|
1. Fysische geografie
De vier oost-west lopende, vrijwel parallelle bergruggen zijn, van noord
naar zuid: de Cordillera Septentrional, de Cordillera Central of
Cordillera del Cibao (de Pico Duarte - 3185 m - is de hoogste top van de
Caribische eilanden), de Sierra Neiba en de Sierra de Bahoruco. Tussen
de Cordillera Septentrional en de Cordillera Central ligt de
Cibao-vallei; het zuidoostelijk deel hiervan, de Vega Real, is het
belangrijkste landbouwgebied. De provincies Independencia en Barahona
worden in oost-westelijke richting doorsneden door een woestijnachtig
slenkdal met zoutmeren (o.a. het Enriquillomeer). De Río Yaque del Norte,
die gedeeltelijk bevaarbaar is, en de Río Yuna stromen door de
Cibao-vallei. De Río Artibonité stroomt zuidwestwaarts naar Haïti. De
Río Yaque del Sur en de Río Ozama stromen zuidwaarts.
Er heerst een tropisch klimaat, aan de noordkust getemperd door de
passaatwinden. De temperatuur varieert van 18 tot 29 °C in de winter en
van 23 tot 35 °C in de zomer. Ten gevolge van de noordoostpassaat valt
de meeste regen in het oosten (jaarlijks gem. 1350 mm), vooral in mei en
in augustus-oktober; in het westen valt gemiddeld minder dan 500 mm per
jaar. Orkanen en aardbevingen komen geregeld voor.
Het plantenkleed op het eiland varieert sterk. De bergstreken dragen nog
een dicht oerwoud, terwijl op de lager gelegen delen een savanne-achtige
vegetatie (gras en lage droge struiken) overheerst. De dierenwereld is
gekenmerkt door het voorkomen van tot het eiland beperkte soorten als
grote insecteneters (Solenodon) en knaagdieren (o.a. hoetia's) onder de
zoogdieren. De rijke vogelwereld omvat o.a. reigers, ibissen en
flamingo's. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen;
kaalslag van het bos en het niet toepassen van de wet hebben talrijke
soorten op de rand van uitsterven gebracht.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking is vooral geconcentreerd in en rond de hoofdstad Santo
Domingo en in de Cibao-vallei. In de hoofdstad woont op slechts 3% van
de totale oppervlakte 36% van de bevolking. Er is een grote trek naar de
steden; 62% van de bevolking woont in steden. Er is een aanzienlijke
emigratie van m.n. goed opgeleide Dominicanen naar de Verenigde Staten
en Venezuela (ca. 20.000 per jaar); tienduizenden Haïtianen verblijven
als politiek vluchteling of als 'gastarbeider', de meesten illegaal of
niet-erkend, in de Dominicaanse Republiek. Naar schatting bestaat de
bevolking voor 73% uit kleurlingen, voor 16% uit blanken en voor 11% uit
zwarten. De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt 2,6%; geboorte- en
sterftecijfer (1991) resp. 27 en 6 per duizend. Meer dan de helft van de
bevolking is jonger dan 20 jaar. De levensverwachting bij geboorte
bedraagt 68 jaar voor mannen, 72 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans; vooral in het grensgebied met Haïti
wordt een Haïtiaans-creools gesproken.
2.3 Religie
Het rooms-katholicisme is staatsgodsdienst (90% van de bevolking
is rooms-katholiek); andere godsdiensten worden toegelaten. De republiek
telt vijf kerkelijke territoria; Santo Domingo, sedert 1511
bisschopszetel, werd in 1545 het aartsbisdom van de Nieuwe Wereld. Het
aantal protestanten bedraagt ca. 2500; onder hen zijn de methodisten,
baptisten en zevendedagadventisten het sterkst vertegenwoordigd. Er is
een even groot aantal joden. De rol van de Rooms-Katholieke Kerk is
vooral sinds 1960 steeds kritischer geworden; zij beijvert zich voor
verbetering van de levensstandaard, voor landhervorming en voor
handhaving van de mensenrechten.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De huidige grondwet dateert van 1966 en bepaalt dat het land een
presidentiële republiek is waarin de mensenrechten gegarandeerd zijn. De
wetgevende macht berust bij het Nationale Congres, bestaande uit een
Senaat (30 leden gekozen voor een periode van vier jaar) en een Kamer
van Volksvertegenwoordigers (120 leden, eveneens gekozen voor vier
jaar). De uitvoerende macht berust bij de president (rechtstreeks
gekozen voor vier jaar) en de door hem benoemde raad van ministers.
Burgers van 18 jaar en ouder, en zij die jonger zijn maar getrouwd zijn
of waren, zijn kiesgerechtigd.
3.2 Administratieve indeling
De Dominicaanse Republiek is bestuurlijk verdeeld in 26 provincies; de
hoofdstad Santo Domingo vormt een afzonderlijk bestuurde eenheid: het
Distrito Nacional. De provincies staan onder bestuur van een gouverneur,
benoemd door de president.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
De Dominicaanse Republiek is lid van de Verenigde Naties en van de
Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Algemene Overeenkomst
inzake Tarieven en Handel (GATT), de Economische Commissie voor
Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied (CECLA), het Sistema Económico
Latinoamericano (SELA) en waarnemer van de Caribische gemeenschappelijke
markt (CARICOM).
3.4 Politieke organisaties en vakbonden
De belangrijkste politieke partijen zijn de Partido Reformista Social
Cristiano (PRSC), de Partido Revolucionario Dominicano (PRD) en de
Partido Liberación Dominicano (PLD). De centrum-rechtse PRSC, gesticht
in 1961, heeft als leider oud-president Joaquín Balaguer en had tussen
1966 en 1994 een meerderheid in beide Kamers. De sociaal-democratische
PRD, opgericht in 1939, is sinds 1994 de grootste partij. De linkse PLD
ontstond in 1973, na een afscheiding onder leiding van Juan Bosch van de
PRD. Bosch was de oprichter van de PRD.
Van de beroepsbevolking behoort 13% tot een vakbond, waarvan de
Confederación de Trabajadores Unitaria (CTU; opgericht in 1991) en de
Central General de Trabajadores (CGT; opgericht in 1972) de grootste
zijn.
4. Economie
4.1 Algemeen
De Dominicaanse Republiek is vooral afhankelijk van de export van
agrarische producten, m.n. suiker. In 1994 was het aandeel van de
verschillende sectoren in het bruto nationaal product als volgt:
landbouw en visserij 15%, industrie 22%, handel, transport, financiën,
communicatie en overige diensten 63%. De economische groei in de jaren
1968-1974 bedroeg 10,6% per jaar (7,4% per capita). In de periode
1975-1979 was dit respectievelijk 4,4 en 1,5%, hierna daalde de
economische groei verder tot 0,4% (-1,9%) in 1984, -2,2% (-4,5%) in 1985
en 1,3% (-1,5%) in 1986. De financiële crisis van de jaren tachtig kwam
tot uitdrukking in een hoge inflatie (1985 tot 1994: 28,8%). Toerisme en
vrijhandelszones zijn de grootste troeven.
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
De landbouw maakt 15% (1994) van het bruto nationaal product uit, maar
biedt werkgelegenheid aan 33% van de beroepsbevolking en bedraagt 60%
van de totale exportwaarde. Het belangrijkste gewas is suiker; de
Dominicaanse Republiek behoort tot de grootste suikerproducenten ter
wereld. De suikerindustrie is grotendeels in buitenlandse handen en
geconcentreerd in het zuiden en zuidoosten. Illegale en rechteloze
Haïtiaanse gastarbeiders maken een belangrijk deel uit van de
arbeidskracht op de suikerplantages.
De crisis op de suikermarkt in de jaren tachtig ligt ten grondslag aan
de economische recessie van het land. Andere belangrijke agrarische
exportproducten zijn koffie (35% van de totale exportwaarde) en cacao
(7%). In tegenstelling tot suiker is koffie een product van kleine
boeren. De verbouw van cacao is in de laatste jaren sterk in belang
toegenomen. De Dominicaanse Republiek is deels zelfvoorzienend in
levensmiddelen. Veehouderij is vanouds een belangrijk bedrijf. In de
afgelopen jaren is deze sector aanzienlijk gegroeid, mede dankzij
overheidssteun. De visserij is voornamelijk van lokale betekenis.
4.3 Mijnbouw en energievoorzieningen
Mijnbouw draagt 2% aan het bruto nationaal product bij: de belangrijkste
producten zijn ferronikkel, goud en zilver. De bauxietproductie werd
begin 1984 gestaakt door de terugtrekking van de Aluminum Company of
America (Alcoa). De energievoorziening is grotendeels afhankelijk van
geïmporteerde olie. Geregistreerde eigen olievoorraden worden nog
nauwelijks geëxploiteerd. Waterkrachtcentrales leveren eenderde van de
binnenlandse energiebehoefte.
4.4 Industrie
De helft van de industriële productie bestaat uit de verwerking van
suikerriet. Andere industriële producten zijn textiel, schoeisel en
leer, papier, glas, tabak en levensmiddelen. De werkgelegenheid in deze
sector is 20% van de beroepsbevolking. De meeste bedrijven zijn relatief
kleine familiebedrijven; de belangrijkste industrieën zijn echter in
handen van de staat en buitenlandse bedrijven. De overheid heeft met
groot succes (onder meer door het vestigen van zes industriële vrijzones
en het aanbieden van 15-jarige 'taxholidays') de vestiging van grote
buitenlandse ondernemingen gestimuleerd. De werkgelegenheid steeg er van
43!000 naar 142!000 banen (periode 1987-1992).
4.5 Handel
Veruit de belangrijkste handelspartner zijn de Verenigde Staten, die 2/3
van de export en 1/3 van de import van de republiek voor hun rekening
nemen. De Benelux komt op de tweede plaats. De belangrijkste
exportproducten zijn: suikerproducten, koffie, goud, ferronikkel en
cacao. De voornaamste importproducten zijn: olie- en industriële
producten en levensmiddelen. Er bestaat een chronisch tekort op de
handelsbalans, m.n. door de olie-importen. De buitenlandse schuld
bedroeg $ 4,2 miljard in 1994.
4.6 Bankwezen
De Banco Central de la República Dominicana is de centrale bank. Het
merendeel van de banken is commercieel. Toezicht wordt uitgeoefend door
de Superintendencia de Bancos.
4.7 Toerisme
In de afgelopen jaren zijn grote investeringen gedaan in de ontwikkeling
van het toerisme. In 1992 bezochten ruim 1, 5 miljoen toeristen het
land, die $ 1260 miljoen opleverden, dat was 60% van de
exportopbrengsten.
4.8 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Het voeren van een economisch beleid is in de jaren tachtig zeer
moeilijk geweest. De rentebetalingen op de hoge buitenlandse schuld
slokten 70% van de exportopbrengsten op. Pogingen tot een herschikking
van de schuld te komen leidden tot moeizame onderhandelingen met het
Internationale Monetaire Fonds, dat na het sluiten van een akkoord
(1985) een zeer grote invloed op de economie heeft. De belangrijkste
crediteur zijn de Verenigde Staten, voorts de Inter-Amerikaanse
Ontwikkelingsbank en de westerse landen verenigd in de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De Dominicaanse
Republiek is een belangrijke begunstigde in het Caribbean Basin
Initiative (CBI).
4.9 Verkeer
De republiek beschikt over een goed wegennet van 18!000 km lengte
(1986). Het spoorwegnet (ca. 1600 km, waarvan 104 km in handen van de
staat) dient vooral voor goederentransport; de belangrijkste lijn
verbindt La Vega met de havenstad Sánchez. Ruim 1000 km smalspoor is in
gebruik op de suikerplantages. Het binnenlandse luchtverkeer heeft de
beschikking over een twaalftal kleine vliegvelden; internationale
vluchten maken gebruik van het vliegveld 'Las Americas' bij Santo
Domingo.
5. Geschiedenis
5.1 Periode tot 1930
Het eiland werd in 1492 door
Columbus
(zie foto standbeeld) ontdekt en Hispaniola genoemd. Het
westelijk deel, Haïti, werd bij de vrede van Rijswijk (1697) aan
Frankrijk afgestaan, dat van 1795 tot 1801 het hele eiland bezet hield.
Een tijdelijke officieuze onafhankelijkheid werd daarna voor het
oostelijke deel beëindigd door een herstel van het Spaanse gezag (1808),
dat in 1821 verdreven werd. Na een langdurige bezetting door Haïti werd
24 nov. 1844 de Dominicaanse Republiek uitgeroepen, waarin de generaals
Pedro Santana en Buenaventura Baez afwisselend regeerden en elkaar
bestreden. In 1861 keerde het gebied vrijwillig terug onder Spaans
bewind, dat echter door een in 1863 uitgebroken revolutie definitief
verdreven werd (1865). Een poging tot aansluiting bij de Verenigde
Staten werd door deze afgewezen (1867).
In de nu volgende chaotische jaren vormde alleen het bewind van de
dictator Ulysses Heureaux (1882-1899) een periode van rust. De aanslag
op hem en nieuwe troebelen leidden tot interventies van buitenlandse
mogendheden die hun investeringen veilig wilden stellen (1903). In 1905
creëerden de Verenigde Staten een feitelijk protectoraat, hetgeen een
opnieuw dreigende oorlog met Haïti verijdelde (1910). Hernieuwde
binnenlandse chaos leidde ten slotte tot een militaire bezetting door de
Verenigde Staten (1916-1924), die ook nadien een financiële controle
behielden.
5.2 Periode Trujillo (1930-1961)
In 1930 kwam Rafaël Leonidas Trujillo Molina, bevelhebber van de door de
Amerikanen opgerichte Nationale Garde, via gemanipuleerde verkiezingen
aan de macht. Tot 1961 zou hij de absolute heerser van het eiland zijn:
afwisselend was hij zelf, of een stroman van hem, president. Trujillo
duldde geen enkele oppositie en liet zijn geheime politie een
schrikbewind in stand houden. De Trujillo-familie gebruikte de politieke
macht om zich op ongekende wijze te verrijken en zich van belangrijke
sectoren van de economie meester te maken.
Aan het eind van de jaren vijftig was ze eigenaar van bijna eenderde van
de cultuurgrond, controleerde ze tweederde van de suikerproductie en
voorts alle belangrijke handels- en industriële vestigingen. Overigens
toonde het regime ook positieve kanten. In het begin verwierf Trujillo
zich een zekere populariteit door een actief herstelbeleid, nadat een
orkaan de hoofdstad had verwoest (1930), en door de verbetering van de
economische en sociale infrastructuur: de aanleg van wegen, havens,
irrigatiewerken, scholen en ziekenhuizen.
De ondergang van het regime was een indirect uitvloeisel van de Cubaanse
revolutie. De Verenigde Staten hadden uit de ineenstorting van de
Batista-dictatuur op Cuba hun conclusies getrokken en streefden ernaar
Trujillo door een humane regering te vervangen. Toen bewezen werd dat de
geheime dienst van Trujillo in 1960 betrokken was bij een aanslag op de
Venezolaanse president Betancourt, stelde de Organisatie van Amerikaanse
Staten (OAS) een economische boycot in. Op 30 mei 1961 werd Trujillo
vermoord.
5.3 De jaren zestig
De toenmalige president Joaquín Balaguer, lid van de PR (Partido
Reformista) en stroman van Trujillo, bracht een democratisering op gang
en wist de macht van de Trujillofamilie te breken door al hun
bezittingen te confisqueren. Daardoor verkreeg de Dominicaanse Republiek
plotseling de grootste staatssector in de economie van alle
Latijns-Amerikaanse landen. Aan de verkiezingen van dec. 1962 zou voor
het eerst ook de overwegend analfabete plattelandsbevolking, de
campesinos (ca. 70% van de bevolking), deelnemen. Vandaar dat de
agrarische kwestie in het centrum van de belangstelling stond. Enkele
maanden voor de verkiezingen vaardigde de regering een wet uit die de
verkoop op afbetaling van een gedeelte van de geconfisqueerde
landgoederen van Trujillo aan landloze boeren toezegde. Juan Bosch
echter, de leider van de linkse PRD (Partido Revolucionario Dominicano),
die de steun van zowel de stedelijke arbeiders als de
plattelandsbevolking kreeg, won de verkiezingen.
In een nieuwe grondwet kondigde hij zowel de opdeling van de
uitgestrekte landerijen (latifundios) als de integratie van de kleine
stukken grond (minifundios) tot rendabele eenheden aan. Aan uitvoering
kwam hij niet toe. Verdacht van 'communistische sympathieën' werd hij al
na een half jaar afgezet door een militaire staatsgreep onder leiding
van kolonel Wessin y Wessin. De junta maakte vervolgens weinig werk meer
van de agrarische kwestie. Mede daardoor groeide het verzet en ontstond
er ook binnen het leger oppositie. In 1965 kwamen progressieve jonge
officieren in opstand, die onmiddellijk steun kregen van de
constitutionalisten, voornamelijk aanhangers van Juan Bosch. Toen dit
dreigde uit te lopen op een revolutionaire volksbeweging,
intervenieerden de Verenigde Staten.
President Johnson zond 20!000 mariniers naar Santo Domingo: de eerste
rechtstreekse militaire interventie in Latijns-Amerika sinds de jaren
twintig. Een voorlopige regering organiseerde op 1 juni 1966
presidentsverkiezingen. Deze werden gewonnen door Balaguer, die
financieel gesteund werd door de elite én door de Verenigde Staten, wat
hem in staat stelde met een actieve campagne op het platteland de
meerderheid van de campesinos aan zijn kant te krijgen. Hij versloeg
zijn grootste rivaal Bosch. In sept. 1966 verlieten de Amerikaanse
mariniers, die inmiddels onder het vaandel van de OAS waren geplaatst,
het eiland.
5.4 Na 1970
Balaguers beleid stoelde op intimidatie en repressie. Juan Bosch ging in
vrijwillige ballingschap. De oppositie raakte verdeeld. Talrijke
politieke moorden werden gepleegd, vooral door de semipolitiële
organisatie La Banda. Via gemanipuleerde verkiezingen wist Balaguer
zowel in 1970 als in 1974 zijn ambtstermijn te verlengen. Bij de
verkiezingen van 16 mei 1978 verloor Balaguer echter van Antonio Guzmán,
kandidaat van de PRD, die overigens na het uittreden van Bosch in 1973
naar rechts was opgeschoven. Gedurende zijn presidentschap gaf Guzmán
prioriteit aan de onderschikking aan het burgerlijk gezag van het leger
en aan de bestrijding van de wijdverbreide corruptie.
Hij pleegde zelfmoord toen aan het einde van zijn termijn bleek dat
zelfs zijn dochter en schoonzoon van zijn presidentschap hadden
geprofiteerd. De verkiezingen vonden gewoon doorgang. Zijn opvolger
Jorge Blanco, eveneens van de PRD, werd na het verstrijken van zijn
ambtstermijn beschuldigd van grootschalige corruptie. Tijdens zijn
bewind vonden onder invloed van de economische crisis grote rellen
plaats. Een tweede splitsing van de PRD (na de oprichting van de PLD in
1973) kon slechts ternauwernood worden voorkomen. In aug. 1986 won
Balaguer van de PRSC de verkiezingen en werd voor de vijfde maal
president van de Dominicaanse Republiek.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1996 was de inmiddels 89-jarige
Balaguer voor het eerst sinds 1965 niet meer kandidaat voor de PRSC.
Winnaar werd Lionel Fernández van de populistische oppositiepartij PLD.
De nieuwe president streeft naar privatisering van de verliesgevende
staatsbedrijven.
Telefoongids Dominicaanse Republiek
Postcodes
Dominicaanse Republiek
|