|
1. Fysische geografie
Costa
Rica vertoont een opmerkelijke landschappelijke verscheidenheid. In de
noordwest-zuidoost lopende centrale bergketen (Cordillera) zijn drie
massieven te onderscheiden: het vulkanische Guanacaste, het Centrale
Gebergte (hoogste top de nog werkende vulkaan Irazú, 3432 m) en het
Talamancagebergte. De beide laatste gebergten sluiten een centrale
vallei in (Meseta Central), die grotendeels bedekt is met vulkanische
as. Ten oosten van de Cordillera liggen het Noordelijk en Caribisch
Laagland en ten westen het Laagland van Guanacaste en het Zuidelijk
Bergland. Costa Rica is rijk aan rivieren; de voornaamste is de San Juan.
De temperatuurverschillen tussen de warmste en de koudste maand bedragen
niet meer dan 4 °C. De jaargemiddelden liggen aan de kust op 26 à 27 °C,
op 1000 m hoogte op ca. 20 °C en op 3000 m hoogte op 7 à 8 °C. De
gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheden schommelen tussen 2000 mm
minimaal en 4000 mm maximaal.
De begroeiing varieert van tropisch regenoerwoud in de oostelijke
laagvlakten tot droge steppen in Guanacaste. Costa Rica is bekend om
zijn weelderige plantengroei, in het bijzonder de vele soorten
orchideeën.
Het land heeft een zeer rijke dierenwereld als gevolg van de
verschillende vegetatietypen en omvat o.m. veel soorten apen en 800
vogelsoorten, waaronder talrijke kolibri's. Van de roofdieren verdienen
de jaguar en de poema vermelding.
2. Bevolking
In tegenstelling tot de bevolking van de andere republieken op de
Centraalamerikaanse istmus, is die van Costa Rica uitermate homogeen:
94% is van Europese afstamming (vnl. Spaans en Italiaans). Van de
oorspronkelijke, Indiaanse bevolking leven nog ca. 3000 Chibcha-Indianen
in de afgelegen oerwouden. Ca. 50% woont in de steden. Bijna tweederde
van de totale bevolking woont in het centrale hoogland (Meseta Central).
De bevolkingsgroei bedraagt gemiddeld 2,5% per jaar.
De officiële taal is het Spaans. De afgelegen Indiaanse gemeenschappen
spreken nog een autochtone taal en aan de oostkust bevinden zich enkele
enclaves waar neger- of pidgin-Engels de voertaal is.
Staatskerk is de Rooms-Katholieke Kerk, waartoe meer dan 90% van de
bevolking zich rekent. De grondwet garandeert vrijheid van
godsdienstuitoefening. Een aantal kleine protestantse groeperingen (ca.
40.000 gelovigen omvattend) is geconcentreerd in de steden.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en administratieve indeling
Costa Rica heeft een democratische traditie; de constitutie is
vastgelegd in 1949. Costa Rica is een presidentiële republiek,
administratief ingedeeld in een zevental provincies, met elk een
gouverneur. Om de vier jaar zijn er presidentsverkiezingen.
Herverkiezing van de zittende president is niet mogelijk. Bij de
president ligt als hoofd van de republiek de uitvoerende macht. Hij
stelt het kabinet samen, voert bevel over de Guardia Civil en legt
jaarlijks zijn regeringsprogramma voor aan de wetgevende Nationale
Vergadering, die uit één Kamer bestaat en 57 zetels telt. Costa Rica
heeft geen leger (opgeheven in 1948).
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Costa Rica is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, van
de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Latijns-Amerikaanse
Integratie Associatie (ALADI) en van het Latijns-Amerikaanse Economische
Systeem (SELA). Sinds 1963 maakt het deel uit van de
Centraal-Amerikaanse Gemeenschappelijke Markt (MCCA).
3.3 Politieke partijen
Costa Rica behoort politiek gezien tot de meest stabiele landen van
Latijns-Amerika. Sinds 1948 zijn er steeds democratische verkiezingen
gehouden. De belangrijkste politieke groeperingen zijn de
sociaal-democratische Partido Liberación Nacional (PLN) en de
conservatieve Partido Unidad Social Cristiana (PUSC).
4. Economie
Algemeen. De op export gerichte koffieverbouw overleefde, mede dankzij
overheidsingrijpen, de crisis van de jaren dertig en vormt samen met
andere landbouwgewassen de voornaamste bron van inkomsten. Ca. 23% van
alle werknemers vindt een bestaan in de agrarische sector, die (1994)
15% van de waarde van het bruto nationaal product vertegenwoordigt.
Naast de expansieve landbouwsector is er ook een begin gemaakt met een
industrialisatieprogramma (lichte industrie en assemblage). Sinds de
inflatie van de jaren zeventig en tachtig was er van een reële
inkomensstijging voor de bevolking nauwelijks meer sprake, maar door een
strikt beleid is de inflatie teruggedrongen tot 18,2% (over de periode
1985-1994). Overheidsinvesteringen spelen een belangrijke rol en de
staatssector levert een belangrijk aandeel in de kapitaalvorming. In de
jaren tachtig is in het kader van het bezuinigingsbeleid een proces van
privatisering en vermindering van overheidsuitgaven in gang gezet. Het
toerisme vult de schatkist aan (700.000 bezoekers per jaar).
De landbouw wordt uitgeoefend door eigenboerende kolonisten. Pacht komt
slechts sporadisch voor. Exportgewassen zijn koffie, bananen, suiker en
cacao. De Amerikaanse ondernemingen United Brands en Standard Fruit
namen in de bananenproductie een monopoliepositie in; deze wordt echter
langzamerhand teruggedrongen. Goede landbouwgrond is vooral op het
bevolkingsdichte hoogland schaars en van overheidswege wordt de
rundveehouderij in het laagland (vooral in de provincie Guanacaste)
gepropageerd: deze is nu nog te verwaarlozen.
De industrie, waarin (met inbegrip van de mijnbouw) ca. 25% van de
economisch actieve bevolking werkzaam is, levert een bijdrage van 24%
aan het bnp (1994). De voornaamste industriële activiteit is de
verwerking van landbouwproducten. Niet-duurzame verbruiksgoederen worden
door lokale industrieën vervaardigd en vnl. buitenlandse bedrijven
assembleren elektrische apparaten en vrachtauto's.
De mijnbouw is van weinig betekenis. Voor de verwerking van de
bauxietvoorraden is een aluminiumsmelter in San Isidro gebouwd. De
schaarste aan grondstoffen vormt een van de meest nijpende economische
problemen. Op het gebied van energievoorziening (waterkrachtcentrales,
geconcentreerd in het centrale hoogland) neemt Costa Rica een
belangrijke plaats in onder de Centraal-Amerikaanse staten. Ondanks de
gemeenschappelijke tariefmuren van de Centraalamerikaanse markt blijven
de westerse industrielanden (m.n. de Verenigde Staten, gevolgd door de
Benelux, Duitsland en Japan) de voornaamste handelspartners. De
handelsbalans was in de jaren tachtig als gevolg van dalende
exportprijzen negatief.
De Banco Central is de staatsbank en reguleert invoerprijzen, accijnzen
en kredieten. De vijf handelsbanken zijn sinds 1948 genationaliseerd. Er
zijn evenveel privé-banken bijgekomen. Begin jaren tachtig leidden de
betalingen op de sterk gestegen buitenlandse schuld (in 1993 $ 4,5
miljard) tot economische problemen. Vanaf 1983 kwam de regering nieuwe
afbetalingsregelingen overeen met het Internationaal Monetair Fonds
(IMF) en de particuliere banken. Van de westerse landen (m.n. de
Verenigde Staten) ontving Costa Rica grote bedragen aan
ontwikkelingshulp (1969 tot 1991 totaal $ 2 miljard).
De Inter-Amerikaanse autoweg vormt de noord-zuidverbinding. Vanuit San
José lopen spoorwegen naar de zeehavens Puerto Limón aan de Caribische
kust en Puntarenas aan de kust van de Atlantische Oceaan. De nationale
luchtvaartmaatschappij LACSA vliegt vanaf El Coco bij San José naar
Noord- en Midden-Amerika en het Caribisch gebied. Particuliere
maatschappijen onderhouden het binnenlands verkeer. Er zijn ca. 15
vliegvelden.
5. Geschiedenis
5.1 Ontdekking, koloniale tijd en onafhankelijkheid
De
kust werd door
Columbus op zijn vierde reis (1502) ontdekt en Nieuw Carthago
genoemd. Later werd de aanduiding voor heel het gebied rondom de Golf
van Mexico, 'de Rijke Kust', beperkt tot deze streek, in later jaren een
geliefd toevluchtsoord voor zeerovers. Het land werd na 1520 in langzaam
tempo vanuit Panama veroverd. Sedert 1540 was het een provincie van het
onderkoninkrijk Mexico en deel van het kapitein-generaalschap Guatemala,
dat in 1821 zijn onafhankelijkheid uitriep, waarop ook Costa Rica een
eigen bestuur vormde. Spoedig daarna werd het door José Iturbide bij
zijn Mexicaans keizerrijk ingelijfd, totdat het in 1823 toetrad tot de
Republiek der Verenigde Provincies van Centraal-Amerika en in 1838
voorgoed onafhankelijk werd.
De Spaanse bevolking vermengde zich weinig met de inboorlingen en was
toen reeds eeuwen in de meerderheid. Dit en het feit dat het
grootgrondbezit geen extravagante vormen had aangenomen, waren de
redenen dat er betrekkelijk weinig staatsgrepen plaatsvonden.
Internationaal had het slechts nu en dan grensgeschillen met Nicaragua
en Panama (voor 1903 Colombia). Nadat Costa Rica in het geschil met
Panama bij arbitrale uitspraak zijn rechten meermalen had erkend gezien,
ging het in 1921 over tot bezetting van het betwiste gebied. Het geschil
met Nicaragua werd in het jaar 1956 bij verdrag geregeld.
Hoewel Costa Rica in de beide wereldoorlogen Duitsland en zijn
bondgenoten de oorlog verklaarde, nam het land geen deel aan
krijgsverrichtingen.
5.2 Naoorlogse periode
De politieke en economische stabiliteit werd in de jaren 1948-1949
verstoord door staatsgrepen. Herstel volgde tijdens het bewind van
president O. Ulate (1949-1952) en van José Figueres (1953-1958, die ook
in 1948-1949 president was) van de centrum-linkse Partij Nationale
Bevrijding (PLN). Figueres werd in 1970 opnieuw gekozen, na een periode
waarin vnl. conservatieve regeringen aan het bewind waren geweest. Bij
de presidentsverkiezingen van 1974 bleef de PLN aan de macht. In 1978
kwam een centrum-rechtse coalitie onder leiding van R. Carazo tot stand.
Onder zijn presidentschap brak in het buurland Nicaragua een opstand uit
tegen dictator Somoza, die in 1978 en 1979 herhaaldelijk dreigde Costa
Rica, dat als uitvalsbasis diende voor sandinistische opstandelingen,
binnen te vallen. Na het aan de macht komen van het Sandinistisch
Bevrijdingsfront (FSLN) in Nicaragua in juli 1979, verbeterden de
relaties tussen beide landen aanvankelijk, maar tijdens de
presidentschappen van L.A. Monge (1982-1986) en Oscar Arias Sánchez
(1986-1990), beiden van de PLN, verslechterden de betrekkingen met
Nicaragua, dat Costa Rica beschuldigde steun te verlenen aan
contrarebellen die vanuit Costa Rica opereerden. Ook de economische
crisis van de jaren tachtig vormde een bedreiging voor de relatieve
politieke stabiliteit van het land.
De PLN-regeringen streefden naar een 'actieve neutraliteit' ten aanzien
van de gewapende conflicten in de regio. President Arias ontving in 1987
de Nobelprijs voor de vrede vanwege zijn rol bij het totstandkomen van
het vredesplan Esquipulas II, dat in aug. 1987 door vijf
Midden-Amerikaanse presidenten (die van El Salvador, Guatemala,
Honduras, Nicaragua en Costa Rica) ondertekend werd. De toenemende
afhankelijkheid van financiële hulp van de Verenigde Staten stelde
echter beperkingen aan de neutraliteitspolitiek van Costa Rica. In 1990
werd de christen-democraat Rafael Angel Calderón tot president gekozen.
Het op bezuinigingen gerichte economisch beleid leidde in 1992 tot
demonstraties, ten gevolge waarvan een aantal maatregelen werd
ingetrokken. Een aardbeving in april 1992 richtte grote schade aan en
veroorzaakte minstens 90 doden.
Centrumlinks kwam in mei 1994 weer aan de macht door de verkiezing van
José María Figueres, die zich in zijn verkiezingscampagne had gekeerd
tegen de neoliberale economische hervormingen van zijn voorganger
Calderón, die volgens hem ten koste gingen van de armere
bevolkingsgroepen. In maart 1995 werden de presidentiële ambtstermijn en
de zittingsperiode van het parlement verlengd van vier naar vijf jaar.
In hetzelfde jaar namen de spanningen met buurland Nicaragua toe naar
aanleiding van de illegale aanwezigheid van naar schatting 300.000
Nicaraguanen in het noorden van Costa Rica.
Telefoongids Costa Rica
Postcodes Costa Rica
|