header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

dierkunde of zoölogie

 

De dierenpagina ...klik hier

 

dierkunde of zoölogie, de wetenschap die het Dierenrijk bestudeert, onderdeel van de biologie.

1. Geschiedenis

De ontwikkeling van de dierkunde werd (evenals bij vele andere wetenschappen) gekenmerkt door een stadium van inventarisatie (beschrijving, vergelijking en rangschikking), gevolgd door verdieping van de kennis door experimenten, waarbij de belangstelling voor de praktijk (landbouw, veeteelt, diergeneeskunde) voorafging aan het zuiver wetenschappelijk onderzoek. Aristoteles, wiens werk grotendeels berust op eigen waarneming, is de grondlegger van de wetenschappelijke dierkunde. Onder de naam van C. Plinius Secundus, die in de 1ste eeuw een kritiekloze encyclopedie der natuurwetenschappen samenstelde, verschenen tot in de 18de eeuw populaire dierenboeken. De waarschijnlijk in de 2de eeuw in Alexandrië gecompileerde Physiologus (een soort christelijke dierkunde met fabelwezens) speelde in de middeleeuwen een belangrijke rol. In de late middeleeuwen kwamen de verwante Bestiaria en een populaire encyclopedie als Der naturen Bloeme van Jacob van Maerlant. Zelfstandige waarnemingen vindt men in de boeken van Hildegard van Bingen, Albertus Magnus, keizer Frederik II van Hohenstaufen (schrijver van een beroemd en nog waardevol werk De arte venandi cum avibus) en Leonardo da Vinci. In de 16de en 17de eeuw werd o.m. door Aldrovandi, Conrad von Gesner en Jonston de in vele eeuwen vergaarde en door ontdekkingsreizen gegroeide kennis samengevat. In deze tijd zien we een opbloei van de zoölogie als een op waarneming en ervaring gefundeerde wetenschap.

Lenzen en microscopen maakten de microwereld toegankelijk (Marcello Malpighi, Jan Swammerdam, Antonie van Leeuwenhoek). Carolus Linnaeus bracht in de 18de eeuw orde in het systeem der bekende diersoorten, Albrecht von Haller en Casper Friedrich Wolff legden de grondslagen voor fysiologie en ontogenese. Georges Cuvier trachtte de geleidelijke overgang tussen de vele vormen – de ‘scala naturae’ – te verklaren door een reeks catastrofen en herscheppingen. In het begin van de 19de eeuw brak De Lamarck met de conventionele scheppingstheorie en stelde de eerste transformatietheorie op: er is een evolutiedrang in de dieren zelf (zie evolutietheorie). Met andere tijdgenoten legde hij de nadruk op het leven en op de levende krachten (vitalisme), tegenover de mechanische in de dode natuur. Tot de conclusie dat de stof met de haar inherente krachten primair is, kwamen (in navolging van de klassieke Lucretius) zeer velen, nadat Darwin in 1859 zijn evolutietheorie poneerde.

De evolutietheorie had grote invloed op de ontwikkeling van de zoölogie, waartoe ook de ontdekking van een groot aantal ‘nieuwe’ soorten, waaronder primitieve en overgangsvormen, door de vele expedities het hare bijdroeg. De eerste helft van de 19de eeuw bracht vooruitgang op alle gebieden van de zoölogie. Theodor Schwann en Schleiden ontwikkelden de celtheorie en Johannes Müller schiep in Berlijn een centrum van anatomisch en fysiologisch onderzoek. De evolutietheorie stimuleerde de ontwikkeling van vergelijkende anatomie, systematiek en ontwikkelingsleer. Het einde van de 19de eeuw is duidelijk gekenmerkt door de opbloei van experimentele methoden. De experimentele genetica kwam, dankzij de herontdekking van de wetten van Gregor Mendel, omstreeks de eeuwwisseling tot grote ontwikkeling, evenals de door Roux gegrondveste ontwikkelingsmechanica. De oude fysiologie werd op een vergelijkende basis gesteld en ging, dankzij de biofysica en de biochemie, steeds fijnere levensprocessen bij de dieren bestuderen. De dierpsychologie verliet haar antropomorfistische instelling en ontwikkelde naast de zuivere psychologie en de zintuigfysiologie ook een vergelijkende gedragsleer (ethologie). Ook ontstond belangstelling voor de verhouding tussen dier en milieu (ecologie).

2. Onderdelen

Onderdelen van de dierkunde zijn de helminthologie (wormen), nematologie (draadwormen), malacologie (weekdieren), conchyliologie (schelpen van weekdieren), acarologie (mijten), carcinologie (krabben en kreeften, enz.), ichthyologie (vissen), herpetologie (reptielen en amfibieën), ornithologie (vogels), oölogie (eieren), mammologie (zoogdieren), parasitologie (parasieten uit allerlei groepen). De insecten vormen verreweg de grootste groep van het Dierenrijk; de entomologie (insectenkunde) wordt weer onderverdeeld in o.a. de lepidopterologie (vlinders), coleopterologie (kevers), apidologie (bijen), myrmecologie (mieren), enz.

LIT: P. Grassé, Traité de zoologie (vele dln., 1918 – heden); W.G. Kükenthal e.a., Handbuch der Zoologie (vele dln., 1923 – heden); A. Lameere, Précis de zoologie (6 dln., 1929–1942); T.J. Parker en W.A. Haswell, A textbook of zoology (61957); B. Grzimek (red.), Het leven der dieren (16 dln., 1972–1976; tweede druk 1975 vv.); T.I. Storer, R.L. Usinger, R.C. Stebbins en J.W. Nybalcken, General zoology (61979).

 

De dierenpagina ...klik hier

 

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009