header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Denemarken

 

Terug naar overzicht Europa >>

 



 

Denemarken (officieel: Kongeriget Danmark), koninkrijk in Noordwest-Europa, 43.094 km2, met (schatting 1995) 5.215.000 inw. (121 inw. per km2); hoofdstad Kopenhagen (København). Denemarken (dat ligt tussen Midden-Europa en Scandinavië in engere zin) bestaat uit het schiereiland Jutland (Jylland), 100 bewoonde eilanden en 383 onbewoonde eilanden. De belangrijkste bewoonde eilanden zijn Seeland (Sjælland), Funen (Fyn), Lolland, Falster, Als, Langeland en het veel verder in de Oostzee gelegen Bornholm. Tot Denemarken behoren ook de Faeröer en Groenland. Munteenheid is de Deense kroon (Dkr.), onderverdeeld in 100 øre. Nationale feestdag is 5 juni, de dag waarop in 1849 de grondwet van kracht werd.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Denemarken is naar samenstelling en vorm van de bodem voornamelijk een product van de IJstijd. Het landoppervlak wordt overal gevormd door stuwwallen, grondmorenen, eindmorenen, smeltwaterruggen, spoelzandvlakten en oerstroomdalen. Stijging en daling van het land hebben in een wisselend samenspel met het zich uitbreidende en dan weer terugtrekkende landijs uit Scandinavië en het Baltisch gebied aan het Deense landschap zijn afwisselende, meestal zacht golvende vormen gegeven.
Jutland wordt in de lengte doorsneden door de Baltische landrug, een oude eindmorenewal (hoogste punten: de Ejer Bavnhøj, 172 m; Himmelbjerget, 163 m), die even ten zuiden van Kaap Skagen (Skagens Horn) eindigt en het schiereiland in een westelijk en oostelijk deel verdeelt. Het oostelijk deel is een grondmorenelandschap en heeft een betrekkelijk vruchtbare keileembodem. Het is een heuvelachtig gebied met talrijke meren, o.a. Mossø en Julsø. Vele goed bevaarbare fjorden (zonder steile wanden) dringen vanaf de oostkust diep het land in. Het zijn verdronken smeltwatergeulen. De belangrijkste rivier in het oostelijk deel is de 150 km lange Gudenå, die via de Randersfjord uitmondt in het Kattegat. De Skive Aa, 60 km lang, mondt uit in de Limfjord.
Het westelijk deel van Jutland bestaat uit naar het westen hellende vlakten, met in het noorden thans grotendeels ontgonnen hoogveenmoerassen en in het westen een laag kleigebied, met polders en een waddenkust; meer naar het noorden, van Blaavands Huk tot Thyborøn, een haffenkust met duinen. De noordwestkust is een pleistocene klifkust, die bij Kaap Skagen weer overgaat in duinen en schoorwallen. De eilanden zijn resten van een verdronken glaciaal landschap. Oude morenewallen vormen ook hier weer de hoogste delen, met toppen als de Gyldenloves Høj (126 m) op Seeland en de Frøbjerg (126 m) op Funen. Delen van de ondergrond komen bij Møns Klint (krijt) en Stevns Klint (leisteen) aan de oppervlakte en vormen daar steile, door abrasie afbrokkelende rotsen. Het eiland Bornholm sluit, voor wat betreft de geologische bouw, geheel aan bij het Fennoscandische schild. Lolland is laag en vlak en moet door dijken tegen stormvloeden beschermd worden.
1.2 Klimaat
Denemarken heeft een zeeklimaat met overheersend westelijke winden. Door de geringe oppervlakte van het land en doordat het vrijwel aan alle zijden door zee is omgeven, zijn de klimaatverschillen zeer gering (gemiddelde jaartemperatuur 7,3 °C). De atmosfeer is 's winters zeer vochtig (relatieve vochtigheid 91-92%). De zomers kenmerken zich door veel zonneschijn: van mei tot augustus wordt ongeveer de helft van de jaarlijkse zonneschijn genoteerd. In strenge winters vriest een gedeelte van het Kattegat voor korte tijd dicht. In de Sont en in de Belten komt vaker ijs voor; in eerstgenoemde gemiddeld om de twee jaar. Aan de westkust van Jutland vriezen de havens zelden dicht.
1.3 Plantengroei
Denemarken is van nature begroeid met loofbomen, vooral beuken, met name op de eilanden en Oost-Jutland; in Jutland zijn zij echter grotendeels gerooid (thans landbouwgronden). De onvruchtbare, glaciale zandgronden van het westelijk deel van Jutland vormen natuurlijke heidegebieden; daarnaast ontstonden er heidevelden op de plaatsen waar de eiken- en berkenbossen gerooid werden. Voorts komen hier dennen- en sparrenbossen voor, deels door aanplanting. In het noorden en noordwesten van Jutland ontstonden ten gevolge van de slechte afwatering uitgestrekte hoogveenmoerassen, o.a. Store Vildmose en Lille Vildmose, thans voor een groot deel ontgonnen. De westelijke duinkust heeft een speciale duinvegetatie.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is samengesteld uit elementen van de fauna van de West-Europese laagvlakte. Er leven vos, das, marter en otter, edelhert, ree en het ingevoerde damhert en sikahert. Het wilde zwijn ontbreekt. Van de vleermuizen zijn er alleen gladneuzen, van de slaapmuizen alleen de hazelmuis. De hamster ontbreekt, de berkemuis komt voor, evenals de eekhoorn. Haas en konijn leven er, ook echte muizen en woelmuizen; voorts mol, egel en enkele soorten spitsmuizen. Van de zeeroofdieren komt naast de gewone zeehond de grijze zeehond voor. In de kustwateren verschijnen de bruinvis en de tuimelaar. Van de vogels zijn, behalve de talrijke soorten kustvogels en steltlopers, te noemen raaf, zeearend, patrijs, fazant en eend.
Denemarken heeft de jacht en de natuurbescherming bijzonder goed geregeld.

            bornholm04-11.jpgchristiansoe01.jpgivP4180027.jpgP1010056.jpgP1010025.jpg

2. Bevolking
2.1 Spreiding
De totale bevolking van (schatting 1995) 5.215.000 inw. is zeer ongelijk over het land verdeeld. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt 121 per km2, maar in delen van Oost-Jutland en op de grote eilanden worden hogere concentraties bereikt. Ca. 88% van de bevolking woont in steden (in 1901 nog maar 40%). Sinds 1981 is de natuurlijke bevolkingsgroei negatief, hetgeen gecompenseerd wordt door een positief migratiesaldo. Over de periode 1978-1995 bedroeg de gemiddelde bevolkingsgroei 0,16%.
2.2 Taal
Officiële taal is de Deense taal. Duits wordt voor een deel in Zuid-Jutland gesproken.
2.3 Religie
Ca. 87% van de bevolking is evangelisch-luthers; voorts zijn er 32!000 rooms-katholieken en 6500 joden. Slechts 3% van de bevolking geeft op niet-godsdienstig te zijn.
Het christendom was in Denemarken rond het jaar 1100 algemeen doorgedrongen. In 1536 werd, vooral ten gevolge van de prediking van de 'Deense Luther', Hans Tausen, de reformatie van staatswege algemeen doorgevoerd. De Evangelisch-Lutherse Kerk in Denemarken wordt officieel als volkskerk (niet als staatskerk) gekwalificeerd. Zij wordt als zodanig door de staat grotendeels gefinancierd. Elk van de 2100 kerkelijke gemeenten wordt bestuurd door een door de gelovigen gekozen raad. In 1947 werd de vrouw tot het ambt toegelaten.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Denemarken is een parlementaire monarchie. Het koningschap is sedert de grondwet van 1953 erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke linie. De koning, die grondwettelijk de evangelisch-lutherse 'volkskerk 'moet aanhangen, oefent de wetgevende macht uit samen met het Folketing, het parlement. Dit bestaat uit één Kamer met 179 leden die rechtstreeks gekozen worden voor vier jaar. Van de 179 zetels gaan er 4 naar vertegenwoordigers van de Faeröer en Groenland, 135 naar de partijen die de kiesdrempel hebben gehaald, en 40 naar de kleinere partijen. De uitvoerende macht berust bij de Statsraadet, bestaande uit de koning en de aan het Folketing verantwoordelijke ministers. Actief en passief kiesrecht hebben alle Deense mannen en vrouwen vanaf 18 jaar. Er is geen opkomstplicht.
3.2 Administratieve indeling
Denemarken is administratief ingedeeld in veertien amtskommuner, onderverdeeld in 275 gemeenten. De amtskommuner, de gemeenten en Kopenhagen (een aparte bestuurlijke eenheid) kennen een direct gekozen bestuur.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Denemarken is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NATO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Europese Raad, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en de Europese Unie (EU).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
Doordat ook partijen die onder de kiesdrempel blijven in het parlement kunnen komen, telt Denemarken bijzonder veel politieke partijen. Een gevolg daarvan is dat Denemarken vaak door minderheidskabinetten geregeerd wordt. De belangrijkste partijen zijn de Socialdemokratiet Parti, de Venstre (rechts-liberaal), de Konservative Folkeparti, de Socialistik Folkeparti, de Radikale Venstre (links-liberaal), de Centrum Demokraterne en de Fremskridtspartiet (de populistische Vooruitgangspartij die in 1972 werd opgericht door de miljonair M. Glistrup).
De vakbeweging speelt traditioneel een belangrijke rol bij het vaststellen van de tweejaarlijkse CAO's. Overkoepelend orgaan voor vrijwel alle vakorganisaties is de LO (Landesorganisationen i Danmark) met een gezamenlijk ledental van 1, 5 miljoen (1994).

4. Economie
4.1 Algemeen
Denemarken behoort tot de tien rijkste en economisch hoogst ontwikkelde landen van de wereld. In 1994 bedroeg het bnp per hoofd van de bevolking $ 28.110. De jaarlijkse groei van het bnp is relatief beperkt: in de periode 1990-1994 gemiddeld 1, 8%, in 1995 al 3,1%. Vanaf de jaren vijftig is het aandeel van de dienstensector in het bnp gestegen van 43 tot 70% in 1995, ten koste van de primaire (4%) en de secundaire sector (27%). Dat ook de Deense economie met moeilijkheden kampt, blijkt uit de voortdurende tekorten op de betalingsbalans sinds 1970. Ook de staatsbegroting vertoont (sedert 1974) aanzienlijke tekorten. De geregistreerde werkloosheid steeg in 1994 tot ruim 10% van de beroepsbevolking. Denemarken trad in 1973 toe tot de Europese Gemeenschappen in de hoop daarmee de eigen economie (vooral de stagnerende landbouw) te kunnen stimuleren. De inflatie bedroeg in 1995 2,5%.
4.2 Landbouw
De agrarische beroepsbevolking daalde tussen 1961 en 1994 van 120.000 tot 35.000 personen. In 1986 beschikte 90% van de ca. 100.000 bedrijven over meer dan 5 ha. Van het in cultuur gebrachte areaal (28.000 km2) is 80% in gebruik als bouwland en 20% als gras- en groenvoerland. De belangrijkste akkerbouwproducten zijn granen (vooral gerst) en knolgewassen (o.a. aardappelen en voederbieten). Veehouderij is een belangrijk onderdeel van de Deense landbouw. De belangrijkste producten naar hun marktopbrengst zijn varkens en varkensvlees, runderen en rundvlees, melk, boter en kaas. Bosbouw is onbelangrijk, in tegenstelling tot de visserij, die in 1986 9% van de export leverde. De vangst geschiedt met de modernste middelen en wel op de Noordzee, in het Skagerrak en het Kattegat. De voornaamste vissershavens zijn Esbjerg, Skagen en Hirtshals. Per 1 jan. 1977 werden de visserijgrenzen uitgebreid tot 200 zeemijlen uit de kust.
4.3 Industrie
De industrie ontwikkelde zich later dan die in de meeste andere West-Europese landen. Van oudsher vormt de landbouw een stimulerende factor (landbouwmachines, kunstmest, zuivelproducten en andere voedingswaren). De voedingsindustrie is nog steeds de grootste industriële werkgever, gevolgd door de machinebouw en de metaalindustrie. Ook qua opbrengst staan de voedingsindustrie en machinebouw bovenaan (1985: resp. ca. ƒ 27 en 9 miljard).
4.4 Mijnbouw en energievoorziening
Denemarken moet vrijwel alle grondstoffen invoeren. Het winnen van zandsteen, zand, leem, zout en zwavel heeft enige betekenis. De op de Noordzee gewonnen olie en aardgas leverden in 1986 27 miljard kWh. Denemarken wekt geen nucleaire energie op. Windenergie wint aan belang.
4.5 Handel
Van 1960 tot 1986 waren de handels- en betalingsbalans negatief, maar sindsdien verminderde het tekort op de betalingsbalans sterk, in 1988 Dkr. 12,1 miljard, en in hetzelfde jaar was de handelsbalans weer positief (Dkr. 9,1 miljard). De belangrijkste exportproducten zijn vlees, vis, en industriële machinerie. De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland, Zweden en Groot-Brittannië.
4.6 Bankwezen en financiën
Danmarks Nationalbank is de centrale bank. In 1995 waren er 78 handels- en 186 spaarbanken. De staatsschuld bedroeg in 1997 733 miljard kronen.
4.7 Verkeer
Verkeer- en brugverbindingen spelen een belangrijke rol in het verkeer. De grootste brug is de Storstrømbrug tussen Seeland en Falster (3211 m). In 1988 werd begonnen aan een 20 km lange brug-tunnelverbinding voor het trein- en autoverkeer tussen de eilanden Seeland en Funen, die in 1997 is geopend. Er zijn veerverbindingen met Zweden, Duitsland, Noorwegen en Groot-Brittannië. De handelsvloot, van oudsher van belang, is een van de modernste ter wereld. De belangrijkste havens zijn Kopenhagen, Århus, Ålborg, Esbjerg en Frederikshavn. De spoorwegen zijn in hoofdzaak een staatsaangelegenheid (2471 km), hoewel met name voor het vrachtvervoer ook particuliere lijnen (494 km) van betekenis zijn. Het Deense spoorwegnet is door de opkomst van de autobus na de Tweede Wereldoorlog sterk uitgedund. Het wegverkeer beschikt over een zeer dicht wegennet (ruim 70!000 km). Slechts een klein gedeelte hiervan (ca. 7%) bestaat uit snelwegen. Het internationale luchtverkeer maakt gebruik van de luchthaven Kastrup, bij Kopenhagen. Daarnaast zijn er nog twaalf commerciële vliegvelden. Det Danske Luftfarsselskab is een van de drie sedert 1 okt. 1950 in SAS samenwerkende Scandinavische luchtvaartmaatschappijen. Daarnaast bestaan er nog vier kleinere, ongebonden Deense maatschappijen.

5. Toeristische gegevens
Denemarken is niet spectaculair, maar de toerist treft er een lieflijk landschap, vooral op het 'tuineiland' Funen, brede stranden en in Noord-Jutland een prachtig landschap van zandgronden met vele meren. Er zijn veel schilderachtige dorpen met verzorgde huizen en een dorpskerk. Meer dan aan de officiële architectuur kan men aan de in totaal 2000 Deense dorpskerken de geschiedenis van het land aflezen. Ten slotte biedt Denemarken de toerist één grote stad, maar dan wel een bijzonder joyeuze stad: Kopenhagen, op Seeland, uitgaanscentrum met een schat aan bouwkunst en een aantal goede musea. Interessant zijn de romaanse kerken van graniet (gehakt uit zwerfkeien) in het oosten van Midden-Jutland, bestaande uit een schip en een koor en voorzien van een aparte mannen- en vrouweningang. De ornamentiek van deze (700) oudste kerken van het land, alle daterend uit 1150-1200, is schaars, maar vol zeggingskracht, met motieven ontleend aan de Physiologus (vooral veel leeuwen).
Opmerkelijk zijn vooral de Øster-Starup Kirke in Egtved, met zeer fraaie granietreliëfs en de kerk in Råsted, met fresco's. Belangrijk wegens de muurschilderingen zijn ook de kerk van Vester Brody (12de en 14de eeuw) bij Sorø, de Mørkøv-kerk in Tornved (15de eeuw), beide op Seeland en de kerk van Fanefjord op Møn (15de eeuw). Speciale vermelding verdienen de vier ronde romaanse kerken op Bornholm. Als in oorsprong middeleeuwse kloosters zijn te noemen het Løgumkloster (13de eeuw) en het Børglumkloster (13de eeuw) in Løkken Vrå op Jutland. De huidige domkerk van Maribo (15de eeuw) op Lolland werd gebouwd als kloosterkerk voor de Birgitta-orde. De belangrijkste kathedralen zijn die van Roskilde, Viborg en Ribe.
Van de resten van Vikingvestingen zijn Fyrkat bij Hobro en Trelleborg bij Slagelse de beroemdste. Uit de middeleeuwen zijn slechts enkele burchten in de oude staat bewaard, w.o. Spøttrup op Jutland en kasteel Nyborg op Funen. De meeste andere zijn later ingrijpend gewijzigd, bijv. de kastelen in Rosenholm, Hadsten, Sønderborg en Kolding op Jutland, het slot Hesselagergård en het slot Egeskov op Funen. Beroemde renaissancekastelen zijn Frederiksborg en Kronborg bij Helsingør. Denemarken kent nog verscheidene plaatsen met een ongeschonden historische kern, gegroeid rond een kerk of een plein met fontein, o.a. Ribe, Helsingør, Skagen, Tønder en Stege (op het eiland Møn). Andere bezienswaardige steden zijn Århus, Ålborg en Odense, de stad van Hans Christian Andersen.
De belangrijkste musea bevinden zich in Kopenhagen. Daarbuiten zijn talrijke kleinere en grotere musea, zoals het Louisiana Museum in Humlebæk en het kunstmuseum in Ålborg, beide met een aanzienlijke collectie (Deense) Cobra-werken. In Herning zijn in een voormalige textielfabriek, gebouwd in de vorm van een ellips, thans een vakschool en een collectie moderne Deense en buitenlandse kunst ondergebracht; er hoort ook een beeldentuin bij. Aangrenzend aan dit museum ligt het museum Pedersen-Alfelt, dat werk van het kunstenaarsechtpaar Carl Henning Pedersen/Else Alfelt bevat. Ook bevindt zich te Herning een cultuurhistorisch museum betreffende de Jutlandse heide. Grote bekendheid geniet het openluchtmuseum Den Gamle By bij Århus. In Roskilde is een speciaal museum voor Vikingschepen. In Lejre is het archeologisch onderzoekcentrum een toeristische trekpleister.
Toeristische trekpleisters zijn voorts de tot 125 m hoge krijtkust van het eiland Møn, het park van kasteel Fredensborg op Seeland, het safaripark bij het 16de-eeuwse kasteel Knuthenborg op Lolland, het verder in de Oostzee gelegen eiland Bornholm en de tot Denemarken behorende Faeröer. In het dorpje Jelling op Jutland zijn twee runenstenen te zien; de Jellingestijl dankt hieraan zijn naam.

6. Geschiedenis
6.1 Prehistorie
De Deense prehistorie is vermaard om de grote rijkdom en het vaak unieke karakter van het vondstmateriaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Deense archeologen (Thomsen, Worsaæ) een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de prehistorie als wetenschap, temeer omdat Romeinse bewoningssporen de aandacht niet afleiden en de ijzertijd doorloopt tot aan de late kerstening in de 9de eeuw.
De oudste bewoningssporen stammen uit het laat-glaciaal, kort na het terugtrekken van het front van het landijs, dat in de Weichsel-ijstijd het grootste deel van het land bedekte. Het hierop volgende mesolithicum is vooral bekend door de Maglemose-cultuur, waarvan op kampplaatsen in venige omgeving ook licht vergankelijk materiaal (benen en houten artefacten) bewaard is gebleven. De neolithische levenswijze werd slechts aarzelend overgenomen. De semi-sedentaire gemeenschappen van de Ertebølle-cultuur (4000-3000 v.C.), bekend van de schelpafvalhopen (køkkenmøddinger), kenden wél aardewerk en de geslepen bijl, maar leefden uitsluitend van jacht, visserij en verzamelen. Akkerbouw en veeteelt werden eerst ca. 3500 v.C. geïntroduceerd door de dragers van de trechterbekercultuur (3500-2500 v.C.), zeer waarschijnlijk in de vorm van een kolonisatie vanuit het zuidoosten. In deze tijd, m.n. tussen 3200-2900, werden de vele duizenden megalithische grafkelders, de dysse en jættestue, gebouwd, waarin de doden werden begraven en ook een vorm van eredienst plaatsvond. De standvoetbekercultuur met zijn afzonderlijke graven onder grafheuvels, gekenmerkt door de bijgifte van een strijdbijl en een beker, drong ca. 2700 v.C. de trechterbekercultuur naar de achtergrond. Na 2500 v.C. verdwenen zowel trechterbeker- als standvoetbekercultuur. Zij gingen waarschijnlijk op in de over geheel West-Europa voorkomende klokbekercultuur (2500-2100 v.C.).
De Deense bronstijd (1800-500 v.C.) is ongemeen rijk door de ruime bijgiften aan wapens en sieraden in de graven en door de omvangrijke bronsdepots met o.m. lur-hoorns en bronzen en gouden vaatwerk. Bij het ontbreken van ertsen wordt de bron van deze rijkdom m.n. in de barnsteenhandel gezocht. Uit de periode rond 1500 v.C. stammen enkele boomkistgraven, waarin wollen kleding voortreffelijk bewaard is (Egtved, Skydstrup, Borum Eshøj). De rotsgravering van de zonnewagen van Trundholm getuigt van een zonnecultus.
De ijzertijd wordt onderverdeeld in een vroege ijzertijd: voor-Romeinse ijzertijd, 500-0 v.C.; Romeinse ijzertijd, 0-400 na C., en een late ijzertijd: Germaanse ijzertijd, 400-800; Vikingtijd, 800-1050. Uit de voor-Romeinse ijzertijd dateren de akkercomplexen van het type Celtic field, nederzettingen met fraai bewaard gebleven funderingen van drieschepige boerderijen en veenvondsten zoals de boot van Hjortspring, grote bronzen en zilveren bekkens (Brå, Gundestrup), de pronkwagen van Dejberg en de veenlijken (Tollund, Grauballe e.a.).
In de Romeinse tijd vond een levendige handel plaats met het Romeinse Rijk, zeer waarschijnlijk in barnsteen, pelzen en andere typisch Baltische producten, waardoor luxe-artikelen als glaswerk, bronzen en zilveren vaatwerk (de beker van Hoby) naar het noorden kwamen.
De late ijzertijd van Zuid-Scandinavië stond naast de Frankische (Merovingische en Karolingische) periode van West-Europa. De beginfase werd gekenmerkt door een opvallende rijkdom aan goud, in de vorm van munten, hals- en armringen en de hoorns van Gallehus. De Germaanse ijzertijd is de periode van de Scandinavische dierornamentiek of dierenstijl. De Vikingtijd werd gekenmerkt door krijgersgraven binnen een scheepsvormige steenzetting of in een echt schip (Ladby), vaak ook met bijzetting van een of meer paarden. De eerste steden werden gesticht, zoals Ribe, Århus, Randers, Aalborg en vooral de machtige handelsstad Hedeby (Haithabu) in het huidige Sleeswijk-Holstein. Er was sprake van een sterk centraal koningsschap, waarvan de runenstenen van Jelling getuigen, en ook de vier grote forten (o.a. Trelleborg, Fyrkat). Uit de nauwte van de Roskildefjord werden de resten van vijf Vikingschepen geborgen.
6.2 Middeleeuwen
In zijn Gesta Danorum (begin 13de eeuw) beschrijft de monnik Saxo Grammaticus de oudste geschiedenis van zijn land als een van kleinere gemeenschappen onder lokale heersers, o.a. de Skoldungen te Lejre op Seeland. In het geschiedwerk over het bisdom Hamburg van Adam van Bremen en de keizerlijke annalen komt echter een koning Godfred voor in de 9de eeuw, die zijn zuidgrens door het Danevirke, de muur tussen Sli en Eider, beschermde. In diezelfde tijd zwermden de Vikingen uit voor hun eerste plundertochten en veroveringen. Koning Gorm de Oude (ca. 935-945) overmeesterde, uit Jutland oprukkend, een Zweeds Vikingenrijk. Zijn zoon Harald Blaatand liet zich na 960 dopen en werd na zijn nederlaag tegen de keizer (974) en de erkenning van diens oppergezag door zijn zoon Sven Gaffelbaard (986-1014) verdreven. Diens zoon Knut II de Grote (1018-1035) was reeds in Engeland als koning erkend en volgde in 1018 zijn broer Harald op in Denemarken, waaraan hij in 1028 Noorwegen door verovering toevoegde. Zowel in Engeland als in Noorwegen keerden spoedig na Knuts dood de nationale dynastieën terug.
Na een periode van verzwakking door binnenlandse twisten bevestigde Waldemar I de Grote (1157-1182) stevig zijn koninklijk gezag in de provincies, ondernam samen met Hendrik de Leeuw expedities tegen de Wenden en bezette Rügen (1168). Zijn zoon Knut VI (1182-1202) veroverde Pommeren (1184). Waldemar II de Overwinnaar (1202-1241) had reeds tijdens de regering van zijn broer Lübeck en Hamburg veroverd (1201) en voegde daar als koning nog Lauenburg, Noorwegen, Pommerellen en zelfs Estland en Koerland aan toe, maar moest later alles, behalve Rügen en Estland, weer aan de verbonden Noord-Duitse vorsten afstaan (1229).
Opnieuw volgde een eeuw waarin binnenlandse beroeringen de buitenlandse expansie onmogelijk maakten. Een zeer machtig geworden adel en geestelijkheid dwongen Erik V (1259-1286) een Magna Charta af, waarin voorzien werd in de jaarlijkse bijeenroeping van de aristocratische Danehof en de macht van de koning en de 'landstingen' werd beperkt (1282). Pas onder Waldemar IV (1340-1375) was de koninklijke macht weer enigszins hersteld. Hij veroverde Schonen, Öland en Gotland op Zweden, maar kwam daardoor in oorlog met de Hanze (1361-1370), die zich door de verovering van Kopenhagen en de daaropvolgende Vrede van Stralsund (1370) een grote invloed, zelfs op het binnenlands bestuur, verzekerde. Waldemars dochter Margaretha (1387-1412), gehuwd met Haakon VI van Noorwegen, aanvaardde na diens dood en die van hun zoon Olaf de regering in Denemarken en Noorwegen (1387) en intervenieerde in een Zweedse opstand door haar overwinning bij Falköping (1389). In de Unie van Kalmar (1397) werd de personele unie der drie landen onder haar en haar troonopvolger Erik bevestigd, maar het gemeenschappelijk bestuur werd tot een gezamenlijke, vooral tégen de Hanze gerichte, buitenlandse politiek beperkt. Haar neef Erik VII van Pommeren (1412-1439) stelde in 1428 de Sont-tol in en sloeg aanvankelijk de hierop volgende aanvallen der Hanze met succes af, maar verloor in 1432 het reeds sedert 1386 aan de graven van Holstein in erfleen gegeven Sleeswijk en moest bij de Vrede van Vordingborg (1435) de Hanze-privileges bevestigen. Na een Zweedse volksopstand (1434) werd hem eerst door de Deense, daarna door de Zweedse en Noorse Rijksraad de gehoorzaamheid opgezegd. Zijn neef Christoffel III van Beieren (1439-1448) volgde hem in Denemarken op en werd later ook achtereenvolgens in Zweden en Noorwegen aanvaard. Bij diens overlijden werd een afstammeling in de vrouwelijke linie van Erik V, Christiaan I, graaf van Oldenburg (1448-1481), tot koning gekozen, die na de dood van een oom Sleeswijk én Holstein weer bij Denemarken kon voegen (1460), maar op militair terrein een nederlaag leed tegen de opstandige Zweden onder Sven Sture bij Brunkeberg (1471).
6.3 Nieuwere geschiedenis
Met de verdwijning van de eens zo machtige Hanze uit de Deense geschiedenis en de definitieve breuk met Zweden na het bloedbad van Stockholm (1520) werd tijdens de regering van Christiaan II (1513-1523) een nieuw tijdperk ingeluid. Deze typische renaissancevorst met zijn - nog te vroege - absolutistische aspiraties verloor zijn kroon aan de nog steeds zeer machtige adel, die ze aan zijn oom Frederik I, graaf van Sleeswijk-Holstein (1523-1533), toewees. Diens opvolger Christiaan III (1534-1559) stelde de Sont open voor de Nederlandse scheepvaart ter wille van een goede verstandhouding met keizer Karel V, de zwager van de afgezette en later gevangengehouden Christiaan II. Een poging deze te bevrijden onder leiding van Lübeck (Wullenwever) en graaf Christoffel van Oldenburg, de zgn. Gravenfejde (1534), werd met de hulp van de Deense en Sleeswijk-Holsteinse adel, Zweden en de keizer verijdeld. Toen deze laatste echter toch voor zijn zusters kinderen aanspraak maakte op de Deense troon, sloot de koning de Sont opnieuw, maar moest die bij de Vrede van Spiers (1544) heropenen, waartegenover Karel V afzag van zijn aanspraken. Na de Hanze beheersten nu de Nederlandse kooplieden de handel en economie. Door een besluit van alle vier de standen van de Rijksdag werd in deze jaren het lutheranisme met behoud van de bisschoppelijke hiërarchie staatsgodsdienst; de koning werd het hoofd van de landskerk en kwam in het bezit van de kerkelijke goederen.
Een eeuw van oorlogen met Zweden om de hegemonie van Noord-Europa, ingeleid door de Drie-Kronenoorlog (1563-1570), voerde na de Kalmaroorlog (1611-1613) tot telkens oplaaiende strijd in het voordeel van de Zweden, die zijn hoogtepunt vond in het beleg van de hoofdstad (1658-1659). Bij de Vrede van Kopenhagen (1660) kwamen de uiteindelijke verliezen op Schonen en de drie andere kustlandschappen van de vanouds Deense zuidwesthoek van Zweden, Jämtland en Härjedalen in Midden-Zweden en de Oostzee-eilanden Gotland en Ösel. In deze strijd had de adel door corruptie, landverraad en gebrek aan offervaardigheid zijn prestige verloren. De burgerij van Kopenhagen ontving om haar dappere houding tijdens het beleg aanzienlijke voorrechten en verleende op haar beurt samen met de geestelijkheid Frederik III (1648-1670) in 1660 onbeperkt gezag en erfelijkheid van het koningschap, ook in de vrouwelijke linie, neergelegd in de Lex regia van 1665.
Als tegenwicht tegen de oude landadel begon ook de vorming van een bestuursadel uit Deense en Noord-Duitse burgers en Holsteinse en Noord-Duitse adellijke families als Reventlow, Moltke en Bernstorff. In de nu volgende, beide laatste Noordse oorlogen was het gekortwiekte land dankzij het absolutistische koningschap ook aanzienlijk sterker, hoewel de tussenkomst van Frankrijk, Zwedens traditionele bondgenoot, tastbare resultaten verhinderde. Wel kon Frederik IV (1699-1730) bij de Vrede van Frederiksborg (1720) de Sleeswijkse lenen van de Gottorpers verbeurd verklaren en inlijven. Na lange verwikkelingen konden daar in 1767 de Holsteinse gebieden van dit geslacht aan worden toegevoegd, in ruil voor Oldenburg, dat bij het uitsterven van het grafelijk huis in 1667 aan Denemarken was toegevallen.
De periode van vrede was overigens allerminst een tijd van economische bloei. De reeds lang deplorabele toestand van de boeren trachtte men tevergeefs te verbeteren, o.a. door de Stavnsbaand, een verbod tot migratie, dat in feite tot een soort lijfeigenschap voerde. De maatregelen ter bevordering van de industrie leden schipbreuk op de Franse en Britse concurrentie. Het absolutisme raakte in diskrediet door het officieuze regentschap van de Duitse lijfarts van Christiaan VII, Struensee, die tijdens diens dementie zowel 's konings bestuurlijke als echtelijke plichten waarnam. Na zijn terechtstelling (1772) zette Guldberg een soortgelijk regime van kabinetssecretaris voort, dat een reactie zowel op de invloed van de vreemdelingen in staatsdienst als op het vroegere collegebestuur was.
De latere koning Frederik VI (1808-1839) herstelde als kroonprins de macht der oude colleges en deed een beroep op Bernstorff jr. en andere vroegere bekwame staatsdienaren. Een meer liberale politiek van Chr.D. Reventlow, chef van de Rekenkamer, en de Noorse procureur-generaal Colbjörnsen beoogde ontvoogding van de boerenstand en vrijhandel. Vooral deze handel en de scheepvaart bloeiden op, ook dankzij de gewapende neutraliteit tijdens de eerste coalitie-oorlogen (Bernstorff). Onderwijs, rechterlijke macht en sociale voorzieningen voor armen en wezen werden hervormd. De aanval der Engelsen in 1801 en vooral het bombardement van Kopenhagen en de wegvoering van de volledige Deense vloot in 1807 maakten een eind aan neutraliteit en betrekkelijke welvaart. Door de Deense trouw aan Napoleon, ook na 1813, kreeg de wel overgelopen Zweedse kroonprins Bernadotte de kans het vasteland van Noorwegen te bezetten, dat bij de Vrede van Kiel (1814) aan Zweden werd toegewezen, terwijl Denemarken als slechts gedeeltelijke compensatie Lauenburg kreeg.
6.4 19de eeuw
Na 1815 volgde de geleidelijke afbraak van het absolutistische regime. Het binnenlandse streven van burgers en boeren naar medezeggenschap werd begeleid door de druk van de Bondsdag, die voor het tot de Duitse Bond behorende Holstein aandrong op een standenvergadering (1830). De oude koning Frederik VI stemde ten slotte toe in volksvertegenwoordigingen niet alleen voor Holstein, maar ook voor de verschillende zuiver Deense delen, zij het dan met alleen adviserende bevoegdheden (1835). Pas Frederik VII (1848-1863) gaf bij zijn troonsbestijging na de dood van Christiaan VIII (1839-1848) gehoor aan een verzoek van de hoofdstedelijke vroedschap, benoemde een liberaal ministerie en liet verkiezingen uitschrijven voor een constituante. De 5 juni 1849 door de koning bekrachtigde grondwet voorzag in een volgens algemeen kiesrecht direct gekozen Folketing en een volgens algemeen kiesrecht indirect uit de hoogstaangeslagenen gekozen Landsting, die beide de wetgevende macht met de koning zouden delen. De onderdrukking van een volksopstand in Sleeswijk en Holstein door Deense troepen leidde tot interventie van de Duitse Bond in de eerste Duits-Deense Oorlog (1848-1850). De grote mogendheden, op hun beurt tussenbeide gekomen, wezen op de conferentie van Londen de kroon van Denemarken én Sleeswijk-Holstein toe aan het huis Sonderburg-Glücksburg. De kandidaat, de latere Christiaan IX (1863-1906), had in de voorafgaande oorlog aan Deense zijde gestreden. Het feit dat een nieuwe grondwet, die hij vlak na zijn troonsbestijging bekrachtigde, ook voor Sleeswijk zou gelden, was voor de Duitse Bond aanleiding tot de tweede Duits-Deense Oorlog (1864), waarna Denemarken bij de Vrede van Wenen Lauenburg, Holstein en heel Sleeswijk aan Pruisen en Oostenrijk verloor. Zie ook Sleeswijk-Holsteinse kwestie.
Bij een nieuwe grondwetswijziging in 1866 werd het oorspronkelijk algemene actieve kiesrecht voor het 'Landsting' evenals het passieve tot de hoogstaangeslagenen beperkt en zou de vergadering bovendien gedeeltelijk door de koning zelf worden samengesteld. In de volgende jaren stonden op dit 'Landsting' steunende conservatieve ministeries lijnrecht tegenover het 'Folketing' met zijn liberale meerderheid, zonder dat er in de grondwet voor deze situatie voorzieningen waren getroffen. Ondanks haar meerderheid was de linkerzijde vrijwel machteloos. Premier Estrup trachtte in 1885 de toch nog aanwezige moeilijkheden te forceren door te regeren met een provisorische begroting, beperking van de vrijheid van drukpers en vergadering en arrestatie van de leiders der oppositie, waarna een aanslag op zijn leven werd gepleegd. Pas in 1894 kwamen beide partijen tot een vergelijk en nam Estrup na een ambtsperiode van 19 jaar ontslag. Eerst in 1901 zou Deuntzer het eerste liberale kabinet vormen.
Toch was de tweede helft van de 19de eeuw een periode van grote economische bloei. De Sont-tol was in 1857 opgeheven, handel en industrie ontplooiden zich, landbouw en veeteelt beleefden door sociale maatregelen, o.a. wijziging der pachtverhouding in eigen bezit, en vooral door de uitbouw van het coöperatieve systeem een tevoren ongekende bloei. De volkshogeschoolbeweging van Grundtvig leverde een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van het platteland.
6.5 1900-1945
Na 1900 maakte de toen ingezette democratisering snelle vorderingen. Een belastinghervorming maakte een einde aan de geprivilegieerde positie van de steden in dezen (1903), terwijl door het ministerie-Christensen ook aan vrouwen kiesrecht werd verleend, dat bij de grondwetsherziening van 1915 tot alle mannen en vrouwen zou worden uitgebreid. Noorwegen had zich onder bijval van het Deense volk van Zweden losgemaakt en riep een jongere Deense prins als Haakon VII tot koning uit (1905). IJsland werd in 1918 een zelfstandig koninkrijk, dat nog slechts door een personele unie met Denemarken was verbonden. In 1920 werd met toestemming van de geallieerden het reeds in 1866 vastgelegde plebisciet in Noord- en Midden-Sleeswijk gehouden, waarna het eerste gebied aan Denemarken terugkwam. Voor de binnenlandse politiek werd in 1924 een nieuw tijdperk ingeluid, toen met Stauning de sociaal-democraten aan het bewind kwamen en, met een onderbreking van 1926 tot 1929, bleven. In 1933 kreeg het land in volle crisistijd het beste sociale verzekeringssysteem van de wereld. Het leger werd in 1932 tot een grenswacht ingekrompen en de door Noorwegen aangevochten soevereiniteit over Groenland kon door een uitspraak van het Hof van Internationale Justitie worden gehandhaafd.
Denemarken bood geen weerstand aan de Duitse troepen, die op 9 april 1940 het land binnenvielen. De Duitsers handhaafden aanvankelijk het koningschap en de regering, maar lieten hun ambassadeur, von Renthe Fink, toezicht uitoefenen op het bestuur. Geleidelijk werden de Duitse bemoeiingen ingrijpender, vooral nadat Fink in 1942 was vervangen door de Reichsbevollmächtigter Werner Beck, terwijl het verzet onder de Deense bevolking tegen de bezetter sterker werd. Na een algemene staking in aug. 1943 kwam het tot een breuk: de regering (na de dood van Stauning in 1942 achtereenvolgens geleid door de sociaal-democraten Buhl en Scavenius) trad af, waarna mede door het verzet van de koning geen nieuw kabinet werd gevormd.
6.6 De periode na 1945
Op 5 mei 1945 werd Denemarken bevrijd. De eerste naoorlogse verkiezingen (okt. 1945) brachten de communisten grote winst ten koste van de socialisten, wat de vorming van een liberale minderheidsregering onder leiding van Knud Kristensen tot gevolg had. In 1947 kwam een sociaal-democratisch minderheidskabinet-Hedtoft aan het bewind, dat na de verkiezingen van 1950 plaats moest maken voor een coalitie van liberalen en conservatieven, met als premier de liberaal Erik Eriksen. Sedert de verkiezingen van 1953 is het land tot 1968 door socialistische kabinetten bestuurd, achtereenvolgens geleid door H. Hedtoft, H.C. Hansen, V. Kampmann en J.O. Krag. In 1968 trad een burgerlijk coalitiekabinet op onder leiding van Baunsgaard, waarna van 1971 tot 1982 de socialisten weer aan het bewind kwamen. Hun leider Krag slaagde erin de toetreding van Denemarken tot de Europese Gemeenschappen te verwezenlijken (referendum 2 okt. 1972). Kort daarna werd hij opgevolgd door A. Jørgensen.
De verkiezingen van dec. 1973 brachten verlies voor alle gevestigde partijen en winst voor de nieuwe, 'poujadistische' partij van de miljonair Mogens Glistrup. Na een minderheidsregering van de liberaal P. Hartling en na nieuwe verkiezingen kwam in febr. 1975 opnieuw A. Jørgensen als premier van een minderheidskabinet aan het bewind. Tot 1981 voerde hij een bezuinigings- en belastingpolitiek om de toegenomen economische, sociale en financiële problemen het hoofd te kunnen bieden. In dat jaar werden de sociaal-democraten echter verslagen door de conservatieven. In 1982 vormde P. Schlütter (conservatieven) een minderheidsregering uit conservatieven, centrum-democraten en leden van de Christelijke Volkspartij en de rechts-liberale Venstre, die in wisselende samenstellingen, ook na de verkiezingen van 1984, 1987, 1988 en 1990, ondanks verkiezingsnederlagen, als minderheidsregering bleef voortbestaan.
In jan. 1993 werd een nieuwe centrum-rechtse regering onder Poul Nyrup Rasmussen geïnstalleerd, nadat Schlütter wegens misleiding van het parlement zijn functie had moeten neerleggen.
Op 5 maart 1991 werden algemene verkiezingen gehouden op Groenland, dat een autonome status binnen het Deense koninkrijk heeft. De regerende Vooruitgangspartij van premier Jonathan Motzfeldt verloor weliswaar stemmen, maar kon haar elf zetels in het parlement behouden. De verkiezingen werden gehouden nadat de oppositie enkele kabinetsleden van corruptie had beschuldigd. Een belangrijk punt in de verkiezingscampagne was het mogelijk nieuwe lidmaatschap van Groenland van de EG. In 1985 had Groenland zich uit de EG teruggetrokken.
In 1992 zorgde Denemarken voor een crisis in de Europese Gemeenschap toen de Denen in juni (met 50, 7% van de stemmen tegen) in een referendum het Verdrag van Maastricht afwezen. De bezwaren van Denemarken richtten zich met name tegen het toegenomen centralisme in de EG en tegen de ondemocratische en ondoorzichtige besluitvorming in de te vormen Economische en Monetaire Unie (EMU) en Europese Politieke Unie (EPU). Denemarken stelde voor 'opnieuw te praten over onderdelen van de Europese Unie'. Van de kant van de EG-partners werd terughoudend gereageerd op deze suggestie, omdat hiermee het hele compromis van Maastricht op losse schroeven zou komen te staan. Op de EG-top in Edinburgh half december slaagde Denemarken erin van de EG-partners gedaan te krijgen dat het land uitgezonderd bleef van de gezamenlijke Europese munt, van de defensiepolitiek en van het Europese burgerschap. Op 18 mei 1993 ten slotte aanvaardden de Deense kiezers met 56,7% van de stemmen vóór het Verdrag van Maastricht.
Gesterkt door de gunstige economische ontwikkelingen vervroegde premier Rasmussen de parlementsverkiezingen. Die vonden plaats in sept. 1994 en eindigden in een nederlaag voor de regeringscoalitie, maar Rasmussen kon met gedoogsteun van enkele kleine linkse partijen aan het bewind blijven.

Telefoongids Denemarken
Postcodes Denemarken

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009