header landen en staten

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

China
economie

 

Terug naar overzicht Azië >>  

4. Economie
4.1 Inleiding
A Chinese white-collar worker looks on with a mobile phone in hand as a migrant worker walks past a billboard for China's Economic Census in Beijing in this Aug 27, 2004 photo. China's economy is expected to expand 9.4 percent in 2004 as prices increase and the share of investment in the GDP continues to climb, according to a report by the Chinese Academy of Social Sciences issued Sunday, Oct. 10, 2004.China is van oudsher een arm land. Het inkomen per hoofd van de bevolking werd in 1952 op $ 57 geschat en het is waarschijnlijk dat gedurende eeuwen het levenspeil rondom dit niveau heeft geschommeld. Voor 1994 werd het nationaal product per hoofd op $ 530 geraamd. De individuele consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn met een belangrijk deel van de besparingen de collectieve voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.) gefinancierd.
China is nog steeds een overwegend agrarisch land; naar schatting (1993) werkt ca. 61% van de beroepsbevolking in de landbouw en ca. 39% in industrie, handel, transport en bij het bestuur. Een hoog ontwikkelde huisnijverheid en een kleine industrie, met eenvoudige middelen bedreven, behoren tot het traditionele systeem. In de 19de eeuw begon een zekere modernisering. In de kuststeden (Shanghai, Tianjin, Hankou en Kanton [Guangzhou]) werd door westerse (inclusief Japanse) ondernemers een lichte industrie opgebouwd. In Mantsjoerije werd door Japan, op grond van daar gevonden kolen en ijzererts, een zware industrie gesticht, die nu nog de ruggengraat van de moderne Chinese economie uitmaakt. Deze nieuwe activiteiten beroerden echter slechts kleine gebieden.
De beperktheid van de westerse invloed hing samen met de grootte van het land, de afkeer van vreemde overheersing en vooral een sfeer van zelfgenoegzaamheid die China steeds heeft gekenmerkt. Bovendien werd China niet geacht over natuurlijke hulpbronnen te beschikken die voor de wereldeconomie van belang waren. De buitenlandse handel had daarom een bescheiden omvang. De uitvoer bestond vnl. uit agrarische producten en enige metalen. Het was deze basis die het communistische regime erfde in 1949. Van 1949 tot 1952 had de wederopbouw plaats van het productieapparaat, dat in de oorlog tegen Japan (1937-1945) en vervolgens in de burgeroorlog zwaar had geleden. Vooral het beteugelen van de inflatie was indrukwekkend.
In 1953 ging het eerste vijfjarenplan (1953-1957) van start, dat met zijn nadruk op de ontwikkeling van de zware industrie de Sovjet-Unie tot voorbeeld had. Volgens de officiële opgaven groeide de economie in de periode 1953-1957 met ca. 8,3% per jaar. Voor de volgende vijfjarenplannen (zes tussen 1958 en 1990) zijn slechts vage bijzonderheden over de doelstellingen verschaft; wel is het duidelijk dat sinds 1960 een eigen ideologie werd gevolgd, waarbij de sectoren landbouw en industrie beide als zwaartepunten werden beschouwd ( 'lopen op twee benen'). Verder kan uit diverse gegevens worden afgeleid, dat het Grote Sprong Voorwaarts-programma (1958-1960), waarin getracht werd de groei van de moderne en traditionele sectoren te versnellen, op een mislukking uitdraaide, hetgeen mede veroorzaakt werd door misoogsten en de stopzetting van de hulp van de Sovjet-Unie in 1960.
Ook de Culturele Revolutie (1966-1969), waarbij door haar aanhangers werd getracht de door Mao gepreekte permanente revolutie te zuiveren van 'kapitalistische' en 'revisionistische' smetten, had een negatieve invloed op de economische ontwikkeling, o.a. als gevolg van de ontwrichting van het vervoer en de doorbetaling van lonen en premies, terwijl de bedrijven voor politieke discussies waren stilgelegd.
Sinds de dood van Mao (sept. 1976) wordt naar politieke stabiliteit gestreefd en wordt een pragmatische economische politiek vrij van ideologische slagzinnen gevolgd. Conjuncturele oververhitting en structuurproblemen van een economisch systeem in overgang karakteriseren de recente ontwikkelingen. Sinds 1990 wordt de economie in een razend tempo - vooral in de kustprovincies - geliberaliseerd en geprivatiseerd.
4.2 Landbouw
Slechts 10-15% van de totale oppervlakte wordt geschikt geacht voor bebouwing. Meer dan de helft van het land bestaat uit bergen (60% ligt boven 2000 m), steile heuvels en woestijnen. Droogten en overstromingen zijn bovendien permanente verschijnselen. Door de bevolkingsgroei in het verleden is China van veel van zijn bosbestand (naar schatting 2,7 miljoen km2) beroofd en is in vele streken de humuslaag weggespoeld. Dank zij de vakbekwaamheid van de Chinese boer werd van het bebouwde areaal reeds vroeger een relatief grote oogst verkregen, die echter per persoon gering was. De grootte van de gemiddelde boerderij was niet meer dan 1 ha.
Grootgrondbezit kwam vrijwel alleen voor in de minder vruchtbare streken in het noorden, waar nu de grote staatsboerderijen liggen en waar de meeste landbouwmachines zijn geconcentreerd. In de periode 1949-1952 werd een herverdeling van de grond tot stand gebracht. Het resultaat was vooral dat de pachters eigenaar werden van hun stukje grond. In 1953 echter bleek reeds dat de regering de coöperaties tot collectieve boerderijen, waarbij alle productiemiddelen inclusief het land gemeenschapsbezit werden, wenste om te vormen. Het tempo werd in 1955 geforceerd en eind 1956 werkte meer dan 90% van de boeren in collectieve bedrijven.
In 1958 werden de collectieve bedrijven omgezet in volkscommunes (in 1965 werd het aantal communes van ca. 74.000 teruggebracht tot ruim 50.000); vanaf 1959 is echter de kleinere productiebrigade de basiseenheid (gemiddeld ca. 1000 mensen). Op een lager niveau dragen de productieteams, bestaande uit 20 tot 30 boerenfamilies, de verantwoordelijkheid voor de productie op de hun toegewezen grond en voor andere taken, die hun in overleg worden opgedragen. Naar schatting waren er in 1978 ca. 750.000 productiebrigades en 5 miljoen productieteams.
Naast de gecollectiviseerde landbouw bestonden nog ca. 2000 staatsboerderijen, vooral in het noorden gelegen, beschikkend over 40!000 km2 (ca. 4% van het bouwland) en 5 miljoen arbeiders, die hun producten uitsluitend aan de overheid mochten verkopen. Bovendien hebben de boeren weer een eigen stukje grond gekregen - ca. 5% van het areaal - waarmee naar berekening de familie 20% van haar inkomen verdient. In de jaren tachtig werden de volkscommunes afgeschaft. De druk van onderaf was hiervoor doorslaggevend. De levensstandaard en de voedselconsumptie van de Chinese boeren waren in het midden van de jaren zeventig nauwelijks hoger dan in het midden van de jaren vijftig. Weliswaar was het analfabetisme teruggedrongen en vonden een belangrijke verbetering en uitbreiding van irrigatiewerken en verbindingswegen plaats, maar het productiesysteem liet te wensen over. Zo hadden de gedwongen leveranties aan staatsinkooporganen op den duur een zeer negatief effect op de productie.
Dat de productie op eigen stukjes land verhoudingsgewijs veel hoger lag, bevorderde de twijfel aan de effectiviteit van de volkscommunes. De eerste stap naar veranderingen op het platteland was het optrekken van de prijzen van de producten die de boeren aan de staat leverden met ca. 40% in 1979 en 1980. Hiernaast konden de boeren producten van een eigen lapje grond op de vrije plattelandsmarkten verkopen. Door deze maatregelen stegen de productie en de inkomens van de boeren op het platteland aanzienlijk. Sinds 1985 is het systeem van gedwongen leveranties aan staatsinkooporganisaties bovendien vervangen door 'indicatieve planning'. Hierbij staat het boeren in theorie vrij of ze een contract sluiten voor leveranties aan staatsinkooporganisaties of dat ze hun producten op de vrije markt afzetten.
Wel geeft de staat de boeren die contracten voor toekomstige leveranties afsluiten, hogere prijzen en een voorkeursbehandeling bij levering van schaarse en gesubsidieerde producten, zoals kunstmest en dieselolie. Een tweede hervorming is de invoering van het contractsysteem geweest, waarbij de collectieve productie werd afgeschaft. Hierbij wordt grond aan boeren verpacht. Doordat de contracten voor lange tijd worden afgesloten, zijn de boeren hun gepachte grond steeds meer als hun eigendom gaan beschouwen. De pachtrechten konden zelfs worden overgedragen en verhandeld en daarmee werd de juridische vorm van collectief grondbezit steeds meer een fictie. Voordelen van deze hervormingen zijn dat sinds 1984 de overheidsuitgaven voor de landbouw aanzienlijk zijn gedaald en dat de productie van graan en katoen belangrijk is gestegen. Deze stijging was in feite de ontkrachting van het oude dogma dat het verminderen van het areaal dat bestemd is voor graanbouw, tot een voedselramp moet leiden. Ook de productie van vlees, groenten, tabak en suiker groeide spectaculair. Binnen enkele jaren was de noodzaak tot invoer van granen en katoen uit het buitenland weggevallen.
De productiestijging in de landbouw is behalve aan de hervormingen ook te danken aan steeds verdergaande mechanisatie en verbetering van de irrigatie. Vanaf het begin van de jaren vijftig zijn 2000 grote en middelgrote waterreservoirs gebouwd met pompstations van een totale capaciteit van 30 miljoen pk. Van de 98, 4 miljoen ha gecultiveerd land was in 1983 44,6 miljoen ha geïrrigeerd. Door landhervormingen en betere condities nam de rijstproductie tussen 1980 en 1982 met gemiddeld 40% toe.
Verder is het kunstmestgebruik sterk toegenomen, hoewel nog ca. tweederde van de mest die door de boer op het land wordt gebracht, bestaat uit uitwerpselen van dieren en mensen, slib van rivieren en vijvers en groenvoeder. Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst, gevolgd door tarwe, maïs en andere granen (kanliang, een soort sorghum, gierst en gerst) en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert (uit Australië, Canada, Argentinië en de Verenigde Staten), is de import sinds de landbouwhervormingen sterk gereduceerd. In 1985 daalde de graanoogst voor het eerst na een aantal succesjaren en moest weer meer worden geïmporteerd.
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal gestimuleerd, o.a. door ook hier prijshervormingen door te voeren en meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst. Het gevolg is een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een productieverhoging van 72%. Katoen is het voornaamste handelsgewas en grondstof voor de exporterende industrie en wordt zowel in Zuid- als in Noord-China geteeld. Naast katoen is ook de productie van agrarische industriële gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten, raapzaad en sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze producten vaak nog grote hoeveelheden worden geïmporteerd. Tot China's cultuurgewassen behoren voorts: thee (vnl. uit het zuidoosten), tabak (Midden-China en het zuiden), moerbeien, sinaasappelen, kamfer en gember (uit het zuiden).
Het werk in de landbouw is verlicht door mechanisatie. Verder is sterke nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector (vooral bosbouw en veehouderij).
4.3 Veehouderij, bosbouw en visserij
De grote aandacht die eeuwenlang is geschonken aan de akkerbouw, is ten koste gegaan van de ontwikkeling in de veehouderij. De veehouderij is dan ook van ondergeschikt, maar van toenemend belang. Van het landbouwgebied is 55% grasland. Sinds 1979 groeit de veehouderij sneller dan de akkerbouw. Grootvee (o.a. koeien, paarden, buffels, jaks) wordt vnl. geweid op de enorme grassteppen die zich uitstrekken van de noordoostelijke vlakte via Binnen-Mongolië tot het westen en zuidwesten.
De in geheel China meest voorkomende vorm van veehouderij is de fokkerij van kleinvee, m.n. varkens (China heeft de grootste varkenshouderij ter wereld). Tussen 1949 en 1994 zou de veestapel ongeveer zijn vervijfvoudigd (van 160 miljoen naar 778 miljoen stuks vee), terwijl in het laatstgenoemde jaar 1,3 miljard stuks pluimvee werden gehouden, vrijwel uitsluitend op de eigen grond van de boeren. Het meeste vee in China doet dienst als last- en trekdier; de meeste Chinezen eten vrijwel geen zuivelproducten.
De belangrijkste bosgebieden liggen in het noordoosten. Tungolie en teakhout zijn de voornaamste producten. Door vele eeuwen roofbouw is grote schade toegebracht aan het bosbestand. Sinds 1949 is ca. 86 miljoen ha land herbebost. Slechts een derde hiervan heeft het echter overleefd. Het totaal beboste areaal bedraagt 128 miljoen ha (13, 4% van China). De overheid heeft zich ten doel gesteld in het jaar 2000 de bosoppervlakte vergroot te hebben tot 20% van de totale oppervlakte.
De visserij wordt intensief beoefend op de meeste binnenwateren en langs nagenoeg de hele kust.
4.4 Grondstoffen en energievoorziening
Op het gebied van delfstoffen heeft China de grootste reserve ter wereld. De reserve aan kolen in China wordt geschat op 600 miljard ton, hoewel de kwaliteit in vele streken als gevolg van een hoog as- en zwavelgehalte te wensen overlaat. Naar raming wordt 77% van de energiebehoefte nog door kolen gedekt. De belangrijkste winningscentra liggen in de provincies Hebei, Shanxi, Shandong, Jilin en Anhui; de totale productie bedroeg in 1994 1212 miljoen ton, waardoor China tot de grootste drie kolenproducerende landen ter wereld behoorde. Grote voorraden ijzererts bevinden zich o.a. in de provincies Shanxi, Hebei en Shandong. De reserves worden geschat op 496 miljard ton. China is de op drie na grootste staalproducent van de wereld.
Voor wolfraam en antimoon (provincies Hunan, Guangdong en Yunnan) wordt China geacht ca. 60% van de wereldreserves te bezitten. De exploitatie van niet-ijzerhoudende metalen blijkt echter moeilijk, gezien de grote hoeveelheden die hiervan moesten worden ingevoerd in de tweede helft van de jaren zeventig (o.a. koper, aluminium, nikkel en lood). In 1994 bedroeg de productie van ruwe aardolie 148 miljoen ton. De offshore-winning in de Golf van Bohai in de buurt van Tianjin, waar reeds in 1975 olie werd gewonnen, blijkt bescheiden van omvang. Schattingen over aardoliereserves zijn erg speculatief. Men gaat uit van een vastelandreserve van 5,3 miljard ton en een even grote reserve voor de kust. De tot nog toe geproduceerde aardolie bevat een hoog gehalte aan paraffine of was, hetgeen winning en raffinage kostbaar maakt.
Aardgasvelden bevinden zich bij Kanton (Guangzhou) en Shanghai en in de provincie Sichuan. De productie is gering. De gasproductie vertoonde in 1979 een piek, waarna de winning tot 1984 met 15% daalde. Men schatte toen dat het aardgasveld met 20% was afgenomen. De meeste winning vindt plaats in Sichuan. Voorts wordt tin (Yunnan), molybdeen (vnl. in het noordoosten en langs de kusten van de provincies Hebei, Zhejiang en Fujian), mangaan (Hunan, Jiangxi), lood en zink (Xinjiang Uygur, Hunan en Guizhou) en bauxiet (o.m. Liaoning) gewonnen. De Chinese bodem bevat eveneens aanzienlijke hoeveelheden goud, platina, nikkel, titaan, grafiet, fosfor, vloeispaat en kwik. Daarnaast zijn asbest, zwavel, zout en fosfaat van betekenis.
4.5 Industrie
Na 1958 zijn geen officiële cijfers gepubliceerd, maar uit incidentele gegevens en indexcijfers die af en toe zijn verstrekt, kan worden afgeleid dat grote vooruitgang is geboekt.
A textile vender waits for customers at a textile market in Shanghai in this Nov. 21, 2003 photo. U.S. textile manufacturers petitioned the Bush administration to curtail the growth of Chinese textile imports Tuesday, Oct. 12, 2004, a move that may affect nearly US$2 billion of the imports every year.Net als in de landbouw hebben in de industrie hervormingen plaatsgevonden. Doordat sinds de invoering van het contractsysteem met minder mensen meer wordt geproduceerd, dreigde op het Chinese platteland een zeer grote werkloosheid te ontstaan. Vestiging van industriële bedrijven in agrarische gebieden kon hier een oplossing bieden. Sinds 1978 zijn bijna 50 miljoen Chinese boeren tewerkgesteld in plattelandsbedrijven en in toeleveringsbedrijven voor de stedelijke industrie. In gebieden rond de grote steden, zoals Peking, werkt 80% van de plattelandsbevolking al buiten de landbouwsector.
De huidige politiek is gericht op het scheppen van een nieuwe klasse van ondernemers, handelaren en managers. Zo zijn in de loop van de jaren tachtig de mogelijkheden voor individuele ondernemers om een eigen bedrijf op het platteland te beginnen of om een bestaand collectief bedrijf over te nemen aanzienlijk toegenomen. De hervormingen zijn er verder op gericht de reeds bestaande rurale industriële bedrijven te verzelfstandigen.
De instelling van de Speciale Economische Zones (SEZ's) waarin geëxperimenteerd wordt met nieuwe managementtechnieken, marktverhoudingen en arbeidsrelaties, is te beschouwen als een onderdeel van de open-deurpolitiek. De SEZ's moeten buitenlandse investeringen aantrekken voor exportgerichte technologisch hoogwaardige industrieën. Weliswaar is een aantal vormen van liberalisering van de Chinese economische betrekkingen met het buitenland doorgevoerd, deze gaan echter samen met de handhaving en soms versterking van een protectionistische politiek die gericht is op de ontwikkeling en modernisering van de eigen handel en industrie.
In 1994 was het aandeel van de Chinese industrie in het nationaal inkomen beduidend groter dan dat van de landbouw (47% resp. 21% van het nationaal inkomen). Bovendien overtreft de totale waarde van de door de plattelandsindustrie voortgebrachte productie die van het agrarisch bedrijf. Wel werkte in 1993 nog steeds een groot aandeel van de werkbevolking in de landbouw: 61%, terwijl ca. 18% in de industrie en 21% in de andere sectoren werkzaam was.
De decentralisatie van industriële complexen begon al lang vóór de plattelandshervormingen. Deels is dit geschied om het transportsysteem te ontlasten, deels uit strategische overwegingen. Bij de gedecentraliseerde industrialisatie op provincie- en districtsniveau werd eveneens getracht de bedrijfsgrootte aan te passen aan lokale omstandigheden, waarbij werd gelet op aanwezige grondstoffen, technologie en kennis. Zo is bekend dat in 1976 de helft van de industriële productie afkomstig was van betrekkelijk kleine bedrijven; voor de elektriciteits- en kolenproductie bedroeg dit aandeel eenderde, voor kunstmest 70% en voor cement 60% van de totale productie.
De industrie is overwegend geconcentreerd in het noordoosten en in de gebieden Peking-Tianjin en Shanghai-Nanjing, in mindere mate in Midden-China, in het Sichuanbekken, alsmede hier en daar in het zuiden. Het belangrijkste centrum van de lichte industrie (o.a. textielbedrijven) die men verder in alle provincies vindt, is Shanghai. Naast de textielnijverheid zijn de staal- en machine-industrie belangrijk. De kwaliteit van de industriële productie is regelmatig verbeterd en de verscheidenheid verruimd.
4.6 Handel
In 1994 importeerde China voor $ 115, 69 miljard en exporteerde het voor $ 121,04 miljard. De verandering in de importstructuur ten gevolge van de hervormingen leidde tot twee keer toe tot een explosieve groei van de import uit ontwikkelde industrielanden (m.n. duurzame consumptieartikelen), wat voor grote tekorten op de Chinese betalingsbalans zorgde. Inmiddels vertoont deze een overschot van $ 5,35 miljard.
De handelscrisis van 1985 was het gevolg van de decentralisatie en afschaffing van staatshandelsmonopolies. Lokale overheden, banken, fabrieken en eenheden van het Volksbevrijdingsleger maakten van deze liberalisering gebruik om op grote schaal te investeren. Deze producten werden vervolgens met een winst van 100 à 200% afgezet op de binnenlandse markt. Het gevolg was een toename van schulden bij buitenlandse regeringen, internationale financiële instellingen en banken. De Chinese overheid reageerde daarop met een gedeeltelijk herstel van de importbeperkingen en een versoepeling van de beperkingen ten aanzien van directe buitenlandse investeringen in joint-ventures en andere vormen van technologische samenwerking.
Het aandeel van de consumptieartikelen daalde van 18% van de totale import in 1970 tot ca. 10% in 1985, hoofdzakelijk terug te voeren op het succes van de privatisering van de Chinese landbouw. De import van voedselproducten (vnl. van granen) daalde van 13% tot ca. 4% in 1986. Tegelijkertijd steeg het aandeel van duurzame consumptiegoederen (consumentenindustrie, auto's, koelkasten) van 1% in 1978 naar ca. 5% in de tweede helft van de jaren tachtig. In dezelfde periode vond een relatieve daling plaats van de import van grondstoffen (staal, ijzer, kunstvezels e.d.) en steeg het aandeel van geïmporteerde kapitaalgoederen van 20% tot 40%.
Aan de exportzijde vond een relatieve afname plaats van de uitvoer van landbouwproducten en een stijging van de uitvoer van voedingswaren, houtproducten, textielproducten en machines. De toename van buitenlandse handel houdt verband met de radicale economische hervormingen die vanaf 1982 op gang kwamen. In het ontspanningsbeleid dat hierop volgde, werd van de self-reliancepolitiek, zoals tijdens Mao gevoerd, afgestapt. China wil hiermee zijn eigen positie op de wereldmarkt versterken, o.a. door aantrekking van westerse bedrijven, investeringen en kennis.
Sinds 1952 werd ca. driekwart van de handel gedreven met het communistische blok. Na de breuk met de Sovjet-Unie (1960) werden de handelsstromen geleidelijk aan verlegd naar de westerse industrielanden en de ontwikkelingslanden. Met de westerse industrielanden bestaat een onevenwichtig handelsverkeer; China betrekt veel meer uit deze landen dan het aan ze verkoopt. De ontbrekende deviezen worden voornamelijk verkregen via handelsoverschotten met de ontwikkelingslanden en Hong Kong. De centrale regering heeft vanaf de jaren zestig de buitenlandse schulden afgelost. Hetzelfde geldt voor de binnenlandse leningen waarop de bevolking min of meer gedwongen werd in te tekenen, zodat de inkomsten en uitgaven van de Chinese staat in evenwicht zijn.
Van de westerse handelspartners zijn Hong Kong en Japan de belangrijkste, gevolgd door de Verenigde Staten, Taiwan en Duitsland. Aan Japan wordt aardolie geleverd en in een in 1978 afgesloten handelsverdrag ter grootte van $ 20 miljard met een looptijd van 8 jaar is afgesproken, dat dat land in ruil voor gespecificeerde projecten (o.a. een staalcomplex bij Shanghai) meer aardolie, cokes en andere grondstoffen zal ontvangen. In hetzelfde jaar werd met de EEG een kaderovereenkomst ondertekend voor de ontwikkeling van de wederzijdse handel.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
China verschaft reeds sinds de intrede van het communistische regime buitenlandse hulp. In 1986 gaf China aan 90 landen economische en technische hulp, waaronder 46 Afrikaanse, 20 Aziatische, 14 Latijnsamerikaanse en 5 Europese landen. Het meest spectaculaire project dat door de Volksrepubliek is uitgevoerd, is de aanleg van de zgn. Tan-Zamspoorweg (Tanzania-Zambia), waarmee een bedrag van $ 450 miljoen was gemoeid en waarbij 15.000 Chinese technici werden ingeschakeld. De hulp geschiedt vnl. bilateraal.
Aan internationale hulpprogramma's draagt China slechts nominaal bij in eigen valuta, zodat deze bedragen slechts in Chinese goederen en diensten kunnen worden omgezet. Zelf heeft China lange tijd geen hulp van noemenswaardige omvang ontvangen; eerst met de economische hervormingen vanaf 1982 en met de toetreding tot het IMF en de Wereldbank groeide de financiële hulp snel. In 1984 ontving het $ 502 miljoen aan bilaterale hulp (vooral van Japan) en $ 315 miljoen aan multilaterale hulp. De Wereldbank spendeerde van 1989 tot 1993 $ 9,2 miljard; de Aziatische Ontwikkelingsbank leende $ 2 miljard. De Europese Unie stak in diezelfde periode 18 miljoen euro in China.
4.8 Bankwezen en financiën
Bank- en geldwezen staan onder strenge staatscontrole. Centrale Bank is de Volksbank; daarnaast bestaan er gespecialiseerde staatsbanken. Voor zaken betreffende de handel met het buitenland fungeert de Bank of China, die sinds 1971 een vaste wisselkoers hanteert voor de belangrijkste vreemde valuta. De investeringen bedroegen in 1985 38% van het nationale inkomen. In de jaren tachtig verkreeg de China International Trust and Investment Corporation, die de toevloed van buitenlandse middelen moet bevorderen, een banklicentie en werd daarmee in de binnenlandse deviezenhandel een concurrent van de Bank of China.
Aanvankelijk bestonden de overheidsinkomsten vnl. uit belastingen in natura, geheven van de boeren, maar in de huidige fase vormen de door bedrijven (handel, transport en industrie) betaalde belastingen ca. 98% van de staatsinkomsten. De belasting op de landbouw is gering, terwijl bovendien de prijzen die door de staat betaald worden voor landbouwproducten, belangrijk zijn verhoogd. Door deze maatregelen zijn de inkomsten in de agrarische sector gestegen, te meer daar de prijzen van 'inputs' (goederen die van buiten worden aangetrokken, w.o. kunstmest, machines en consumptiegoederen) vrijwel stabiel zijn gebleven.
Hierdoor kunnen de boeren in hoofdzaak uit eigen middelen hun investeringen financieren en de opbouw van sociale fondsen voor collectieve consumptie verzorgen, hoewel deze uitgaven wel door hogere organen moeten worden goedgekeurd. Provinciale en lokale overheden innen naar raming ca. 65% van de belastingen, terwijl de centrale regering vnl. haar inkomsten verkrijgt uit winsten van bedrijven die onder haar beheer vallen. Sinds 1978 is fiscale decentralisatie doorgevoerd. Hierdoor hebben de overheden in de provincies hun budgetten sterk zien stijgen.
De centrale regering roomt de belastinginkomsten van rijke of geïndustrialiseerde provincies (bijv. Shanghai en Liaoning) af en wendt ze ten dele aan voor arme streken, zodat aldaar investeringen en sociale uitgaven kunnen worden verhoogd.
Institutionele hervormingen moeten het bankwezen onafhankelijker maken van het fiscale systeem. Door deze hervormingen wordt binnen het bankwezen een steeds grotere proliferatie waarneembaar. Het aantal verschillende georganiseerde banken is dan ook sinds 1978 sterk toegenomen.
4.9 Verkeer
In het kader van de diverse vijfjarenplannen is het transportsysteem sterk uitgebreid, vooral met het doel de binnenlandse handel te vergemakkelijken. De wegenbouwers kunnen de economische ontwikkelingen niet bijbenen; bovendien komen ze $ 100 miljard tekort. Zo is de lengte van het spoorwegnet, dat in 1949 22.600 km was, toegenomen tot 70.000 km in 1990, waarvan nog geen 10% geëlektrificeerd. Ondanks een vermindering van het aandeel van de trein in het vrachtverkeer van 80% (1950) tot 66% (1984) is het spoor in China nog steeds het meest gebruikte vervoermiddel voor het vrachtverkeer ter wereld. De lengte van het wegennet is van 104.000 km in 1949 gestegen tot 1.178.000 km in 1994. Hiervan is vermoedelijk meer dan de helft niet geasfalteerd. Het vrachtverkeer op de wegen is in China nog altijd van geringe betekenis. Het goederenvervoer over de binnenwateren, waarvan 109.400 km bevaarbaar wordt geacht, bedroeg in 1994 1570 miljard ton/km. Daarnaast is de zeevaart van belang. De belangrijkste havens zijn: Dalian, Qinhuangdao, Xingan, Qingdao, Lianyungang, Shanghai, Huangpu, Kanton (Guangzhou) en Zhanjiang. In 1985 beschikte China over ca. 1235 zeeschepen met een tonnage van ca. 12,2 miljoen, zodat het op de wereldranglijst de negende plaats inneemt. De burgerluchtvaart heeft zich snel ontwikkeld. Sinds 1985 is de Civil Aviation Administration of China de overkoepelende organisatie van vijf nieuwe maatschappijen waaronder Air China en Eastern Airways. Er bestaan lijnvluchten naar verschillende landen in Europa, Azië, Australië en Noord-Amerika. De totale binnenlandse luchtvaartvloot telde 646 machines. Er zijn 113 luchthavens. Tegenwoordig onderhouden ook vele buitenlandse maatschappijen verbindingen met China. Peking, Shanghai en Kanton (Guangzhou) hebben de belangrijkste internationale luchthavens.

 

Naar China geschiedenis >>  

Poolgebieden

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement