|
4. Economie
4.1 Inleiding
China
is van oudsher een arm land. Het inkomen per hoofd van de bevolking werd
in 1952 op $ 57 geschat en het is waarschijnlijk dat gedurende eeuwen
het levenspeil rondom dit niveau heeft geschommeld. Voor 1994 werd het
nationaal product per hoofd op $ 530 geraamd. De individuele
consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn met
een belangrijk deel van de besparingen de collectieve voorzieningen
(onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.) gefinancierd.
China is nog steeds een overwegend agrarisch land; naar schatting (1993)
werkt ca. 61% van de beroepsbevolking in de landbouw en ca. 39% in
industrie, handel, transport en bij het bestuur. Een hoog ontwikkelde
huisnijverheid en een kleine industrie, met eenvoudige middelen
bedreven, behoren tot het traditionele systeem. In de 19de eeuw begon
een zekere modernisering. In de kuststeden (Shanghai, Tianjin, Hankou en
Kanton [Guangzhou]) werd door westerse (inclusief Japanse) ondernemers
een lichte industrie opgebouwd. In Mantsjoerije werd door Japan, op
grond van daar gevonden kolen en ijzererts, een zware industrie
gesticht, die nu nog de ruggengraat van de moderne Chinese economie
uitmaakt. Deze nieuwe activiteiten beroerden echter slechts kleine
gebieden.
De beperktheid van de westerse invloed hing samen met de grootte van het
land, de afkeer van vreemde overheersing en vooral een sfeer van
zelfgenoegzaamheid die China steeds heeft gekenmerkt. Bovendien werd
China niet geacht over natuurlijke hulpbronnen te beschikken die voor de
wereldeconomie van belang waren. De buitenlandse handel had daarom een
bescheiden omvang. De uitvoer bestond vnl. uit agrarische producten en
enige metalen. Het was deze basis die het communistische regime erfde in
1949. Van 1949 tot 1952 had de wederopbouw plaats van het
productieapparaat, dat in de oorlog tegen Japan (1937-1945) en
vervolgens in de burgeroorlog zwaar had geleden. Vooral het beteugelen
van de inflatie was indrukwekkend.
In 1953 ging het eerste vijfjarenplan (1953-1957) van start, dat met
zijn nadruk op de ontwikkeling van de zware industrie de Sovjet-Unie tot
voorbeeld had. Volgens de officiële opgaven groeide de economie in de
periode 1953-1957 met ca. 8,3% per jaar. Voor de volgende
vijfjarenplannen (zes tussen 1958 en 1990) zijn slechts vage
bijzonderheden over de doelstellingen verschaft; wel is het duidelijk
dat sinds 1960 een eigen ideologie werd gevolgd, waarbij de sectoren
landbouw en industrie beide als zwaartepunten werden beschouwd ( 'lopen
op twee benen'). Verder kan uit diverse gegevens worden afgeleid, dat
het Grote Sprong Voorwaarts-programma (1958-1960), waarin getracht werd
de groei van de moderne en traditionele sectoren te versnellen, op een
mislukking uitdraaide, hetgeen mede veroorzaakt werd door misoogsten en
de stopzetting van de hulp van de Sovjet-Unie in 1960.
Ook de Culturele Revolutie (1966-1969), waarbij door haar aanhangers
werd getracht de door Mao gepreekte permanente revolutie te zuiveren van
'kapitalistische' en 'revisionistische' smetten, had een negatieve
invloed op de economische ontwikkeling, o.a. als gevolg van de
ontwrichting van het vervoer en de doorbetaling van lonen en premies,
terwijl de bedrijven voor politieke discussies waren stilgelegd.
Sinds de dood van Mao (sept. 1976) wordt naar politieke stabiliteit
gestreefd en wordt een pragmatische economische politiek vrij van
ideologische slagzinnen gevolgd. Conjuncturele oververhitting en
structuurproblemen van een economisch systeem in overgang karakteriseren
de recente ontwikkelingen. Sinds 1990 wordt de economie in een razend
tempo - vooral in de kustprovincies - geliberaliseerd en geprivatiseerd.
4.2 Landbouw
Slechts 10-15% van de totale oppervlakte wordt geschikt geacht voor
bebouwing. Meer dan de helft van het land bestaat uit bergen (60% ligt
boven 2000 m), steile heuvels en woestijnen. Droogten en overstromingen
zijn bovendien permanente verschijnselen. Door de bevolkingsgroei in het
verleden is China van veel van zijn bosbestand (naar schatting 2,7
miljoen km2) beroofd en is in vele streken de humuslaag weggespoeld.
Dank zij de vakbekwaamheid van de Chinese boer werd van het bebouwde
areaal reeds vroeger een relatief grote oogst verkregen, die echter per
persoon gering was. De grootte van de gemiddelde boerderij was niet meer
dan 1 ha.
Grootgrondbezit kwam vrijwel alleen voor in de minder vruchtbare streken
in het noorden, waar nu de grote staatsboerderijen liggen en waar de
meeste landbouwmachines zijn geconcentreerd. In de periode 1949-1952
werd een herverdeling van de grond tot stand gebracht. Het resultaat was
vooral dat de pachters eigenaar werden van hun stukje grond. In 1953
echter bleek reeds dat de regering de coöperaties tot collectieve
boerderijen, waarbij alle productiemiddelen inclusief het land
gemeenschapsbezit werden, wenste om te vormen. Het tempo werd in 1955
geforceerd en eind 1956 werkte meer dan 90% van de boeren in collectieve
bedrijven.
In 1958 werden de collectieve bedrijven omgezet in volkscommunes (in
1965 werd het aantal communes van ca. 74.000 teruggebracht tot ruim
50.000); vanaf 1959 is echter de kleinere productiebrigade de
basiseenheid (gemiddeld ca. 1000 mensen). Op een lager niveau dragen de
productieteams, bestaande uit 20 tot 30 boerenfamilies, de
verantwoordelijkheid voor de productie op de hun toegewezen grond en
voor andere taken, die hun in overleg worden opgedragen. Naar schatting
waren er in 1978 ca. 750.000 productiebrigades en 5 miljoen
productieteams.
Naast de gecollectiviseerde landbouw bestonden nog ca. 2000
staatsboerderijen, vooral in het noorden gelegen, beschikkend over
40!000 km2 (ca. 4% van het bouwland) en 5 miljoen arbeiders, die hun
producten uitsluitend aan de overheid mochten verkopen. Bovendien hebben
de boeren weer een eigen stukje grond gekregen - ca. 5% van het areaal -
waarmee naar berekening de familie 20% van haar inkomen verdient. In de
jaren tachtig werden de volkscommunes afgeschaft. De druk van onderaf
was hiervoor doorslaggevend. De levensstandaard en de voedselconsumptie
van de Chinese boeren waren in het midden van de jaren zeventig
nauwelijks hoger dan in het midden van de jaren vijftig. Weliswaar was
het analfabetisme teruggedrongen en vonden een belangrijke verbetering
en uitbreiding van irrigatiewerken en verbindingswegen plaats, maar het
productiesysteem liet te wensen over. Zo hadden de gedwongen leveranties
aan staatsinkooporganen op den duur een zeer negatief effect op de
productie.
Dat de productie op eigen stukjes land verhoudingsgewijs veel hoger lag,
bevorderde de twijfel aan de effectiviteit van de volkscommunes. De
eerste stap naar veranderingen op het platteland was het optrekken van
de prijzen van de producten die de boeren aan de staat leverden met ca.
40% in 1979 en 1980. Hiernaast konden de boeren producten van een eigen
lapje grond op de vrije plattelandsmarkten verkopen. Door deze
maatregelen stegen de productie en de inkomens van de boeren op het
platteland aanzienlijk. Sinds 1985 is het systeem van gedwongen
leveranties aan staatsinkooporganisaties bovendien vervangen door
'indicatieve planning'. Hierbij staat het boeren in theorie vrij of ze
een contract sluiten voor leveranties aan staatsinkooporganisaties of
dat ze hun producten op de vrije markt afzetten.
Wel geeft de staat de boeren die contracten voor toekomstige leveranties
afsluiten, hogere prijzen en een voorkeursbehandeling bij levering van
schaarse en gesubsidieerde producten, zoals kunstmest en dieselolie. Een
tweede hervorming is de invoering van het contractsysteem geweest,
waarbij de collectieve productie werd afgeschaft. Hierbij wordt grond
aan boeren verpacht. Doordat de contracten voor lange tijd worden
afgesloten, zijn de boeren hun gepachte grond steeds meer als hun
eigendom gaan beschouwen. De pachtrechten konden zelfs worden
overgedragen en verhandeld en daarmee werd de juridische vorm van
collectief grondbezit steeds meer een fictie. Voordelen van deze
hervormingen zijn dat sinds 1984 de overheidsuitgaven voor de landbouw
aanzienlijk zijn gedaald en dat de productie van graan en katoen
belangrijk is gestegen. Deze stijging was in feite de ontkrachting van
het oude dogma dat het verminderen van het areaal dat bestemd is voor
graanbouw, tot een voedselramp moet leiden. Ook de productie van vlees,
groenten, tabak en suiker groeide spectaculair. Binnen enkele jaren was
de noodzaak tot invoer van granen en katoen uit het buitenland
weggevallen.
De productiestijging in de landbouw is behalve aan de hervormingen ook
te danken aan steeds verdergaande mechanisatie en verbetering van de
irrigatie. Vanaf het begin van de jaren vijftig zijn 2000 grote en
middelgrote waterreservoirs gebouwd met pompstations van een totale
capaciteit van 30 miljoen pk. Van de 98, 4 miljoen ha gecultiveerd land
was in 1983 44,6 miljoen ha geïrrigeerd. Door landhervormingen en betere
condities nam de rijstproductie tussen 1980 en 1982 met gemiddeld 40%
toe.
Verder is het kunstmestgebruik sterk toegenomen, hoewel nog ca.
tweederde van de mest die door de boer op het land wordt gebracht,
bestaat uit uitwerpselen van dieren en mensen, slib van rivieren en
vijvers en groenvoeder. Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst,
gevolgd door tarwe, maïs en andere granen (kanliang, een soort sorghum,
gierst en gerst) en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert
(uit Australië, Canada, Argentinië en de Verenigde Staten), is de import
sinds de landbouwhervormingen sterk gereduceerd. In 1985 daalde de
graanoogst voor het eerst na een aantal succesjaren en moest weer meer
worden geïmporteerd.
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal
gestimuleerd, o.a. door ook hier prijshervormingen door te voeren en
meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst. Het gevolg is
een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een
productieverhoging van 72%. Katoen is het voornaamste handelsgewas en
grondstof voor de exporterende industrie en wordt zowel in Zuid- als in
Noord-China geteeld. Naast katoen is ook de productie van agrarische
industriële gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten, raapzaad en
sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze producten vaak nog
grote hoeveelheden worden geïmporteerd. Tot China's cultuurgewassen
behoren voorts: thee (vnl. uit het zuidoosten), tabak (Midden-China en
het zuiden), moerbeien, sinaasappelen, kamfer en gember (uit het
zuiden).
Het werk in de landbouw is verlicht door mechanisatie. Verder is sterke
nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector (vooral bosbouw
en veehouderij).
4.3 Veehouderij, bosbouw en visserij
De grote aandacht die eeuwenlang is geschonken aan de akkerbouw, is ten
koste gegaan van de ontwikkeling in de veehouderij. De veehouderij is
dan ook van ondergeschikt, maar van toenemend belang. Van het
landbouwgebied is 55% grasland. Sinds 1979 groeit de veehouderij sneller
dan de akkerbouw. Grootvee (o.a. koeien, paarden, buffels, jaks) wordt
vnl. geweid op de enorme grassteppen die zich uitstrekken van de
noordoostelijke vlakte via Binnen-Mongolië tot het westen en zuidwesten.
De in geheel China meest voorkomende vorm van veehouderij is de fokkerij
van kleinvee, m.n. varkens (China heeft de grootste varkenshouderij ter
wereld). Tussen 1949 en 1994 zou de veestapel ongeveer zijn
vervijfvoudigd (van 160 miljoen naar 778 miljoen stuks vee), terwijl in
het laatstgenoemde jaar 1,3 miljard stuks pluimvee werden gehouden,
vrijwel uitsluitend op de eigen grond van de boeren. Het meeste vee in
China doet dienst als last- en trekdier; de meeste Chinezen eten vrijwel
geen zuivelproducten.
De belangrijkste bosgebieden liggen in het noordoosten. Tungolie en
teakhout zijn de voornaamste producten. Door vele eeuwen roofbouw is
grote schade toegebracht aan het bosbestand. Sinds 1949 is ca. 86
miljoen ha land herbebost. Slechts een derde hiervan heeft het echter
overleefd. Het totaal beboste areaal bedraagt 128 miljoen ha (13, 4% van
China). De overheid heeft zich ten doel gesteld in het jaar 2000 de
bosoppervlakte vergroot te hebben tot 20% van de totale oppervlakte.
De visserij wordt intensief beoefend op de meeste binnenwateren en langs
nagenoeg de hele kust.
4.4 Grondstoffen en energievoorziening
Op het gebied van delfstoffen heeft China de grootste reserve ter
wereld. De reserve aan kolen in China wordt geschat op 600 miljard ton,
hoewel de kwaliteit in vele streken als gevolg van een hoog as- en
zwavelgehalte te wensen overlaat. Naar raming wordt 77% van de
energiebehoefte nog door kolen gedekt. De belangrijkste winningscentra
liggen in de provincies Hebei, Shanxi, Shandong, Jilin en Anhui; de
totale productie bedroeg in 1994 1212 miljoen ton, waardoor China tot de
grootste drie kolenproducerende landen ter wereld behoorde. Grote
voorraden ijzererts bevinden zich o.a. in de provincies Shanxi, Hebei en
Shandong. De reserves worden geschat op 496 miljard ton. China is de op
drie na grootste staalproducent van de wereld.
Voor wolfraam en antimoon (provincies Hunan, Guangdong en Yunnan) wordt
China geacht ca. 60% van de wereldreserves te bezitten. De exploitatie
van niet-ijzerhoudende metalen blijkt echter moeilijk, gezien de grote
hoeveelheden die hiervan moesten worden ingevoerd in de tweede helft van
de jaren zeventig (o.a. koper, aluminium, nikkel en lood). In 1994
bedroeg de productie van ruwe aardolie 148 miljoen ton. De
offshore-winning in de Golf van Bohai in de buurt van Tianjin, waar
reeds in 1975 olie werd gewonnen, blijkt bescheiden van omvang.
Schattingen over aardoliereserves zijn erg speculatief. Men gaat uit van
een vastelandreserve van 5,3 miljard ton en een even grote reserve voor
de kust. De tot nog toe geproduceerde aardolie bevat een hoog gehalte
aan paraffine of was, hetgeen winning en raffinage kostbaar maakt.
Aardgasvelden bevinden zich bij Kanton (Guangzhou) en Shanghai en in de
provincie Sichuan. De productie is gering. De gasproductie vertoonde in
1979 een piek, waarna de winning tot 1984 met 15% daalde. Men schatte
toen dat het aardgasveld met 20% was afgenomen. De meeste winning vindt
plaats in Sichuan. Voorts wordt tin (Yunnan), molybdeen (vnl. in het
noordoosten en langs de kusten van de provincies Hebei, Zhejiang en
Fujian), mangaan (Hunan, Jiangxi), lood en zink (Xinjiang Uygur, Hunan
en Guizhou) en bauxiet (o.m. Liaoning) gewonnen. De Chinese bodem bevat
eveneens aanzienlijke hoeveelheden goud, platina, nikkel, titaan,
grafiet, fosfor, vloeispaat en kwik. Daarnaast zijn asbest, zwavel, zout
en fosfaat van betekenis.
4.5 Industrie
Na 1958 zijn geen officiële cijfers gepubliceerd, maar uit incidentele
gegevens en indexcijfers die af en toe zijn verstrekt, kan worden
afgeleid dat grote vooruitgang is geboekt.
Net
als in de landbouw hebben in de industrie hervormingen plaatsgevonden.
Doordat sinds de invoering van het contractsysteem met minder mensen
meer wordt geproduceerd, dreigde op het Chinese platteland een zeer
grote werkloosheid te ontstaan. Vestiging van industriële bedrijven in
agrarische gebieden kon hier een oplossing bieden. Sinds 1978 zijn bijna
50 miljoen Chinese boeren tewerkgesteld in plattelandsbedrijven en in
toeleveringsbedrijven voor de stedelijke industrie. In gebieden rond de
grote steden, zoals Peking, werkt 80% van de plattelandsbevolking al
buiten de landbouwsector.
De huidige politiek is gericht op het scheppen van een nieuwe klasse van
ondernemers, handelaren en managers. Zo zijn in de loop van de jaren
tachtig de mogelijkheden voor individuele ondernemers om een eigen
bedrijf op het platteland te beginnen of om een bestaand collectief
bedrijf over te nemen aanzienlijk toegenomen. De hervormingen zijn er
verder op gericht de reeds bestaande rurale industriële bedrijven te
verzelfstandigen.
De instelling van de Speciale Economische Zones (SEZ's) waarin
geëxperimenteerd wordt met nieuwe managementtechnieken,
marktverhoudingen en arbeidsrelaties, is te beschouwen als een onderdeel
van de open-deurpolitiek. De SEZ's moeten buitenlandse investeringen
aantrekken voor exportgerichte technologisch hoogwaardige industrieën.
Weliswaar is een aantal vormen van liberalisering van de Chinese
economische betrekkingen met het buitenland doorgevoerd, deze gaan
echter samen met de handhaving en soms versterking van een
protectionistische politiek die gericht is op de ontwikkeling en
modernisering van de eigen handel en industrie.
In 1994 was het aandeel van de Chinese industrie in het nationaal
inkomen beduidend groter dan dat van de landbouw (47% resp. 21% van het
nationaal inkomen). Bovendien overtreft de totale waarde van de door de
plattelandsindustrie voortgebrachte productie die van het agrarisch
bedrijf. Wel werkte in 1993 nog steeds een groot aandeel van de
werkbevolking in de landbouw: 61%, terwijl ca. 18% in de industrie en
21% in de andere sectoren werkzaam was.
De decentralisatie van industriële complexen begon al lang vóór de
plattelandshervormingen. Deels is dit geschied om het transportsysteem
te ontlasten, deels uit strategische overwegingen. Bij de
gedecentraliseerde industrialisatie op provincie- en districtsniveau
werd eveneens getracht de bedrijfsgrootte aan te passen aan lokale
omstandigheden, waarbij werd gelet op aanwezige grondstoffen,
technologie en kennis. Zo is bekend dat in 1976 de helft van de
industriële productie afkomstig was van betrekkelijk kleine bedrijven;
voor de elektriciteits- en kolenproductie bedroeg dit aandeel eenderde,
voor kunstmest 70% en voor cement 60% van de totale productie.
De industrie is overwegend geconcentreerd in het noordoosten en in de
gebieden Peking-Tianjin en Shanghai-Nanjing, in mindere mate in
Midden-China, in het Sichuanbekken, alsmede hier en daar in het zuiden.
Het belangrijkste centrum van de lichte industrie (o.a.
textielbedrijven) die men verder in alle provincies vindt, is Shanghai.
Naast de textielnijverheid zijn de staal- en machine-industrie
belangrijk. De kwaliteit van de industriële productie is regelmatig
verbeterd en de verscheidenheid verruimd.
4.6 Handel
In 1994 importeerde China voor $ 115, 69 miljard en exporteerde het voor
$ 121,04 miljard. De verandering in de importstructuur ten gevolge van
de hervormingen leidde tot twee keer toe tot een explosieve groei van de
import uit ontwikkelde industrielanden (m.n. duurzame
consumptieartikelen), wat voor grote tekorten op de Chinese
betalingsbalans zorgde. Inmiddels vertoont deze een overschot van $ 5,35
miljard.
De handelscrisis van 1985 was het gevolg van de decentralisatie en
afschaffing van staatshandelsmonopolies. Lokale overheden, banken,
fabrieken en eenheden van het Volksbevrijdingsleger maakten van deze
liberalisering gebruik om op grote schaal te investeren. Deze producten
werden vervolgens met een winst van 100 à 200% afgezet op de
binnenlandse markt. Het gevolg was een toename van schulden bij
buitenlandse regeringen, internationale financiële instellingen en
banken. De Chinese overheid reageerde daarop met een gedeeltelijk
herstel van de importbeperkingen en een versoepeling van de beperkingen
ten aanzien van directe buitenlandse investeringen in joint-ventures en
andere vormen van technologische samenwerking.
Het aandeel van de consumptieartikelen daalde van 18% van de totale
import in 1970 tot ca. 10% in 1985, hoofdzakelijk terug te voeren op het
succes van de privatisering van de Chinese landbouw. De import van
voedselproducten (vnl. van granen) daalde van 13% tot ca. 4% in 1986.
Tegelijkertijd steeg het aandeel van duurzame consumptiegoederen
(consumentenindustrie, auto's, koelkasten) van 1% in 1978 naar ca. 5% in
de tweede helft van de jaren tachtig. In dezelfde periode vond een
relatieve daling plaats van de import van grondstoffen (staal, ijzer,
kunstvezels e.d.) en steeg het aandeel van geïmporteerde
kapitaalgoederen van 20% tot 40%.
Aan de exportzijde vond een relatieve afname plaats van de uitvoer van
landbouwproducten en een stijging van de uitvoer van voedingswaren,
houtproducten, textielproducten en machines. De toename van buitenlandse
handel houdt verband met de radicale economische hervormingen die vanaf
1982 op gang kwamen. In het ontspanningsbeleid dat hierop volgde, werd
van de self-reliancepolitiek, zoals tijdens Mao gevoerd, afgestapt.
China wil hiermee zijn eigen positie op de wereldmarkt versterken, o.a.
door aantrekking van westerse bedrijven, investeringen en kennis.
Sinds 1952 werd ca. driekwart van de handel gedreven met het
communistische blok. Na de breuk met de Sovjet-Unie (1960) werden de
handelsstromen geleidelijk aan verlegd naar de westerse industrielanden
en de ontwikkelingslanden. Met de westerse industrielanden bestaat een
onevenwichtig handelsverkeer; China betrekt veel meer uit deze landen
dan het aan ze verkoopt. De ontbrekende deviezen worden voornamelijk
verkregen via handelsoverschotten met de ontwikkelingslanden en Hong
Kong. De centrale regering heeft vanaf de jaren zestig de buitenlandse
schulden afgelost. Hetzelfde geldt voor de binnenlandse leningen waarop
de bevolking min of meer gedwongen werd in te tekenen, zodat de
inkomsten en uitgaven van de Chinese staat in evenwicht zijn.
Van de westerse handelspartners zijn Hong Kong en Japan de
belangrijkste, gevolgd door de Verenigde Staten, Taiwan en Duitsland.
Aan Japan wordt aardolie geleverd en in een in 1978 afgesloten
handelsverdrag ter grootte van $ 20 miljard met een looptijd van 8 jaar
is afgesproken, dat dat land in ruil voor gespecificeerde projecten
(o.a. een staalcomplex bij Shanghai) meer aardolie, cokes en andere
grondstoffen zal ontvangen. In hetzelfde jaar werd met de EEG een
kaderovereenkomst ondertekend voor de ontwikkeling van de wederzijdse
handel.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
China verschaft reeds sinds de intrede van het communistische regime
buitenlandse hulp. In 1986 gaf China aan 90 landen economische en
technische hulp, waaronder 46 Afrikaanse, 20 Aziatische, 14
Latijnsamerikaanse en 5 Europese landen. Het meest spectaculaire project
dat door de Volksrepubliek is uitgevoerd, is de aanleg van de zgn.
Tan-Zamspoorweg (Tanzania-Zambia), waarmee een bedrag van $ 450 miljoen
was gemoeid en waarbij 15.000 Chinese technici werden ingeschakeld. De
hulp geschiedt vnl. bilateraal.
Aan internationale hulpprogramma's draagt China slechts nominaal bij in
eigen valuta, zodat deze bedragen slechts in Chinese goederen en
diensten kunnen worden omgezet. Zelf heeft China lange tijd geen hulp
van noemenswaardige omvang ontvangen; eerst met de economische
hervormingen vanaf 1982 en met de toetreding tot het IMF en de
Wereldbank groeide de financiële hulp snel. In 1984 ontving het $ 502
miljoen aan bilaterale hulp (vooral van Japan) en $ 315 miljoen aan
multilaterale hulp. De Wereldbank spendeerde van 1989 tot 1993 $ 9,2
miljard; de Aziatische Ontwikkelingsbank leende $ 2 miljard. De Europese
Unie stak in diezelfde periode 18 miljoen euro in China.
4.8 Bankwezen en financiën
Bank- en geldwezen staan onder strenge staatscontrole. Centrale Bank is
de Volksbank; daarnaast bestaan er gespecialiseerde staatsbanken. Voor
zaken betreffende de handel met het buitenland fungeert de Bank of
China, die sinds 1971 een vaste wisselkoers hanteert voor de
belangrijkste vreemde valuta. De investeringen bedroegen in 1985 38% van
het nationale inkomen. In de jaren tachtig verkreeg de China
International Trust and Investment Corporation, die de toevloed van
buitenlandse middelen moet bevorderen, een banklicentie en werd daarmee
in de binnenlandse deviezenhandel een concurrent van de Bank of China.
Aanvankelijk bestonden de overheidsinkomsten vnl. uit belastingen in
natura, geheven van de boeren, maar in de huidige fase vormen de door
bedrijven (handel, transport en industrie) betaalde belastingen ca. 98%
van de staatsinkomsten. De belasting op de landbouw is gering, terwijl
bovendien de prijzen die door de staat betaald worden voor
landbouwproducten, belangrijk zijn verhoogd. Door deze maatregelen zijn
de inkomsten in de agrarische sector gestegen, te meer daar de prijzen
van 'inputs' (goederen die van buiten worden aangetrokken, w.o.
kunstmest, machines en consumptiegoederen) vrijwel stabiel zijn
gebleven.
Hierdoor kunnen de boeren in hoofdzaak uit eigen middelen hun
investeringen financieren en de opbouw van sociale fondsen voor
collectieve consumptie verzorgen, hoewel deze uitgaven wel door hogere
organen moeten worden goedgekeurd. Provinciale en lokale overheden innen
naar raming ca. 65% van de belastingen, terwijl de centrale regering
vnl. haar inkomsten verkrijgt uit winsten van bedrijven die onder haar
beheer vallen. Sinds 1978 is fiscale decentralisatie doorgevoerd.
Hierdoor hebben de overheden in de provincies hun budgetten sterk zien
stijgen.
De centrale regering roomt de belastinginkomsten van rijke of
geïndustrialiseerde provincies (bijv. Shanghai en Liaoning) af en wendt
ze ten dele aan voor arme streken, zodat aldaar investeringen en sociale
uitgaven kunnen worden verhoogd.
Institutionele hervormingen moeten het bankwezen onafhankelijker maken
van het fiscale systeem. Door deze hervormingen wordt binnen het
bankwezen een steeds grotere proliferatie waarneembaar. Het aantal
verschillende georganiseerde banken is dan ook sinds 1978 sterk
toegenomen.
4.9 Verkeer
In het kader van de diverse vijfjarenplannen is het transportsysteem
sterk uitgebreid, vooral met het doel de binnenlandse handel te
vergemakkelijken. De wegenbouwers kunnen de economische ontwikkelingen
niet bijbenen; bovendien komen ze $ 100 miljard tekort. Zo is de lengte
van het spoorwegnet, dat in 1949 22.600 km was, toegenomen tot 70.000 km
in 1990, waarvan nog geen 10% geëlektrificeerd. Ondanks een vermindering
van het aandeel van de trein in het vrachtverkeer van 80% (1950) tot 66%
(1984) is het spoor in China nog steeds het meest gebruikte
vervoermiddel voor het vrachtverkeer ter wereld. De lengte van het
wegennet is van 104.000 km in 1949 gestegen tot 1.178.000 km in 1994.
Hiervan is vermoedelijk meer dan de helft niet geasfalteerd. Het
vrachtverkeer op de wegen is in China nog altijd van geringe betekenis.
Het goederenvervoer over de binnenwateren, waarvan 109.400 km bevaarbaar
wordt geacht, bedroeg in 1994 1570 miljard ton/km. Daarnaast is de
zeevaart van belang. De belangrijkste havens zijn: Dalian, Qinhuangdao,
Xingan, Qingdao, Lianyungang, Shanghai, Huangpu, Kanton (Guangzhou) en
Zhanjiang. In 1985 beschikte China over ca. 1235 zeeschepen met een
tonnage van ca. 12,2 miljoen, zodat het op de wereldranglijst de negende
plaats inneemt. De burgerluchtvaart heeft zich snel ontwikkeld. Sinds
1985 is de Civil Aviation Administration of China de overkoepelende
organisatie van vijf nieuwe maatschappijen waaronder Air China en
Eastern Airways. Er bestaan lijnvluchten naar verschillende landen in
Europa, Azië, Australië en Noord-Amerika. De totale binnenlandse
luchtvaartvloot telde 646 machines. Er zijn 113 luchthavens.
Tegenwoordig onderhouden ook vele buitenlandse maatschappijen
verbindingen met China. Peking, Shanghai en Kanton (Guangzhou) hebben de
belangrijkste internationale luchthavens.
|