header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Dominicaanse
Republiek

 

Terug naar overzicht Noord-Amerika >>

 

 

Dominicaanse Republiek (officieel: República Dominicana), republiek in het Caribisch gebied, op het oostelijk deel van het eiland Hispaniola, 48.422 km2, met (schatting 1995) 7,8 miljoen inw. (161 per km2); hoofdstad Santo Domingo. Munteenheid is de Dominicaanse peso, onderverdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 27 februari, Onafhankelijkheidsdag.


1. Fysische geografie
De vier oost-west lopende, vrijwel parallelle bergruggen zijn, van noord naar zuid: de Cordillera Septentrional, de Cordillera Central of Cordillera del Cibao (de Pico Duarte - 3185 m - is de hoogste top van de Caribische eilanden), de Sierra Neiba en de Sierra de Bahoruco. Tussen de Cordillera Septentrional en de Cordillera Central ligt de Cibao-vallei; het zuidoostelijk deel hiervan, de Vega Real, is het belangrijkste landbouwgebied. De provincies Independencia en Barahona worden in oost-westelijke richting doorsneden door een woestijnachtig slenkdal met zoutmeren (o.a. het Enriquillomeer). De Río Yaque del Norte, die gedeeltelijk bevaarbaar is, en de Río Yuna stromen door de Cibao-vallei. De Río Artibonité stroomt zuidwestwaarts naar Haïti. De Río Yaque del Sur en de Río Ozama stromen zuidwaarts.
Er heerst een tropisch klimaat, aan de noordkust getemperd door de passaatwinden. De temperatuur varieert van 18 tot 29 °C in de winter en van 23 tot 35 °C in de zomer. Ten gevolge van de noordoostpassaat valt de meeste regen in het oosten (jaarlijks gem. 1350 mm), vooral in mei en in augustus-oktober; in het westen valt gemiddeld minder dan 500 mm per jaar. Orkanen en aardbevingen komen geregeld voor.
Het plantenkleed op het eiland varieert sterk. De bergstreken dragen nog een dicht oerwoud, terwijl op de lager gelegen delen een savanne-achtige vegetatie (gras en lage droge struiken) overheerst. De dierenwereld is gekenmerkt door het voorkomen van tot het eiland beperkte soorten als grote insecteneters (Solenodon) en knaagdieren (o.a. hoetia's) onder de zoogdieren. De rijke vogelwereld omvat o.a. reigers, ibissen en flamingo's. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen; kaalslag van het bos en het niet toepassen van de wet hebben talrijke soorten op de rand van uitsterven gebracht.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking is vooral geconcentreerd in en rond de hoofdstad Santo Domingo en in de Cibao-vallei. In de hoofdstad woont op slechts 3% van de totale oppervlakte 36% van de bevolking. Er is een grote trek naar de steden; 62% van de bevolking woont in steden. Er is een aanzienlijke emigratie van m.n. goed opgeleide Dominicanen naar de Verenigde Staten en Venezuela (ca. 20.000 per jaar); tienduizenden Haïtianen verblijven als politiek vluchteling of als 'gastarbeider', de meesten illegaal of niet-erkend, in de Dominicaanse Republiek. Naar schatting bestaat de bevolking voor 73% uit kleurlingen, voor 16% uit blanken en voor 11% uit zwarten. De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt 2,6%; geboorte- en sterftecijfer (1991) resp. 27 en 6 per duizend. Meer dan de helft van de bevolking is jonger dan 20 jaar. De levensverwachting bij geboorte bedraagt 68 jaar voor mannen, 72 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans; vooral in het grensgebied met Haïti wordt een Haïtiaans-creools gesproken.
2.3 Religie
Het rooms-katholici
sme is staatsgodsdienst (90% van de bevolking is rooms-katholiek); andere godsdiensten worden toegelaten. De republiek telt vijf kerkelijke territoria; Santo Domingo, sedert 1511 bisschopszetel, werd in 1545 het aartsbisdom van de Nieuwe Wereld. Het aantal protestanten bedraagt ca. 2500; onder hen zijn de methodisten, baptisten en zevendedagadventisten het sterkst vertegenwoordigd. Er is een even groot aantal joden. De rol van de Rooms-Katholieke Kerk is vooral sinds 1960 steeds kritischer geworden; zij beijvert zich voor verbetering van de levensstandaard, voor landhervorming en voor handhaving van de mensenrechten.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De huidige grondwet dateert van 1966 en bepaalt dat het land een presidentiële republiek is waarin de mensenrechten gegarandeerd zijn. De wetgevende macht berust bij het Nationale Congres, bestaande uit een Senaat (30 leden gekozen voor een periode van vier jaar) en een Kamer van Volksvertegenwoordigers (120 leden, eveneens gekozen voor vier jaar). De uitvoerende macht berust bij de president (rechtstreeks gekozen voor vier jaar) en de door hem benoemde raad van ministers. Burgers van 18 jaar en ouder, en zij die jonger zijn maar getrouwd zijn of waren, zijn kiesgerechtigd.
3.2 Administratieve indeling
De Dominicaanse Republiek is bestuurlijk verdeeld in 26 provincies; de hoofdstad Santo Domingo vormt een afzonderlijk bestuurde eenheid: het Distrito Nacional. De provincies staan onder bestuur van een gouverneur, benoemd door de president.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
De Dominicaanse Republiek is lid van de Verenigde Naties en van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied (CECLA), het Sistema Económico Latinoamericano (SELA) en waarnemer van de Caribische gemeenschappelijke markt (CARICOM).
3.4 Politieke organisaties en vakbonden
De belangrijkste politieke partijen zijn de Partido Reformista Social Cristiano (PRSC), de Partido Revolucionario Dominicano (PRD) en de Partido Liberación Dominicano (PLD). De centrum-rechtse PRSC, gesticht in 1961, heeft als leider oud-president Joaquín Balaguer en had tussen 1966 en 1994 een meerderheid in beide Kamers. De sociaal-democratische PRD, opgericht in 1939, is sinds 1994 de grootste partij. De linkse PLD ontstond in 1973, na een afscheiding onder leiding van Juan Bosch van de PRD. Bosch was de oprichter van de PRD.
Van de beroepsbevolking behoort 13% tot een vakbond, waarvan de Confederación de Trabajadores Unitaria (CTU; opgericht in 1991) en de Central General de Trabajadores (CGT; opgericht in 1972) de grootste zijn.

4. Economie
4.1 Algemeen
De Dominicaanse Republiek is vooral afhankelijk van de export van agrarische producten, m.n. suiker. In 1994 was het aandeel van de verschillende sectoren in het bruto nationaal product als volgt: landbouw en visserij 15%, industrie 22%, handel, transport, financiën, communicatie en overige diensten 63%. De economische groei in de jaren 1968-1974 bedroeg 10,6% per jaar (7,4% per capita). In de periode 1975-1979 was dit respectievelijk 4,4 en 1,5%, hierna daalde de economische groei verder tot 0,4% (-1,9%) in 1984, -2,2% (-4,5%) in 1985 en 1,3% (-1,5%) in 1986. De financiële crisis van de jaren tachtig kwam tot uitdrukking in een hoge inflatie (1985 tot 1994: 28,8%). Toerisme en vrijhandelszones zijn de grootste troeven.
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
De landbouw maakt 15% (1994) van het bruto nationaal product uit, maar biedt werkgelegenheid aan 33% van de beroepsbevolking en bedraagt 60% van de totale exportwaarde. Het belangrijkste gewas is suiker; de Dominicaanse Republiek behoort tot de grootste suikerproducenten ter wereld. De suikerindustrie is grotendeels in buitenlandse handen en geconcentreerd in het zuiden en zuidoosten. Illegale en rechteloze Haïtiaanse gastarbeiders maken een belangrijk deel uit van de arbeidskracht op de suikerplantages.
De crisis op de suikermarkt in de jaren tachtig ligt ten grondslag aan de economische recessie van het land. Andere belangrijke agrarische exportproducten zijn koffie (35% van de totale exportwaarde) en cacao (7%). In tegenstelling tot suiker is koffie een product van kleine boeren. De verbouw van cacao is in de laatste jaren sterk in belang toegenomen. De Dominicaanse Republiek is deels zelfvoorzienend in levensmiddelen. Veehouderij is vanouds een belangrijk bedrijf. In de afgelopen jaren is deze sector aanzienlijk gegroeid, mede dankzij overheidssteun. De visserij is voornamelijk van lokale betekenis.
4.3 Mijnbouw en energievoorzieningen
Mijnbouw draagt 2% aan het bruto nationaal product bij: de belangrijkste producten zijn ferronikkel, goud en zilver. De bauxietproductie werd begin 1984 gestaakt door de terugtrekking van de Aluminum Company of America (Alcoa). De energievoorziening is grotendeels afhankelijk van geïmporteerde olie. Geregistreerde eigen olievoorraden worden nog nauwelijks geëxploiteerd. Waterkrachtcentrales leveren eenderde van de binnenlandse energiebehoefte.
4.4 Industrie
De helft van de industriële productie bestaat uit de verwerking van suikerriet. Andere industriële producten zijn textiel, schoeisel en leer, papier, glas, tabak en levensmiddelen. De werkgelegenheid in deze sector is 20% van de beroepsbevolking. De meeste bedrijven zijn relatief kleine familiebedrijven; de belangrijkste industrieën zijn echter in handen van de staat en buitenlandse bedrijven. De overheid heeft met groot succes (onder meer door het vestigen van zes industriële vrijzones en het aanbieden van 15-jarige 'taxholidays') de vestiging van grote buitenlandse ondernemingen gestimuleerd. De werkgelegenheid steeg er van 43!000 naar 142!000 banen (periode 1987-1992).
4.5 Handel
Veruit de belangrijkste handelspartner zijn de Verenigde Staten, die 2/3 van de export en 1/3 van de import van de republiek voor hun rekening nemen. De Benelux komt op de tweede plaats. De belangrijkste exportproducten zijn: suikerproducten, koffie, goud, ferronikkel en cacao. De voornaamste importproducten zijn: olie- en industriële producten en levensmiddelen. Er bestaat een chronisch tekort op de handelsbalans, m.n. door de olie-importen. De buitenlandse schuld bedroeg $ 4,2 miljard in 1994.
4.6 Bankwezen
De Banco Central de la República Dominicana is de centrale bank. Het merendeel van de banken is commercieel. Toezicht wordt uitgeoefend door de Superintendencia de Bancos.
4.7 Toerisme
In de afgelopen jaren zijn grote investeringen gedaan in de ontwikkeling van het toerisme. In 1992 bezochten ruim 1, 5 miljoen toeristen het land, die $ 1260 miljoen opleverden, dat was 60% van de exportopbrengsten.
4.8 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Het voeren van een economisch beleid is in de jaren tachtig zeer moeilijk geweest. De rentebetalingen op de hoge buitenlandse schuld slokten 70% van de exportopbrengsten op. Pogingen tot een herschikking van de schuld te komen leidden tot moeizame onderhandelingen met het Internationale Monetaire Fonds, dat na het sluiten van een akkoord (1985) een zeer grote invloed op de economie heeft. De belangrijkste crediteur zijn de Verenigde Staten, voorts de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de westerse landen verenigd in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De Dominicaanse Republiek is een belangrijke begunstigde in het Caribbean Basin Initiative (CBI).
4.9 Verkeer
De republiek beschikt over een goed wegennet van 18!000 km lengte (1986). Het spoorwegnet (ca. 1600 km, waarvan 104 km in handen van de staat) dient vooral voor goederentransport; de belangrijkste lijn verbindt La Vega met de havenstad Sánchez. Ruim 1000 km smalspoor is in gebruik op de suikerplantages. Het binnenlandse luchtverkeer heeft de beschikking over een twaalftal kleine vliegvelden; internationale vluchten maken gebruik van het vliegveld 'Las Americas' bij Santo Domingo.

5. Geschiedenis
5.1 Periode tot 1930
Het eiland werd in 1492 door Columbus (zie foto standbeeld) ontdekt en Hispaniola genoemd. Het westelijk deel, Haïti, werd bij de vrede van Rijswijk (1697) aan Frankrijk afgestaan, dat van 1795 tot 1801 het hele eiland bezet hield. Een tijdelijke officieuze onafhankelijkheid werd daarna voor het oostelijke deel beëindigd door een herstel van het Spaanse gezag (1808), dat in 1821 verdreven werd. Na een langdurige bezetting door Haïti werd 24 nov. 1844 de Dominicaanse Republiek uitgeroepen, waarin de generaals Pedro Santana en Buenaventura Baez afwisselend regeerden en elkaar bestreden. In 1861 keerde het gebied vrijwillig terug onder Spaans bewind, dat echter door een in 1863 uitgebroken revolutie definitief verdreven werd (1865). Een poging tot aansluiting bij de Verenigde Staten werd door deze afgewezen (1867).
In de nu volgende chaotische jaren vormde alleen het bewind van de dictator Ulysses Heureaux (1882-1899) een periode van rust. De aanslag op hem en nieuwe troebelen leidden tot interventies van buitenlandse mogendheden die hun investeringen veilig wilden stellen (1903). In 1905 creëerden de Verenigde Staten een feitelijk protectoraat, hetgeen een opnieuw dreigende oorlog met Haïti verijdelde (1910). Hernieuwde binnenlandse chaos leidde ten slotte tot een militaire bezetting door de Verenigde Staten (1916-1924), die ook nadien een financiële controle behielden.
5.2 Periode Trujillo (1930-1961)
In 1930 kwam Rafaël Leonidas Trujillo Molina, bevelhebber van de door de Amerikanen opgerichte Nationale Garde, via gemanipuleerde verkiezingen aan de macht. Tot 1961 zou hij de absolute heerser van het eiland zijn: afwisselend was hij zelf, of een stroman van hem, president. Trujillo duldde geen enkele oppositie en liet zijn geheime politie een schrikbewind in stand houden. De Trujillo-familie gebruikte de politieke macht om zich op ongekende wijze te verrijken en zich van belangrijke sectoren van de economie meester te maken.
Aan het eind van de jaren vijftig was ze eigenaar van bijna eenderde van de cultuurgrond, controleerde ze tweederde van de suikerproductie en voorts alle belangrijke handels- en industriële vestigingen. Overigens toonde het regime ook positieve kanten. In het begin verwierf Trujillo zich een zekere populariteit door een actief herstelbeleid, nadat een orkaan de hoofdstad had verwoest (1930), en door de verbetering van de economische en sociale infrastructuur: de aanleg van wegen, havens, irrigatiewerken, scholen en ziekenhuizen.
De ondergang van het regime was een indirect uitvloeisel van de Cubaanse revolutie. De Verenigde Staten hadden uit de ineenstorting van de Batista-dictatuur op Cuba hun conclusies getrokken en streefden ernaar Trujillo door een humane regering te vervangen. Toen bewezen werd dat de geheime dienst van Trujillo in 1960 betrokken was bij een aanslag op de Venezolaanse president Betancourt, stelde de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) een economische boycot in. Op 30 mei 1961 werd Trujillo vermoord.
5.3 De jaren zestig
De toenmalige president Joaquín Balaguer, lid van de PR (Partido Reformista) en stroman van Trujillo, bracht een democratisering op gang en wist de macht van de Trujillofamilie te breken door al hun bezittingen te confisqueren. Daardoor verkreeg de Dominicaanse Republiek plotseling de grootste staatssector in de economie van alle Latijns-Amerikaanse landen. Aan de verkiezingen van dec. 1962 zou voor het eerst ook de overwegend analfabete plattelandsbevolking, de campesinos (ca. 70% van de bevolking), deelnemen. Vandaar dat de agrarische kwestie in het centrum van de belangstelling stond. Enkele maanden voor de verkiezingen vaardigde de regering een wet uit die de verkoop op afbetaling van een gedeelte van de geconfisqueerde landgoederen van Trujillo aan landloze boeren toezegde. Juan Bosch echter, de leider van de linkse PRD (Partido Revolucionario Dominicano), die de steun van zowel de stedelijke arbeiders als de plattelandsbevolking kreeg, won de verkiezingen.
In een nieuwe grondwet kondigde hij zowel de opdeling van de uitgestrekte landerijen (latifundios) als de integratie van de kleine stukken grond (minifundios) tot rendabele eenheden aan. Aan uitvoering kwam hij niet toe. Verdacht van 'communistische sympathieën' werd hij al na een half jaar afgezet door een militaire staatsgreep onder leiding van kolonel Wessin y Wessin. De junta maakte vervolgens weinig werk meer van de agrarische kwestie. Mede daardoor groeide het verzet en ontstond er ook binnen het leger oppositie. In 1965 kwamen progressieve jonge officieren in opstand, die onmiddellijk steun kregen van de constitutionalisten, voornamelijk aanhangers van Juan Bosch. Toen dit dreigde uit te lopen op een revolutionaire volksbeweging, intervenieerden de Verenigde Staten.
President Johnson zond 20!000 mariniers naar Santo Domingo: de eerste rechtstreekse militaire interventie in Latijns-Amerika sinds de jaren twintig. Een voorlopige regering organiseerde op 1 juni 1966 presidentsverkiezingen. Deze werden gewonnen door Balaguer, die financieel gesteund werd door de elite én door de Verenigde Staten, wat hem in staat stelde met een actieve campagne op het platteland de meerderheid van de campesinos aan zijn kant te krijgen. Hij versloeg zijn grootste rivaal Bosch. In sept. 1966 verlieten de Amerikaanse mariniers, die inmiddels onder het vaandel van de OAS waren geplaatst, het eiland.
5.4 Na 1970
Balaguers beleid stoelde op intimidatie en repressie. Juan Bosch ging in vrijwillige ballingschap. De oppositie raakte verdeeld. Talrijke politieke moorden werden gepleegd, vooral door de semipolitiële organisatie La Banda. Via gemanipuleerde verkiezingen wist Balaguer zowel in 1970 als in 1974 zijn ambtstermijn te verlengen. Bij de verkiezingen van 16 mei 1978 verloor Balaguer echter van Antonio Guzmán, kandidaat van de PRD, die overigens na het uittreden van Bosch in 1973 naar rechts was opgeschoven. Gedurende zijn presidentschap gaf Guzmán prioriteit aan de onderschikking aan het burgerlijk gezag van het leger en aan de bestrijding van de wijdverbreide corruptie.
Hij pleegde zelfmoord toen aan het einde van zijn termijn bleek dat zelfs zijn dochter en schoonzoon van zijn presidentschap hadden geprofiteerd. De verkiezingen vonden gewoon doorgang. Zijn opvolger Jorge Blanco, eveneens van de PRD, werd na het verstrijken van zijn ambtstermijn beschuldigd van grootschalige corruptie. Tijdens zijn bewind vonden onder invloed van de economische crisis grote rellen plaats. Een tweede splitsing van de PRD (na de oprichting van de PLD in 1973) kon slechts ternauwernood worden voorkomen. In aug. 1986 won Balaguer van de PRSC de verkiezingen en werd voor de vijfde maal president van de Dominicaanse Republiek.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1996 was de inmiddels 89-jarige Balaguer voor het eerst sinds 1965 niet meer kandidaat voor de PRSC. Winnaar werd Lionel Fernández van de populistische oppositiepartij PLD. De nieuwe president streeft naar privatisering van de verliesgevende staatsbedrijven.

Telefoongids Dominicaanse Republiek
Postcodes
Dominicaanse Republiek

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009