|

|
Vanaf de Griekse en
Romeinse tijden tot in de zeventiende eeuw concentreerde de filosofie zich
in belangrijke mate op theologische vraagstukken. Het ter discussie stellen
van de ziel of het bewustzijn werd beschouwd als het ter discussie stellen
van het werk van God - wat neerkwam of ketterij. Het onderwerp 'geest'
sluimerde eeuwenlang, totdat
Descartes zich afvroeg
: hoe week ik dat ik besta ? Vanaf dat moment is het vraagstuk over wat het
betekent om jezelf ergens van bewust te zijn en wat bedoeld wordt met het
concept van de geest of ziel fundamenteel geweest voor de moderne filosofie.
De twee belangrijkste filosofen die de geest hebben bediscussieerd voor
Descartes zijn Plato en
Aristoteles. Plato meende
dat wat er werkelijk zijn onze ziel is, en dat deze ziel na onze dood blijft
voortleven - hij zag in feite de dood als de bevrijding voor de ziel. Hij
geloofde daarom dat ziel en lichaam verschillende substanties zijn :
lichamen zijn sterfelijk, maar zielen zijn onsterfelijk. Aristoteles meende
dat de ziel en het lichaam in feite onderling verbonden zijn. De ziel is dus
niet een aparte substantie, maar een rangschikking van stoffelijke aard, of
materiële substantie, waaruit het lichaam is opgebouwd. Aristoteles zei :
als een bijl een ziel had, zou zijn ziel snijden zijn. Voor Aristoteles leek
individuele onsterfelijkheid een onmogelijkheid.
Deze argumenten zijn gebruikt om de betekenis van de geest sinds de 18de
eeuwse Verlichting tot op de dag van vandaag opnieuw te doordenken.
Leibniz suggereerde dat geest en lichaam slechts een schijnbare
interactie vertonen. In werkelijkheid is er geen verband tussen beide
substanties; God heeft een harmonie voorbereid, zodat lichamen en geesten
niet asynchroon gaan lopen.
De Engelse wetenschapper Thomas Henry Huxley (1825-1895)
geloofde dat de geest een product is van het fysische brein. Als een persoon
denkt dat hij zin heeft in chocolade, dan kan dat komen doordat zijn maag
boodschappen naar zijn brein stuurt omdat zijn bloedsuikerspiegel te laag
is. Bewustzijn is eenvoudigweg een flectie van biologische aard - en als het
lichaam sterft, sterft de geest eveneens.
Recente filosofen zijn geïnteresseerd in de mogelijkheid van kunstmatige
intelligentie. Er kan bijvoorbeeld beweerd worden dat een thermostaat drie
geheugens heeft : het is hier te warm, het is hier te koud en de temperatuur
is hier precies goed. Zou het kunnen dat mensen gewoon iets beter
ontwikkelde machines zijn ? |
|
|
|
|
|
|