header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Colombia

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 


 

Colombia (officieel: República de Colombia), republiek in het noordwesten van Zuid-Amerika, 1.141.748 km2, met (schatting 1995) 36,3 miljoen inw. (ca. 32 per km2); hoofdstad: Bogotá. Munteenheid is de Colombiaanse peso, onderverdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 20 juli, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Colombia valt landschappelijk uiteen in twee gebieden, t.w. het westen dat de Andesketens omvat, alsmede de smalle, lage kustvlakte, en het oosten, een laagvlakte. In Zuid-Colombia vertakt de Andes zich ongeveer bij de vulkaan Pasto (4264 m) in drie naar het noorden toe uitwaaierende ketens: de Cordillera Occidental, de Cordillera Central en de Cordillera Oriental. In het zuiden bedraagt de hoogte nog ca. 5000 m (hoogste top: Nevado del Huila, 5750 m), in het noorden lopen de gebergten af naar de moerassige laagvlakte van de monding van de Río Magdalena. Ten noorden van deze monding bevindt zich een uitloper van de Cordillera Oriental, de steil oprijzende Sierra Nevada de Santa Marta met als hoogste top de Píco Cristóbal Colón (5775 m).
Het oostelijk laagland bestaat van west naar oost uit vier zones, gescheiden door steile randen: 1. een zandige strook met tropisch oerwoud; 2. een zandige strook met savannen (llanos); 3. een schiervlakte; 4. een gebied met een aantal koepelvormig oprijzende massieven.
1.2 Hydrografie
Colombia is rijk aan rivieren. De meeste liggen in het oostelijk laagland en stromen naar het oosten. De belangrijkste zijn in het noorden van dit gebied de Meta, Vichada en de Guaviare, die alle tot het Orinocosysteem behoren, in het zuiden de Guainía, Vaupés, Putumayo en Caquetá (bovenloop van de Yapurá), zijrivieren van de Amazone. In West-Colombia lopen alle rivieren in de dalen van de Andesketens, zodat de zuid-noord richting hier overheerst. De belangrijkste rivier is hier de Magdalena, die tussen de Cordillera Central en Oriental loopt. Bij El Banco voegt zich daarbij de Cauca, die tussen de Cordillera Central en Occidental ligt, maar door een aantal vallen minder ver bevaarbaar is.
1.3 Klimaat
In de Andes vindt men de voor dit gebied karakteristieke driedeling in: Tierra caliente (tot 1000 m, gemiddelde temperatuur 28 °C, vochtig en heet), Tierra templada (1000-2000 m, gemiddelde temperatuur 20-23 °C) en de Tierra fría (2000-3000 m, gemiddelde temperatuur 15-23 °C). In het oostelijk laagland heerst in het westen een tropisch regenklimaat, terwijl in het oosten een savanneklimaat voorkomt. Het grootste deel van Colombia kent twee regenseizoenen (maart-mei, okt.-nov.) met een gemiddelde jaarlijkse neerslag van 900 tot 1250 mm.
1.4 Plantengroei
De vegetatie is zeer rijk aan uiteenlopende soorten. Grote delen van het land, vooral de vlakten ten westen van de Andes Cordillera, de Tierra caliente, en het zuidelijke deel van het oostelijke laagland zijn met dicht tropisch regenwoud bedekt. Er komen hier veel zeldzame soorten orchideeën voor. In de moerassige kuststreken zijn veel mangrovebossen. Tot op een hoogte van ca. 300 m komen ook vele palmsoorten voor. Het noordelijke deel van het oostelijke laagland en het gebied rond de bovenloop van de Magdalena wordt ingenomen door uitgestrekte grassavannen, de llanos. Waar de hoogte toeneemt, verandert het vegetatiekarakter snel. De flora van de Tierra templada is subtropisch (o.a. met Magnolia). Het beste landbouwgebied is de Tierra fría. Boven de 3000 m, de páramos, komt naast bergweiden en mossen alleen struikvegetatie voor. Hoger worden alleen nog enkele alpine soorten gevonden.
1.5 Dierenwereld
Omdat Colombia zoveel verschillende landschaps- en vegetatietypen omvat, is de dierenwereld zeer rijk. Vooral het uitgestrekte oerwoud herbergt talrijke soorten vogels, o.a. toekans en papegaaien. Verder komen hier tapirs en diverse apen voor. In de Andes komt o.a. de brilbeer voor.
Natuurbeschermingsmaatregelen zijn veelal papieren wetten en de grootschalige plundering van de natuur gaat dan ook door. Vooral het kappen van het tropisch regenwoud is een bedreiging.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De grootste bevolkingscentra bevinden zich in het Andesgebied en in het Caribische kustgebied. Ca. 71% van de bevolking woont in stedelijke gebieden; de migratiestroom van het platteland naar de stad houdt nog steeds aan. Naar schatting is nog slechts 2% van de bevolking autochtoon, verdeeld over bijna 400 verschillende volken (zie ook Chibcha). Ca. 48% van de bevolking bestaat uit mestiezen (van Indiaans-blanke afkomst), 20% beschouwt zich als blank, 23% is van gemengd blank-negroïde afkomst (mulato); 6% is Indiaans-negroïde (zambo). De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode 1980-1991 2,6%. Sinds 1950 is de bevolking in aantal verdubbeld, maar sinds 1980 neemt de bevolkingsgroei af.
2.2 Taal
De officiële taal is Spaans; de Indianentalen hebben slechts lokale betekenis.
2.3 Religie
De bevolking is vnl. rooms-katholiek (ruim 90%). Als eerste van de Zuid-Amerikaanse republieken proclameerde Colombia in 1853 de scheiding van Kerk en Staat. In 1887 werd een concordaat met de Heilige Stoel gesloten en werd de Rooms-Katholieke Kerk in feite staatskerk en het protestantisme een gedulde minoriteit, die zich in bepaalde perioden met moeite handhaafde. Ca. 2% is protestants.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1991, die de oude van 1886 verving, is Colombia een presidentiële republiek. De wetgevende macht berust bij het Congres, bestaande uit een Senaat (102 leden, gekozen voor een periode van vier jaar), en een Huis van Afgevaardigden (161 leden, voor een periode van vier jaar rechtstreeks gekozen). De uitvoerende macht is in handen van een president en zijn ministerraad (door de president aangewezen); de president wordt rechtstreeks gekozen voor een ambtstermijn van vier jaar, waarna hij niet meer herkiesbaar is. De macht van de president is door de nieuwe grondwet ingeperkt, o.a. door de instelling van het ambt van vice-president. Alle burgers van 18 jaar en ouder zijn kiesgerechtigd. De nieuwe constitutie, die tevens een einde maakte aan de staat van beleg die bijna veertig jaar vrijwel onafgebroken van kracht was geweest, voorzag in een decentralisatie van het politieke systeem en een democratisering van de kieswet om het feitelijke tweepartijenstelsel te veranderen in een meerpartijensysteem.
3.2 Administratieve indeling
Colombia is verdeeld in 24 departementen, 4 intendencias (dun bevolkte gebieden) en 5 comisarías; de hoofdstad Bogotá vormt een afzonderlijke bestuurlijke eenheid, aangeduid als Bogotá DE (Distrito Especial). De departementen, die een aanzienlijke mate van autonomie bezitten, worden bestuurd door een gouverneur (direct door het volk gekozen); de intendencias en comisarías staan onder toezicht van de centrale overheid. De departementen, intendencias en comisarías zijn onderverdeeld in municipios of gemeenten (958 in 1973), bestuurd door een gekozen alcalde (burgemeester).
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Colombia is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en van tal van andere regionale en internationale organisaties, van de Latijns-Amerikaanse Integratieassociatie (ALADI) en van het zgn. Andes Pact, van het Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA), en door de ondertekening van het Amazonische Samenwerkingsverdrag in 1978 zijn enkele economische en ecologische aspecten van de relaties met aan het Amazonebekken grenzende buurstaten (met name Brazilië) geregeld.
3.4 Partij- en vakbondswezen
De twee traditionele partijen, de Liberale Partij (Partido Liberal, PL) en de Conservatieve Partij (Partido Conservador; vanaf 1987 Partido Social Conservador, PSC), namen van 1958 tot 1970 gezamenlijk in het Nationaal Front deel aan de verkiezingen, waarbij het presidentschap afwisselend door een liberaal en een conservatief bekleed werd en de ministersposten en parlementszetels gelijkelijk over beide partijen verdeeld werden. Vanaf 1974 gingen de partijen weer afzonderlijk de verkiezingen in, maar overeengekomen was dat de verliezende partij ook ministersposten toebedeeld kreeg. Het machtsmonopolie van de traditionele partijen verhinderde het ontstaan van een meerpartijensysteem. De illegale oppositie werd gevormd door de in de jaren zestig actief geworden guerrillabewegingen, waaronder de Movimiento 19 de Abril (M-19), die in 1989 als politieke partij onder de naam Democratische Alliantie M-19 gelegaliseerd werd. De nieuwe grondwet, die een einde wilde maken aan het (de facto) tweepartijenstelsel, heeft nog niet tot veranderingen geleid in het traditionele politieke spectrum. Nog steeds zijn de PL en de PSC de twee grootste partijen. Van de opererende guerrillabewegingen zijn de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC), de Ejército de Liberacíon Nacional (ELN) en de Ejército Popular de Liberacíon (EPL) de belangrijkste. De linkse Central Unitaria de Trabajadores (CUT), opgericht in 1986, is de grootste vakcentrale met ca. 80% van de georganiseerde werknemers.

4. Economie
4.1 Algemeen
De Colombiaanse economie wordt in wezen beheerst door ca. 200 families. Van de economisch actieve bevolking (1995) van ca. 12, 8 miljoen (36,9% van de totale bevolking) was in dat jaar 26% werkzaam in de landbouw, 30% in de industrie en in de mijnbouw, en 44% in handel en transport en in de dienstensector. Het aandeel van de verschillende sectoren in het bruto binnenlands product (BBP) was in 1994 als volgt: landbouw 20%, industrie en mijnbouw 28%, handel, transport en diensten 52%. Colombia is na Brazilië de belangrijkste koffieproducent en staat op de eerste plaats waar het de productie van de zachte arabica-variëteit van hoge kwaliteit betreft. De ontwikkeling van Colombia is dan ook in hoge mate gevoelig voor prijsschommelingen van de koffie op de wereldmarkt.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Uitbreiding van het landbouwareaal en invoering van modernere landbouwmethoden hebben al in de jaren dertig geleid tot ingrijpende veranderingen op het platteland; deelpacht werd teruggedrongen, veel boeren werden brodeloos en de grote trek naar de steden begon. De wet op de landhervorming van 1936 en de achtereenvolgende wijzigingen van 1944, 1957 en 1961 hebben door de systematische tegenwerking van de grootgrondbezitters weinig verandering gebracht in de traditioneel ongelijke structuur van het grondbezit. Ca. 75% van het aantal bedrijven is gevestigd op slechts 8% van het beschikbare landbouwareaal. Ca. 23% van de bedrijven is kleiner dan 1 ha, ruim 36% is tussen de 1 en 5 ha groot. De meeste koffie wordt verbouwd op de ca. 300!000 kleine familiebedrijven (tot 10 ha) waar ca. 25% van de boeren werkzaam is. De meeste koffieproducenten zijn verenigd in de Federación Nacional de Cafeteros (FEDECAFE) die de organisatie van verbouw, bewerking en export voor een groot deel beheerst. Van de kredieten die aan de landbouw worden verstrekt, profiteren meestal alleen de grotere bedrijven. Het in 1976 gestarte Proyecto de Desarrollo Rural Integrado (DRI, Geïntegreerd Agrarisch Ontwikkelingsproject) is speciaal opgezet om de armere boeren hulp te bieden met krediet en technische voorlichting, maar ook met hulp in de vorm van voedsel. Het in 1962 opgerichte Instituto Colombiano Agropecuario (ICA) doet belangrijk werk op het gebied van landbouwonderwijs en voorlichting.
Van het totale landoppervlak is (1985) 5, 5% (3,2 miljoen ha) in gebruik voor landbouw, 29% is weidegrond en bijna 45% is met bos bedekt. Op grond van de grote verschillen in bodemgesteldheid en klimaat is de verbouw van zeer uiteenlopende gewassen mogelijk: in de warme en laaggelegen 'Tierra caliente' vooral rijst, maïs, suiker, katoen, bananen en tabak, in de 'Tierra templada' (gematigd, hoger gelegen, vooral op berghellingen) koffie en snijbloemen, en in de koude en hooggelegen 'Tierra fría' aardappelen en tarwe. Bananen voor de export worden vooral verbouwd in de departementen Magdalena (bij Santa Marta) en Antioquia (rond Turbo); elders levert de bananenteelt een belangrijke bijdrage aan de binnenlandse voedselvoorziening. Ongeveer 1350 km2 landbouwgrond wordt bevloeid; op deze terreinen worden vooral rijst en katoen verbouwd. Van de katoenteelt is ruim driekwart bestemd voor de binnenlandse textielindustrie; katoen wordt vooral verbouwd in de departementen Valle del Cauca, Tolima, Magdalena en Bolívar. Maïs, op rijst na het belangrijkste voedingsgewas, wordt in bijna geheel Colombia verbouwd. Andere gewassen zijn tarwe, gerst, sorghum, aardappelen, suikerriet, yuca, fruit en groenten, soja, cacao, tabak, kokosnoten en oliehoudende zaden. In de tweede helft van de jaren zeventig nam de export van snijbloemen en orchideeën (vooral naar de Verenigde Staten) sterk toe.
Veehouderij (vooral koeien, varkens en schapen) vindt vooral plaats in de kustgebieden en in de valleien van de Río Magdalena en Río Cauca; van belang is ook de pluimveehouderij in deze gebieden. Uitbreiding van de veehouderij gebeurt vooral in de oostelijke Llanos. Volgens officiële statistieken daalt de vleesexport, maar vooral naar Venezuela worden veel runderen over de grens gesmokkeld.
De grote houtreserves (44, 6% van het land is bebost) worden weinig intensief benut; een groot deel van het hout wordt als brandstof gebruikt. Cellulose voor de papierindustrie moet voor een belangrijk deel worden ingevoerd.
Visserij in de Caribische Zee en in de Grote Oceaan is relatief van weinig betekenis (tonijn, kreeft en garnalen); zoetwatervisserij heeft slechts lokale betekenis. De vangsten nemen toe en worden vooral naar de Verenigde Staten uitgevoerd.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Colombia is de belangrijkste goudproducent van Latijns-Amerika (het grootste deel komt uit Antioquia), met 60% van de wereldhandel de grootste leverancier van smaragden (mijnen van Muzo en Coscuez) en een belangrijke producent van platina. Vanaf 1984 wordt steenkool gewonnen in de mijnen van El Cerrejón op het schiereiland Guajira, die beschikken over de grootste steenkoolreserves van Latijns-Amerika. De mijnen worden geëxploiteerd door Exxon en de staatssteenkoolonderneming CARBOCOL en produceerden in 1994 meer dan 12 miljoen ton steenkool, die grotendeels geëxporteerd wordt naar de Verenigde Staten en West-Europa. Nieuwe steenkoolvelden worden in ontginning gebracht in het departement César. Van de grote ijzerertsvoorraden wordt slechts een deel ontgonnen; de belangrijkste winplaatsen zijn gelegen in de departementen Cundinamarca, Boyacá, Antioquia en Magdalena. De in 1948 opgerichte staatsoliemaatschappij Empresa Colombiana de Petróleos (ECOPETROL) is verantwoordelijk voor ruim 50% van de winning en verwerking van ruwe olie, het resterende gedeelte is in buitenlandse handen. De belangrijkste velden liggen in de departementen Magdalena (Barrancabermeja), Santander, Norte de Santander (Catatumbo) en Bolívar; pijpleidingen zorgen voor het transport van de winplaatsen naar de olieraffinaderijen en de havens. De winning van aardgas wordt steeds belangrijker. Een mogelijke exploitatie van olie en aardgas in de Llanos wordt bemoeilijkt door transportproblemen. Van belang voor de chemische industrie is de winning van steenzout, al sinds eeuwen in de zoutmijnen van Zipaquirá, maar nu vooral ook in de oostelijke delen van de Andes (Boyacá en Meta). Er zijn plannen voor de ontginning van uraan (Zapatoca in Santander) en nikkel (Cerromatoso).
Elektrische energie wordt voor driekwart geleverd door hydro-elektrische centrales. De in 1977 in werking gestelde centrale in de Río Batá (Boyacá; uiteindelijk vermogen 1000 MW) en de aan het eind van de jaren tachtig in gebruik genomen waterkrachtcentrales van San Carlos (bij Medellín) en Guavio zullen met een totaal vermogen van 1112 MW in de sterk toegenomen behoefte van de industrie moeten voorzien. De olieproductie is in de jaren tachtig gestaag toegenomen.
4.4 Industrie
Sedert 1950 is de industrie een steeds belangrijker sector geworden in de economie. De belangrijkste industriegebieden liggen in de departementen Antioquia (Medellín en omgeving; textiel, voedingsmiddelen, chemische producten, metaalindustrie en farmaceutische industrie), Valle del Cauca (Cali; voedingsmiddelen, textiel, cement, metaalindustrie), Cundinamarca (Bogotá en omgeving; voedingsmiddelen, textiel, chemische producten) en Atlántico (Barranquilla; petrochemische industrie, textiel en voedingsmiddelen). Andere industriecentra zijn Bucaramanga (sigaretten, textiel en metaal), Manizales (voedingsmiddelen, textiel en cement) en Cartagena (petrochemische industrie, bier en frisdranken, textiel en voedingsmiddelen).
De twee grootste olieraffinaderijen zijn die van Barrancabermeja en van Mamonal (bij Cartagena). Ruim 55% van de ijzer- en staalproductie is geconcentreerd bij Belencito; er zijn verder nog hoogovens en staalfabrieken in Medellín, Barranquilla, Yumbo, Tuta, Bogotá en Cajicá. De industrie produceert voorts auto's (assemblage van buitenlandse merken), autobanden, papier, glas, leerproducten, meubels, huishoudelijke apparaten, elektronica en asbestproducten (eternitplaat). De overheid voert al geruime tijd een beleid gericht op industriële ontwikkeling; het in 1942 opgerichte Instituto de Fomento Industrial (IFI) vervult een belangrijke rol bij de financiering van vooral kleinere en middelgrote bedrijven.
4.5 Handel en bankwezen
Het belangrijkste uitvoerproduct is koffie (18% van de exportwaarde in 1995). Andere producten uit het exportpakket zijn: olie- en olieproducten (16%), fruit (3,9%), snijbloemen (2,9%), katoen (1,7%) en textiel (1,3%). Voorts is er een levendige smokkelhandel met Venezuela (koffie, levensmiddelen en rundvee) en een illegale uitvoer van verdovende middelen: eind jaren tachtig leverden Colombiaanse drugshandelaren 48 tot 53 ton cocaïne aan de Verenigde Staten. Van de totale opbrengst van ca. $ 7 miljard vloeide netto $ 1 tot 1,5 miljard terug naar Colombia.
De invoer bestaat vooral uit kapitaalgoederen (39% van de waarde) en halffabrikaten (50%); de belangrijkste ingevoerde producten zijn machines, chemische producten en olie.
De belangrijkste importeurs van Colombiaanse producten zijn de Verenigde Staten, Venezuela, Duitsland en Nederland. Colombia betrekt zijn invoer vooral uit de Verenigde Staten, Japan, Duitsland en Venezuela.
De overheid stimuleert de export van bepaalde producten via het Fondo de Promoción de Exportaciones (PROEXPO); in dat beleid passen ook de vrijhandelszones in Colombia: de haven van Barranquilla (sinds 1964), de haven van Buenaventura en de luchthaven Palmira (bij Cali), beide sinds 1972.
De Banca de la República (1923) fungeert als Centrale Bank. De voornaamste particuliere banken (Banco de Bogotá, Banco de Colombia en Banco del Comercio) werden in 1986 genationaliseerd. Er zijn effectenbeurzen in Bogotá, Cali en Medellín.
4.6 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Vanaf het eind van de jaren zestig stimuleert de staat de export van niet-traditionele producten om de afhankelijkheid van de koffieproductie te verminderen. Naast exportbevordering is het ontwikkelingsprogramma van de overheid gericht op industriële expansie, regionale en stedelijke ontwikkeling en modernisering van de agrarische sector. Ook energievoorziening en transport hebben een hoge prioriteit. In de jaren zeventig werd een reeks ontwikkelingsinstanties opgericht. Het investeringsplan voor 1987-1990 (totale uitgaven begroot op $ 4 miljard) heeft ook sociale componenten: landhervorming en de bouw van nieuwe scholen.
Van 1981 tot 1987 ontving Colombia in totaal $ 576 miljoen aan ontwikkelingshulp, zowel bilateraal (o.m. van Nederland in het kader van het Andes-regioprogramma) als multilateraal (van o.a. Wereldbank en Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank). Dankzij een beperkt aangaan van leningen bij internationale banken, is de buitenlandse schuld (in 1994 $ 19,4 miljard) minder groot dan die van de buurlanden. Het Bruto Binnenlands Product steeg in de jaren negentig jaarlijks met gemiddeld 4,3%, terwijl de inflatie beperkt bleef tot gemiddeld 25% per jaar (in 1995 nog maar 19,5%).
4.7 Verkeer
De Andesketens en het oerwoud vormen de belangrijkste belemmeringen voor het transport. In geïsoleerde bergstreken is het vervoer per muilezel veelal nog de enige mogelijkheid; in de Llanos wordt op de rivieren nog op grote schaal gebruik gemaakt van kleine vaartuigen voor het vervoer van personen en goederen.
Het wegennet heeft een lengte van 130!000 km (1990), maar slechts één vijfde is geasfalteerd; ongeveer driekwart is verhard, maar niet het hele jaar begaanbaar. De belangrijkste wegverbindingen lopen in noordoost-zuidwest richting parallel aan de Andesketens.
Colombia beschikt over een redelijk goed ontwikkeld spoorwegnet. Het staatsbedrijf Ferrocarriles Nacionales beheert 3403 km spoor, waarvan de zgn. Atlantische lijn economisch de belangrijkste is.
De binnenvaart op de Río Magdalena, die over een afstand van 1500 km bevaarbaar is, heeft een aandeel van ca. 85% van het goederentransport in het land. Op de Río Meta en de Río Vichada is in beperkte mate scheepvaart mogelijk. Belangrijke binnenhavens zijn La Dorada, Puerto Berrío, Barrancabermeja en Magangué. Colombia heeft zeehavens, zowel aan de Atlantische Oceaan (Cartagena, Barranquilla, Santa Marta en Riohacha) als aan de Grote Oceaan (Buenaventura en Tumaco), die vanuit het binnenland bereikbaar zijn via de Río Magdalena, over de weg en per spoor. De koopvaardijvloot werkt samen met die van Ecuador en Venezuela. In 1986 werd de eerste diepzeehaven van Colombia in gebruik genomen, aangelegd in Bahía de Portete, die via een spoorlijn in verbinding staat met de kolenmijnen van El Cerrejón.
Van groot belang is het binnenlands luchtverkeer. Er zijn ruim 100 landingsplaatsen. De nationale luchtvaartmaatschappij AVIANCA neemt het grootste deel van het binnenlandse luchtverkeer voor haar rekening; daarnaast opereren er nog twaalf andere binnenlandse luchtvaartmaatschappijen. Er zijn elf internationale luchthavens: 'El Dorado' (Bogotá), 'Olaya Herrera' (Medellín) en die van Cali en Barranquilla zijn de vier belangrijkste.

5. Geschiedenis
Over het pre-koloniale Colombia is weinig bekend. Het werd bewoond door Chibcha-volken.
5.1 Periode tot 1960
Na incidentele kustverkenningen (1499-1502) werd het gebied in 1525 door de Spanjaarden veroverd, Nieuw-Granada genoemd en in een kapitein-generaalschap ondergebracht. Samen met het huidige Ecuador, Venezuela en Panama vormde dit later het onderkoningschap Nieuw-Granada, dat in 1810 zijn onafhanklijkheid proclameerde en 17 dec. 1819 de naam aannam van de republiek Groot-Colombia. De eerste president was Simon Bolívar. Reeds in 1830 viel de republiek uiteen in Ecuador, Venezuela en Nieuw-Granada, welke laatste staat in 1858 werd omgezet in een confederatie van acht staten, die sedert 1861 de Verenigde Staten van Colombia heetten, maar ten slotte in 1886, na gevechten tussen liberalen en conservatieven, in de centralistische republiek van die naam opgingen. Opstanden van de liberalen leidden in 1889-1901 opnieuw tot een burgeroorlog. Op 3 nov. 1903 scheidde, gesteund door de Verenigde Staten, Panama zich af.
Amerikaanse oliemaatschappijen brachten na 1919 enige industriële ontwikkeling. Grote sociale onrust kwam naar voren door de door het Colombiaanse leger gepleegde moord op 3000 stakende arbeiders bij de United Fruit Comp. Onder de liberale presidenten Herrera (1930-1934) en Perez (1934-1938) werden sociale maatregelen genomen, terwijl daarnaast ook tegen de grootgrondbezitters en de kerk werd opgetreden. Een meer gematigde koers volgde onder president Santos (1938-1942). De periode 1948-1958 wordt wel La Violencia genoemd: zij werd beheerst door de burgeroorlog, die begon naar aanleiding van de moord op de radicale leider Gaitán (1948), waarbij 4000 mensen omkwamen. Een reeks militaire coups werd gevolgd door de dictatuur van generaal Rojas Pinilla (1953-1957). In totaal kwamen in deze tien jaar ca. 300!000 mensen om. Na de val van Rojas Pinilla werd de politieke stabiliteit bevorderd door een samenwerkingsovereenkomst tussen conservatieven en liberalen. Overigens bleef er, vooral ook omdat plannen tot landhervorming niet van de grond kwamen, een grote mate van sociale onrust bestaan.
5.2 De jaren zestig
In de jaren zestig werden de elkaar afwisselende liberale en conservatieve presidenten (Lleras Camargo, 1958-1962; Léon Valencia, 1962-1966; Lleras Restrepo, 1966-1970) geconfronteerd met op het platteland opererende guerrillagroeperingen, waaronder het Nationale Bevrijdingsleger (ELN) van de in 1965 omgekomen priester Camillo (Restrepo) Torres en de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC), de gewapende tak van de Communistische Partij. Bij de presidentsverkiezingen van 19 april 1970 versloeg de conservatief Pastrana Borrero, die namens de Liberale en de Conservatieve Partij kandidaat was, met een geringe marge voormalig dictator Rojas Pinilla, kandidaat voor de Nationale Volksalliantie (ANAPO). Aanhangers van ANAPO beschuldigden de regering van verkiezingsfraude. De partij viel uiteen en het radicale deel vormde de Beweging van 19 april (M-19), die in de jaren zeventig en tachtig gewapende acties voerde tegen de regering.
De liberale presidenten López Michelsen (1974-1978) en Turbay Ayala (1978-1982) gaven het leger uitgebreide volmachten in de strijd tegen de guerrilla. De staat van beleg, die in 1948 was uitgeroepen, bleef vrijwel zonder onderbreking van kracht. Dank zij verdeeldheid van de liberalen, die twee kandidaten stelden (ex-president López en de progressieve senator Luis Galán), won de conservatief Betancur in 1982 de presidentsverkiezingen. In 1984 sloten de belangrijkste guerrillabewegingen een wapenstilstand met de regering. Leden van de FARC richtten de politieke partij Patriottische Unie (UP) op, maar andere guerrillaorganisaties namen de wapens weer op. In nov. 1985 voerde het leger een aanval uit op het Paleis van Justitie, dat door leden van de guerillagroep M-19 bezet was. Zeker honderd personen, onder wie twaalf rechters, kwamen hierbij om het leven. Onder de regering van de in 1986 tot president gekozen liberaal V. Barco Vargas duurde het geweld voort en werd Colombia het meest gewelddadige land van Latijns-Amerika (in 1988 werden bijna 20!000 moorden geregistreerd).
5.3 Drugs en terreur
Dankzij de gunstige geografische ligging en het ontbreken van een sterk centraal gezag, kon Colombia in de jaren zeventig en tachtig uitgroeien tot het belangrijkste productie- en doorvoerland van cocaïne. Drugshandelaren, verenigd in twee elkaar bestrijdende kartels (het Medellínkartel en het Cali-kartel), financierden huurmoordenaars en organiseerden met steun van legerofficieren paramilitaire doodseskaders. Hun terreur richtte zich tegen vakbondsleiders en oppositionele politici, maar ook tegen overheidsfunctionarissen en justitiële autoriteiten die de activiteiten van de kartels aan banden wilden leggen en bereid waren drugshandelaren uit te leveren aan de Verenigde Staten.
De meest prominente slachtoffers waren minister van Justitie Lara Bonilla (1984), UP-leider Pardo Leal (1987), procureur-generaal Hoyos (1988) en presidentskandidaat Galán (1989). De laatste moord was voor president Barco de aanleiding een tegenoffensief tegen de cocaïnekartels te beginnen; er werden ruim 10!000 mensen gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij cocaïnesmokkel.
In 1989 kwam de regering wapenstilstanden overeen met de guerrillabewegingen M-19 en FARC; in 1990 werd M-19 omgevormd tot politieke partij. Zijn leider, Carlos Pizarro, werd in april vermoord.
In mei 1990 won de liberaal César Gavíria, als presidentskandidaat de opvolger van Galán, de presidentsverkiezingen. Hij kondigde de 'totale oorlog' aan tegen cocaïnehandelaren en doodseskaders. Als gevolg hiervan gaven in 1991 enkele kopstukken van het Medellinkartel zich over aan de autoriteiten. In 1992 ontsnapte de leider van het kartel, Pablo Escobar uit de gevangenis. Na een aantal bomaanslagen kondigde de president in november de noodtoestand af voor 90 dagen. In januari 1993 werd een leider van FARC gearresteerd, gevolgd door de arrestatie in februari van twee leiders van de guerrilla-beweging ELN. In de eerste helft van 1993 deed het ELN de regering enkele malen een vredesaanbod, dat evenwel steeds door de regering werd afgewezen. Omgekeerd deed de regering eenzelfde aanbod in aug. 1993 aan de linkse guerrilla's.
5.4 Crimineel geweld
De parlementsverkiezingen van maart 1994 werden gewonnen door de liberale partij (PL) van president Gavíria, die een ruime meerderheid behield in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat de grootste partij werd.
De liberaal Ernesto Samper won in mei de presidentsverkiezingen. Een onderzoekscommissie naar de betrokkenheid van Samper bij de financiering van zijn verkiezingscampagne door het cocaïnekartel van Cali staakte eind 1995 haar onderzoek bij gebrek aan bewijs. Een aantal medewerkers van Samper was echter inmiddels afgetreden na bekentenissen. Zij werden in 1996 tot gevangenisstraffen veroordeeld.
In juni en aug. 1995 arresteerden politie en leger de leiders van het drugskartel van Cali, de gebroeders Orejuela. Met een verwijzing naar het extreme politieke en criminele geweld, dat vanaf begin 1995 al 19.000 slachtoffers had geëist, riep Samper in aug. 1995 voor negentig dagen de noodtoestand uit. Het door de Senaat goedgekeurde wetsvoorstel om het aannemen van drugsgelden niet langer strafbaar te stellen lokte felle Amerikaanse kritiek uit. In febr. 1996 werd het onderzoek naar Samper heropend, nadat voormalige medewerkers van de president hadden verklaard dat Samper zelf om financiële ondersteuning van de drugsmaffia had gevraagd. Opnieuw was de conclusie dat er onvoldoende bewijs was tegen Samper. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken oordeelde in maart dat de Colombiaanse overheid niet hard genoeg optrad tegen de drugssmokkel. In juli 1996 trokken de Verenigde Staten het visum van Samper voor een bezoek aan de VS in.

Telefoongids Colombia
Postcodes Colombia

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009