|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Colombia valt landschappelijk uiteen in twee gebieden, t.w. het westen
dat de Andesketens omvat, alsmede de smalle, lage kustvlakte, en het
oosten, een laagvlakte. In Zuid-Colombia vertakt de Andes zich ongeveer
bij de vulkaan Pasto (4264 m) in drie naar het noorden toe uitwaaierende
ketens: de Cordillera Occidental, de Cordillera Central en de Cordillera
Oriental. In het zuiden bedraagt de hoogte nog ca. 5000 m (hoogste top:
Nevado del Huila, 5750 m), in het noorden lopen de gebergten af naar de
moerassige laagvlakte van de monding van de Río Magdalena. Ten noorden
van deze monding bevindt zich een uitloper van de Cordillera Oriental,
de steil oprijzende Sierra Nevada de Santa Marta met als hoogste top de
Píco Cristóbal Colón (5775 m).
Het oostelijk laagland bestaat van west naar oost uit vier zones,
gescheiden door steile randen: 1. een zandige strook met tropisch
oerwoud; 2. een zandige strook met savannen (llanos); 3. een
schiervlakte; 4. een gebied met een aantal koepelvormig oprijzende
massieven.
1.2 Hydrografie
Colombia is rijk aan rivieren. De meeste liggen in het oostelijk
laagland en stromen naar het oosten. De belangrijkste zijn in het
noorden van dit gebied de Meta, Vichada en de Guaviare, die alle tot het
Orinocosysteem behoren, in het zuiden de Guainía, Vaupés, Putumayo en
Caquetá (bovenloop van de Yapurá), zijrivieren van de Amazone. In
West-Colombia lopen alle rivieren in de dalen van de Andesketens, zodat
de zuid-noord richting hier overheerst. De belangrijkste rivier is hier
de Magdalena, die tussen de Cordillera Central en Oriental loopt. Bij El
Banco voegt zich daarbij de Cauca, die tussen de Cordillera Central en
Occidental ligt, maar door een aantal vallen minder ver bevaarbaar is.
1.3 Klimaat
In de Andes vindt men de voor dit gebied karakteristieke driedeling in:
Tierra caliente (tot 1000 m, gemiddelde temperatuur 28 °C, vochtig en
heet), Tierra templada (1000-2000 m, gemiddelde temperatuur 20-23 °C) en
de Tierra fría (2000-3000 m, gemiddelde temperatuur 15-23 °C). In het
oostelijk laagland heerst in het westen een tropisch regenklimaat,
terwijl in het oosten een savanneklimaat voorkomt. Het grootste deel van
Colombia kent twee regenseizoenen (maart-mei, okt.-nov.) met een
gemiddelde jaarlijkse neerslag van 900 tot 1250 mm.
1.4 Plantengroei
De vegetatie is zeer rijk aan uiteenlopende soorten. Grote delen van het
land, vooral de vlakten ten westen van de Andes Cordillera, de Tierra
caliente, en het zuidelijke deel van het oostelijke laagland zijn met
dicht tropisch regenwoud bedekt. Er komen hier veel zeldzame soorten
orchideeën voor. In de moerassige kuststreken zijn veel mangrovebossen.
Tot op een hoogte van ca. 300 m komen ook vele palmsoorten voor. Het
noordelijke deel van het oostelijke laagland en het gebied rond de
bovenloop van de Magdalena wordt ingenomen door uitgestrekte
grassavannen, de llanos. Waar de hoogte toeneemt, verandert het
vegetatiekarakter snel. De flora van de Tierra templada is subtropisch
(o.a. met Magnolia). Het beste landbouwgebied is de Tierra fría. Boven
de 3000 m, de páramos, komt naast bergweiden en mossen alleen
struikvegetatie voor. Hoger worden alleen nog enkele alpine soorten
gevonden.
1.5 Dierenwereld
Omdat Colombia zoveel verschillende landschaps- en vegetatietypen omvat,
is de dierenwereld zeer rijk. Vooral het uitgestrekte oerwoud herbergt
talrijke soorten vogels, o.a. toekans en papegaaien. Verder komen hier
tapirs en diverse apen voor. In de Andes komt o.a. de brilbeer voor.
Natuurbeschermingsmaatregelen zijn veelal papieren wetten en de
grootschalige plundering van de natuur gaat dan ook door. Vooral het
kappen van het tropisch regenwoud is een bedreiging.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De grootste bevolkingscentra bevinden zich in het Andesgebied en in het
Caribische kustgebied. Ca. 71% van de bevolking woont in stedelijke
gebieden; de migratiestroom van het platteland naar de stad houdt nog
steeds aan. Naar schatting is nog slechts 2% van de bevolking
autochtoon, verdeeld over bijna 400 verschillende volken (zie ook
Chibcha). Ca. 48% van de bevolking bestaat uit mestiezen (van
Indiaans-blanke afkomst), 20% beschouwt zich als blank, 23% is van
gemengd blank-negroïde afkomst (mulato); 6% is Indiaans-negroïde
(zambo). De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode 1980-1991
2,6%. Sinds 1950 is de bevolking in aantal verdubbeld, maar sinds 1980
neemt de bevolkingsgroei af.
2.2 Taal
De officiële taal is Spaans; de Indianentalen hebben slechts lokale
betekenis.
2.3 Religie
De bevolking is vnl. rooms-katholiek (ruim 90%). Als eerste van de
Zuid-Amerikaanse republieken proclameerde Colombia in 1853 de scheiding
van Kerk en Staat. In 1887 werd een concordaat met de Heilige Stoel
gesloten en werd de Rooms-Katholieke Kerk in feite staatskerk en het
protestantisme een gedulde minoriteit, die zich in bepaalde perioden met
moeite handhaafde. Ca. 2% is protestants.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1991, die de oude van 1886 verving, is Colombia
een presidentiële republiek. De wetgevende macht berust bij het Congres,
bestaande uit een Senaat (102 leden, gekozen voor een periode van vier
jaar), en een Huis van Afgevaardigden (161 leden, voor een periode van
vier jaar rechtstreeks gekozen). De uitvoerende macht is in handen van
een president en zijn ministerraad (door de president aangewezen); de
president wordt rechtstreeks gekozen voor een ambtstermijn van vier
jaar, waarna hij niet meer herkiesbaar is. De macht van de president is
door de nieuwe grondwet ingeperkt, o.a. door de instelling van het ambt
van vice-president. Alle burgers van 18 jaar en ouder zijn
kiesgerechtigd. De nieuwe constitutie, die tevens een einde maakte aan
de staat van beleg die bijna veertig jaar vrijwel onafgebroken van
kracht was geweest, voorzag in een decentralisatie van het politieke
systeem en een democratisering van de kieswet om het feitelijke
tweepartijenstelsel te veranderen in een meerpartijensysteem.
3.2 Administratieve indeling
Colombia is verdeeld in 24 departementen, 4 intendencias (dun bevolkte
gebieden) en 5 comisarías; de hoofdstad Bogotá vormt een afzonderlijke
bestuurlijke eenheid, aangeduid als Bogotá DE (Distrito Especial). De
departementen, die een aanzienlijke mate van autonomie bezitten, worden
bestuurd door een gouverneur (direct door het volk gekozen); de
intendencias en comisarías staan onder toezicht van de centrale
overheid. De departementen, intendencias en comisarías zijn
onderverdeeld in municipios of gemeenten (958 in 1973), bestuurd door
een gekozen alcalde (burgemeester).
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Colombia is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van
Amerikaanse Staten (OAS) en van tal van andere regionale en
internationale organisaties, van de Latijns-Amerikaanse
Integratieassociatie (ALADI) en van het zgn. Andes Pact, van het
Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA), en door de ondertekening
van het Amazonische Samenwerkingsverdrag in 1978 zijn enkele economische
en ecologische aspecten van de relaties met aan het Amazonebekken
grenzende buurstaten (met name Brazilië) geregeld.
3.4 Partij- en vakbondswezen
De twee traditionele partijen, de Liberale Partij (Partido Liberal, PL)
en de Conservatieve Partij (Partido Conservador; vanaf 1987 Partido
Social Conservador, PSC), namen van 1958 tot 1970 gezamenlijk in het
Nationaal Front deel aan de verkiezingen, waarbij het presidentschap
afwisselend door een liberaal en een conservatief bekleed werd en de
ministersposten en parlementszetels gelijkelijk over beide partijen
verdeeld werden. Vanaf 1974 gingen de partijen weer afzonderlijk de
verkiezingen in, maar overeengekomen was dat de verliezende partij ook
ministersposten toebedeeld kreeg. Het machtsmonopolie van de
traditionele partijen verhinderde het ontstaan van een
meerpartijensysteem. De illegale oppositie werd gevormd door de in de
jaren zestig actief geworden guerrillabewegingen, waaronder de
Movimiento 19 de Abril (M-19), die in 1989 als politieke partij onder de
naam Democratische Alliantie M-19 gelegaliseerd werd. De nieuwe
grondwet, die een einde wilde maken aan het (de facto)
tweepartijenstelsel, heeft nog niet tot veranderingen geleid in het
traditionele politieke spectrum. Nog steeds zijn de PL en de PSC de twee
grootste partijen. Van de opererende guerrillabewegingen zijn de Fuerzas
Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC), de Ejército de Liberacíon
Nacional (ELN) en de Ejército Popular de Liberacíon (EPL) de
belangrijkste. De linkse Central Unitaria de Trabajadores (CUT),
opgericht in 1986, is de grootste vakcentrale met ca. 80% van de
georganiseerde werknemers.
4. Economie
4.1 Algemeen
De Colombiaanse economie wordt in wezen beheerst door ca. 200 families.
Van de economisch actieve bevolking (1995) van ca. 12, 8 miljoen (36,9%
van de totale bevolking) was in dat jaar 26% werkzaam in de landbouw,
30% in de industrie en in de mijnbouw, en 44% in handel en transport en
in de dienstensector. Het aandeel van de verschillende sectoren in het
bruto binnenlands product (BBP) was in 1994 als volgt: landbouw 20%,
industrie en mijnbouw 28%, handel, transport en diensten 52%. Colombia
is na Brazilië de belangrijkste koffieproducent en staat op de eerste
plaats waar het de productie van de zachte arabica-variëteit van hoge
kwaliteit betreft. De ontwikkeling van Colombia is dan ook in hoge mate
gevoelig voor prijsschommelingen van de koffie op de wereldmarkt.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Uitbreiding van het landbouwareaal en invoering van modernere
landbouwmethoden hebben al in de jaren dertig geleid tot ingrijpende
veranderingen op het platteland; deelpacht werd teruggedrongen, veel
boeren werden brodeloos en de grote trek naar de steden begon. De wet op
de landhervorming van 1936 en de achtereenvolgende wijzigingen van 1944,
1957 en 1961 hebben door de systematische tegenwerking van de
grootgrondbezitters weinig verandering gebracht in de traditioneel
ongelijke structuur van het grondbezit. Ca. 75% van het aantal bedrijven
is gevestigd op slechts 8% van het beschikbare landbouwareaal. Ca. 23%
van de bedrijven is kleiner dan 1 ha, ruim 36% is tussen de 1 en 5 ha
groot. De meeste koffie wordt verbouwd op de ca. 300!000 kleine
familiebedrijven (tot 10 ha) waar ca. 25% van de boeren werkzaam is. De
meeste koffieproducenten zijn verenigd in de Federación Nacional de
Cafeteros (FEDECAFE) die de organisatie van verbouw, bewerking en export
voor een groot deel beheerst. Van de kredieten die aan de landbouw
worden verstrekt, profiteren meestal alleen de grotere bedrijven. Het in
1976 gestarte Proyecto de Desarrollo Rural Integrado (DRI, Geïntegreerd
Agrarisch Ontwikkelingsproject) is speciaal opgezet om de armere boeren
hulp te bieden met krediet en technische voorlichting, maar ook met hulp
in de vorm van voedsel. Het in 1962 opgerichte Instituto Colombiano
Agropecuario (ICA) doet belangrijk werk op het gebied van
landbouwonderwijs en voorlichting.
Van het totale landoppervlak is (1985) 5, 5% (3,2 miljoen ha) in gebruik
voor landbouw, 29% is weidegrond en bijna 45% is met bos bedekt. Op
grond van de grote verschillen in bodemgesteldheid en klimaat is de
verbouw van zeer uiteenlopende gewassen mogelijk: in de warme en
laaggelegen 'Tierra caliente' vooral rijst, maïs, suiker, katoen,
bananen en tabak, in de 'Tierra templada' (gematigd, hoger gelegen,
vooral op berghellingen) koffie en snijbloemen, en in de koude en
hooggelegen 'Tierra fría' aardappelen en tarwe. Bananen voor de export
worden vooral verbouwd in de departementen Magdalena (bij Santa Marta)
en Antioquia (rond Turbo); elders levert de bananenteelt een belangrijke
bijdrage aan de binnenlandse voedselvoorziening. Ongeveer 1350 km2
landbouwgrond wordt bevloeid; op deze terreinen worden vooral rijst en
katoen verbouwd. Van de katoenteelt is ruim driekwart bestemd voor de
binnenlandse textielindustrie; katoen wordt vooral verbouwd in de
departementen Valle del Cauca, Tolima, Magdalena en Bolívar. Maïs, op
rijst na het belangrijkste voedingsgewas, wordt in bijna geheel Colombia
verbouwd. Andere gewassen zijn tarwe, gerst, sorghum, aardappelen,
suikerriet, yuca, fruit en groenten, soja, cacao, tabak, kokosnoten en
oliehoudende zaden. In de tweede helft van de jaren zeventig nam de
export van snijbloemen en orchideeën (vooral naar de Verenigde Staten)
sterk toe.
Veehouderij (vooral koeien, varkens en schapen) vindt vooral plaats in
de kustgebieden en in de valleien van de Río Magdalena en Río Cauca; van
belang is ook de pluimveehouderij in deze gebieden. Uitbreiding van de
veehouderij gebeurt vooral in de oostelijke Llanos. Volgens officiële
statistieken daalt de vleesexport, maar vooral naar Venezuela worden
veel runderen over de grens gesmokkeld.
De grote houtreserves (44, 6% van het land is bebost) worden weinig
intensief benut; een groot deel van het hout wordt als brandstof
gebruikt. Cellulose voor de papierindustrie moet voor een belangrijk
deel worden ingevoerd.
Visserij in de Caribische Zee en in de Grote Oceaan is relatief van
weinig betekenis (tonijn, kreeft en garnalen); zoetwatervisserij heeft
slechts lokale betekenis. De vangsten nemen toe en worden vooral naar de
Verenigde Staten uitgevoerd.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Colombia is de belangrijkste goudproducent van Latijns-Amerika (het
grootste deel komt uit Antioquia), met 60% van de wereldhandel de
grootste leverancier van smaragden (mijnen van Muzo en Coscuez) en een
belangrijke producent van platina. Vanaf 1984 wordt steenkool gewonnen
in de mijnen van El Cerrejón op het schiereiland Guajira, die beschikken
over de grootste steenkoolreserves van Latijns-Amerika. De mijnen worden
geëxploiteerd door Exxon en de staatssteenkoolonderneming CARBOCOL en
produceerden in 1994 meer dan 12 miljoen ton steenkool, die grotendeels
geëxporteerd wordt naar de Verenigde Staten en West-Europa. Nieuwe
steenkoolvelden worden in ontginning gebracht in het departement César.
Van de grote ijzerertsvoorraden wordt slechts een deel ontgonnen; de
belangrijkste winplaatsen zijn gelegen in de departementen Cundinamarca,
Boyacá, Antioquia en Magdalena. De in 1948 opgerichte
staatsoliemaatschappij Empresa Colombiana de Petróleos (ECOPETROL) is
verantwoordelijk voor ruim 50% van de winning en verwerking van ruwe
olie, het resterende gedeelte is in buitenlandse handen. De
belangrijkste velden liggen in de departementen Magdalena (Barrancabermeja),
Santander, Norte de Santander (Catatumbo) en Bolívar; pijpleidingen
zorgen voor het transport van de winplaatsen naar de olieraffinaderijen
en de havens. De winning van aardgas wordt steeds belangrijker. Een
mogelijke exploitatie van olie en aardgas in de Llanos wordt bemoeilijkt
door transportproblemen. Van belang voor de chemische industrie is de
winning van steenzout, al sinds eeuwen in de zoutmijnen van Zipaquirá,
maar nu vooral ook in de oostelijke delen van de Andes (Boyacá en Meta).
Er zijn plannen voor de ontginning van uraan (Zapatoca in Santander) en
nikkel (Cerromatoso).
Elektrische energie wordt voor driekwart geleverd door hydro-elektrische
centrales. De in 1977 in werking gestelde centrale in de Río Batá (Boyacá;
uiteindelijk vermogen 1000 MW) en de aan het eind van de jaren tachtig
in gebruik genomen waterkrachtcentrales van San Carlos (bij Medellín) en
Guavio zullen met een totaal vermogen van 1112 MW in de sterk toegenomen
behoefte van de industrie moeten voorzien. De olieproductie is in de
jaren tachtig gestaag toegenomen.
4.4 Industrie
Sedert 1950 is de industrie een steeds belangrijker sector geworden in
de economie. De belangrijkste industriegebieden liggen in de
departementen Antioquia (Medellín en omgeving; textiel,
voedingsmiddelen, chemische producten, metaalindustrie en farmaceutische
industrie), Valle del Cauca (Cali; voedingsmiddelen, textiel, cement,
metaalindustrie), Cundinamarca (Bogotá en omgeving; voedingsmiddelen,
textiel, chemische producten) en Atlántico (Barranquilla; petrochemische
industrie, textiel en voedingsmiddelen). Andere industriecentra zijn
Bucaramanga (sigaretten, textiel en metaal), Manizales
(voedingsmiddelen, textiel en cement) en Cartagena (petrochemische
industrie, bier en frisdranken, textiel en voedingsmiddelen).
De twee grootste olieraffinaderijen zijn die van Barrancabermeja en van
Mamonal (bij Cartagena). Ruim 55% van de ijzer- en staalproductie is
geconcentreerd bij Belencito; er zijn verder nog hoogovens en
staalfabrieken in Medellín, Barranquilla, Yumbo, Tuta, Bogotá en Cajicá.
De industrie produceert voorts auto's (assemblage van buitenlandse
merken), autobanden, papier, glas, leerproducten, meubels,
huishoudelijke apparaten, elektronica en asbestproducten (eternitplaat).
De overheid voert al geruime tijd een beleid gericht op industriële
ontwikkeling; het in 1942 opgerichte Instituto de Fomento Industrial (IFI)
vervult een belangrijke rol bij de financiering van vooral kleinere en
middelgrote bedrijven.
4.5 Handel en bankwezen
Het belangrijkste uitvoerproduct is koffie (18% van de exportwaarde in
1995). Andere producten uit het exportpakket zijn: olie- en
olieproducten (16%), fruit (3,9%), snijbloemen (2,9%), katoen (1,7%) en
textiel (1,3%). Voorts is er een levendige smokkelhandel met Venezuela
(koffie, levensmiddelen en rundvee) en een illegale uitvoer van
verdovende middelen: eind jaren tachtig leverden Colombiaanse
drugshandelaren 48 tot 53 ton cocaïne aan de Verenigde Staten. Van de
totale opbrengst van ca. $ 7 miljard vloeide netto $ 1 tot 1,5 miljard
terug naar Colombia.
De invoer bestaat vooral uit kapitaalgoederen (39% van de waarde) en
halffabrikaten (50%); de belangrijkste ingevoerde producten zijn
machines, chemische producten en olie.
De belangrijkste importeurs van Colombiaanse producten zijn de Verenigde
Staten, Venezuela, Duitsland en Nederland. Colombia betrekt zijn invoer
vooral uit de Verenigde Staten, Japan, Duitsland en Venezuela.
De overheid stimuleert de export van bepaalde producten via het Fondo de
Promoción de Exportaciones (PROEXPO); in dat beleid passen ook de
vrijhandelszones in Colombia: de haven van Barranquilla (sinds 1964), de
haven van Buenaventura en de luchthaven Palmira (bij Cali), beide sinds
1972.
De Banca de la República (1923) fungeert als Centrale Bank. De
voornaamste particuliere banken (Banco de Bogotá, Banco de Colombia en
Banco del Comercio) werden in 1986 genationaliseerd. Er zijn
effectenbeurzen in Bogotá, Cali en Medellín.
4.6 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Vanaf het eind van de jaren zestig stimuleert de staat de export van
niet-traditionele producten om de afhankelijkheid van de koffieproductie
te verminderen. Naast exportbevordering is het ontwikkelingsprogramma
van de overheid gericht op industriële expansie, regionale en stedelijke
ontwikkeling en modernisering van de agrarische sector. Ook
energievoorziening en transport hebben een hoge prioriteit. In de jaren
zeventig werd een reeks ontwikkelingsinstanties opgericht. Het
investeringsplan voor 1987-1990 (totale uitgaven begroot op $ 4 miljard)
heeft ook sociale componenten: landhervorming en de bouw van nieuwe
scholen.
Van 1981 tot 1987 ontving Colombia in totaal $ 576 miljoen aan
ontwikkelingshulp, zowel bilateraal (o.m. van Nederland in het kader van
het Andes-regioprogramma) als multilateraal (van o.a. Wereldbank en
Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank). Dankzij een beperkt aangaan van
leningen bij internationale banken, is de buitenlandse schuld (in 1994 $
19,4 miljard) minder groot dan die van de buurlanden. Het Bruto
Binnenlands Product steeg in de jaren negentig jaarlijks met gemiddeld
4,3%, terwijl de inflatie beperkt bleef tot gemiddeld 25% per jaar (in
1995 nog maar 19,5%).
4.7 Verkeer
De Andesketens en het oerwoud vormen de belangrijkste belemmeringen voor
het transport. In geïsoleerde bergstreken is het vervoer per muilezel
veelal nog de enige mogelijkheid; in de Llanos wordt op de rivieren nog
op grote schaal gebruik gemaakt van kleine vaartuigen voor het vervoer
van personen en goederen.
Het wegennet heeft een lengte van 130!000 km (1990), maar slechts één
vijfde is geasfalteerd; ongeveer driekwart is verhard, maar niet het
hele jaar begaanbaar. De belangrijkste wegverbindingen lopen in
noordoost-zuidwest richting parallel aan de Andesketens.
Colombia beschikt over een redelijk goed ontwikkeld spoorwegnet. Het
staatsbedrijf Ferrocarriles Nacionales beheert 3403 km spoor, waarvan de
zgn. Atlantische lijn economisch de belangrijkste is.
De binnenvaart op de Río Magdalena, die over een afstand van 1500 km
bevaarbaar is, heeft een aandeel van ca. 85% van het goederentransport
in het land. Op de Río Meta en de Río Vichada is in beperkte mate
scheepvaart mogelijk. Belangrijke binnenhavens zijn La Dorada, Puerto
Berrío, Barrancabermeja en Magangué. Colombia heeft zeehavens, zowel aan
de Atlantische Oceaan (Cartagena, Barranquilla, Santa Marta en Riohacha)
als aan de Grote Oceaan (Buenaventura en Tumaco), die vanuit het
binnenland bereikbaar zijn via de Río Magdalena, over de weg en per
spoor. De koopvaardijvloot werkt samen met die van Ecuador en Venezuela.
In 1986 werd de eerste diepzeehaven van Colombia in gebruik genomen,
aangelegd in Bahía de Portete, die via een spoorlijn in verbinding staat
met de kolenmijnen van El Cerrejón.
Van groot belang is het binnenlands luchtverkeer. Er zijn ruim 100
landingsplaatsen. De nationale luchtvaartmaatschappij AVIANCA neemt het
grootste deel van het binnenlandse luchtverkeer voor haar rekening;
daarnaast opereren er nog twaalf andere binnenlandse
luchtvaartmaatschappijen. Er zijn elf internationale luchthavens: 'El
Dorado' (Bogotá), 'Olaya Herrera' (Medellín) en die van Cali en
Barranquilla zijn de vier belangrijkste.
5. Geschiedenis
Over het pre-koloniale Colombia is weinig bekend. Het werd bewoond door
Chibcha-volken.
5.1 Periode tot 1960
Na incidentele kustverkenningen (1499-1502) werd het gebied in
1525 door de Spanjaarden veroverd, Nieuw-Granada genoemd en in een
kapitein-generaalschap ondergebracht. Samen met het huidige Ecuador,
Venezuela en Panama vormde dit later het onderkoningschap Nieuw-Granada,
dat in 1810 zijn onafhanklijkheid proclameerde en 17 dec. 1819 de naam
aannam van de republiek Groot-Colombia. De eerste president was Simon
Bolívar. Reeds in 1830 viel de republiek uiteen in Ecuador, Venezuela en
Nieuw-Granada, welke laatste staat in 1858 werd omgezet in een
confederatie van acht staten, die sedert 1861 de Verenigde Staten van
Colombia heetten, maar ten slotte in 1886, na gevechten tussen liberalen
en conservatieven, in de centralistische republiek van die naam
opgingen. Opstanden van de liberalen leidden in 1889-1901 opnieuw tot
een burgeroorlog. Op 3 nov. 1903 scheidde, gesteund door de Verenigde
Staten, Panama zich af.
Amerikaanse oliemaatschappijen brachten na 1919 enige industriële
ontwikkeling. Grote sociale onrust kwam naar voren door de door het
Colombiaanse leger gepleegde moord op 3000 stakende arbeiders bij de
United Fruit Comp. Onder de liberale presidenten Herrera (1930-1934) en
Perez (1934-1938) werden sociale maatregelen genomen, terwijl daarnaast
ook tegen de grootgrondbezitters en de kerk werd opgetreden. Een meer
gematigde koers volgde onder president Santos (1938-1942). De periode
1948-1958 wordt wel La Violencia genoemd: zij werd beheerst door de
burgeroorlog, die begon naar aanleiding van de moord op de radicale
leider Gaitán (1948), waarbij 4000 mensen omkwamen. Een reeks militaire
coups werd gevolgd door de dictatuur van generaal Rojas Pinilla
(1953-1957). In totaal kwamen in deze tien jaar ca. 300!000 mensen om.
Na de val van Rojas Pinilla werd de politieke stabiliteit bevorderd door
een samenwerkingsovereenkomst tussen conservatieven en liberalen.
Overigens bleef er, vooral ook omdat plannen tot landhervorming niet van
de grond kwamen, een grote mate van sociale onrust bestaan.
5.2 De jaren zestig
In de jaren zestig werden de elkaar afwisselende liberale en
conservatieve presidenten (Lleras Camargo, 1958-1962; Léon Valencia,
1962-1966; Lleras Restrepo, 1966-1970) geconfronteerd met op het
platteland opererende guerrillagroeperingen, waaronder het Nationale
Bevrijdingsleger (ELN) van de in 1965 omgekomen priester Camillo (Restrepo)
Torres en de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC), de
gewapende tak van de Communistische Partij. Bij de
presidentsverkiezingen van 19 april 1970 versloeg de conservatief
Pastrana Borrero, die namens de Liberale en de Conservatieve Partij
kandidaat was, met een geringe marge voormalig dictator Rojas Pinilla,
kandidaat voor de Nationale Volksalliantie (ANAPO). Aanhangers van ANAPO
beschuldigden de regering van verkiezingsfraude. De partij viel uiteen
en het radicale deel vormde de Beweging van 19 april (M-19), die in de
jaren zeventig en tachtig gewapende acties voerde tegen de regering.
De liberale presidenten López Michelsen (1974-1978) en Turbay Ayala
(1978-1982) gaven het leger uitgebreide volmachten in de strijd tegen de
guerrilla. De staat van beleg, die in 1948 was uitgeroepen, bleef
vrijwel zonder onderbreking van kracht. Dank zij verdeeldheid van de
liberalen, die twee kandidaten stelden (ex-president López en de
progressieve senator Luis Galán), won de conservatief Betancur in 1982
de presidentsverkiezingen. In 1984 sloten de belangrijkste
guerrillabewegingen een wapenstilstand met de regering. Leden van de
FARC richtten de politieke partij Patriottische Unie (UP) op, maar
andere guerrillaorganisaties namen de wapens weer op. In nov. 1985
voerde het leger een aanval uit op het Paleis van Justitie, dat door
leden van de guerillagroep M-19 bezet was. Zeker honderd personen, onder
wie twaalf rechters, kwamen hierbij om het leven. Onder de regering van
de in 1986 tot president gekozen liberaal V. Barco Vargas duurde het
geweld voort en werd Colombia het meest gewelddadige land van
Latijns-Amerika (in 1988 werden bijna 20!000 moorden geregistreerd).
5.3 Drugs en terreur
Dankzij de gunstige geografische ligging en het ontbreken van een sterk
centraal gezag, kon Colombia in de jaren zeventig en tachtig uitgroeien
tot het belangrijkste productie- en doorvoerland van cocaïne.
Drugshandelaren, verenigd in twee elkaar bestrijdende kartels (het
Medellínkartel en het Cali-kartel), financierden huurmoordenaars en
organiseerden met steun van legerofficieren paramilitaire doodseskaders.
Hun terreur richtte zich tegen vakbondsleiders en oppositionele
politici, maar ook tegen overheidsfunctionarissen en justitiële
autoriteiten die de activiteiten van de kartels aan banden wilden leggen
en bereid waren drugshandelaren uit te leveren aan de Verenigde Staten.
De meest prominente slachtoffers waren minister van Justitie Lara
Bonilla (1984), UP-leider Pardo Leal (1987), procureur-generaal Hoyos
(1988) en presidentskandidaat Galán (1989). De laatste moord was voor
president Barco de aanleiding een tegenoffensief tegen de cocaïnekartels
te beginnen; er werden ruim 10!000 mensen gearresteerd op verdenking van
betrokkenheid bij cocaïnesmokkel.
In 1989 kwam de regering wapenstilstanden overeen met de
guerrillabewegingen M-19 en FARC; in 1990 werd M-19 omgevormd tot
politieke partij. Zijn leider, Carlos Pizarro, werd in april vermoord.
In mei 1990 won de liberaal César Gavíria, als presidentskandidaat de
opvolger van Galán, de presidentsverkiezingen. Hij kondigde de 'totale
oorlog' aan tegen cocaïnehandelaren en doodseskaders. Als gevolg hiervan
gaven in 1991 enkele kopstukken van het Medellinkartel zich over aan de
autoriteiten. In 1992 ontsnapte de leider van het kartel, Pablo Escobar
uit de gevangenis. Na een aantal bomaanslagen kondigde de president in
november de noodtoestand af voor 90 dagen. In januari 1993 werd een
leider van FARC gearresteerd, gevolgd door de arrestatie in februari van
twee leiders van de guerrilla-beweging ELN. In de eerste helft van 1993
deed het ELN de regering enkele malen een vredesaanbod, dat evenwel
steeds door de regering werd afgewezen. Omgekeerd deed de regering
eenzelfde aanbod in aug. 1993 aan de linkse guerrilla's.
5.4 Crimineel geweld
De parlementsverkiezingen van maart 1994 werden gewonnen door de
liberale partij (PL) van president Gavíria, die een ruime meerderheid
behield in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat de grootste
partij werd.
De liberaal Ernesto Samper won in mei de presidentsverkiezingen. Een
onderzoekscommissie naar de betrokkenheid van Samper bij de financiering
van zijn verkiezingscampagne door het cocaïnekartel van Cali staakte
eind 1995 haar onderzoek bij gebrek aan bewijs. Een aantal medewerkers
van Samper was echter inmiddels afgetreden na bekentenissen. Zij werden
in 1996 tot gevangenisstraffen veroordeeld.
In juni en aug. 1995 arresteerden politie en leger de leiders van het
drugskartel van Cali, de gebroeders Orejuela. Met een verwijzing naar
het extreme politieke en criminele geweld, dat vanaf begin 1995 al
19.000 slachtoffers had geëist, riep Samper in aug. 1995 voor negentig
dagen de noodtoestand uit. Het door de Senaat goedgekeurde wetsvoorstel
om het aannemen van drugsgelden niet langer strafbaar te stellen lokte
felle Amerikaanse kritiek uit. In febr. 1996 werd het onderzoek naar
Samper heropend, nadat voormalige medewerkers van de president hadden
verklaard dat Samper zelf om financiële ondersteuning van de drugsmaffia
had gevraagd. Opnieuw was de conclusie dat er onvoldoende bewijs was
tegen Samper. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken
oordeelde in maart dat de Colombiaanse overheid niet hard genoeg optrad
tegen de drugssmokkel. In juli 1996 trokken de Verenigde Staten het
visum van Samper voor een bezoek aan de VS in.
Telefoongids Colombia
Postcodes
Colombia
|