|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Denemarken is naar samenstelling en vorm van de bodem voornamelijk een
product van de IJstijd. Het landoppervlak wordt overal gevormd door
stuwwallen, grondmorenen, eindmorenen, smeltwaterruggen,
spoelzandvlakten en oerstroomdalen. Stijging en daling van het land
hebben in een wisselend samenspel met het zich uitbreidende en dan weer
terugtrekkende landijs uit Scandinavië en het Baltisch gebied aan het
Deense landschap zijn afwisselende, meestal zacht golvende vormen
gegeven.
Jutland wordt in de lengte doorsneden door de Baltische landrug, een
oude eindmorenewal (hoogste punten: de Ejer Bavnhøj, 172 m;
Himmelbjerget, 163 m), die even ten zuiden van Kaap Skagen (Skagens Horn)
eindigt en het schiereiland in een westelijk en oostelijk deel verdeelt.
Het oostelijk deel is een grondmorenelandschap en heeft een betrekkelijk
vruchtbare keileembodem. Het is een heuvelachtig gebied met talrijke
meren, o.a. Mossø en Julsø. Vele goed bevaarbare fjorden (zonder steile
wanden) dringen vanaf de oostkust diep het land in. Het zijn verdronken
smeltwatergeulen. De belangrijkste rivier in het oostelijk deel is de
150 km lange Gudenå, die via de Randersfjord uitmondt in het Kattegat.
De Skive Aa, 60 km lang, mondt uit in de Limfjord.
Het westelijk deel van Jutland bestaat uit naar het westen hellende
vlakten, met in het noorden thans grotendeels ontgonnen
hoogveenmoerassen en in het westen een laag kleigebied, met polders en
een waddenkust; meer naar het noorden, van Blaavands Huk tot Thyborøn,
een haffenkust met duinen. De noordwestkust is een pleistocene klifkust,
die bij Kaap Skagen weer overgaat in duinen en schoorwallen. De eilanden
zijn resten van een verdronken glaciaal landschap. Oude morenewallen
vormen ook hier weer de hoogste delen, met toppen als de Gyldenloves Høj
(126 m) op Seeland en de Frøbjerg (126 m) op Funen. Delen van de
ondergrond komen bij Møns Klint (krijt) en Stevns Klint (leisteen) aan
de oppervlakte en vormen daar steile, door abrasie afbrokkelende rotsen.
Het eiland Bornholm sluit, voor wat betreft de geologische bouw, geheel
aan bij het Fennoscandische schild. Lolland is laag en vlak en moet door
dijken tegen stormvloeden beschermd worden.
1.2 Klimaat
Denemarken heeft een zeeklimaat met overheersend westelijke winden. Door
de geringe oppervlakte van het land en doordat het vrijwel aan alle
zijden door zee is omgeven, zijn de klimaatverschillen zeer gering
(gemiddelde jaartemperatuur 7,3 °C). De atmosfeer is 's winters zeer
vochtig (relatieve vochtigheid 91-92%). De zomers kenmerken zich door
veel zonneschijn: van mei tot augustus wordt ongeveer de helft van de
jaarlijkse zonneschijn genoteerd. In strenge winters vriest een gedeelte
van het Kattegat voor korte tijd dicht. In de Sont en in de Belten komt
vaker ijs voor; in eerstgenoemde gemiddeld om de twee jaar. Aan de
westkust van Jutland vriezen de havens zelden dicht.
1.3 Plantengroei
Denemarken is van nature begroeid met loofbomen, vooral beuken, met name
op de eilanden en Oost-Jutland; in Jutland zijn zij echter grotendeels
gerooid (thans landbouwgronden). De onvruchtbare, glaciale zandgronden
van het westelijk deel van Jutland vormen natuurlijke heidegebieden;
daarnaast ontstonden er heidevelden op de plaatsen waar de eiken- en
berkenbossen gerooid werden. Voorts komen hier dennen- en sparrenbossen
voor, deels door aanplanting. In het noorden en noordwesten van Jutland
ontstonden ten gevolge van de slechte afwatering uitgestrekte
hoogveenmoerassen, o.a. Store Vildmose en Lille Vildmose, thans voor een
groot deel ontgonnen. De westelijke duinkust heeft een speciale
duinvegetatie.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is samengesteld uit elementen van de fauna van de
West-Europese laagvlakte. Er leven vos, das, marter en otter, edelhert,
ree en het ingevoerde damhert en sikahert. Het wilde zwijn ontbreekt.
Van de vleermuizen zijn er alleen gladneuzen, van de slaapmuizen alleen
de hazelmuis. De hamster ontbreekt, de berkemuis komt voor, evenals de
eekhoorn. Haas en konijn leven er, ook echte muizen en woelmuizen;
voorts mol, egel en enkele soorten spitsmuizen. Van de zeeroofdieren
komt naast de gewone zeehond de grijze zeehond voor. In de kustwateren
verschijnen de bruinvis en de tuimelaar. Van de vogels zijn, behalve de
talrijke soorten kustvogels en steltlopers, te noemen raaf, zeearend,
patrijs, fazant en eend.
Denemarken heeft de jacht en de natuurbescherming bijzonder goed
geregeld.
    
2. Bevolking
2.1 Spreiding
De totale bevolking van (schatting 1995) 5.215.000 inw. is zeer ongelijk
over het land verdeeld. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt 121
per km2, maar in delen van Oost-Jutland en op de grote eilanden worden
hogere concentraties bereikt. Ca. 88% van de bevolking woont in steden
(in 1901 nog maar 40%). Sinds 1981 is de natuurlijke bevolkingsgroei
negatief, hetgeen gecompenseerd wordt door een positief migratiesaldo.
Over de periode 1978-1995 bedroeg de gemiddelde bevolkingsgroei 0,16%.
2.2 Taal
Officiële taal is de Deense taal. Duits wordt voor een deel in
Zuid-Jutland gesproken.
2.3 Religie
Ca. 87% van de bevolking is evangelisch-luthers; voorts zijn er 32!000
rooms-katholieken en 6500 joden. Slechts 3% van de bevolking geeft op
niet-godsdienstig te zijn.
Het christendom was in Denemarken rond het jaar 1100 algemeen
doorgedrongen. In 1536 werd, vooral ten gevolge van de prediking van de
'Deense Luther', Hans Tausen, de reformatie van staatswege algemeen
doorgevoerd. De Evangelisch-Lutherse Kerk in Denemarken wordt officieel
als volkskerk (niet als staatskerk) gekwalificeerd. Zij wordt als
zodanig door de staat grotendeels gefinancierd. Elk van de 2100
kerkelijke gemeenten wordt bestuurd door een door de gelovigen gekozen
raad. In 1947 werd de vrouw tot het ambt toegelaten.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Denemarken is een parlementaire monarchie. Het koningschap is sedert de
grondwet van 1953 erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke linie. De
koning, die grondwettelijk de evangelisch-lutherse 'volkskerk 'moet
aanhangen, oefent de wetgevende macht uit samen met het Folketing, het
parlement. Dit bestaat uit één Kamer met 179 leden die rechtstreeks
gekozen worden voor vier jaar. Van de 179 zetels gaan er 4 naar
vertegenwoordigers van de Faeröer en Groenland, 135 naar de partijen die
de kiesdrempel hebben gehaald, en 40 naar de kleinere partijen. De
uitvoerende macht berust bij de Statsraadet, bestaande uit de koning en
de aan het Folketing verantwoordelijke ministers. Actief en passief
kiesrecht hebben alle Deense mannen en vrouwen vanaf 18 jaar. Er is geen
opkomstplicht.
3.2 Administratieve indeling
Denemarken is administratief ingedeeld in veertien amtskommuner,
onderverdeeld in 275 gemeenten. De amtskommuner, de gemeenten en
Kopenhagen (een aparte bestuurlijke eenheid) kennen een direct gekozen
bestuur.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Denemarken is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NATO), de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de
Europese Raad, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT)
en de Europese Unie (EU).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
Doordat ook partijen die onder de kiesdrempel blijven in het parlement
kunnen komen, telt Denemarken bijzonder veel politieke partijen. Een
gevolg daarvan is dat Denemarken vaak door minderheidskabinetten
geregeerd wordt. De belangrijkste partijen zijn de Socialdemokratiet
Parti, de Venstre (rechts-liberaal), de Konservative Folkeparti, de
Socialistik Folkeparti, de Radikale Venstre (links-liberaal), de Centrum
Demokraterne en de Fremskridtspartiet (de populistische
Vooruitgangspartij die in 1972 werd opgericht door de miljonair M.
Glistrup).
De vakbeweging speelt traditioneel een belangrijke rol bij het
vaststellen van de tweejaarlijkse CAO's. Overkoepelend orgaan voor
vrijwel alle vakorganisaties is de LO (Landesorganisationen i Danmark)
met een gezamenlijk ledental van 1, 5 miljoen (1994).
4. Economie
4.1 Algemeen
Denemarken behoort tot de tien rijkste en economisch hoogst ontwikkelde
landen van de wereld. In 1994 bedroeg het bnp per hoofd van de bevolking
$ 28.110. De jaarlijkse groei van het bnp is relatief beperkt: in de
periode 1990-1994 gemiddeld 1, 8%, in 1995 al 3,1%. Vanaf de jaren
vijftig is het aandeel van de dienstensector in het bnp gestegen van 43
tot 70% in 1995, ten koste van de primaire (4%) en de secundaire sector
(27%). Dat ook de Deense economie met moeilijkheden kampt, blijkt uit de
voortdurende tekorten op de betalingsbalans sinds 1970. Ook de
staatsbegroting vertoont (sedert 1974) aanzienlijke tekorten. De
geregistreerde werkloosheid steeg in 1994 tot ruim 10% van de
beroepsbevolking. Denemarken trad in 1973 toe tot de Europese
Gemeenschappen in de hoop daarmee de eigen economie (vooral de
stagnerende landbouw) te kunnen stimuleren. De inflatie bedroeg in 1995
2,5%.
4.2 Landbouw
De agrarische beroepsbevolking daalde tussen 1961 en 1994 van 120.000
tot 35.000 personen. In 1986 beschikte 90% van de ca. 100.000 bedrijven
over meer dan 5 ha. Van het in cultuur gebrachte areaal (28.000 km2) is
80% in gebruik als bouwland en 20% als gras- en groenvoerland. De
belangrijkste akkerbouwproducten zijn granen (vooral gerst) en
knolgewassen (o.a. aardappelen en voederbieten). Veehouderij is een
belangrijk onderdeel van de Deense landbouw. De belangrijkste producten
naar hun marktopbrengst zijn varkens en varkensvlees, runderen en
rundvlees, melk, boter en kaas. Bosbouw is onbelangrijk, in
tegenstelling tot de visserij, die in 1986 9% van de export leverde. De
vangst geschiedt met de modernste middelen en wel op de Noordzee, in het
Skagerrak en het Kattegat. De voornaamste vissershavens zijn Esbjerg,
Skagen en Hirtshals. Per 1 jan. 1977 werden de visserijgrenzen
uitgebreid tot 200 zeemijlen uit de kust.
4.3 Industrie
De industrie ontwikkelde zich later dan die in de meeste andere
West-Europese landen. Van oudsher vormt de landbouw een stimulerende
factor (landbouwmachines, kunstmest, zuivelproducten en andere
voedingswaren). De voedingsindustrie is nog steeds de grootste
industriële werkgever, gevolgd door de machinebouw en de
metaalindustrie. Ook qua opbrengst staan de voedingsindustrie en
machinebouw bovenaan (1985: resp. ca. 27 en 9 miljard).
4.4 Mijnbouw en energievoorziening
Denemarken moet vrijwel alle grondstoffen invoeren. Het winnen van
zandsteen, zand, leem, zout en zwavel heeft enige betekenis. De op de
Noordzee gewonnen olie en aardgas leverden in 1986 27 miljard kWh.
Denemarken wekt geen nucleaire energie op. Windenergie wint aan belang.
4.5 Handel
Van 1960 tot 1986 waren de handels- en betalingsbalans negatief, maar
sindsdien verminderde het tekort op de betalingsbalans sterk, in 1988
Dkr. 12,1 miljard, en in hetzelfde jaar was de handelsbalans weer
positief (Dkr. 9,1 miljard). De belangrijkste exportproducten zijn
vlees, vis, en industriële machinerie. De belangrijkste handelspartners
zijn Duitsland, Zweden en Groot-Brittannië.
4.6 Bankwezen en financiën
Danmarks Nationalbank is de centrale bank. In 1995 waren er 78 handels-
en 186 spaarbanken. De staatsschuld bedroeg in 1997 733 miljard kronen.
4.7 Verkeer
Verkeer- en brugverbindingen spelen een belangrijke rol in het verkeer.
De grootste brug is de Storstrømbrug tussen Seeland en Falster (3211 m).
In 1988 werd begonnen aan een 20 km lange brug-tunnelverbinding voor het
trein- en autoverkeer tussen de eilanden Seeland en Funen, die in 1997
is geopend. Er zijn veerverbindingen met Zweden, Duitsland, Noorwegen en
Groot-Brittannië. De handelsvloot, van oudsher van belang, is een van de
modernste ter wereld. De belangrijkste havens zijn Kopenhagen, Århus,
Ålborg, Esbjerg en Frederikshavn. De spoorwegen zijn in hoofdzaak een
staatsaangelegenheid (2471 km), hoewel met name voor het vrachtvervoer
ook particuliere lijnen (494 km) van betekenis zijn. Het Deense
spoorwegnet is door de opkomst van de autobus na de Tweede Wereldoorlog
sterk uitgedund. Het wegverkeer beschikt over een zeer dicht wegennet
(ruim 70!000 km). Slechts een klein gedeelte hiervan (ca. 7%) bestaat
uit snelwegen. Het internationale luchtverkeer maakt gebruik van de
luchthaven Kastrup, bij Kopenhagen. Daarnaast zijn er nog twaalf
commerciële vliegvelden. Det Danske Luftfarsselskab is een van de drie
sedert 1 okt. 1950 in SAS samenwerkende Scandinavische
luchtvaartmaatschappijen. Daarnaast bestaan er nog vier kleinere,
ongebonden Deense maatschappijen.
5. Toeristische gegevens
Denemarken is niet spectaculair, maar de toerist treft er een lieflijk
landschap, vooral op het 'tuineiland' Funen, brede stranden en in
Noord-Jutland een prachtig landschap van zandgronden met vele meren. Er
zijn veel schilderachtige dorpen met verzorgde huizen en een dorpskerk.
Meer dan aan de officiële architectuur kan men aan de in totaal 2000
Deense dorpskerken de geschiedenis van het land aflezen. Ten slotte
biedt Denemarken de toerist één grote stad, maar dan wel een bijzonder
joyeuze stad: Kopenhagen, op Seeland, uitgaanscentrum met een schat aan
bouwkunst en een aantal goede musea. Interessant zijn de romaanse kerken
van graniet (gehakt uit zwerfkeien) in het oosten van Midden-Jutland,
bestaande uit een schip en een koor en voorzien van een aparte mannen-
en vrouweningang. De ornamentiek van deze (700) oudste kerken van het
land, alle daterend uit 1150-1200, is schaars, maar vol zeggingskracht,
met motieven ontleend aan de Physiologus (vooral veel leeuwen).
Opmerkelijk zijn vooral de Øster-Starup Kirke in Egtved, met zeer fraaie
granietreliëfs en de kerk in Råsted, met fresco's. Belangrijk wegens de
muurschilderingen zijn ook de kerk van Vester Brody (12de en 14de eeuw)
bij Sorø, de Mørkøv-kerk in Tornved (15de eeuw), beide op Seeland en de
kerk van Fanefjord op Møn (15de eeuw). Speciale vermelding verdienen de
vier ronde romaanse kerken op Bornholm. Als in oorsprong middeleeuwse
kloosters zijn te noemen het Løgumkloster (13de eeuw) en het
Børglumkloster (13de eeuw) in Løkken Vrå op Jutland. De huidige domkerk
van Maribo (15de eeuw) op Lolland werd gebouwd als kloosterkerk voor de
Birgitta-orde. De belangrijkste kathedralen zijn die van Roskilde,
Viborg en Ribe.
Van de resten van Vikingvestingen zijn Fyrkat bij Hobro en Trelleborg
bij Slagelse de beroemdste. Uit de middeleeuwen zijn slechts enkele
burchten in de oude staat bewaard, w.o. Spøttrup op Jutland en kasteel
Nyborg op Funen. De meeste andere zijn later ingrijpend gewijzigd, bijv.
de kastelen in Rosenholm, Hadsten, Sønderborg en Kolding op Jutland, het
slot Hesselagergård en het slot Egeskov op Funen. Beroemde
renaissancekastelen zijn Frederiksborg en Kronborg bij Helsingør.
Denemarken kent nog verscheidene plaatsen met een ongeschonden
historische kern, gegroeid rond een kerk of een plein met fontein, o.a.
Ribe, Helsingør, Skagen, Tønder en Stege (op het eiland Møn). Andere
bezienswaardige steden zijn Århus, Ålborg en Odense, de stad van Hans
Christian Andersen.
De belangrijkste musea bevinden zich in Kopenhagen. Daarbuiten zijn
talrijke kleinere en grotere musea, zoals het Louisiana Museum in
Humlebæk en het kunstmuseum in Ålborg, beide met een aanzienlijke
collectie (Deense) Cobra-werken. In Herning zijn in een voormalige
textielfabriek, gebouwd in de vorm van een ellips, thans een vakschool
en een collectie moderne Deense en buitenlandse kunst ondergebracht; er
hoort ook een beeldentuin bij. Aangrenzend aan dit museum ligt het
museum Pedersen-Alfelt, dat werk van het kunstenaarsechtpaar Carl
Henning Pedersen/Else Alfelt bevat. Ook bevindt zich te Herning een
cultuurhistorisch museum betreffende de Jutlandse heide. Grote
bekendheid geniet het openluchtmuseum Den Gamle By bij Århus. In
Roskilde is een speciaal museum voor Vikingschepen. In Lejre is het
archeologisch onderzoekcentrum een toeristische trekpleister.
Toeristische trekpleisters zijn voorts de tot 125 m hoge krijtkust van
het eiland Møn, het park van kasteel Fredensborg op Seeland, het
safaripark bij het 16de-eeuwse kasteel Knuthenborg op Lolland, het
verder in de Oostzee gelegen eiland Bornholm en de tot Denemarken
behorende Faeröer. In het dorpje Jelling op Jutland zijn twee
runenstenen te zien; de Jellingestijl dankt hieraan zijn naam.
6. Geschiedenis
6.1 Prehistorie
De Deense prehistorie is vermaard om de grote rijkdom en het vaak unieke
karakter van het vondstmateriaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat
Deense archeologen (Thomsen, Worsaæ) een belangrijke rol hebben gespeeld
bij de ontwikkeling van de prehistorie als wetenschap, temeer omdat
Romeinse bewoningssporen de aandacht niet afleiden en de ijzertijd
doorloopt tot aan de late kerstening in de 9de eeuw.
De oudste bewoningssporen stammen uit het laat-glaciaal, kort na het
terugtrekken van het front van het landijs, dat in de Weichsel-ijstijd
het grootste deel van het land bedekte. Het hierop volgende mesolithicum
is vooral bekend door de Maglemose-cultuur, waarvan op kampplaatsen in
venige omgeving ook licht vergankelijk materiaal (benen en houten
artefacten) bewaard is gebleven. De neolithische levenswijze werd
slechts aarzelend overgenomen. De semi-sedentaire gemeenschappen van de
Ertebølle-cultuur (4000-3000 v.C.), bekend van de schelpafvalhopen (køkkenmøddinger),
kenden wél aardewerk en de geslepen bijl, maar leefden uitsluitend van
jacht, visserij en verzamelen. Akkerbouw en veeteelt werden eerst ca.
3500 v.C. geïntroduceerd door de dragers van de trechterbekercultuur
(3500-2500 v.C.), zeer waarschijnlijk in de vorm van een kolonisatie
vanuit het zuidoosten. In deze tijd, m.n. tussen 3200-2900, werden de
vele duizenden megalithische grafkelders, de dysse en jættestue,
gebouwd, waarin de doden werden begraven en ook een vorm van eredienst
plaatsvond. De standvoetbekercultuur met zijn afzonderlijke graven onder
grafheuvels, gekenmerkt door de bijgifte van een strijdbijl en een
beker, drong ca. 2700 v.C. de trechterbekercultuur naar de achtergrond.
Na 2500 v.C. verdwenen zowel trechterbeker- als standvoetbekercultuur.
Zij gingen waarschijnlijk op in de over geheel West-Europa voorkomende
klokbekercultuur (2500-2100 v.C.).
De Deense bronstijd (1800-500 v.C.) is ongemeen rijk door de ruime
bijgiften aan wapens en sieraden in de graven en door de omvangrijke
bronsdepots met o.m. lur-hoorns en bronzen en gouden vaatwerk. Bij het
ontbreken van ertsen wordt de bron van deze rijkdom m.n. in de
barnsteenhandel gezocht. Uit de periode rond 1500 v.C. stammen enkele
boomkistgraven, waarin wollen kleding voortreffelijk bewaard is (Egtved,
Skydstrup, Borum Eshøj). De rotsgravering van de zonnewagen van
Trundholm getuigt van een zonnecultus.
De ijzertijd wordt onderverdeeld in een vroege ijzertijd: voor-Romeinse
ijzertijd, 500-0 v.C.; Romeinse ijzertijd, 0-400 na C., en een late
ijzertijd: Germaanse ijzertijd, 400-800; Vikingtijd, 800-1050. Uit de
voor-Romeinse ijzertijd dateren de akkercomplexen van het type Celtic
field, nederzettingen met fraai bewaard gebleven funderingen van
drieschepige boerderijen en veenvondsten zoals de boot van Hjortspring,
grote bronzen en zilveren bekkens (Brå, Gundestrup), de pronkwagen van
Dejberg en de veenlijken (Tollund, Grauballe e.a.).
In de Romeinse tijd vond een levendige handel plaats met het Romeinse
Rijk, zeer waarschijnlijk in barnsteen, pelzen en andere typisch
Baltische producten, waardoor luxe-artikelen als glaswerk, bronzen en
zilveren vaatwerk (de beker van Hoby) naar het noorden kwamen.
De late ijzertijd van Zuid-Scandinavië stond naast de Frankische (Merovingische
en Karolingische) periode van West-Europa. De beginfase werd gekenmerkt
door een opvallende rijkdom aan goud, in de vorm van munten, hals- en
armringen en de hoorns van Gallehus. De Germaanse ijzertijd is de
periode van de Scandinavische dierornamentiek of dierenstijl. De
Vikingtijd werd gekenmerkt door krijgersgraven binnen een scheepsvormige
steenzetting of in een echt schip (Ladby), vaak ook met bijzetting van
een of meer paarden. De eerste steden werden gesticht, zoals Ribe, Århus,
Randers, Aalborg en vooral de machtige handelsstad Hedeby (Haithabu) in
het huidige Sleeswijk-Holstein. Er was sprake van een sterk centraal
koningsschap, waarvan de runenstenen van Jelling getuigen, en ook de
vier grote forten (o.a. Trelleborg, Fyrkat). Uit de nauwte van de
Roskildefjord werden de resten van vijf Vikingschepen geborgen.
6.2 Middeleeuwen
In zijn Gesta Danorum (begin 13de eeuw) beschrijft de monnik Saxo
Grammaticus de oudste geschiedenis van zijn land als een van kleinere
gemeenschappen onder lokale heersers, o.a. de Skoldungen te Lejre op
Seeland. In het geschiedwerk over het bisdom Hamburg van Adam van Bremen
en de keizerlijke annalen komt echter een koning Godfred voor in de 9de
eeuw, die zijn zuidgrens door het Danevirke, de muur tussen Sli en Eider,
beschermde. In diezelfde tijd zwermden de Vikingen uit voor hun eerste
plundertochten en veroveringen. Koning Gorm de Oude (ca. 935-945)
overmeesterde, uit Jutland oprukkend, een Zweeds Vikingenrijk. Zijn zoon
Harald Blaatand liet zich na 960 dopen en werd na zijn nederlaag tegen
de keizer (974) en de erkenning van diens oppergezag door zijn zoon Sven
Gaffelbaard (986-1014) verdreven. Diens zoon Knut II de Grote
(1018-1035) was reeds in Engeland als koning erkend en volgde in 1018
zijn broer Harald op in Denemarken, waaraan hij in 1028 Noorwegen door
verovering toevoegde. Zowel in Engeland als in Noorwegen keerden spoedig
na Knuts dood de nationale dynastieën terug.
Na een periode van verzwakking door binnenlandse twisten bevestigde
Waldemar I de Grote (1157-1182) stevig zijn koninklijk gezag in de
provincies, ondernam samen met Hendrik de Leeuw expedities tegen de
Wenden en bezette Rügen (1168). Zijn zoon Knut VI (1182-1202) veroverde
Pommeren (1184). Waldemar II de Overwinnaar (1202-1241) had reeds
tijdens de regering van zijn broer Lübeck en Hamburg veroverd (1201) en
voegde daar als koning nog Lauenburg, Noorwegen, Pommerellen en zelfs
Estland en Koerland aan toe, maar moest later alles, behalve Rügen en
Estland, weer aan de verbonden Noord-Duitse vorsten afstaan (1229).
Opnieuw volgde een eeuw waarin binnenlandse beroeringen de buitenlandse
expansie onmogelijk maakten. Een zeer machtig geworden adel en
geestelijkheid dwongen Erik V (1259-1286) een Magna Charta af, waarin
voorzien werd in de jaarlijkse bijeenroeping van de aristocratische
Danehof en de macht van de koning en de 'landstingen' werd beperkt
(1282). Pas onder Waldemar IV (1340-1375) was de koninklijke macht weer
enigszins hersteld. Hij veroverde Schonen, Öland en Gotland op Zweden,
maar kwam daardoor in oorlog met de Hanze (1361-1370), die zich door de
verovering van Kopenhagen en de daaropvolgende Vrede van Stralsund
(1370) een grote invloed, zelfs op het binnenlands bestuur, verzekerde.
Waldemars dochter Margaretha (1387-1412), gehuwd met Haakon VI van
Noorwegen, aanvaardde na diens dood en die van hun zoon Olaf de regering
in Denemarken en Noorwegen (1387) en intervenieerde in een Zweedse
opstand door haar overwinning bij Falköping (1389). In de Unie van
Kalmar (1397) werd de personele unie der drie landen onder haar en haar
troonopvolger Erik bevestigd, maar het gemeenschappelijk bestuur werd
tot een gezamenlijke, vooral tégen de Hanze gerichte, buitenlandse
politiek beperkt. Haar neef Erik VII van Pommeren (1412-1439) stelde in
1428 de Sont-tol in en sloeg aanvankelijk de hierop volgende aanvallen
der Hanze met succes af, maar verloor in 1432 het reeds sedert 1386 aan
de graven van Holstein in erfleen gegeven Sleeswijk en moest bij de
Vrede van Vordingborg (1435) de Hanze-privileges bevestigen. Na een
Zweedse volksopstand (1434) werd hem eerst door de Deense, daarna door
de Zweedse en Noorse Rijksraad de gehoorzaamheid opgezegd. Zijn neef
Christoffel III van Beieren (1439-1448) volgde hem in Denemarken op en
werd later ook achtereenvolgens in Zweden en Noorwegen aanvaard. Bij
diens overlijden werd een afstammeling in de vrouwelijke linie van Erik
V, Christiaan I, graaf van Oldenburg (1448-1481), tot koning gekozen,
die na de dood van een oom Sleeswijk én Holstein weer bij Denemarken kon
voegen (1460), maar op militair terrein een nederlaag leed tegen de
opstandige Zweden onder Sven Sture bij Brunkeberg (1471).
6.3 Nieuwere geschiedenis
Met de verdwijning van de eens zo machtige Hanze uit de Deense
geschiedenis en de definitieve breuk met Zweden na het bloedbad van
Stockholm (1520) werd tijdens de regering van Christiaan II (1513-1523)
een nieuw tijdperk ingeluid. Deze typische renaissancevorst met zijn -
nog te vroege - absolutistische aspiraties verloor zijn kroon aan de nog
steeds zeer machtige adel, die ze aan zijn oom Frederik I, graaf van
Sleeswijk-Holstein (1523-1533), toewees. Diens opvolger Christiaan III
(1534-1559) stelde de Sont open voor de Nederlandse scheepvaart ter
wille van een goede verstandhouding met keizer Karel V, de zwager van de
afgezette en later gevangengehouden Christiaan II. Een poging deze te
bevrijden onder leiding van Lübeck (Wullenwever) en graaf Christoffel
van Oldenburg, de zgn. Gravenfejde (1534), werd met de hulp van de
Deense en Sleeswijk-Holsteinse adel, Zweden en de keizer verijdeld. Toen
deze laatste echter toch voor zijn zusters kinderen aanspraak maakte op
de Deense troon, sloot de koning de Sont opnieuw, maar moest die bij de
Vrede van Spiers (1544) heropenen, waartegenover Karel V afzag van zijn
aanspraken. Na de Hanze beheersten nu de Nederlandse kooplieden de
handel en economie. Door een besluit van alle vier de standen van de
Rijksdag werd in deze jaren het lutheranisme met behoud van de
bisschoppelijke hiërarchie staatsgodsdienst; de koning werd het hoofd
van de landskerk en kwam in het bezit van de kerkelijke goederen.
Een eeuw van oorlogen met Zweden om de hegemonie van Noord-Europa,
ingeleid door de Drie-Kronenoorlog (1563-1570), voerde na de
Kalmaroorlog (1611-1613) tot telkens oplaaiende strijd in het voordeel
van de Zweden, die zijn hoogtepunt vond in het beleg van de hoofdstad
(1658-1659). Bij de Vrede van Kopenhagen (1660) kwamen de uiteindelijke
verliezen op Schonen en de drie andere kustlandschappen van de vanouds
Deense zuidwesthoek van Zweden, Jämtland en Härjedalen in Midden-Zweden
en de Oostzee-eilanden Gotland en Ösel. In deze strijd had de adel door
corruptie, landverraad en gebrek aan offervaardigheid zijn prestige
verloren. De burgerij van Kopenhagen ontving om haar dappere houding
tijdens het beleg aanzienlijke voorrechten en verleende op haar beurt
samen met de geestelijkheid Frederik III (1648-1670) in 1660 onbeperkt
gezag en erfelijkheid van het koningschap, ook in de vrouwelijke linie,
neergelegd in de Lex regia van 1665.
Als tegenwicht tegen de oude landadel begon ook de vorming van een
bestuursadel uit Deense en Noord-Duitse burgers en Holsteinse en
Noord-Duitse adellijke families als Reventlow, Moltke en Bernstorff. In
de nu volgende, beide laatste Noordse oorlogen was het gekortwiekte land
dankzij het absolutistische koningschap ook aanzienlijk sterker, hoewel
de tussenkomst van Frankrijk, Zwedens traditionele bondgenoot, tastbare
resultaten verhinderde. Wel kon Frederik IV (1699-1730) bij de Vrede van
Frederiksborg (1720) de Sleeswijkse lenen van de Gottorpers verbeurd
verklaren en inlijven. Na lange verwikkelingen konden daar in 1767 de
Holsteinse gebieden van dit geslacht aan worden toegevoegd, in ruil voor
Oldenburg, dat bij het uitsterven van het grafelijk huis in 1667 aan
Denemarken was toegevallen.
De periode van vrede was overigens allerminst een tijd van economische
bloei. De reeds lang deplorabele toestand van de boeren trachtte men
tevergeefs te verbeteren, o.a. door de Stavnsbaand, een verbod tot
migratie, dat in feite tot een soort lijfeigenschap voerde. De
maatregelen ter bevordering van de industrie leden schipbreuk op de
Franse en Britse concurrentie. Het absolutisme raakte in diskrediet door
het officieuze regentschap van de Duitse lijfarts van Christiaan VII,
Struensee, die tijdens diens dementie zowel 's konings bestuurlijke als
echtelijke plichten waarnam. Na zijn terechtstelling (1772) zette
Guldberg een soortgelijk regime van kabinetssecretaris voort, dat een
reactie zowel op de invloed van de vreemdelingen in staatsdienst als op
het vroegere collegebestuur was.
De latere koning Frederik VI (1808-1839) herstelde als kroonprins de
macht der oude colleges en deed een beroep op Bernstorff jr. en andere
vroegere bekwame staatsdienaren. Een meer liberale politiek van Chr.D.
Reventlow, chef van de Rekenkamer, en de Noorse procureur-generaal
Colbjörnsen beoogde ontvoogding van de boerenstand en vrijhandel. Vooral
deze handel en de scheepvaart bloeiden op, ook dankzij de gewapende
neutraliteit tijdens de eerste coalitie-oorlogen (Bernstorff).
Onderwijs, rechterlijke macht en sociale voorzieningen voor armen en
wezen werden hervormd. De aanval der Engelsen in 1801 en vooral het
bombardement van Kopenhagen en de wegvoering van de volledige Deense
vloot in 1807 maakten een eind aan neutraliteit en betrekkelijke
welvaart. Door de Deense trouw aan Napoleon, ook na 1813, kreeg de wel
overgelopen Zweedse kroonprins Bernadotte de kans het vasteland van
Noorwegen te bezetten, dat bij de Vrede van Kiel (1814) aan Zweden werd
toegewezen, terwijl Denemarken als slechts gedeeltelijke compensatie
Lauenburg kreeg.
6.4 19de eeuw
Na 1815 volgde de geleidelijke afbraak van het absolutistische regime.
Het binnenlandse streven van burgers en boeren naar medezeggenschap werd
begeleid door de druk van de Bondsdag, die voor het tot de Duitse Bond
behorende Holstein aandrong op een standenvergadering (1830). De oude
koning Frederik VI stemde ten slotte toe in volksvertegenwoordigingen
niet alleen voor Holstein, maar ook voor de verschillende zuiver Deense
delen, zij het dan met alleen adviserende bevoegdheden (1835). Pas
Frederik VII (1848-1863) gaf bij zijn troonsbestijging na de dood van
Christiaan VIII (1839-1848) gehoor aan een verzoek van de
hoofdstedelijke vroedschap, benoemde een liberaal ministerie en liet
verkiezingen uitschrijven voor een constituante. De 5 juni 1849 door de
koning bekrachtigde grondwet voorzag in een volgens algemeen kiesrecht
direct gekozen Folketing en een volgens algemeen kiesrecht indirect uit
de hoogstaangeslagenen gekozen Landsting, die beide de wetgevende macht
met de koning zouden delen. De onderdrukking van een volksopstand in
Sleeswijk en Holstein door Deense troepen leidde tot interventie van de
Duitse Bond in de eerste Duits-Deense Oorlog (1848-1850). De grote
mogendheden, op hun beurt tussenbeide gekomen, wezen op de conferentie
van Londen de kroon van Denemarken én Sleeswijk-Holstein toe aan het
huis Sonderburg-Glücksburg. De kandidaat, de latere Christiaan IX
(1863-1906), had in de voorafgaande oorlog aan Deense zijde gestreden.
Het feit dat een nieuwe grondwet, die hij vlak na zijn troonsbestijging
bekrachtigde, ook voor Sleeswijk zou gelden, was voor de Duitse Bond
aanleiding tot de tweede Duits-Deense Oorlog (1864), waarna Denemarken
bij de Vrede van Wenen Lauenburg, Holstein en heel Sleeswijk aan Pruisen
en Oostenrijk verloor. Zie ook Sleeswijk-Holsteinse kwestie.
Bij een nieuwe grondwetswijziging in 1866 werd het oorspronkelijk
algemene actieve kiesrecht voor het 'Landsting' evenals het passieve tot
de hoogstaangeslagenen beperkt en zou de vergadering bovendien
gedeeltelijk door de koning zelf worden samengesteld. In de volgende
jaren stonden op dit 'Landsting' steunende conservatieve ministeries
lijnrecht tegenover het 'Folketing' met zijn liberale meerderheid,
zonder dat er in de grondwet voor deze situatie voorzieningen waren
getroffen. Ondanks haar meerderheid was de linkerzijde vrijwel
machteloos. Premier Estrup trachtte in 1885 de toch nog aanwezige
moeilijkheden te forceren door te regeren met een provisorische
begroting, beperking van de vrijheid van drukpers en vergadering en
arrestatie van de leiders der oppositie, waarna een aanslag op zijn
leven werd gepleegd. Pas in 1894 kwamen beide partijen tot een vergelijk
en nam Estrup na een ambtsperiode van 19 jaar ontslag. Eerst in 1901 zou
Deuntzer het eerste liberale kabinet vormen.
Toch was de tweede helft van de 19de eeuw een periode van grote
economische bloei. De Sont-tol was in 1857 opgeheven, handel en
industrie ontplooiden zich, landbouw en veeteelt beleefden door sociale
maatregelen, o.a. wijziging der pachtverhouding in eigen bezit, en
vooral door de uitbouw van het coöperatieve systeem een tevoren
ongekende bloei. De volkshogeschoolbeweging van Grundtvig leverde een
belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van het platteland.
6.5 1900-1945
Na 1900 maakte de toen ingezette democratisering snelle vorderingen. Een
belastinghervorming maakte een einde aan de geprivilegieerde positie van
de steden in dezen (1903), terwijl door het ministerie-Christensen ook
aan vrouwen kiesrecht werd verleend, dat bij de grondwetsherziening van
1915 tot alle mannen en vrouwen zou worden uitgebreid. Noorwegen had
zich onder bijval van het Deense volk van Zweden losgemaakt en riep een
jongere Deense prins als Haakon VII tot koning uit (1905). IJsland werd
in 1918 een zelfstandig koninkrijk, dat nog slechts door een personele
unie met Denemarken was verbonden. In 1920 werd met toestemming van de
geallieerden het reeds in 1866 vastgelegde plebisciet in Noord- en
Midden-Sleeswijk gehouden, waarna het eerste gebied aan Denemarken
terugkwam. Voor de binnenlandse politiek werd in 1924 een nieuw tijdperk
ingeluid, toen met Stauning de sociaal-democraten aan het bewind kwamen
en, met een onderbreking van 1926 tot 1929, bleven. In 1933 kreeg het
land in volle crisistijd het beste sociale verzekeringssysteem van de
wereld. Het leger werd in 1932 tot een grenswacht ingekrompen en de door
Noorwegen aangevochten soevereiniteit over Groenland kon door een
uitspraak van het Hof van Internationale Justitie worden gehandhaafd.
Denemarken bood geen weerstand aan de Duitse troepen, die op 9 april
1940 het land binnenvielen. De Duitsers handhaafden aanvankelijk het
koningschap en de regering, maar lieten hun ambassadeur, von Renthe Fink,
toezicht uitoefenen op het bestuur. Geleidelijk werden de Duitse
bemoeiingen ingrijpender, vooral nadat Fink in 1942 was vervangen door
de Reichsbevollmächtigter Werner Beck, terwijl het verzet onder de
Deense bevolking tegen de bezetter sterker werd. Na een algemene staking
in aug. 1943 kwam het tot een breuk: de regering (na de dood van
Stauning in 1942 achtereenvolgens geleid door de sociaal-democraten Buhl
en Scavenius) trad af, waarna mede door het verzet van de koning geen
nieuw kabinet werd gevormd.
6.6 De periode na 1945
Op 5 mei 1945 werd Denemarken bevrijd. De eerste naoorlogse verkiezingen
(okt. 1945) brachten de communisten grote winst ten koste van de
socialisten, wat de vorming van een liberale minderheidsregering onder
leiding van Knud Kristensen tot gevolg had. In 1947 kwam een
sociaal-democratisch minderheidskabinet-Hedtoft aan het bewind, dat na
de verkiezingen van 1950 plaats moest maken voor een coalitie van
liberalen en conservatieven, met als premier de liberaal Erik Eriksen.
Sedert de verkiezingen van 1953 is het land tot 1968 door socialistische
kabinetten bestuurd, achtereenvolgens geleid door H. Hedtoft, H.C.
Hansen, V. Kampmann en J.O. Krag. In 1968 trad een burgerlijk
coalitiekabinet op onder leiding van Baunsgaard, waarna van 1971 tot
1982 de socialisten weer aan het bewind kwamen. Hun leider Krag slaagde
erin de toetreding van Denemarken tot de Europese Gemeenschappen te
verwezenlijken (referendum 2 okt. 1972). Kort daarna werd hij opgevolgd
door A. Jørgensen.
De verkiezingen van dec. 1973 brachten verlies voor alle gevestigde
partijen en winst voor de nieuwe, 'poujadistische' partij van de
miljonair Mogens Glistrup. Na een minderheidsregering van de liberaal P.
Hartling en na nieuwe verkiezingen kwam in febr. 1975 opnieuw A.
Jørgensen als premier van een minderheidskabinet aan het bewind. Tot
1981 voerde hij een bezuinigings- en belastingpolitiek om de toegenomen
economische, sociale en financiële problemen het hoofd te kunnen bieden.
In dat jaar werden de sociaal-democraten echter verslagen door de
conservatieven. In 1982 vormde P. Schlütter (conservatieven) een
minderheidsregering uit conservatieven, centrum-democraten en leden van
de Christelijke Volkspartij en de rechts-liberale Venstre, die in
wisselende samenstellingen, ook na de verkiezingen van 1984, 1987, 1988
en 1990, ondanks verkiezingsnederlagen, als minderheidsregering bleef
voortbestaan.
In jan. 1993 werd een nieuwe centrum-rechtse regering onder Poul Nyrup
Rasmussen geïnstalleerd, nadat Schlütter wegens misleiding van het
parlement zijn functie had moeten neerleggen.
Op 5 maart 1991 werden algemene verkiezingen gehouden op Groenland, dat
een autonome status binnen het Deense koninkrijk heeft. De regerende
Vooruitgangspartij van premier Jonathan Motzfeldt verloor weliswaar
stemmen, maar kon haar elf zetels in het parlement behouden. De
verkiezingen werden gehouden nadat de oppositie enkele kabinetsleden van
corruptie had beschuldigd. Een belangrijk punt in de verkiezingscampagne
was het mogelijk nieuwe lidmaatschap van Groenland van de EG. In 1985
had Groenland zich uit de EG teruggetrokken.
In 1992 zorgde Denemarken voor een crisis in de Europese Gemeenschap
toen de Denen in juni (met 50, 7% van de stemmen tegen) in een
referendum het Verdrag van Maastricht afwezen. De bezwaren van
Denemarken richtten zich met name tegen het toegenomen centralisme in de
EG en tegen de ondemocratische en ondoorzichtige besluitvorming in de te
vormen Economische en Monetaire Unie (EMU) en Europese Politieke Unie
(EPU). Denemarken stelde voor 'opnieuw te praten over onderdelen van de
Europese Unie'. Van de kant van de EG-partners werd terughoudend
gereageerd op deze suggestie, omdat hiermee het hele compromis van
Maastricht op losse schroeven zou komen te staan. Op de EG-top in
Edinburgh half december slaagde Denemarken erin van de EG-partners
gedaan te krijgen dat het land uitgezonderd bleef van de gezamenlijke
Europese munt, van de defensiepolitiek en van het Europese burgerschap.
Op 18 mei 1993 ten slotte aanvaardden de Deense kiezers met 56,7% van de
stemmen vóór het Verdrag van Maastricht.
Gesterkt door de gunstige economische ontwikkelingen vervroegde premier
Rasmussen de parlementsverkiezingen. Die vonden plaats in sept. 1994 en
eindigden in een nederlaag voor de regeringscoalitie, maar Rasmussen kon
met gedoogsteun van enkele kleine linkse partijen aan het bewind
blijven.
Telefoongids Denemarken
Postcodes
Denemarken
|