| |
De
doodaars of tachybaptus ruficollis
Zwerf-
en standvogel. De dodaars is ongeveer zo groot als een merel en
valt in de broedtijd op door de korte, kastanjebruine hals en de
gele vlekken aan de snavelbasis. In rustkleed lijkt hij een
rommelig, lichtbruin-grijs bosje veren, vooral van de achterkant
gezien. De dieren roepen vaak in het broedgebied, zodat ze
ook bij dichte vegetatie te herkennen zijn aan de lange triller.
In de winter roepen ze veel minder vaak. In heel Europa, behalve
in het noorden en het noordoosten zijn ze te vinden. Het zijn
broedvogels op kleine, dichtbegroeide vijvers, plassen, dode
riviertjes en in inhammen van meren. In de winter ook op
traagstromende wateren, zelfs in de stad. Hun nest is drijvend
of dicht bij het water, meestal goed verborgen. Legtijd april
tot juni, 5-6 wittige eieren - 1 tot 2 legsels. Beide partners
broeden afwisselend 20-22 dagen. De jongen worden minstens 40
dagen gevoerd. Hun voedsel bestaat uit waterinsecten, larven,
weekdieren, kikkervisjes en kleine visjes. |
|
|
|
|
|
|