioneel president
geïnstalleerd worden. Onder invloed van de economische teruggang die in
1982 inzette, ontstond vanaf 1983 grote sociale en politieke onrust.
Voorjaar 1983 gingen de koperarbeiders in staking, waarna hun
vakbondsleider Rodolfo Seguel gearresteerd werd. In de loop van 1983 en
1984 vonden regelmatig protestdagen plaats, gepaard gaande met
demonstraties en stakingen, waartegen de militairen hard optraden. Om de
onrust in te dammen benoemde Pinochet in augustus 1983 een burger, de
conservatieve politicus S.O. Jarpa Reyes, als minister van Binnenlandse
Zaken. Jarpa begon een dialoog met de gematigde oppositie, die
samenwerkte in de Democratische Alliantie. Deze dialoog liep op niets
uit en in november 1984 werd de staat van beleg uitgeroepen. Jarpa werd
begin 1985 van zijn post ontheven. In juni 1985 werd de staat van beleg
vervangen door de minder stringente noodtoestand, maar de protesten
duurden voort. Na demonstraties in mei 1986 werden 15!000 mensen
gearresteerd. Ook hield het leger razzia's in de krottenwijken, waarbij
tientallen mensen gedood werden.
Het hoogtepunt van de protesten werd bereikt met een nationale staking
in juli 1986. Daarna boette de protestbeweging sterk aan kracht in als
gevolg van gebrek aan eenheid en het aantrekken van de economie. De
guerrillabeweging Patriottisch Front Manuel Rodriguez (FPMR) pleegde in
september 1986 een aanslag op Pinochet. Deze riep opnieuw de staat van
beleg uit en er werden oppositieleiders gearresteerd. De afkondiging in
1987 van de wet op de registratie van kiezers (na de staatsgreep van
1973 waren alle kiesregisters vernietigd) en de wet op de politieke
partijen maakten weer een legaal functioneren van oppositiepartijen
mogelijk. Voorafgaande aan het bezoek van paus Johannes Paulus II in
april 1987 werd de staat van beleg opgeheven.
5.7 Democratisering
Op 5 okt. 1988 vond het grondwettelijk vereiste referendum plaats over
de door de junta voorgestelde kandidaat voor het presidentschap,
Pinochet. Zestien politieke partijen, van rechts tot gematigd links,
sloten zich aaneen in het Commando voor het Nee om campagne te voeren
tegen Pinochet. In het referendum stemde 55% van de kiezers tegen een
nieuwe ambtstermijn voor Pinochet. Het Commando voor het Nee, waarvan de
naam veranderd werd in Akkoord van Partijen voor de Democratie (CPD),
wees in juli 1989 de christen-democratische voorman Patricio Aylwin aan
als presidentskandidaat bij de verkiezingen van 17 december van dat
jaar. Aylwin behaalde met 55% van de stemmen een overwinning op de beide
rechtse kandidaten. Na 17 jaar militair regime vond Aylwins
ambtsaanvaarding plaats op 11 maart 1990. Aylwins gezag nam snel toe.
Op 4 september werd oud-president Allende herbegraven in het familiegraf
van de Allendes te Santiago. Het leger kwam in diskrediet o.a. door de
ontdekking van massagraven in de Atacama-woestijn. Een Nationale
Commissie voor Waarheid en Verzoening rapporteerde in 1991 dat het leger
1068 moorden had begaan en daarnaast schuld had aan 957 verdwijningen.
Hoewel diverse hooggeplaatste militairen op beschuldiging van moord
tijdens de junta-jaren werden gearresteerd, werden zij veelal na enkele
dagen weer vrijgelaten. De regering zelf trachtte de broze democratie te
behouden door het rapport van 1991 niet te laten volgen door een
uitgebreid justitieel onderzoek. Desondanks werden in juli 1993 twintig
vroegere leden van de opgeheven paramilitaire politie veroordeeld wegens
de moorden in maart 1985 op drie leidende communisten.
In maart 1994 trad Eduardo Frei aan als president. Privatisering en
modernisering van het bestuur, onderwijs en armoedebestrijding stonden
hoog op zijn agenda. Het gehele jaar 1995 stond in het teken van de
spanningen tussen leger en regering over de veroordeling en vervolging
van militairen in verband met de schendingen van de mensenrechten
tijdens de dictatuur van generaal Pinochet (1973-1990). Ook in 1996
verslechterden de relaties met de legertop opnieuw na de arrestatie van
een voormalig Chileens geheim agent in verband met de moord op de
Chileense generaal Prats in 1974.
Economisch gezien maakte Chili in de jaren negentig een forse groei
door. Naast de koperexport beleefden de zalm- en wijnexport goede
tijden.
Telefoongids Chili
Postcodes
Chili
|