|

|
Vanaf het moment dat
mensen begonnen te tellen, zochten ze naar manieren om dit proces
eenvoudiger te maken. Kiezels (in het Latijn calculi) werden aan draden
geregen om een telraam te vormen, een hulpmiddel dat 450 jaar voor Christus
werd uitgevonden en dat in delen van de wereld nog altijd wordt gebruikt.
Met behulp van logaritmes, rond 1600 uitgevonden door de Schot John Napier,
werd vermenigvuldigen en delen eenvoudiger en werd de basis gelegd voor de
rekenliniaal. Hoewel nadien nog tal van andere rekenwerktuigen werden
ontwikkeld, is het idee om een rekenmachine te maken die logistieke
handelingen kon verrichten van recentere datum.
De principes werden ontdekt door de Engelse wiskundige George Boole,
die in 1854 een boek publiceerde waarin hij algebra toepaste op logica. Hij
was de grondlegger van de wiskundige logica en hij gebruikte algebraïsche
symbolen voor de functies 'en', 'of' en 'niet'.
In 1936 toonde de Britse wiskundige Alan Turing aan dat een
machine in theorie niet alleen zou kunnen rekenen, maar ook kon omgaan met
logische beweringen en symbolen kon manipuleren. Ondertussen bouwde de
Duitse ingenieur Konrad Zuse een computer met elektrische
schakelingen om binaire getallen te combineren. Zijn derde prototype, z3,
werd met behulp van stukken oude film geprogrammeerd. Het werkte, zij het
traag. Voor zijn volgende computer wilde Zuse elektronenbuizen gebruiken
waarmee het duizend keer sneller zou werken, maar dat idee sloeg niet aan.
De Verenigde Staten en Groot-Brittannië werkten, zich niet bewust van de
ontwikkelingen in Duitsland , tijdens de Tweede Wereldoorlog aan computers.
In Bletchy Park, iets ten noorden van Londen, ontwikkelde een team de eerste
computer met buizen. Deze computer bewees Turings bewering dat computers
meer dan alleen berekeningen konden uitvoeren. Ondertussen had het US
Ballistics Research Laboratory een computer in gebruik genomen die de baan
van kogels kon berekenen. ENIAC (zoe noemde die) gebruikte 18.000
buizen,70.000 weerstanden, 10.000 condensators en 6000 schakelingen. Hij was
snel met 5.000 berekeningen per seconden, maar moeilijk te programmeren en
hij had geen intern geheugen. De laatste barrière werd in 1948 geslecht met
de aan de Universiteit van Manchester gemaakte Mark I computer.
De eerste generatie computers gebruikte buizen, de tweede, ongeveer vanaf
1955, gebruikte transistors, en de derde, vanaf ongeveer 1960 geïntegreerde
schakelingen. In 1970 ontwierp de Californische maatschappij Intel de eerste
microprocesor, ofwel de computer in een chip. Dit veroorzaakte een
gigantische revolutie in de computerindustrie. Dit leidde uiteindelijk tot
de introductie van de personal computer met MS-Dos besturingssysteem in
1981. |
|
|
|
|
|
|