|
    
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Cuba maakt deel uit van de oost-westlopende Midden-Amerikaanse
gebergteketen. De bodem bestaat uit kalkafzettingen, waarin op vele
plaatsen grotten zijn ontstaan (karstverschijnsel). Een groot deel van
Cuba is bergachtig: in het zuidoosten ligt de gemiddeld 1700 m hoge
Sierra Maestra (Pico Turquino, 2005 m), in de provincie Las Villas de
ca. 1200 m hoge Cordillera de los Órganos. In Oost-Cuba komen veelvuldig
aardbevingen voor. De noordkust is steil en rotsachtig; er zijn veel
koraalriffen. De bergachtige zuidkust wordt onderbroken door enige
vlakten die tot de zee doorlopen. Het schiereiland Zapata is moerassig.
Door de sterk gelede kustlijn heeft Cuba goede natuurlijke havens. De
ruim 200 rivieren zijn kort; alleen de 370 km lange Rio Cauto is voor 80
km bevaarbaar.
1.2 Klimaat
Er
heerst een tropisch klimaat, dat door de noordoostpassaat ( 'Norte')
zeer gematigd wordt; in het westen is zelfs een winter merkbaar. In
Havana varieert de temperatuur van 9 tot 41 °C; in juli bedraagt de
gemiddelde temperatuur 27, 7 °C, in januari 21,3 °C. De regentijd duurt
van mei tot november (zenitale regens) en wordt gekenmerkt door hevige
onweders. Het koelere droge seizoen is niet geheel zonder regen. De
gemiddelde jaarlijkse neerslag is 1270 mm. Orkanen komen soms voor.
1.3 Planten- en dierenwereld
Cuba is erg rijk aan plantensoorten, waarvan bijna de helft endemen.
Door de aanplant van suikerriet, koffie en rijst zijn bijna alle
oorspronkelijke wouden verdwenen. Men stelt nu pogingen in het werk het
eiland opnieuw voor een gedeelte te bebossen, om zowel economische
redenen als om natuurbehoud. Grote palmen van 20-25 m hoog geven het
landschap zijn specifieke aanzien. In de Cubaanse kustgebieden en
laagvlakten vindt men resp. mangroven en tabaksplanten.
Een grote variëteit aan dieren is op het eiland aanwezig. De kustwateren
herbergen o.a. veel schaaldieren en economisch belangrijke vissoorten.
Van de vele vogels is slechts ongeveer een derde inheems; de overige
zijn trekvogels van elders. Er leven twee soorten krokodillen (bij de
wet beschermd) en vele schildpadden, leguanen en andere reptielen.
Interessante zoogdieren zijn o.m. Solenodon cubana, een aan de agouta
verwante insecteneter. Zeer veel soorten blijken alleen op Cuba voor te
komen; dat geldt in het bijzonder voor de zeer kleurrijke landslakken.
De natuurbeschermingsgedachte begon in de jaren tachtig veld te winnen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling
Van
de bijna 11 miljoen inwoners beschouwt 70% zichzelf als blank; ca. 29%
is van Afro-Cubaanse origine (12% zwarten en 17% mestiezen en mulatten).
De oorspronkelijke Indiaanse bevolking is al lang geleden opgegaan in de
andere bevolkingsgroepen. Het geboortecijfer is 14, 5 per duizend, het
sterftecijfer 6,9. 75% van de Cubaanse bevolking woont in de steden, van
wie ruim 2,1 miljoen in de hoofdstad Havana. Het regeringsbeleid
probeert verdere verstedelijking tegen te gaan. De bevolking groeit met
gemiddeld 1% per jaar. In de Verenigde Staten (Florida) leven ongeveer
1,5 miljoen Cubaanse vluchtelingen.
2.2 Taal
De taal is het Spaans. In de Cubaanse spreektaal komen afrikanismen voor
die het Cubaans een eigen karakter en klankkleur geven.
2.3 Religie
De grondwet garandeert (sinds 1992) weer volledige geloofs- en
godsdienstvrijheid. Ca. de helft van de bevolking beschouwt zichzelf
niet godsdienstig; 40% rekent zich tot de Rooms-Katholieke Kerk. Cuba
heeft twee kerkprovincies; de aartsbisschoppelijke zetels zijn San
Cristóbal de Habana en Santiago de Cuba. Het godsdienstonderwijs op de
scholen is in 1961 afgeschaft. In de steden bestaan voorts enkele kleine
protestantse geloofsgemeenschappen van verscheidene denominaties (vnl.
methodisten en anglicanen), in totaal ca. 300.000. Autochtone riten en
bezweringen leven nog sterk in Afrikaanse religieuze gemeenschappen (Santerias,
Abukua).
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en administratieve indeling
Sinds 1959 is Cuba een socialistische republiek. In 1976 trad een nieuwe
grondwet in werking ter vervanging van de constitutie van 1940. Deze
grondwet, met een duidelijk socialistisch karakter, legde de
bestuursvormen vast waarmee sinds 1970 was geëxperimenteerd. Een
belangrijk onderdeel vormden de organen van de volksmacht (Poder Popular)
die werden ingesteld om de participatie van de bevolking op de
verschillende bestuursniveaus te garanderen. Door middel van getrapte
verkiezing en vertegenwoordiging worden provinciale en nationale
Volksmachtassemblées samengesteld. Onder invloed van het voortbestaan
van internationale isolatie en met het oog op een dramatische
economische-crisisontwikkeling werden in 1992 76 van de 141 artikelen
van de grondwet van 1976 aangepast. Voor het merendeel betrof het een
verwerping van de grondslagen van het orthodoxe communisme. De
dominerende rol van de PCC als enige legale partij bleef weliswaar
onaangetast, maar haar traditie werd niet langer als
marxistisch-leninistisch gedefinieerd, maar teruggevoerd op de Cubaanse
vrijheidsstrijder José Martí. Een van de belangrijkste wijzigingen was
de invoering van vrije, directe verkiezingen en het loslaten van het
systeem van volksmachtorganen met hun getrapt gekozen gedelegeerden. De
wetgevende macht berust bij het parlement, dat uit één Kamer bestaat. De
Asamblea Nacional del Poder Popular telt 589 leden, die voor een periode
van vijf jaar in directe verkiezingen worden gekozen. Actief kiesrecht
hebben alle Cubanen vanaf 16 jaar; passief vanaf 18 jaar. De Staatsraad
(31 leden) wordt door het parlement gekozen en fungeert als hoogste
staatsorgaan. De Ministerraad wordt als hoogste uitvoerende macht
voorgezeten door de voorzitter van de Staatsraad. De macht van de
president, het staatshoofd, is zeer groot en bij de grondwetswijziging
van 1992 zelfs nog uitgebreid (grondwettelijke rechten kan hij buiten
werking stellen en hij kan de noodtoestand uitroepen).
3.1.1 Administratieve indeling
Cuba is administratief ingedeeld in 14 provincies en 169 gemeenten; het
Isla de la Juventud is een gemeente met aparte status.
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Na een periode van isolement heeft Cuba bilaterale diplomatieke relaties
met de meeste Latijns-Amerikaanse landen gelegd. Als lid van de
Verenigde Naties participeert het in de Economische Commissie voor
Latijns-Amerika (ECLA), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de
Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) en in UNESCO. Cuba maakt voorts
deel uit van de Beweging van Niet-gebonden Landen.
3.3 Politieke organisatie en vakbonden
De Communistische Partij van Cuba (PCC) is de enig toegestane politieke
organisatie. Erin opgenomen zijn de prerevolutionaire Partido Socialista
Popular (PSP, opgericht in 1925) en de Beweging van 26 juli. De
(illegale) oppositie heeft zich aaneengesloten in het Democratisch
Verbond.
De overkoepelende vakbondsorganisaties zijn o.a. de CTC, de Cubaanse
Arbeiderscentrale, het Comité voor de Verdediging van de Revolutie (CDR),
dat met 5 miljoen leden de grootste is, en voorts de communistische
jeugdbeweging (UJC), de Cubaanse Vrouwenbond (FMC) en de organisatie van
kleine zelfstandige boeren en pachters, de ANAP (Asociación Nacional de
Agricultores Privados).
4. Economie
4.1 Algemeen
Cuba
verkeert in een ernstige crisis, door het wegvallen van de sovjetsteun
en door de Amerikaanse handelsboycot. Sinds 1990 daalt het BNP jaarlijks
met 30%. Driekwart van de bevolking is ondervoed. De spil van de
Cubaanse economie is de landbouw en in het bijzonder de traditionele
export van suikerrietproducten (38% van de totale exportwaarde in 1993).
De verbouw ervan neemt 56% van het agrarisch areaal in beslag. Vanwege
de sterke prijsfluctuaties op de wereldmarkt voor suiker vormden de
aankopen tegen garantieprijzen door de voormalige Sovjet-Unie de
ruggengraat van de economie, maar die steun is weggevallen. Behalve in
de landbouw, waar enig particulier grondbezit is toegestaan, zijn alle
bedrijven in staatshanden. In coördinatie met de Comecon werd tot 1980
het eerste vijfjarenplan opgezet door de Junta Central de Planificación
(JUCEPLAN).
Het beleid in de jaren zeventig onderscheidde zich van dat in de
beginfase onder Castro door een grote nadruk op een rationele en
pragmatische aanpak van de productie (efficiënte kapitaalsallokatie,
meer bevoegdheden voor bedrijfsmanagers en verhoging van de
arbeidsproductiviteit door materiële in plaats van morele prikkels),
waardoor de economische groei duidelijk werd versneld. In de jaren
tachtig werd dit beleid voortgezet, waarbij diversificatie van de
economie opnieuw werd benadrukt (toerisme, visserij, nikkel en citrus).
4.2 Landbouw en visserij
Sinds de 19de eeuw is de verbouw van suikerriet de belangrijkste
agrarische activiteit. Andere belangrijke landbouwgewassen zijn tabak
(in de streek Vuelta Abajo, prov. Pinar del Rio), koffie (vnl. in het
oosten), rijst en citrusvruchten.
Voor de revolutie was het overgrote gedeelte van het bouwland in handen
van grootgrondbezitters. De landhervormingswet van 1959 gaf het
Instituto Nacional de Reforma Agraria (INRA) ruime bevoegdheden
aangaande onteigening, herverkaveling, oprichting van coöperaties en
productieplanning. Ook de afzet van landbouwproducten wordt verzorgd
door de INRA. Een belangrijk deel van de agrarische productie is
afkomstig van de particuliere gronden, die ca. 30% van het
landbouwareaal en een groter deel van de productie (veehouderij,
groenteteelt, tabak, koffie) uitmaken. Visserij is in de tweede helft
van de jaren zeventig een belangrijke tak van nijverheid geworden (krab,
kreeft en garnalen), en na suiker en nikkel het derde exportproduct.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Cuba heeft de grootste nikkelvoorraden ter wereld; de productie
concentreert zich in Nicaro. Daarnaast wordt ook ijzer-, chroom- en
mangaanerts gedolven. De mijnbouw, sinds 1960 genationaliseerd,
ontwikkelt zich langzaam. Aardolie moet worden ingevoerd (1/3 van de
totale import). Er zijn drie olieraffinaderijen. De eigen
aardolieproductie van Cuba groeit snel. De elektriciteitsvoorziening is
vrijwel geheel afkomstig van thermische centrales. Een kerncentrale is
in aanbouw.
4.4 Industrie
De belangrijkste industriële ontwikkeling geldt de agro-industrieën
(suikerraffinage, tabaksindustrie, verwerking van vlees, zuivel en
visconserven). Ook in ontwikkeling zijn de kunstmest-, papier- en
textielindustrie, de productie van consumptiegoederen en de fabricage
van bouwmaterialen. De bijdrage van de industrie aan de economie (Bruto
Sociaal Product) is tussen 1975 en 1985 ca. 45% geweest; werkgelegenheid
en productie groeien. Er is echter gebrek aan een groot aantal
grondstoffen.
4.5 Handel
Voordat de Verenigde Staten in 1960 een handelsembargo afkondigden,
waren zij verreweg de belangrijkste handelspartner van Cuba. Nadien werd
die rol overgenomen door de Sovjet-Unie en andere socialistische landen
(in 1983 vond 87% van de totale handel met deze landen plaats). Met name
de Sovjet-Unie subsidieerde in feite de Cubaanse economie door suiker
tegen prijzen boven de wereldmarktprijs af te nemen, door de levering
van olie tegen lage prijzen en door ontwikkelingshulp. Cuba verzekerde
zich daarnaast van westerse valuta door een deel van zijn productie
(suiker, nikkel, toerisme) op de niet-socialistische markt te verkopen.
Daarnaast was met name in de jaren zeventig veel kapitaal geleend.
Hierdoor en door een tekort op de handelsbalans was de schuld aan
westerse landen gegroeid tot $ 5,3 miljard (1987). De belangrijkste
exportproducten zijn suiker en rum, nikkel, vis, koffie, tabak, thee,
cacao, citrus en olieproducten. De belangrijkste importgoederen zijn
olie en kapitaalgoederen.
4.6 Toerisme
Het toerisme is eind jaren tachtig sterk gestimuleerd door de bouw en
renovatie van hotels en verbetering van de infrastructuur. Het is de
bedoeling dat deze sector de op één na grootste bron van buitenlandse
deviezen wordt. Cuba ontvangt jaarlijks een kwart miljoen bezoekers,
goed voor $ 1 miljard aan deviezen.
4.7 Bank- en verzekeringswezen
De Banco Nacional de Cuba is de enige bank en combineert de functies van
handelsbank, investeringsbank, centrale bank en spaarbank. Er bestaat
een strikte deviezencontrole. Het verzekeringswezen is eveneens
genationaliseerd.
4.8 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Vanaf 1960 hebben de socialistische landen Cuba aanzienlijke kredieten
verstrekt tegen lage rente. Met name de Sovjet-Unie steunde Cuba; in
1983 bedroeg deze steun $ 4, 2 miljard waarvan $ 1,1 miljard als
ontwikkelingshulp en $ 3,1 miljard in de vorm van subsidies op suiker-
en nikkelexport. De hulp van andere Comeconlanden was $ 0,4 miljard in
1982. De economische steun van westerse landen is gering; de OESO-landen
droegen in 1983 $ 19,7 miljoen bij. Japan is de belangrijkste westerse
crediteur, gevolgd door Spanje, Frankrijk en Canada.
4.9 Verkeer
De lengte van het spoorwegnet bedraagt 12!654 km, waarvan 60% in gebruik
is in de suikersector en 40% voor openbaar vervoer. Van Pinar del Rio
naar Santiago loopt een 1144 km lange weg met een aftakking naar de
hoofdstad. Het totale wegennet is 20!000 km lang. Het personenvervoer
neemt sterk toe, vooral in de sector van het openbaar vervoer. Naast
binnenlandse verbindingen verzorgt de nationale luchtvaartmaatschappij
Cubana vluchten naar het buitenland. De belangrijkste luchthaven is José
Martí nabij Havana, voorts zijn er nog drie internationale luchthavens
in Holguín, Santiago de Cuba en Varadero. De koopvaardijvloot vervoert
slechts een klein gedeelte van de eigen in- en uitvoer. De belangrijkste
havens zijn Havana, Cienfuegos, Santiago de Cuba, Guyabal en Matanzas.
5. Geschiedenis
5.1 Ontdekking en slavernij
Cuba werd ontdekt door
Christophorus Columbus op zijn eerste reis (27 okt. 1492), maar pas
veroverd door Diego Velásquez (1511). De oorspronkelijke Indiaanse
bevolking werd gedecimeerd. Het eiland werd opnieuw bevolkt door
Spanjaarden, Afrikaanse slaven en hun afstammelingen. Hoewel
plantagelandbouw al snel tot ontwikkeling werd gebracht, was de
belangrijkste functie van Cuba in het Spaansamerikaanse imperium de
bevoorrading van de Spaanse vloot (extensieve veeteelt en
havenfaciliteiten). Cuba was, met uitzondering van een Engelse bezetting
in 1762, steeds een Spaanse kolonie. Dit veranderde niet toen rond 1820
het Spaansamerikaanse continent zich bevrijdde van het moederland.
Inmiddels ontwikkelde Cuba zich tot de belangrijkste suikerproducent ter
wereld. Deze ontwikkeling was mogelijk dankzij de slavenhandel en
slavernij.
De verhouding van de Cubaanse elite tot Spanje was ambivalent. Het
Spaanse mercantilisme benadeelde de Cubaanse planters, die liever
ongehinderd zaken deden met de Verenigde Staten. Er gingen zelfs stemmen
op om aansluiting te zoeken bij dit land. Daarentegen waren de planters
afhankelijk van Spanje waar het ging om de handhaving van de openbare
orde, met name onder de slavenbevolking, die in 1841 43% van de
bevolking uitmaakte. De kwestie van de slavernij bleef een twistappel.
De eerste onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje (1868-1878) brak uit in
het oosten van het land, waar de plantagesector weinig ontwikkeld en
slavernij van ondergeschikt belang was. In deze oorlog speelden ook
kleurlingen en vrijgemaakte slaven een grote rol. Spanje wist
uiteindelijk de opstand te onderdrukken.
5.2 Onafhankelijkheid
In 1886 werd de slavernij afgeschaft. De expansie van de suikerproductie
werd echter voortgezet, mede dankzij de immigratie van 125.000 Chinese
contractarbeiders. Het verzet tegen Spanje bleef. Onder leiding van de
Cubaanse banneling José Martí (1853-1895) werd uiteindelijk een
definitieve oorlog gevoerd (1895-1898). Spanje werd inderdaad verslagen,
maar de Cubaanse opstandelingen moesten de werkelijke overwinning aan de
Verenigde Staten gunnen. Deze mogendheid, sinds lang de belangrijkste
economische partner, intervenieerde in 1898 in de oorlog en tekende
uiteindelijk in plaats van de Cubanen het vredesverdrag met Spanje.
Cuba kwam korte tijd onder Amerikaans gezag. In 1902 verkreeg het
niettemin zijn althans nominale onafhankelijkheid als republiek.
Krachtens de grondwet behielden de Verenigde Staten echter enkele
prerogatieven. Het belangrijkste daarvan was vervat in het Platt
Amendement, dat aan de Verenigde Staten het recht op interventie gaf,
alsook enkele marinesteunpunten, waaronder (voor een periode van 100
jaar) de Baai van Guantánamo. Tevens werd in 1903 een handelsverdrag
gesloten dat de basis vormde voor een verdere expansie van het
Amerikaanse bedrijfsleven in Cuba. De Cubaanse economie maakte een
sterke, maar eenzijdige (op suiker gerichte) ontwikkeling door. Tot 1959
zou Cuba politiek en economisch zeer sterk van de Verenigde Staten
afhankelijk zijn.
5.3 De eerste presidenten
Politieke chaos leidde reeds na het aftreden van de eerste president
(1906) tot een terugkeer van het Amerikaanse militaire gezag
(1906-1908), later herhaald (1912, 1917-1922). Het Platt Amendement werd
pas in 1924 opgeheven en bleek een krachtige stimulans voor het
anti-Amerikaanse nationalisme. Inmiddels losten weinig integere
presidenten elkaar af. Hierbij kwam een zware economische crisis na de
ineenstorting van de suikerprijzen in 1920-1921. Van 1926 tot 1933 was
Gerardo Machado president. De corruptie van zijn regime leidde tot brede
oppositie. Zijn positie werd ten slotte onhoudbaar. Mede door
Amerikaanse bemiddeling ruimde hij het veld voor Céspedes, die op zijn
beurt na een maand verdreven werd door een nieuwe opstand van het leger,
geleid door de populaire sergeant Fulgencio Batista y Zaldivar. Deze
benoemde de intellectueel Grau San Martín tot president. Diens regime
werd een half jaar later door Batista zelf omvergeworpen. Batista
domineerde de Cubaanse politiek van 1934 tot 1959, achtereenvolgens door
middel van stromannen, als gekozen president en als dictator.
5.4 Periode Batista
Ter voorbereiding van de verkiezingen van juli 1940 verschoof Batista
zijn politieke opstelling naar links, waarbij hij hervormingen ten
gunste van de vakbonden, alsmede een legalisering van de Communistische
Partij in het vooruitzicht stelde. Met vrij brede steun van de bevolking
werd Batista tot president gekozen. Zijn bewind was in theorie gebaseerd
op een nieuwe, vooruitstrevende grondwet. Deze werd echter niet of
nauwelijks in praktijk gebracht. In 1944 leed Batista een
verkiezingsnederlaag tegen de vroegere president Grau San Martín, leider
van de liberale Auténticopartij, die in 1948 het presidentschap kon
overdragen aan zijn geestverwant, Prío Socarras.
Deze werd in maart 1952 afgezet door een staatsgreep onder leiding van
Batista, die in 1954 als president herkozen werd in frauduleuze
verkiezingen. Batista bouwde een dictatoriaal regime op. Hij bleef de
grondwet van 1940 negeren. In de loop van de jaren vijftig werd de
oppositie tegen zijn bewind sterker. Een door
Fidel Castro geleide revolutionaire beweging deed voor het eerst
hard van zich horen door een mislukte aanval, op 26 juli 1953, op de
Moncada-kazerne. In het daarop volgende proces werden de opstandelingen
tot gevangenisstraffen veroordeeld.
Nadat Castro in 1955 was vrijgelaten, begon hij vanuit zijn ballingsoord
in Mexico, tezamen met enkele anderen (onder wie
Ernesto 'Che' Guevara), aan de voorbereiding van een invasie in
Cuba, welke inderdaad werd uitgevoerd. Van de 81 deelnemers aan de
expeditie met het schip Granma wist slechts een dozijn het avontuur te
overleven. Vanuit de Sierra Maestra begon deze groep aan de organisatie
van een guerrillabeweging, die overigens bij de tegen Batista gerichte
oppositie wel, maar bij de Communistische Partij weinig of geen
sympathie oogstte. Eind 1958 had de beweging zich zodanig verspreid en
versterkt en was de oppositie tegen Batista zo algemeen geworden, dat
deze zich - toen ook het leger hem niet meer steunde - gedwongen zag met
vele aanhangers de vlucht te nemen (31 dec. 1958). Op 1 jan. 1959 trok
Castro's beweging van 26 Juli Havana binnen. Daarmee was de overwinning
een feit.
5.5 Castro en de Cubaanse crisis
Al
in de loop van 1959 werd duidelijk dat Castro van Cuba een
socialistische staat wilde maken. Zelf premier, benoemde hij zijn broer
en medestrijder Raúl tot minister van Defensie (tot op heden is deze
Cuba's tweede man). Nadat in juni 1959 een aantal hervormingen was
geïnitieerd, verslechterden de betrekkingen met de Verenigde Staten zeer
snel, waarschijnlijk mede als gevolg van het feit dat in het
nationalisatieprogramma van het nieuwe bewind ook enkele Amerikaanse
investeringen in Cuba betrokken zouden worden. De Amerikaanse hulp werd
stopgezet, de suikerimport uit Cuba werd gestaakt en de diplomatieke
betrekkingen werden verbroken. Ook de bondgenoten van de Verenigde
Staten namen aan de boycot deel. Het Cubaanse regime begon nu steun te
zoeken bij de socialistische landen, m.n. de Sovjet-Unie.
Op 16 april 1961 vond een door de Verenigde Staten ondersteunde invasie
in de Varkensbaai plaats, uitgevoerd door Cubaanse ballingen die door de
Amerikaanse CIA waren geïnstrueerd. De invasie liep uit op een totale
mislukking, enerzijds door militaire fouten en anderzijds door
onderschatting van de steun die Fidel Castro bij het overgrote deel van
de bevolking genoot. In okt. 1962 werd bekend dat op Cuba
Sovjet-Russische raketbases waren ingericht.
President Kennedy eiste ontmanteling daarvan en kondigde een
gedeeltelijke economische en diplomatieke blokkade van het eiland af.
Dit leidde tot de ernstigste crisis in de internationale politiek sinds
1945. Na een week besloot Moskou toe te geven. In Cuba viel een
verharding en een radicalisering te constateren. Tekenen daarvan waren
de herverdeling van het land en de nationalisatie van de openbare
diensten, suikerraffinaderijen en later ook van de olieraffinaderijen,
die bijna geheel in handen van de Amerikanen waren. De regering
ontwikkelde grootscheepse plannen voor de verbetering van de economische
en sociale infrastructuur.
5.6 Consolidatie van het communistische regime
In okt. 1965 kondigde Castro, die in 1961 had verklaard dat de Cubaanse
revolutie was gebaseerd op de marxistisch-leninistische beginselen, de
oprichting aan van een nieuwe Communistische Partij van Cuba (PCC) ter
vervanging van zijn Partido Unido de la Revolución Socialista. Dit
leidde tot een breuk met enkele van zijn voormalige medestanders, alsook
tot een emigratie op grote schaal van bevolkingsgroepen die zich met de
steeds sterker wordende totalitaire tendensen van het regime niet konden
verenigen. Sedertdien was sprake van een consolidatie van de revolutie.
De neerslag daarvan was te vinden in de nieuwe Grondwet van 1976. Op het
ontbreken van burgerlijke vrijheden in Cuba is veel kritiek geleverd.
Veel politieke tegenstanders uit alle lagen van de bevolking zijn
geëmigreerd. Toen in 1980 kortstondig de mogelijkheid bestond tot
emigratie maakten niet minder dan 125!000 Cubanen gebruik van deze
mogelijkheid.
5.7 Internationale politiek
De internationale politiek van Cuba heeft verschillende fasen gekend.
Aanvankelijk trachtte het de revolutie naar andere Latijns-Amerikaanse
landen te exporteren; hierbij werd Che Guevara op 8 okt. 1967 in Bolivia
als guerrillero vermoord. Toen Cuba gematigder ging optreden, werden de
economische en diplomatieke betrekkingen met andere Latijns-Amerikaanse
landen hersteld. De economische boycot van Cuba door de Organisatie van
Amerikaanse Staten, ingesteld in 1964, werd in 1975 opgeheven. De
betrekkingen met de Verenigde Staten verbeterden tijdens het
presidentschap van Jimmy Carter (1976-1980), zonder dat evenwel de
diplomatieke banden werden hersteld of de handelsboycot werd opgeheven.
In het kader van de 'internationale solidariteit' steunde Cuba vanaf
1975 de bevrijdingsbeweging MPLA in Angola. Bovendien gingen Cubaanse
militairen het Ethiopische leger versterken in de strijd tegen Somalië
(1978). Eind 1978 bevonden zich naar schatting 40.000 Cubanen in
genoemde landen. In de jaren tachtig is Cuba zich gaan terugtrekken,
allereerst uit Ethiopië. In 1989 werd begonnen met de terugtrekking van
Cubaanse troepen uit Angola. Verder werd actieve steun verleend aan
revoluties en revolutionaire bewegingen in de regio (Nicaragua, Grenada
en El Salvador).
In de periode dat
Ronald Reagan president van de Verenigde Staten was (1980-1988)
verslechterden de verhoudingen met dit land sterk. De relaties met
West-Europa waren duidelijk beter. De verwijdering die tussen Cuba en de
Sovjet-Unie ontstond werd zichtbaar toen het laatste land de
gesubsidieerde leveranties van o.a. aardolie aan Cuba vanaf 1990 begon
te verminderen, terwijl de afname van suiker tegen prijzen boven de
wereldmarktprijs tegelijkertijd ook werd teruggebracht. In 1992 werd het
energietekort zo groot dat nog slechts op beperkte schaal gebruik
gemaakt kon worden van landbouwmachines. Als gevolg hiervan produceerde
Cuba in 1992 slechts 7 miljoen ton suiker, een van de slechtste
resultaten van de laatste 15 jaar. In juli 1992 verdwenen uit de
Grondwet de passage over de 'broederlijke vriendschap met de
Sovjet-Unie' en de zinsnede dat Cuba 'deel uitmaakt van de
socialistische wereldgemeenschap'. In juni 1993 vertrokken de laatste
300 man Russische troepen na een aanwezigheid van dertig jaar.
De voorheen indirect gekozen volksvertegenwoordigers konden op 25
februari 1993 voor het eerst direct worden gekozen. Officieel stemden
99, 6% van de kiezers. Om 'de revolutie te redden' werd beperkt
geliberaliseerd. In juli 1993 werd het verbod op bezit van buitenlands
geld opgeheven, terwijl het tegelijkertijd in het buitenland
verblijvende Cubanen gemakkelijker werd gemaakt terug te keren. Twee
maanden later werden bepaalde eenmansbedrijfjes (taxibestuurders,
kappers) officieel toegestaan.
5.8 Voorzichtige liberalisering economie
In 1995 werd het staatsmonopolie op de verkoop van landbouwproducten
opgeheven. Ondanks de economische hervormingen bleven democratische
hervormingen uit. Volgens dissidenten zaten eind 1995 tussen de honderd-
en tweehonderdduizend Cubanen in gevangenissen en werkkampen, van wie
een deel om politieke redenen.
In mei van dat jaar kwamen Cuba en de Verenigde Staten overeen dat de
Verenigde Staten jaarlijks 20!000 inreisvisa zouden afgeven aan Cubanen
in ruil voor de Cubaanse toezegging illegale vluchtelingen te
verhinderen het land te verlaten. De Amerikaanse president
Clinton ondertekende in maart 1996 de Helms-Burton-wet. Deze
sanctiewet bevat bepalingen die het mogelijk maken sancties op te leggen
aan buitenlanders die investeren in genationaliseerde bedrijven op Cuba.
De EU, Canada en de Latijns-Amerikaanse landen protesteerden tegen de
aanscherping van het embargo tegen Cuba en president Clinton stelde in
juli 1996 de inwerkingtreding uit van het meest omstreden onderdeel van
de wet. Begin juni 1997 ondertekende Castro een decreet dat buitenlandse
investeringen mogelijk maakte in vrijhandelszones met
belastingvrijstelling en lage douanerechten.
Telefoongids Cuba
Postcodes Cuba
|