|

|
Manieren en gewoonten van
de menselijke familie. Het idee dat de beschaving in voortdurende
vooruitgang is, kwam voor het eerst op in de 18de eeuw, toen de
industrialisatie welvaart en vertrouwen in Europa bracht. Door verhalen van
reizigers begon men zich te realiseren hoeveel de gewoonten en religies van
volkeren in Azië, Afrika en Zuid-Amerika verschilden van die in het
christelijke Europa. Men vergeleek 'primitieve' artefacten die werden
meegenomen uit Afrika en het gebied van de Grote Oceaan met de
fijnzinnigheid van de Renaissance. Deze verschillen boden wetenschappers de
mogelijkheid om aan te tonen dat de maatschappij van een barbaarse tot een
ontwikkelde culturele samenleving was uitgegroeid.
De combinatie van intellectuele fascinatie voor en pure nieuwsgierigheid
naar andere culturen vormde de oorsprong van wat we tegenwoordig culturele
of sociale antropologie noemen : de studie van verschillende samenlevingen
door bestudering van hun gewoonten, instituties, religies, familiebanden,
morele waarden en andere aspecten. In 1890 publiceerde de Schotse
antropoloog Sir James Frazer (1854-1941) een vergelijkende
studie, The Golden Bough.
Daar presenteerde hij een cultureel model voor zaken als magie, religie en,
tenslotte, wetenschap. Frazers werk heeft generaties antropologen
geïnspireerd en is van grote invloed geweest op talloze dichters, filosofen
en kunstenaars.
De eerste antropologen stelden hun theorieën op aan de hand van verslagen
van reizigers en andere rapportages, maar aan het eind van de negentiende
eeuw begonnen geleerden zelf excursies te maken om mensen te bestuderen door
met hen samen te leven. In 1883 leidde de Amerikaanse geograaf en fysicus
Franz Boas (1858-1942) een wetenschappelijke expeditie naar Baffin Island in
Noordoost-Canada. Zijn fascinatie voor de lokale Inuït-cultuur ontsteeg zijn
geografische nieuwsgierigheid en deze expeditie werd het eerste
antropologisch veldonderzoek. In zijn latere studies van allochtone
Amerikanen ontwikkelde Boas een empirische benadering, gebaseerd op
observaties en statistische gegevens.
Door zich een beeld te vormen van de manier waarop mensen leven en door het
bestuderen van hun geloof en van de gewoonten die ze van generatie op
generatie doorgeven, onderzoeken antropologen de complexe interacties tussen
buren, buitenstaanders en verwanten, en tussen de mens en zijn natuurlijke
omgeving. Zo leggen ze de basis bloot waarop een gemeenschap is gefundeerd,
en stellen ons in staat ons eigen gedrag duidelijker beter te begrijpen. Of
we nu een oerwoudjager zijn in de Kalimantan of stadsbewoner met stress,
beiden zijn we gijzelaar van onze gewoonten en van de maatschappij waarin we
leven. |
|
|
|
|
|
|