De
Dahlia (n. de Zweed Andreas Dahl, leerling van Linnaeus), is een
plantengeslacht uit de Composietenfamilie. Er zijn ongeveer 15
soorten, die voorkomen in Midden-Amerika. Het zijn rechtopstaande,
met een wortelknol overblijvende planten, die soms wel tot ca. 2 m
hoog kunnen worden. De bladen zijn tegenoverstaand en alleen de
onderste zijn geveerd of diep ingesneden. De alleenstaande hoofdjes
zijn zeer verschillend van uiterlijk. De tuindahlia's zijn ontstaan
door kruisingen van de Mexicaanse soort D. rosea (= D. variabilis)
met andere soorten. Bij de meeste cultivars zijn de bloemhoofdjes
gevuld en dan geheel of grotendeels met onvruchtbare bloemen. Als
tuinplant zijn dahlia's zeer geschikt, omdat ze zo overvloedig en
lang bloeien in nazomer en herfst. Daarbij komt de ongelooflijk
grote verscheidenheid in bloemvorm en -kleur.
Dahlia's bezitten langwerpige wortelknollen, waarbij alleen op de
grens van de knol en de resten van de oude stengel knoppen aanwezig
zijn die weer kunnen uitgroeien tot nieuwe planten. Bij het delen
van dikke clusters knollen moet er ook altijd voor gezorgd worden
dat een knol zo'n stukje stengel draagt. Plant dahliaknollen zonder
scheuten omstreeks begin mei, reeds uitgelopen knollen niet voor
half mei, omdat de scheuten gemakkelijk door nachtvorst beschadigd
worden. De knollen worden ca. 10 cm diep geplant; de hoge rassen
50-70 cm uit elkaar, de laagblijvende rassen 25-30 cm en de heel
kleine rassen slechts 15-20 cm.
Dahlia's dienen in de volle zon te staan en beschermd te zijn tegen
harde wind. De hogere rassen hebben in de loop van de zomer steun
nodig.
Om grote bloemen te krijgen, zal het noodzakelijk zijn de planten
regelmatig te dieven, dwz. dat van iedere bloeistengel de zijknoppen
worden afgebroken, zodat alleen de hoofdknop zich tot een bloem kan
ontwikkelen.
Zodra de stengels in de herfst door nachtvorst dood zijn, moeten de
knollen worden gerooid en de gehele winter koel, maar vorstvrij en
vrij droog (bijv. in geperforeerd plastic of turfmolm) worden
bewaard. |
|
|
|
|
|
|
|