header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Cyprus

 

Terug naar overzicht Europa >>

 



 

Cyprus (officieel: Kypriaki Dimokrata [Gr.], Kibris Cumhuriyeti [Turks]), eiland en onafhankelijke republiek in het oosten van de Middellandse Zee, op ca. 60 km ten zuiden van Turkije, 9251 km2, met (schatting 1995) 734.000 inw. (79 per km2); hoofdstad: Nicosía (Gr.: Levkosía; Turks: Lefkosa). Munteenheid is het Cypriotische pond, onderverdeeld in 100 cents (in het Turkse gedeelte de Turkse lira of het Turkse pond, onderverdeeld in 100 kuru's). Nationale feestdag is 1 oktober, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
Cyprus is naar oppervlakte het derde eiland in de Middellandse Zee. Twee oost-west lopende bergketens doorsnijden het eiland. De noordelijke (Kyreniagebergte, doorlopend op het schiereiland Kárpas) bestaat vooral uit kalksteen; tot de zuidelijke behoort het Tróodosmassief (met de Olympus, 1952 m). Tussen beide ketens ligt in de lengterichting van het eiland de vlakte van Messaoria (Gr.: Messaría).
Er heerst een mediterraan klimaat. De temperatuurgemiddelden zijn: jan. 11 °C, juli 28 °C; maximumtemperaturen boven 40 °C. De neerslag valt gewoonlijk van eind oktober tot eind april en bedraagt in de vlakte van Messaoria per jaar gemiddeld ca. 350 mm, aan de kusten 400-500 mm en tegen de westkant van de gebergten 500-750 mm. In de zomer drogen vrijwel alle rivieren uit, maar vele bronnen blijven vloeien, doordat de kalkrijke bodem het water lang vasthoudt. In de zeer droge vlakte van Messaoria is irrigatie noodzakelijk. In de vlakten vriest het bijna nooit; op hoge bergen ligt maandenlang sneeuw.
Na eeuwenlange ontbossing is in de laatste decennia de herbebossing op Cyprus krachtig ter hand genomen, zodat nu weer ruim eenvijfde van de totale oppervlakte met bos is bedekt, overwegend in het bergland. Dennen overheersen, maar er zijn ook veel ceders (cederdal in Tróodos), eiken, platanen, acacia's en eucalyptussen. Wat betreft de fauna is alleen de moeflon in het Tróodosgebergte vermeldenswaard.

         LemesosTroödos mountainsUnesco heritageCabo GrekoLefkosia

2. Bevolking
In 1995 werd de omvang van de bevolking geschat op 734!000, van wie 84% Grieken en 13% Turken. Tot de overige 3% behoren Armeniërs en Maronieten, ten dele afkomstig uit Libanon. Sinds de deling van het eiland in 1974 zouden enige duizenden Turken van het vasteland van Turkije zich in Noord-Cyprus gevestigd hebben. De bevolkingsgroei bedroeg tussen 1985 en 1993 1,1% per jaar. 53% van de bevolking woont in de steden. De grootste steden zijn de hoofdstad Nicosía (186.000 inw. in het Griekse gedeelte, 42.000 in het Turkse gedeelte), Limassol (Gr.: Lemesós; 144.000 inw.), Larnaca (Gr. Lárnax; 64.000), Famagusta (Gr.: Ammóchostos, Turks: Magosa; 21.000), Páphos (34.000 inw.) en Kyrenia (Gr.: Kerúneia, Turks: Girne; 8000 inw.). Famagusta en Kyrenia liggen in het Turkse gedeelte.
Officiële talen in beide landen zijn Grieks en Turks. Het Engels geldt als handelstaal.
Religie. De Grieken behoren tot de Orthodoxe Kerk van Cyprus, de Turken zijn islamitisch (soennitisch), de Armeniërs behoren tot de Armeense Kerk en de maronieten tot de met Rome geünieerde Maronitische Kerk. Voorts zijn er nog joden.
De Orthodoxe Kerk van Cyprus dankt haar ontstaan aan de missionering door de apostelen Paulus en Barnabas, welke laatste zelf een Cyprioot was. De kerk viel oorspronkelijk onder de jurisdictie van Antiochië, maar reeds het derde Oecumenisch Concilie (Efeze, 431) kende haar het recht van zelfbestuur toe. Vanaf 1196 was de kerkelijke macht grotendeels in handen van de Latijnse hiërarchie; deze overheersing duurde tot 1571, in welk jaar de Turken het eiland bezetten. Wegens het vaak ontactische optreden van de katholieke bisschoppen vervreemdden orthodoxen en katholieken totaal van elkaar. Gedurende de laatste eeuw heeft de Orthodoxe Kerk van Cyprus zich zeer ingespannen voor de nationale belangen van de Griekse bevolking van het eiland. Aartsbisschop Makarios III was tevens de politieke leider van de staat. De Orthodoxe Kerk van Cyprus volgt de Byzantijnse liturgie in de Oud-Griekse taal.

3. Bestuur en samenleving
Volgens de grondwet van 1960 is Cyprus een onafhankelijke republiek met aan het hoofd een Grieks-Cypriotische president en een Turks-Cypriotische vice-president, elk door de resp. gemeenschappen voor een periode van vijf jaar gekozen. Beide hebben een vetorecht. De beide gemeenschappen zijn autonoom op het gebied van religie, onderwijs, cultuur en personenrecht. De wetgevende macht berustte grondwettelijk bij een parlement van 50 leden (35 Grieken en 15 Turken). Sinds dec. 1963 weigerden de Turks-Cyprioten hun ambt echter te vervullen en sinds 1974 is de grondwet een dode letter geworden.
In febr. 1975 riepen de Turks-Cyprioten eenzijdig een federatieve staat uit. Op 15 nov. 1983 verklaarden zij de Turkse Republiek van Noord-Cyprus (TRNC) eenzijdig onafhankelijk. De nieuwe staat werd alleen door Turkije erkend. Op het Griekse deel van Cyprus zijn president en regering verantwoording schuldig aan de nu uitsluitend Griekse en voortaan 56 leden tellende volksvertegenwoordiging. Op het Turkse deel is een parlement van 50 leden gekozen en zijn een eigen president en ministerraad geïnstalleerd. Tussen de Turkse en de Griekse gemeenschap zijn onder auspiciën van de Verenigde Naties besprekingen gaande over een eventuele hereniging op federatieve basis.
De belangrijkste politieke partijen op het Griekse deel van het eiland zijn: de Democratische Concentratie (DISY), een combinatie van gematigd-conservatieve partijen (in 1996 20 van de 56 parlementszetels), de Democratische Partij (DIKO, 10 zetels), de Vooruitgangspartij (AKEL, 19 zetels) en de Sociaal-Democratische Nationale Democratische Unie (EDEK, 5 zetels).
Aan de Turkse zijde zijn de voornaamste partijen: de Partij van Nationale Eenheid (UBP), opgericht in 1975 door R. Denktasj en voorstander van een onafhankelijke Turks-Cypriotische staat (17 van de 50 parlementszetels in 1985), en de Democratische Partij (DP; in 1992 als afsplitsing van de UBP opgericht); de belangrijkste oppositiepartijen zijn de Turks-Republikeinse Partij (CTP; sociaal-democratisch, 13 zetels) en de Verenigde Bevrijdingspartij (TKP; Turks-nationalistisch, 5 zetels).
Er zijn gescheiden vakbonden voor Griekse en Turkse werknemers. Ca. 80% van het werkende deel van de bevolking is lid van een vakbond.
Cyprus is aangesloten bij de volgende internationale organisaties: het Gemenebest, de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Algemene Overeenkomst in zake Tarieven en Handel (GATT). Voorts is er een associatieovereenkomst met de EU.

4. Economie
Sinds de onafhankelijkheid (1960) heeft de economie van Cyprus een geweldige groei doorgemaakt, mede door deskundig gebruik van de in die periode ontvangen ontwikkelingshulp. Werkloosheid en emigratie namen af, maar de toenemende welvaart kwam grotendeels het Griekse bevolkingsdeel ten goede. Nadat in 1974 Cyprus in een Grieks en een Turks deel was gesplitst, zijn de twee delen economisch nog verder uiteengegroeid. De economie van het Turkse deel oriënteerde zich vrijwel geheel op Turkije. Afgesneden van veel internationale hulp (behalve die uit Turkije) en van veel exportmogelijkheden (sinds 1983 importeert de EG alleen maar via Grieks Cyprus), bleef de groei sterk achter bij die van het Griekse deel van het eiland. Het grootste deel van de citrus- en tabaksverbouw vindt in het Turkse deel plaats, waarin ook de voor dit deel belangrijke havenstad Famagusta is gelegen.
Na de economische terugval in 1974 heeft de economie van het Griekse deel van Cyprus zich opmerkelijk hersteld. Na een snelle groei in de tweede helft van de jaren zeventig, stabiliseerde de economische groei zich medio 1985 rond 3,8% bij een werkloosheidspercentage van 3,4%. De inflatie bedroeg in 1985 5%. Deze kerncijfers bleven de tien erop volgende jaren vrijwel ongewijzigd. Het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw (32% in het Turkse en 13% in het Griekse deel) is teruggelopen door de groei van industrie, bouwnijverheid, handel en toerisme. Het tekort op de handelsbalans wordt ten dele goedgemaakt door de inkomsten uit het verblijf van de Britse en VN-troepen op het eiland en de overmakingen door emigranten. Niettemin is sinds 1980 de buitenlandse schuld sterk toegenomen ($ 3213 miljoen in 1991).
Landbouw wordt merendeels uitgeoefend op zelfstandige kleine bedrijven. Ongeveer 30% van het beschikbare akkerland wordt bevloeid. De irrigatielandbouw is vrijwel geheel gemechaniseerd en levert voor export o.a. aardappelen, groenten, citrusvruchten, druiven en bananen; het belangrijkste gebied is de vlakte van Messaoria, ten oosten van Nicosía. Bij Páphos is veel geïnvesteerd in een groot irrigatieproject (vruchtbomen). De op traditionele wijze uitgeoefende regen- of droogbouw levert o.m. graan, veevoer, tabak en olijven. De veehouderij is van ondergeschikte betekenis; runderteelt loopt terug, doordat de weiden hoe langer hoe meer in akkerland worden omgezet. Wel is de schapenteelt, m.n. in de vlakte van Messaoria, van betekenis. Pluimvee en eieren worden uitgevoerd. Ongeveer 1750 km2 van de oppervlakte is met bos bedekt; herbebossing vindt in diverse streken plaats. De wateren rond Cyprus zijn arm aan vis.
De mijnbouw en grondstoffenvoorziening zijn grotendeels geconcentreerd in het Griekse deel. De belangrijkste delfstoffen zijn koper-, ijzer- en chroomertsen, asbest, marmer en gips. Voor zijn energievoorziening is Cyprus vrijwel geheel afhankelijk van olie-import uit het Midden-Oosten.
De industrie werd ernstig getroffen door de gebeurtenissen van 1974. Het Griekse deel, dat 70% van zijn productiecapaciteit had verloren, heeft zich hiervan echter snel hersteld en beleeft een bloeiperiode. Vooral de bouwnijverheidssector groeide aanzienlijk. Zware industrie ontbreekt nog vrijwel geheel. Kleine bedrijven overwegen en er worden vnl. landbouwproducten verwerkt; de belangrijkste takken zijn de voedingsmiddelen-, tabaks-, textiel-, papier- en schoenindustrie. Nabij Lanarka is door buitenlandse oliemaatschappijen een aardolieraffinaderij gesticht. Verder zijn aan grote bedrijven te melden een cementfabriek (bij Vasiliko), twee ijzergieterijen en een kunststoffenfabriek. Het grootste deel van de verwerkende industrie is geconcentreerd in het gebied rond Nicosía en Limassol.
De handelsbalans vertoont een chronisch tekort. De belangrijkste import bestaat uit voedingsmiddelen, aardolie en aardolieproducten, machines en chemische producten. De grootste importeurs zijn Groot-Brittannië, Duitsland, Griekenland en Italië. De voornaamste exportproducten zijn voedselproducten, grondstoffen, cement, wijn en textiel. De belangrijkste afnemers zijn de landen van het Midden-Oosten en de EG-landen. Een associatie-overeenkomst in 1973 en een protocol in 1988 moesten de export van groenten en fruit naar de EG-landen vergemakkelijken. De handel van het Turkse deel is hoofdzakelijk op Turkije gericht.
Sinds de uitschakeling van het vliegveld van Nicosía in 1974 fungeert op Grieks Cyprus de nieuwe internationale luchthaven Lanarka (daarnaast een vliegveld bij Páphos); het Turkse deel beschikt over het vliegveld Ercan. De luchtvaartmaatschappij Cyprus Airways onderhoudt diensten op Europa en op de meeste landen in het Midden-Oosten. Limassol en Larnaca hebben na 1974 de rol van Famagusta (officieel gesloten voor internationaal scheepvaartverkeer) als belangrijkste haven overgenomen. Sedert 1952 heeft Cyprus geen spoorwegnet meer, maar het wegennet is goed; van de ruim 10.000 km (1991) is meer dan de helft verhard. De beide delen van het eiland hebben een gescheiden transportsysteem. Snelwegen verbinden de hoofdstad met Kyrenia en Limassol.
Het toerisme, dat van overheidswege sterk bevorderd wordt, was voor 1974 geconcentreerd rond Famagusta en Kyrenia, daarna is het grotendeels verplaatst naar de zuid- en de zuidwestkust rond Páphos. In 1974 kwam ongeveer 90% van de toeristenhotels onder Turkse controle. Onder andere door nieuwbouw heeft de sector zich in het Griekse deel echter weer aanzienlijk kunnen uitbreiden. Het aantal toeristen verzesvoudigde tussen 1980 en 1995 tot ca. 2,1 miljoen per jaar, goed voor 12% van het bruto nationaal product. In het Turkse deel blijft het bezoek uit het buitenland vnl. beperkt tot Turken van het vasteland.

5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie en oudheid
Er zijn bewijzen voor een neolithische cultuur sinds het 6de millennium v.C., maar zijn werkelijke intrede in de geschiedenis deed het eiland pas ca. 1600 v.C.; toen vormde Cyprus, dat een rijke voorraad koper (Gr.: kupros) heeft, een centrum van levendige handel in het oostelijke Middellandse-Zeebekken. Ca. 1400 v.C. werd het door Myceense kooplieden ontdekt; in groten getale koloniseerden toen Achaeërs het eiland. Hoewel ca. 1300-1200 de Hettieten het tot hun rijk rekenden, kreeg het een Grieks karakter. De Myceense kolonisten brachten ook een variant van hun schrift mee.
Sinds ca. 900 v.C. nam vooral de handel met het oosten sterk toe en na 800 gingen de Feniciërs koloniseren (belangrijkste vestiging Citium). Ca. 710-670 heersten de Assyriërs over Cyprus, waarna weer een periode volgde van onafhankelijkheid en culturele bloei. Ahmozes II lijfde Cyprus ca. 560 in bij Egypte, waarmee het in 525 onder Perzische overheersing kwam. Nadat het Perzische juk in 498 tijdelijk was afgeschud, bevocht de nationale held Euagoras in 411 de werkelijke onafhankelijkheid. Door de 'Koningsvrede' van 387 kwamen de Perzen terug, maar Alexander de Grote maakte in 333 definitief een einde aan hun heerschappij. Daarna kwam Cyprus onder de Ptolemaeën en onder het Romeinse Rijk.
5.2 Middeleeuwen
Na de verdeling van het Romeinse Rijk behoorde Cyprus tot het Byzantijnse Rijk; in die periode was het herhaaldelijk doelwit van Arabische overvallen. Tijdens de kruistochten werd het eiland - reeds in de 10de eeuw in feite zelfstandig - een belangrijk maritiem steunpunt en ravitailleringsbasis. In 1184 vestigde Isaäc Comnenus, neef van de Byzantijnse keizer, er een persoonlijke tirannie. Toen in 1191 als gevolg van een storm een aantal Engelse deelnemers aan de derde kruistocht op het eiland belandde, onder wie de zuster en de verloofde van koning Richard Leeuwenhart was de ontvangst zodanig dat de koning een strafexpeditie ondernam, het eiland veroverde en het aan de Orde der Tempelieren verkocht. Deze kon de koopprijs niet voldoen en droeg haar rechten over aan het Franse huis Lusignan; in 1196 verkreeg Amaury van Lusignan van de Rooms-Duitse keizer Hendrik VI de titel koning van Cyprus. Onder de nieuwe dynastie beleefde het eiland een periode van economische en culturele bloei.
In 1374 verkregen de Genuezen, later de Venetianen, overheersende invloed op Cyprus. In 1426 leed koning Janus in een oorlog met het islamitische Egypte de nederlaag en werd hij vazal van dat land. Janus' zoon, 'Jacobus de Bastaard', verjoeg met steun van Venetië de Genuezen uit hun laatste bolwerk (Famagusta) en huwde de Venetiaanse Caterina Cornaro. Zo werd de Venetiaanse Republiek 'de schoonmoeder van de koning van Cyprus'. Na de dood van koning Jacobus trachtte Caterina Cornaro de aanslagen van haar geboortestad op de vrijheden van het eiland af te weren, maar in 1489 werd zij gedwongen af te treden. De hierop volgende periode van openlijke Venetiaanse heerschappij eindigde in 1570 met de verovering van Cyprus door de Turken.
5.3 Turkse heerschappij en Engelse kroonkolonie
De Turkse heerschappij, aanvankelijk wreed, later gematigd, liet toe dat Cyprus naar oud gebruik zijn eigen (orthodoxe) aartsbisschop koos. De verzwakking van de macht van Turkije bevorderde het ontstaan van opstanden van de Griekse bevolking. In 1878 (Congres van Berlijn) kreeg Engeland het bestuur over het eiland dat officieel onder Turkse soevereiniteit bleef. In nov. 1914, toen Turkije zich aan de kant van Engelands vijanden schaarde, volgde de officiële inlijving.
Engeland verleende Cyprus in 1925 de status van kroonkolonie met een zekere mate van zelfbestuur. Evenwel werd na onlusten in 1931 een reeds in 1882 ingestelde Wetgevende Raad ontbonden en regeerde de gouverneur alleen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Cyprus een belangrijk geallieerd steunpunt.
5.4 1946-1960
Spoedig na het einde van de oorlog kreeg op Cyprus de nationalistische, op enosis (aansluiting bij het moederland) gerichte stroming onder de Cypriotische Grieken de overhand. Vooral sedert 1954 uitte deze zich in een terreuractie van het ondergrondse leger, de EOKA, onder bevel van de Griekse kolonel Georgios Theodoros Grivas. Politiek leider was (sedert 1950) de orthodoxe aartsbisschop Makarios III. Zijn verbanning naar de Seychellen in 1956 bracht geen verbetering. De inmiddels uitgebroken guerrillaoorlog werd zowel aan Britse als aan Grieks-Cypriotische kant met toenemende verbittering gevoerd.
In 1959 werden Groot-Brittannië, Griekenland en Turkije het eens over de toekomst van Cyprus (Akkoord van Londen): Engeland zou op het eiland militaire bases behouden, de drie landen zouden de onafhankelijkheid van Cyprus garanderen, de belangen van de Turkse minderheid moesten gewaarborgd worden, enosis werd uitgesloten, want Cyprus mocht met geen enkel land een gehele of gedeeltelijke politieke of economische unie aangaan.
5.5 De jaren zestig en zeventig
Makarios werd in 1960 de eerste president van de 'Republiek Cyprus'; de Turk Fadil Küçük werd vice-president. Het compromis bevredigde niemand geheel. In 1963 namen de incidenten tussen Grieken en Turken op Cyprus het karakter van een burgeroorlog aan. Het precaire evenwicht werd hersteld door het inschakelen, in 1964, van een 'vredesmacht' van de Verenigde Naties. Makarios werd in 1968 en 1973 als president herkozen, Küçük werd in 1973 als vice-president opgevolgd door Rauf Denktasj. Laatstgenoemde voerde vanaf 1968 onderhandelingen met de Grieks-Cypriotische leider Kliridis over de mate van zelfbestuur voor de Turks-Cyprioten.
Vanaf 1970 escaleerden de spanningen. Makarios raakte meer en meer in conflict met Griekenland, o.m. door de terugkeer op het eiland van Grivas die een EOKA-II organiseerde (Grivas overleed op Cyprus in jan. 1974) en door de infiltratie van het Griekse officierscorps van het Cyprische leger (Nationale Garde) met anti-Makarios-elementen. Op 15 juli 1974 pleegde een aantal van hen een staatsgreep, waarna Makarios het eiland verliet. Als reactie voerde Turkije op 20 juli een landing uit, enige tijd later - nadat onderhandelingen tussen Griekenland en Turkije waren mislukt - gevolgd door een tweede militaire actie waarbij bijna 40% van het eiland werd veroverd.
Op 1 nov. 1974 werd in de Verenigde Naties een motie aangenomen waarin de kwaliteit van Cyprus als soevereine en onzijdige staat werd bevestigd en op 16 nov. keerde Makarios, tegen de wens van de Turken, op het eiland terug als president. Makarios sprak zich uit voor het verlenen van federale rechten aan de Turks-Cypriotische minderheid. De onderhandelingen hierover verliepen echter moeizaam, waarna Denktasj op 13 febr. 1975 een Turks-Cypriotische federale staat uitriep, waarvan hijzelf president werd. In juni verklaarden de Turks-Cyprioten zich per referendum akkoord met de nieuwe staat. Nieuwe onderhandelingen (onder auspiciën van de Verenigde Naties) over de toekomst van het eiland tussen Denktasj en Kliridis (later ook Makarios) hadden vooralsnog geen resultaat. In aug. 1977 overleed president Makarios.
5.6 De jaren tachtig en negentig
Hij werd opgevolgd door parlementsvoorzitter Spyros Kyprianou. Deze werd in febr. 1983 met steun van de communisten herkozen. Op 15 nov. 1983 riep het Turks-Cypriotische parlement eenzijdig de Turkse Republiek van Noord-Cyprus (TRNC) uit. De onafhankelijkheidsverklaring werd door de VN-Veiligheidsraad ongeldig verklaard en uitsluitend door Turkije erkend. Een nieuwe onderhandelingsronde tussen de Turks- en Grieks-Cypriotische leiders in jan. 1985 liep op niets uit, waarna het Grieks-Cypriotische parlement een motie van wantrouwen tegen president Kyprianou aannam. Deze weigerde echter af te treden. Vervroegde parlementsverkiezingen leverden een overwinning voor Kyprianou's Democratische Partij op, maar bij de nieuwe presidentsverkiezingen in febr. 1988 werd hij verslagen. De partijloze Yorgos Vassiliou, die een soepeler houding jegens de Turkse gemeenschap bepleitte, werd met steun van de communisten gekozen.
Door de verbeterde verstandhouding tussen Griekenland en Turkije en de persoonlijke inspanningen van VN-secretaris-generaal Pérez de Cuéllar werd vanaf 1988 overlegd over de toekomst van Cyprus. In 1991 voerden ook de Verenigde Staten hun diplomatieke inspanningen op. Van 18 tot 23 juni en van 15 juli tot 14 augustus vonden gesprekken plaats in New York tussen Boutros Ghali en de leiders van het Griekse en Turkse deel van het eiland, Yorgos Vassiliou en Rauf Denktasj. Voor het eerst sinds 1990 ontmoetten de beide leiders elkaar ook direct, maar eind oktober boycotte Denktasj de besprekingen omdat hij niet accepteerde een protocollair lagere status te hebben dan de door de internationale gemeenschap erkende president Vassiliou.
De in febr. 1993 gehouden presidentsverkiezingen werden met een uiterst kleine meerderheid gewonnen door de leider van het rechtse Democratisch Verbond (DISY), Glafkos Klerides. In 1995 kreeg Nicosía de Oud-Griekse benaming Lefkosía. De presidentsverkiezingen in het Turkse deel in april resulteerden in een nieuwe ambtstermijn voor Rauf Denktasj, sinds de jaren vijftig de onbetwiste leider van het Turks-Cypriotische volksdeel. In de zomer van hetzelfde jaar kwam het bij de door VN-troepen gecontroleerde demarcatielijn tot ongeregeldheden, waarbij enkele Grieks-Cyprioten het leven lieten.
Vanaf het midden van de jaren tachtig heeft de economie zich in het Griekse deel voorspoedig ontwikkeld. Als financieel centrum van het Midden-Oosten heeft Lefkosía de rol overgenomen van Beiroet.

Telefoongids Cyprus
Postcodes Cyprus

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009