header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Cuba

 

Terug naar overzicht Noord-Amerika >>

 



Cuba (officieel: República de Cuba), republiek in het Caribische gebied, 110.860 km2, met (schatting 1995) 10.951.000 inw. (99 per km2); hoofdstad: Havana. Cuba is zeer strategisch gelegen: het beheerst de Golf van Mexico en de Caribische Zee. Tot Cuba behoren nog ruim duizend kleine eilanden, waarvan Isla de la Juventud (3057 km2) het grootst is. Munteenheid is de Cubaanse peso, onderverdeeld in 100 centavos.

Nationale feestdagen zijn 1 januari, de dag waarop Castro in 1959 aan de macht kwam, 26 juli, de dag van de (mislukte) opstand in 1953 van Castro tegen het bewind van dictator Batista, en 10 oktober, de dag waarop de onafhankelijkheidsoorlogen worden herdacht.

Havana - skylineHavana - skylineHavana - skylineHavana - skylineHavana - skyline
1. Fysische geografie

1.1 Landschap
Cuba maakt deel uit van de oost-westlopende Midden-Amerikaanse gebergteketen. De bodem bestaat uit kalkafzettingen, waarin op vele plaatsen grotten zijn ontstaan (karstverschijnsel). Een groot deel van Cuba is bergachtig: in het zuidoosten ligt de gemiddeld 1700 m hoge Sierra Maestra (Pico Turquino, 2005 m), in de provincie Las Villas de ca. 1200 m hoge Cordillera de los Órganos. In Oost-Cuba komen veelvuldig aardbevingen voor. De noordkust is steil en rotsachtig; er zijn veel koraalriffen. De bergachtige zuidkust wordt onderbroken door enige vlakten die tot de zee doorlopen. Het schiereiland Zapata is moerassig. Door de sterk gelede kustlijn heeft Cuba goede natuurlijke havens. De ruim 200 rivieren zijn kort; alleen de 370 km lange Rio Cauto is voor 80 km bevaarbaar.
1.2 Klimaat
falls041.jpgEr heerst een tropisch klimaat, dat door de noordoostpassaat ( 'Norte') zeer gematigd wordt; in het westen is zelfs een winter merkbaar. In Havana varieert de temperatuur van 9 tot 41 °C; in juli bedraagt de gemiddelde temperatuur 27, 7 °C, in januari 21,3 °C. De regentijd duurt van mei tot november (zenitale regens) en wordt gekenmerkt door hevige onweders. Het koelere droge seizoen is niet geheel zonder regen. De gemiddelde jaarlijkse neerslag is 1270 mm. Orkanen komen soms voor.
1.3 Planten- en dierenwereld
Cuba is erg rijk aan plantensoorten, waarvan bijna de helft endemen. Door de aanplant van suikerriet, koffie en rijst zijn bijna alle oorspronkelijke wouden verdwenen. Men stelt nu pogingen in het werk het eiland opnieuw voor een gedeelte te bebossen, om zowel economische redenen als om natuurbehoud. Grote palmen van 20-25 m hoog geven het landschap zijn specifieke aanzien. In de Cubaanse kustgebieden en laagvlakten vindt men resp. mangroven en tabaksplanten.
Een grote variëteit aan dieren is op het eiland aanwezig. De kustwateren herbergen o.a. veel schaaldieren en economisch belangrijke vissoorten. Van de vele vogels is slechts ongeveer een derde inheems; de overige zijn trekvogels van elders. Er leven twee soorten krokodillen (bij de wet beschermd) en vele schildpadden, leguanen en andere reptielen. Interessante zoogdieren zijn o.m. Solenodon cubana, een aan de agouta verwante insecteneter. Zeer veel soorten blijken alleen op Cuba voor te komen; dat geldt in het bijzonder voor de zeer kleurrijke landslakken.
De natuurbeschermingsgedachte begon in de jaren tachtig veld te winnen.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling
Van de bijna 11 miljoen inwoners beschouwt 70% zichzelf als blank; ca. 29% is van Afro-Cubaanse origine (12% zwarten en 17% mestiezen en mulatten). De oorspronkelijke Indiaanse bevolking is al lang geleden opgegaan in de andere bevolkingsgroepen. Het geboortecijfer is 14, 5 per duizend, het sterftecijfer 6,9. 75% van de Cubaanse bevolking woont in de steden, van wie ruim 2,1 miljoen in de hoofdstad Havana. Het regeringsbeleid probeert verdere verstedelijking tegen te gaan. De bevolking groeit met gemiddeld 1% per jaar. In de Verenigde Staten (Florida) leven ongeveer 1,5 miljoen Cubaanse vluchtelingen.
2.2 Taal
De taal is het Spaans. In de Cubaanse spreektaal komen afrikanismen voor die het Cubaans een eigen karakter en klankkleur geven.
2.3 Religie
De grondwet garandeert (sinds 1992) weer volledige geloofs- en godsdienstvrijheid. Ca. de helft van de bevolking beschouwt zichzelf niet godsdienstig; 40% rekent zich tot de Rooms-Katholieke Kerk. Cuba heeft twee kerkprovincies; de aartsbisschoppelijke zetels zijn San Cristóbal de Habana en Santiago de Cuba. Het godsdienstonderwijs op de scholen is in 1961 afgeschaft. In de steden bestaan voorts enkele kleine protestantse geloofsgemeenschappen van verscheidene denominaties (vnl. methodisten en anglicanen), in totaal ca. 300.000. Autochtone riten en bezweringen leven nog sterk in Afrikaanse religieuze gemeenschappen (Santerias, Abukua).

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en administratieve indeling
Sinds 1959 is Cuba een socialistische republiek. In 1976 trad een nieuwe grondwet in werking ter vervanging van de constitutie van 1940. Deze grondwet, met een duidelijk socialistisch karakter, legde de bestuursvormen vast waarmee sinds 1970 was geëxperimenteerd. Een belangrijk onderdeel vormden de organen van de volksmacht (Poder Popular) die werden ingesteld om de participatie van de bevolking op de verschillende bestuursniveaus te garanderen. Door middel van getrapte verkiezing en vertegenwoordiging worden provinciale en nationale Volksmachtassemblées samengesteld. Onder invloed van het voortbestaan van internationale isolatie en met het oog op een dramatische economische-crisisontwikkeling werden in 1992 76 van de 141 artikelen van de grondwet van 1976 aangepast. Voor het merendeel betrof het een verwerping van de grondslagen van het orthodoxe communisme. De dominerende rol van de PCC als enige legale partij bleef weliswaar onaangetast, maar haar traditie werd niet langer als marxistisch-leninistisch gedefinieerd, maar teruggevoerd op de Cubaanse vrijheidsstrijder José Martí. Een van de belangrijkste wijzigingen was de invoering van vrije, directe verkiezingen en het loslaten van het systeem van volksmachtorganen met hun getrapt gekozen gedelegeerden. De wetgevende macht berust bij het parlement, dat uit één Kamer bestaat. De Asamblea Nacional del Poder Popular telt 589 leden, die voor een periode van vijf jaar in directe verkiezingen worden gekozen. Actief kiesrecht hebben alle Cubanen vanaf 16 jaar; passief vanaf 18 jaar. De Staatsraad (31 leden) wordt door het parlement gekozen en fungeert als hoogste staatsorgaan. De Ministerraad wordt als hoogste uitvoerende macht voorgezeten door de voorzitter van de Staatsraad. De macht van de president, het staatshoofd, is zeer groot en bij de grondwetswijziging van 1992 zelfs nog uitgebreid (grondwettelijke rechten kan hij buiten werking stellen en hij kan de noodtoestand uitroepen).
3.1.1 Administratieve indeling
Cuba is administratief ingedeeld in 14 provincies en 169 gemeenten; het Isla de la Juventud is een gemeente met aparte status.
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Na een periode van isolement heeft Cuba bilaterale diplomatieke relaties met de meeste Latijns-Amerikaanse landen gelegd. Als lid van de Verenigde Naties participeert het in de Economische Commissie voor Latijns-Amerika (ECLA), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) en in UNESCO. Cuba maakt voorts deel uit van de Beweging van Niet-gebonden Landen.
3.3 Politieke organisatie en vakbonden
De Communistische Partij van Cuba (PCC) is de enig toegestane politieke organisatie. Erin opgenomen zijn de prerevolutionaire Partido Socialista Popular (PSP, opgericht in 1925) en de Beweging van 26 juli. De (illegale) oppositie heeft zich aaneengesloten in het Democratisch Verbond.
De overkoepelende vakbondsorganisaties zijn o.a. de CTC, de Cubaanse Arbeiderscentrale, het Comité voor de Verdediging van de Revolutie (CDR), dat met 5 miljoen leden de grootste is, en voorts de communistische jeugdbeweging (UJC), de Cubaanse Vrouwenbond (FMC) en de organisatie van kleine zelfstandige boeren en pachters, de ANAP (Asociación Nacional de Agricultores Privados).

4. Economie
4.1 Algemeen
Cuba verkeert in een ernstige crisis, door het wegvallen van de sovjetsteun en door de Amerikaanse handelsboycot. Sinds 1990 daalt het BNP jaarlijks met 30%. Driekwart van de bevolking is ondervoed. De spil van de Cubaanse economie is de landbouw en in het bijzonder de traditionele export van suikerrietproducten (38% van de totale exportwaarde in 1993). De verbouw ervan neemt 56% van het agrarisch areaal in beslag. Vanwege de sterke prijsfluctuaties op de wereldmarkt voor suiker vormden de aankopen tegen garantieprijzen door de voormalige Sovjet-Unie de ruggengraat van de economie, maar die steun is weggevallen. Behalve in de landbouw, waar enig particulier grondbezit is toegestaan, zijn alle bedrijven in staatshanden. In coördinatie met de Comecon werd tot 1980 het eerste vijfjarenplan opgezet door de Junta Central de Planificación (JUCEPLAN).
Het beleid in de jaren zeventig onderscheidde zich van dat in de beginfase onder Castro door een grote nadruk op een rationele en pragmatische aanpak van de productie (efficiënte kapitaalsallokatie, meer bevoegdheden voor bedrijfsmanagers en verhoging van de arbeidsproductiviteit door materiële in plaats van morele prikkels), waardoor de economische groei duidelijk werd versneld. In de jaren tachtig werd dit beleid voortgezet, waarbij diversificatie van de economie opnieuw werd benadrukt (toerisme, visserij, nikkel en citrus).
4.2 Landbouw en visserij
Sinds de 19de eeuw is de verbouw van suikerriet de belangrijkste agrarische activiteit. Andere belangrijke landbouwgewassen zijn tabak (in de streek Vuelta Abajo, prov. Pinar del Rio), koffie (vnl. in het oosten), rijst en citrusvruchten.
Voor de revolutie was het overgrote gedeelte van het bouwland in handen van grootgrondbezitters. De landhervormingswet van 1959 gaf het Instituto Nacional de Reforma Agraria (INRA) ruime bevoegdheden aangaande onteigening, herverkaveling, oprichting van coöperaties en productieplanning. Ook de afzet van landbouwproducten wordt verzorgd door de INRA. Een belangrijk deel van de agrarische productie is afkomstig van de particuliere gronden, die ca. 30% van het landbouwareaal en een groter deel van de productie (veehouderij, groenteteelt, tabak, koffie) uitmaken. Visserij is in de tweede helft van de jaren zeventig een belangrijke tak van nijverheid geworden (krab, kreeft en garnalen), en na suiker en nikkel het derde exportproduct.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Cuba heeft de grootste nikkelvoorraden ter wereld; de productie concentreert zich in Nicaro. Daarnaast wordt ook ijzer-, chroom- en mangaanerts gedolven. De mijnbouw, sinds 1960 genationaliseerd, ontwikkelt zich langzaam. Aardolie moet worden ingevoerd (1/3 van de totale import). Er zijn drie olieraffinaderijen. De eigen aardolieproductie van Cuba groeit snel. De elektriciteitsvoorziening is vrijwel geheel afkomstig van thermische centrales. Een kerncentrale is in aanbouw.
4.4 Industrie
De belangrijkste industriële ontwikkeling geldt de agro-industrieën (suikerraffinage, tabaksindustrie, verwerking van vlees, zuivel en visconserven). Ook in ontwikkeling zijn de kunstmest-, papier- en textielindustrie, de productie van consumptiegoederen en de fabricage van bouwmaterialen. De bijdrage van de industrie aan de economie (Bruto Sociaal Product) is tussen 1975 en 1985 ca. 45% geweest; werkgelegenheid en productie groeien. Er is echter gebrek aan een groot aantal grondstoffen.
4.5 Handel
Voordat de Verenigde Staten in 1960 een handelsembargo afkondigden, waren zij verreweg de belangrijkste handelspartner van Cuba. Nadien werd die rol overgenomen door de Sovjet-Unie en andere socialistische landen (in 1983 vond 87% van de totale handel met deze landen plaats). Met name de Sovjet-Unie subsidieerde in feite de Cubaanse economie door suiker tegen prijzen boven de wereldmarktprijs af te nemen, door de levering van olie tegen lage prijzen en door ontwikkelingshulp. Cuba verzekerde zich daarnaast van westerse valuta door een deel van zijn productie (suiker, nikkel, toerisme) op de niet-socialistische markt te verkopen. Daarnaast was met name in de jaren zeventig veel kapitaal geleend. Hierdoor en door een tekort op de handelsbalans was de schuld aan westerse landen gegroeid tot $ 5,3 miljard (1987). De belangrijkste exportproducten zijn suiker en rum, nikkel, vis, koffie, tabak, thee, cacao, citrus en olieproducten. De belangrijkste importgoederen zijn olie en kapitaalgoederen.
4.6 Toerisme
Het toerisme is eind jaren tachtig sterk gestimuleerd door de bouw en renovatie van hotels en verbetering van de infrastructuur. Het is de bedoeling dat deze sector de op één na grootste bron van buitenlandse deviezen wordt. Cuba ontvangt jaarlijks een kwart miljoen bezoekers, goed voor $ 1 miljard aan deviezen.
4.7 Bank- en verzekeringswezen
De Banco Nacional de Cuba is de enige bank en combineert de functies van handelsbank, investeringsbank, centrale bank en spaarbank. Er bestaat een strikte deviezencontrole. Het verzekeringswezen is eveneens genationaliseerd.
4.8 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Vanaf 1960 hebben de socialistische landen Cuba aanzienlijke kredieten verstrekt tegen lage rente. Met name de Sovjet-Unie steunde Cuba; in 1983 bedroeg deze steun $ 4, 2 miljard waarvan $ 1,1 miljard als ontwikkelingshulp en $ 3,1 miljard in de vorm van subsidies op suiker- en nikkelexport. De hulp van andere Comeconlanden was $ 0,4 miljard in 1982. De economische steun van westerse landen is gering; de OESO-landen droegen in 1983 $ 19,7 miljoen bij. Japan is de belangrijkste westerse crediteur, gevolgd door Spanje, Frankrijk en Canada.
4.9 Verkeer
De lengte van het spoorwegnet bedraagt 12!654 km, waarvan 60% in gebruik is in de suikersector en 40% voor openbaar vervoer. Van Pinar del Rio naar Santiago loopt een 1144 km lange weg met een aftakking naar de hoofdstad. Het totale wegennet is 20!000 km lang. Het personenvervoer neemt sterk toe, vooral in de sector van het openbaar vervoer. Naast binnenlandse verbindingen verzorgt de nationale luchtvaartmaatschappij Cubana vluchten naar het buitenland. De belangrijkste luchthaven is José Martí nabij Havana, voorts zijn er nog drie internationale luchthavens in Holguín, Santiago de Cuba en Varadero. De koopvaardijvloot vervoert slechts een klein gedeelte van de eigen in- en uitvoer. De belangrijkste havens zijn Havana, Cienfuegos, Santiago de Cuba, Guyabal en Matanzas.

5. Geschiedenis
5.1 Ontdekking en slavernij
Cuba werd ontdekt door Christophorus Columbus op zijn eerste reis (27 okt. 1492), maar pas veroverd door Diego Velásquez (1511). De oorspronkelijke Indiaanse bevolking werd gedecimeerd. Het eiland werd opnieuw bevolkt door Spanjaarden, Afrikaanse slaven en hun afstammelingen. Hoewel plantagelandbouw al snel tot ontwikkeling werd gebracht, was de belangrijkste functie van Cuba in het Spaansamerikaanse imperium de bevoorrading van de Spaanse vloot (extensieve veeteelt en havenfaciliteiten). Cuba was, met uitzondering van een Engelse bezetting in 1762, steeds een Spaanse kolonie. Dit veranderde niet toen rond 1820 het Spaansamerikaanse continent zich bevrijdde van het moederland. Inmiddels ontwikkelde Cuba zich tot de belangrijkste suikerproducent ter wereld. Deze ontwikkeling was mogelijk dankzij de slavenhandel en slavernij.
De verhouding van de Cubaanse elite tot Spanje was ambivalent. Het Spaanse mercantilisme benadeelde de Cubaanse planters, die liever ongehinderd zaken deden met de Verenigde Staten. Er gingen zelfs stemmen op om aansluiting te zoeken bij dit land. Daarentegen waren de planters afhankelijk van Spanje waar het ging om de handhaving van de openbare orde, met name onder de slavenbevolking, die in 1841 43% van de bevolking uitmaakte. De kwestie van de slavernij bleef een twistappel. De eerste onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje (1868-1878) brak uit in het oosten van het land, waar de plantagesector weinig ontwikkeld en slavernij van ondergeschikt belang was. In deze oorlog speelden ook kleurlingen en vrijgemaakte slaven een grote rol. Spanje wist uiteindelijk de opstand te onderdrukken.
5.2 Onafhankelijkheid
In 1886 werd de slavernij afgeschaft. De expansie van de suikerproductie werd echter voortgezet, mede dankzij de immigratie van 125.000 Chinese contractarbeiders. Het verzet tegen Spanje bleef. Onder leiding van de Cubaanse banneling José Martí (1853-1895) werd uiteindelijk een definitieve oorlog gevoerd (1895-1898). Spanje werd inderdaad verslagen, maar de Cubaanse opstandelingen moesten de werkelijke overwinning aan de Verenigde Staten gunnen. Deze mogendheid, sinds lang de belangrijkste economische partner, intervenieerde in 1898 in de oorlog en tekende uiteindelijk in plaats van de Cubanen het vredesverdrag met Spanje.
Cuba kwam korte tijd onder Amerikaans gezag. In 1902 verkreeg het niettemin zijn althans nominale onafhankelijkheid als republiek. Krachtens de grondwet behielden de Verenigde Staten echter enkele prerogatieven. Het belangrijkste daarvan was vervat in het Platt Amendement, dat aan de Verenigde Staten het recht op interventie gaf, alsook enkele marinesteunpunten, waaronder (voor een periode van 100 jaar) de Baai van Guantánamo. Tevens werd in 1903 een handelsverdrag gesloten dat de basis vormde voor een verdere expansie van het Amerikaanse bedrijfsleven in Cuba. De Cubaanse economie maakte een sterke, maar eenzijdige (op suiker gerichte) ontwikkeling door. Tot 1959 zou Cuba politiek en economisch zeer sterk van de Verenigde Staten afhankelijk zijn.
5.3 De eerste presidenten
Politieke chaos leidde reeds na het aftreden van de eerste president (1906) tot een terugkeer van het Amerikaanse militaire gezag (1906-1908), later herhaald (1912, 1917-1922). Het Platt Amendement werd pas in 1924 opgeheven en bleek een krachtige stimulans voor het anti-Amerikaanse nationalisme. Inmiddels losten weinig integere presidenten elkaar af. Hierbij kwam een zware economische crisis na de ineenstorting van de suikerprijzen in 1920-1921. Van 1926 tot 1933 was Gerardo Machado president. De corruptie van zijn regime leidde tot brede oppositie. Zijn positie werd ten slotte onhoudbaar. Mede door Amerikaanse bemiddeling ruimde hij het veld voor Céspedes, die op zijn beurt na een maand verdreven werd door een nieuwe opstand van het leger, geleid door de populaire sergeant Fulgencio Batista y Zaldivar. Deze benoemde de intellectueel Grau San Martín tot president. Diens regime werd een half jaar later door Batista zelf omvergeworpen. Batista domineerde de Cubaanse politiek van 1934 tot 1959, achtereenvolgens door middel van stromannen, als gekozen president en als dictator.
5.4 Periode Batista
Ter voorbereiding van de verkiezingen van juli 1940 verschoof Batista zijn politieke opstelling naar links, waarbij hij hervormingen ten gunste van de vakbonden, alsmede een legalisering van de Communistische Partij in het vooruitzicht stelde. Met vrij brede steun van de bevolking werd Batista tot president gekozen. Zijn bewind was in theorie gebaseerd op een nieuwe, vooruitstrevende grondwet. Deze werd echter niet of nauwelijks in praktijk gebracht. In 1944 leed Batista een verkiezingsnederlaag tegen de vroegere president Grau San Martín, leider van de liberale Auténticopartij, die in 1948 het presidentschap kon overdragen aan zijn geestverwant, Prío Socarras.
Deze werd in maart 1952 afgezet door een staatsgreep onder leiding van Batista, die in 1954 als president herkozen werd in frauduleuze verkiezingen. Batista bouwde een dictatoriaal regime op. Hij bleef de grondwet van 1940 negeren. In de loop van de jaren vijftig werd de oppositie tegen zijn bewind sterker. Een door Fidel Castro geleide revolutionaire beweging deed voor het eerst hard van zich horen door een mislukte aanval, op 26 juli 1953, op de Moncada-kazerne. In het daarop volgende proces werden de opstandelingen tot gevangenisstraffen veroordeeld.
Nadat Castro in 1955 was vrijgelaten, begon hij vanuit zijn ballingsoord in Mexico, tezamen met enkele anderen (onder wie Ernesto 'Che' Guevara), aan de voorbereiding van een invasie in Cuba, welke inderdaad werd uitgevoerd. Van de 81 deelnemers aan de expeditie met het schip Granma wist slechts een dozijn het avontuur te overleven. Vanuit de Sierra Maestra begon deze groep aan de organisatie van een guerrillabeweging, die overigens bij de tegen Batista gerichte oppositie wel, maar bij de Communistische Partij weinig of geen sympathie oogstte. Eind 1958 had de beweging zich zodanig verspreid en versterkt en was de oppositie tegen Batista zo algemeen geworden, dat deze zich - toen ook het leger hem niet meer steunde - gedwongen zag met vele aanhangers de vlucht te nemen (31 dec. 1958). Op 1 jan. 1959 trok Castro's beweging van 26 Juli Havana binnen. Daarmee was de overwinning een feit.
5.5 Castro en de Cubaanse crisis
President Fidel CastroAl in de loop van 1959 werd duidelijk dat Castro van Cuba een socialistische staat wilde maken. Zelf premier, benoemde hij zijn broer en medestrijder Raúl tot minister van Defensie (tot op heden is deze Cuba's tweede man). Nadat in juni 1959 een aantal hervormingen was geïnitieerd, verslechterden de betrekkingen met de Verenigde Staten zeer snel, waarschijnlijk mede als gevolg van het feit dat in het nationalisatieprogramma van het nieuwe bewind ook enkele Amerikaanse investeringen in Cuba betrokken zouden worden. De Amerikaanse hulp werd stopgezet, de suikerimport uit Cuba werd gestaakt en de diplomatieke betrekkingen werden verbroken. Ook de bondgenoten van de Verenigde Staten namen aan de boycot deel. Het Cubaanse regime begon nu steun te zoeken bij de socialistische landen, m.n. de Sovjet-Unie.
Op 16 april 1961 vond een door de Verenigde Staten ondersteunde invasie in de Varkensbaai plaats, uitgevoerd door Cubaanse ballingen die door de Amerikaanse CIA waren geïnstrueerd. De invasie liep uit op een totale mislukking, enerzijds door militaire fouten en anderzijds door onderschatting van de steun die Fidel Castro bij het overgrote deel van de bevolking genoot. In okt. 1962 werd bekend dat op Cuba Sovjet-Russische raketbases waren ingericht.
President Kennedy eiste ontmanteling daarvan en kondigde een gedeeltelijke economische en diplomatieke blokkade van het eiland af. Dit leidde tot de ernstigste crisis in de internationale politiek sinds 1945. Na een week besloot Moskou toe te geven. In Cuba viel een verharding en een radicalisering te constateren. Tekenen daarvan waren de herverdeling van het land en de nationalisatie van de openbare diensten, suikerraffinaderijen en later ook van de olieraffinaderijen, die bijna geheel in handen van de Amerikanen waren. De regering ontwikkelde grootscheepse plannen voor de verbetering van de economische en sociale infrastructuur.
5.6 Consolidatie van het communistische regime
In okt. 1965 kondigde Castro, die in 1961 had verklaard dat de Cubaanse revolutie was gebaseerd op de marxistisch-leninistische beginselen, de oprichting aan van een nieuwe Communistische Partij van Cuba (PCC) ter vervanging van zijn Partido Unido de la Revolución Socialista. Dit leidde tot een breuk met enkele van zijn voormalige medestanders, alsook tot een emigratie op grote schaal van bevolkingsgroepen die zich met de steeds sterker wordende totalitaire tendensen van het regime niet konden verenigen. Sedertdien was sprake van een consolidatie van de revolutie. De neerslag daarvan was te vinden in de nieuwe Grondwet van 1976. Op het ontbreken van burgerlijke vrijheden in Cuba is veel kritiek geleverd. Veel politieke tegenstanders uit alle lagen van de bevolking zijn geëmigreerd. Toen in 1980 kortstondig de mogelijkheid bestond tot emigratie maakten niet minder dan 125!000 Cubanen gebruik van deze mogelijkheid.
5.7 Internationale politiek
De internationale politiek van Cuba heeft verschillende fasen gekend. Aanvankelijk trachtte het de revolutie naar andere Latijns-Amerikaanse landen te exporteren; hierbij werd Che Guevara op 8 okt. 1967 in Bolivia als guerrillero vermoord. Toen Cuba gematigder ging optreden, werden de economische en diplomatieke betrekkingen met andere Latijns-Amerikaanse landen hersteld. De economische boycot van Cuba door de Organisatie van Amerikaanse Staten, ingesteld in 1964, werd in 1975 opgeheven. De betrekkingen met de Verenigde Staten verbeterden tijdens het presidentschap van Jimmy Carter (1976-1980), zonder dat evenwel de diplomatieke banden werden hersteld of de handelsboycot werd opgeheven.
In het kader van de 'internationale solidariteit' steunde Cuba vanaf 1975 de bevrijdingsbeweging MPLA in Angola. Bovendien gingen Cubaanse militairen het Ethiopische leger versterken in de strijd tegen Somalië (1978). Eind 1978 bevonden zich naar schatting 40.000 Cubanen in genoemde landen. In de jaren tachtig is Cuba zich gaan terugtrekken, allereerst uit Ethiopië. In 1989 werd begonnen met de terugtrekking van Cubaanse troepen uit Angola. Verder werd actieve steun verleend aan revoluties en revolutionaire bewegingen in de regio (Nicaragua, Grenada en El Salvador).
In de periode dat Ronald Reagan president van de Verenigde Staten was (1980-1988) verslechterden de verhoudingen met dit land sterk. De relaties met West-Europa waren duidelijk beter. De verwijdering die tussen Cuba en de Sovjet-Unie ontstond werd zichtbaar toen het laatste land de gesubsidieerde leveranties van o.a. aardolie aan Cuba vanaf 1990 begon te verminderen, terwijl de afname van suiker tegen prijzen boven de wereldmarktprijs tegelijkertijd ook werd teruggebracht. In 1992 werd het energietekort zo groot dat nog slechts op beperkte schaal gebruik gemaakt kon worden van landbouwmachines. Als gevolg hiervan produceerde Cuba in 1992 slechts 7 miljoen ton suiker, een van de slechtste resultaten van de laatste 15 jaar. In juli 1992 verdwenen uit de Grondwet de passage over de 'broederlijke vriendschap met de Sovjet-Unie' en de zinsnede dat Cuba 'deel uitmaakt van de socialistische wereldgemeenschap'. In juni 1993 vertrokken de laatste 300 man Russische troepen na een aanwezigheid van dertig jaar.
De voorheen indirect gekozen volksvertegenwoordigers konden op 25 februari 1993 voor het eerst direct worden gekozen. Officieel stemden 99, 6% van de kiezers. Om 'de revolutie te redden' werd beperkt geliberaliseerd. In juli 1993 werd het verbod op bezit van buitenlands geld opgeheven, terwijl het tegelijkertijd in het buitenland verblijvende Cubanen gemakkelijker werd gemaakt terug te keren. Twee maanden later werden bepaalde eenmansbedrijfjes (taxibestuurders, kappers) officieel toegestaan.
5.8 Voorzichtige liberalisering economie
In 1995 werd het staatsmonopolie op de verkoop van landbouwproducten opgeheven. Ondanks de economische hervormingen bleven democratische hervormingen uit. Volgens dissidenten zaten eind 1995 tussen de honderd- en tweehonderdduizend Cubanen in gevangenissen en werkkampen, van wie een deel om politieke redenen.
In mei van dat jaar kwamen Cuba en de Verenigde Staten overeen dat de Verenigde Staten jaarlijks 20!000 inreisvisa zouden afgeven aan Cubanen in ruil voor de Cubaanse toezegging illegale vluchtelingen te verhinderen het land te verlaten. De Amerikaanse president Clinton ondertekende in maart 1996 de Helms-Burton-wet. Deze sanctiewet bevat bepalingen die het mogelijk maken sancties op te leggen aan buitenlanders die investeren in genationaliseerde bedrijven op Cuba. De EU, Canada en de Latijns-Amerikaanse landen protesteerden tegen de aanscherping van het embargo tegen Cuba en president Clinton stelde in juli 1996 de inwerkingtreding uit van het meest omstreden onderdeel van de wet. Begin juni 1997 ondertekende Castro een decreet dat buitenlandse investeringen mogelijk maakte in vrijhandelszones met belastingvrijstelling en lage douanerechten.

Telefoongids Cuba
Postcodes Cuba

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009