|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Duitsland bestaat uit drie grote geografische landschappen: a. het
Noord-Duitse laagland; b. het middelgebergte; c. het Alpengebied.
a. het Noord-Duitse laagland is een in de pleistocene ijstijden gevormd
landschap. Het gehele gebied heeft een zacht golvende oppervlakte; hier
en daar is het geheel vlak. De bodemverheffingen vormen twee groepen: de
noordelijkste omvat de zgn. Baltische landrug, een eindmorenegebied,
onmiddellijk ten zuiden van de Oostzee, een gebied rijk aan meren en
bossen. De tweede verloopt zuidelijker en vormt een krans van oudere
eindmorenen vanaf de Beneden-Elbe tot het Katzengebergte. Parallel met
deze grote eindmorenegordels loopt ten noorden ervan een zacht golvend,
lemig grondmorenegebied en in het zuiden een brede strook onvruchtbare
zandgrond (zgn. Sandr), deels met heide bedekt (o.a. Lüneburger Heide).
In dezelfde richting verlopen de zgn. oerstroomdalen, tot 20 km brede,
vroeger uit veen bestaande stroken, eertijds de bedding van het van de
ijskap afstromende smeltwater. Naar het zuiden toe dringt het laagland
met enkele diepe bochten in het middelgebergte door (Middenrijnse
laagvlakte, Münsterland, Saksische laagvlakte, Nieder-Lausitz), meestal
vruchtbare lössgebieden (voornamelijk de zgn. Magdeburger Börde).
b. Het middelgebergte is geologisch zeer gecompliceerd (zie § 1.4). In
het westen begint het bergland met een aantal ketens die door de Rijn
vrijwel onder een rechte hoek worden doorsneden: Rijns Leisteengebergte,
Eifel, Westerwald (657 m), overgaand in Rothaargebergte en Hunsrück,
Taunus (880 m), waarbij aansluiten de Vogelsberg en het Rhörgebergte
(950 m). Verder naar het noorden ligt de Harz (Brocken 1142 m), met ten
westen daarvan het Weser Bergland en het Teutoburgerwoud en ten
noordoosten de Fläming. Ten oosten van de Rhön verloopt
noordwest-zuidoost het Thüringer Woud, aan het zuidoostelijk einde
waarvan het Fichtelgebergte een knooppunt vormt met het Ertsgebergte
naar het noordoosten, het Oberpfalzerwoud-Bohemerwoud naar het
zuidoosten en de Fränkische Alb naar het zuidwesten. Deze laatste vormt
geologisch één geheel met de verder zuidwestwaarts lopende Schwäbische
Alb; beide worden ten zuiden begrensd door de Donau.
c. Het Alpengebied. Ten zuiden van de Donau stijgt het land geleidelijk
en gaat over in het morenegebied van het Alpenvoorland, waarna in het
uiterste zuiden het bescheiden Duitse aandeel in de Alpen, met name de
noordelijke Kalkalpen, volgt, dat tevens de grens vormt met Oostenrijk.
Van west naar oost liggen hier de Allgäuer Alpen, de Ammergauer Bergen,
als hoogste het steile Wettersteingebergte en de Salzburger Alpen.
1.2 Rivieren, kanalen en meren
Onder de zelfstandige rivierstelsels zijn de voornaamste die van Elbe,
Weser en Rijn, die naar de Noordzee stromen, en dat van de Donau die in
de Zwarte Zee uitmondt. De Weser (Werra) is hiervan de enige die geheel
door Duits gebied stroomt. Verder zijn de belangrijkste rivieren de Oder,
met de zijrivier de Neisse, de Moezel en de Main, zijrivieren van de
Rijn, en de Ems. In het algemeen zijn de rivieren genormaliseerd en door
kanalen onderling verbonden. De voor de scheepvaart belangrijke kanalen
zijn: het Mittellandkanal, het Dortmund-Ems-Kanal, het Nord-Ostsee-Kanal,
het Oder-Spree-Kanal, het Ems-Jade-Kanal, het Oder-Havel-Kanal, het
Küstenkanal, het Elbe-Lübeck-Kanal, het Wesel-Datteln-Kanal, het
Elbe-Havel-Kanal en het Rhein-Herne-Kanal. In uitvoering is een
Main-Donaukanaal.
Vooral in het Alpenvoorland (oude gletsjerbeddingen) en het Mecklenburgs
Merenplateau komen meren voor. De grootste meren zijn: Bodensee,
Müritzsee, Chiemsee, Schweriner See, Würmsee en Ammersee.
1.3 Kust
In het noordwesten vormt de Noordzeekust met de Oost-Friese Eilanden een
voortzetting van het Nederlandse Waddengebied. De eigenlijke
Noordzeekust is geleed: de getijstroom dringt ver in de riviermondingen
en heeft die trechtervormig uitgeschuurd, waardoor de havens (Bremen,
Hamburg) landinwaarts liggen. De Oostzeekust is in het westen eveneens
geleed (fjorden, boggen), in het oosten daarentegen vlak: hier komen
strandmeren voor. De kust is slechts hier en daar steil (Rügen,
Helgoland, Samland).
1.4 Geologische bouw
Duitsland heeft een betrekkelijk ingewikkelde geologische bouw.
Verscheidene orogenesen en bekkenvormingen sinds het einde van het
Precambrium zijn voor deze gecompliceerdheid verantwoordelijk. De
belangrijkste gebergtevormingsperiode was de variscische orogenese, die
tijdens het Carboon plaatsvond. Uit deze tijd stammen de geologische
eenheden: Boheems Massief, Ertsgebergte, Thüringer Leisteengebergte,
Zwarte Woud, Spessart, Odenwoud, Taunus, Hunsrück, Leisteengebergte,
Ruhrgebied, Ardennen en de Harz. In sommige van deze gebieden komen
evenwel nog resten van oudere gebergten voor, zoals in het Boheems
Massief, het Ertsgebergte, het Zwarte Woud en de Ardennen.
De oudste gesteenten in Duitsland komen voor in het Boheems Massief, dat
evenwel grotendeels in Tsjechoslowakije ligt. Hier zijn precambrische
metamorfe gesteenten ontsloten, die tot het zgn. Moldanubicum gerekend
worden. De ouderdom van de gesteenten is niet goed bekend, maar zij zijn
zeker precambrisch. Discordant hierop werden paleozoïsche sedimenten
afgezet. Tijdens de variscische orogenese werd dit Moldanubicum tezamen
met de discordante bedekking nogmaals gemetamorfoseerd. Bovendien
intrudeerden in die tijd grote granietlichamen. Deze gesteenten zetten
zich ondergronds voort naar het westen en duiken in het Zwarte Woud en
de Vogezen weer op, waar zij eveneens tot de Moldanubische zone gerekend
worden, die zich nog verder in Frankrijk vervolgen laat.
Noordelijk van de Moldanubische zone ligt de Saxo-Thuringische zone,
waarin paleozoïsche sedimenten zijn afgezet, die tijdens de variscische
orogenese sterk geplooid werden, maar slechts licht gemetamorfoseerd.
Verder westwaarts behoren ook de Spessart, het Odenwoud en het
noordelijk deel van het Zwarte Woud ertoe. In de laatstgenoemde gebieden
komen bovendien oudere kristallijne gesteenten aan de oppervlakte. De
Saxo-Thuringische zone is een deel van de hercynische geosynclinaal,
waarin een belangrijke cambrische en ordovicische sedimentatie
plaatsvond. Het Siluur en Devoon is minder dik, terwijl het Carboon van
nog minder betekenis is. De plooiing is intensief en er werden daarbij
veel leien gevormd, bijv. in het Thüringer Leisteengebergte.
Het contact tussen het Moldanubicum en het Saxo-Thuringicum is een breuk
waarbij de eerstgenoemde op de andere zone is geschoven. In het
Saxo-Thuringicum komen enkele oudere kristallijne massieven voor, zoals
het Münchberger gneismassief en het Fichtelgebergte. In het Ertsgebergte
vindt men het granulietmassief. Alle gesteenten in deze massieven zijn
zeer hoog metamorf. Daarnaast komen variscische intrusieve granieten
voor, zoals de Lausitzer graniet. Tussen de Saxo-Thüringische en de
noordelijk daarvan gelegen Rheno-hercynische zone ligt de Middenduitse
Rug, een geoanticlinaal in de hercynische geosynclinaal. Hierop vond
slechts geringe paleozoïsche sedimentatie plaats.
In het Rheno-Hercynicum, omvattende Leisteengebergte, Taunus, Hunsrück,
Ardennen en Harz, vond een zeer belangrijke sedimentatie plaats tijdens
het Devoon. Plaatselijk, in het Lahn-Dill-gebied en in de Harz, kwam het
tot geosynclinaal magmatisme. De plooiing in deze gebieden was eveneens
zeer intensief en gaf dikwijls aanleiding tot de vorming van leien. De
Ardennen sluiten zich bij het Leisteengebergte aan. Graniet komt in de
Rheno-hercynische zone bijna niet voor; er zijn slechts twee lichamen in
de Harz, een daarvan is de Brockengraniet.
Noordelijk van deze zone ligt het subhercynische voordiep, waarin
voornamelijk carbonische sedimenten werden afgezet, die slechts
betrekkelijk zwak geplooid werden. De kolenbekkens van de Ruhr en van
Zuid-Limburg behoren tot dit voordiep.
In het variscische gebergte vindt men van zuid naar noord een duidelijke
ontwikkeling, waarbij de metamorfose, de plooiingsintensiteit en de
hoeveelheid intrusieve granieten afnemen. Bovendien vindt de plooiing in
noordelijke richting steeds later plaats. Is in het Moldanubicum de
plooiing voor-tot-vroeg-carbonisch, in de Saxo-Thuringische en
Rheno-hercynische zone is deze midden-carbonisch en in het voordiep
laat-carbonisch.
Aan het eind van het Carboon werden de meeste van deze gebieden door
erosie genivelleerd, waarbij op vele plaatsen de kristallijne gesteenten
aan de dag kwamen. Discordant op de variscische gesteenten werd het
Perm, meestal bestaand uit zandstenen met zoutlagen, of direct de Trias
beginnend met de bontzandsteen afgezet. Daarop volgt de muschelkalk, de
Keuper en de Jura. In een groot gebied tussen het Boheems Massief en het
Zwarte Woud zijn deze gesteenten ontsloten, en wel de Jura in de
Schwäbische en Fränkische Alb, en de Trias in het Schwäbische en
Fränkische terrassenland. De Trias strekt zich verder uit via de
Spessart tot het Hessische bergland en het Thüringer bekken.
Krijtafzettingen komen voor ten noorden van de Harz en ten oosten van
het Ertsgebergte. Tertiaire gesteenten komen voor in de Molasstrog ten
zuiden van de Schwäbische en Fränkische Alb. Hierin werden
afbraakproducten van de Alpen afgezet. Ten zuiden van de Molasse ligt
eerst een smalle strook Krijt en Tertiair, die tot de Helvetische zone
behoren, en dan (voornamelijk in Oostenrijk) een brede strook Trias en
Jura in de noordelijke Kalkalpen, die tot de oostalpine dekbladen
behoren. Uitgezonderd dit gedeelte van de Alpen, is het Mesozoïcum in
Duitsland slechts zwak geplooid, in sterke tegenstelling tot de
paleozoïsche sedimenten. Eerstgenoemde zijn germanotype, laatstgenoemde
alpinotype geplooid.
Het noordelijk deel van Duitsland wordt geheel bedekt door afzettingen
van tertiaire en kwartaire ouderdom: de Noord-Duitse Laagvlakte. Hierin
zijn verscheidene moreneruggen van de kwartaire ijstijden te herkennen.
In Noordwest-Duitsland komen in de ondergrond veel zoutdomes voor.
Andere jonge structuren zijn grote slenken, waarvan de
Boven-Rijndalslenk tussen de Vogezen en het Zwarte Woud de meest bekende
is. Deze 300 km lange slenk ontstond voornamelijk tijdens het Tertiair
en Kwartair. Noordwaarts zet deze slenk zich voort in de Hessische
slenk. Noordelijk van het Leisteengebergte ligt de Beneden-Rijndalslenk,
die tot in Nederland doorloopt. In deze slenken komt dikwijls een jong
vulkanisme voor, waarvan de Kaiserstuhl in de Boven-Rijndalslenk en de
Vogelsberg in de Hessische slenk getuigen zijn. Tertiaire vulkanische
gesteenten die niet aan deze slenken gebonden zijn, bevinden zich in de
Eifel, waar o.a. oude kraterpijpen voorkomen, die nu dikwijls meertjes
bevatten, de zgn. maren.
1.5 Klimaat
Het klimaat wordt behalve door de geografische breedte in hoofdzaak
bepaald door de landinwaarts afnemende invloed van de zee en de hoogte
boven zeeniveau. De gemiddelde windsnelheid en de neerslag nemen
landinwaarts geleidelijk af.
Aan de noordzijde van de Alpen zijn de temperaturen in het algemeen iets
hoger dan met de geografische breedte en de hoogte van de plaats
overeenkomt ten gevolge van föhnwerking. Deze treedt vooral op in het
winterhalfjaar, wanneer ten gevolge van het frequent voorkomen van
relatief hoge druk boven het continent zuidoostelijke winden
betrekkelijk veel voorkomen.
Het verloop van het weer hangt geheel af van het heersende
circulatietype. Die waarbij de luchtdruk boven Midden-Europa relatief
hoog is, zodat er geen depressies kunnen doordringen, zijn het meest
frequent in herfst en winter met een maximum in september. Het fraaie
zomerweer dat daarbij optreedt, wordt Altweibersommer genoemd.
De laagste wintertemperaturen worden vooral aangetroffen bij situaties
met een hoge luchtdruk boven Scandinavië, waarbij koude lucht uit
Oost-Europa over land naar het westen wordt gevoerd. Daarbij wordt de
kou geïntensiveerd, wanneer zich in Midden-Europa een sneeuwdek bevindt.
In West-Duitsland ligt ongeveer 25 dagen per jaar sneeuw, naar het
oosten neemt dit aantal dagen toe tot ongeveer 40 in Berlijn. Ook op
hooggelegen stations ligt de sneeuw langer. Volgens het klimaatsysteem
van Köppen heerst in Duitsland vrijwel overal een Cfb-klimaat. Met
toenemende hoogte daalt de temperatuur en gaat het klimaat over in een
boreaal klimaat (Dfb) en vervolgens in een toendraklimaat (ET).
1.6 Plantengroei
De flora behoort tot twee plantengeografische provincies van de
Eurosiberische regio: in het uiterste noordwesten tot de Atlantische,
overigens tot de Midden-Europese, waarin de alpine flora van het
hooggebergte een afzonderlijke sector vormt. De natuurlijke begroeiing
bestaat overwegend uit bos, uitgezonderd de zilte strook langs de kust,
stuivende duinen, levende hoogvenen en het gebergte boven de boomgrens.
Bij het begin van onze jaartelling was Duitsland nog voor ca. 75% met
bos bedekt, ca. 1800 nog slechts voor ca. 20%; thans weer voor ca. 28%,
waarvan ca. tweederde naaldhout (den en spar). Oorspronkelijk was het
naaldhout verre in de minderheid en hoofdzakelijk beperkt tot de
grove-dennenbossen in het noordoosten en fijnsparrenbossen in de
sparrengordel der gebergten.
Het loofbos bestaat voornamelijk uit eikenhaagbeukenbos (met eik,
haagbeuk, beuk, wilde kers, es, esdoorn) op voedselrijke gronden in de
laagvlakte; beukenbos in het Atlantische en Baltische laagland, in het
heuvelgebied en de onder de sparrengordel gelegen beukengordel der
gebergten; eiken-berkenbos op voedselarme gronden in de laagvlakte;
elzen- en wilgenbos in de moerassen; wilgenbos en
essen-iepen-vogelkersbos in de overstromingsgebieden der rivieren.
Duitsland bestaat verder voor ca. 14% uit natuurgebieden met als
vegetatietypen o.a. heiden (vooral in het noordwesten), hoogvenen
(vooral in de gebergten), moerassen (vooral in het zuiden van Beieren en
Württemberg en in het noordoosten), rotsbegroeiingen, struwelen en
lokaal de merkwaardige schrale vegetatie van bodems rijk aan zink of
lood.
Tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw hadden de halfnatuurlijke
landschappen, zoals schrale en extensief beweide graslanden, heiden en
hooimoerassen, nog een belangrijk aandeel in de vegetatie van Duitsland.
Ten gevolge van de revolutionaire wijzigingen in de agrarische cultuur
zijn deze eeuwenlang stabiel gebleven levensgemeenschappen tot op enkele
resten teruggedrongen en overigens herontgonnen of verwilderd, hetgeen
tot een aanzienlijke verarming van flora en fauna heeft geleid.
1.7 Dierenwereld
De dierenwereld verschilt weinig van die van Nederland en België althans
wat het noorden en westen betreft; in het oosten sluit de fauna aan bij
die van Oost-Europa en in het zuiden (Beieren) bij die van de Alpen. De
hier en daar nog uitgestrekte bossen bieden schuilplaats aan herten,
wilde zwijnen, wilde katten, enz., grotendeels te danken aan een goed
jachtbeheer. Toename van de bevolking, urbanisatie en industrialisatie
hebben de fauna sterk teruggedrongen. De zalm is uit de Rijn vrijwel
verdwenen ten gevolge van de watervervuiling. Een positief element is
dat zeldzaam geworden soorten weer opnieuw uitgezet worden (o.a. wisent,
oehoe).
    
2. Bevolking
2.1 Samenstelling
De dichtstbevolkte gebieden zijn de miljoenensteden (Berlijn, Hamburg en
München), het industriegebied Rheinland-Westfalen, het Rijn-Main-gebied,
het Rijn-Neckar-gebied en de omgeving van Stuttgart, het industriegebied
Leipzig-Halle, het gebied Chemnitz-Zwickau en de omgeving van Dresden.
Ruim 86% van de bevolking woont in de steden.
In Duitsland woonden eind 1995 81!759!000 inw., waarvan 7,2 miljoen
buitenlanders. In het noorden van Sleeswijk-Holstein wonen ca. 60!000
Deens sprekende Duitsers van Deense oorsprong. Eenzelfde aantal heeft de
Slavische minderheid der Sorben in het oosten (Lansitz). Ca. 30% van de
buitenlanders zijn Turken, voorts Joegoslaven, Italianen, Grieken,
Polen, Bosniërs en Kroaten. Door de grote stroom vluchtelingen naar
Duitsland vanaf het einde van de jaren tachtig, afkomstig uit de
Oostbloklanden, m.n. Oost-Duitsland, Joegoslavië, Rusland, maar ook uit
Afrika en Azië, werd in 1993 het asielrecht ingeperkt.
In 1994 bedroeg het geboortecijfer 9, 5‰, het sterftecijfer 10,9‰. De
gemiddelde levensverwachting bij geboorte was toen voor vrouwen 79, voor
mannen 73 jaar. De bevolkingsgroei bedraagt gemiddeld 0,5% per jaar.
2.2 Taal
Het Hoog-Duits (zie Duitse taal) is de taal van de gehele bevolking. In
Sleeswijk wordt ook Deens gesproken. Een klein gedeelte van het land,
rondom Cottbus en Bautzen, is tweetalig; behalve het Hoog-Duits wordt
hier ook het Westslavische Sorbisch gesproken. Het Neder-Duits of
Plat-Duits, dat in het noordwesten wordt gesproken, vertoont veel
overeenkomst met de in Oost-Nederland gangbare streektalen.
2.3 Religie
In 1994 behoorde 35% van de bevolking tot de protestantse (vnl.
Lutherse) kerken en 34% tot de Rooms-Katholieke Kerk; 2% behoorde tot
het islamitische geloof. De joodse gemeenschap telde in 1995 72
gemeenten met in totaal 53!797 leden.
Zowel de protestantse kerken als de Rooms-Katholieke Kerk organiseren
tweejaarlijkse landelijke bijeenkomsten; de zgn. kerkdagen en
katholiekendagen.
Protestantse kerken. De in totaal 18 Lutherse en gereformeerde (reformierte)
kerken in West-Duitsland die zijn verenigd in de Evangelische Kirche in
Deutschland (EKD), hebben zich in 1991 verenigd met de Bund der
Evangelischen Kirchen uit de voormalige DDR (opgericht in 1969). Zie
voor de ontwikkeling van de Duitse Lutherse Kerken Lutherse Kerken.
Rooms-Katholieke Kerk. Duitsland omvat thans zeven rooms-katholieke
aartsbisdommen, Bamberg, Keulen, Freiburg, München en Freising,
Paderborn, Hamburg en Berlijn; er zijn 20 bisdommen. Het aartsbisdom
Keulen is het rijkste ter wereld, mede dankzij de kerkbelasting ( 'Kirchensteuer').
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 23 mei 1949 verklaarde de Bondsrepubliek tot een
'federatieve, democratische, parlementaire en sociale rechtsstaat'. De
Bondsdag, het parlement, is het hoogste orgaan en oefent de wetgevende
macht uit. Hij wordt voor vier jaar door het volk gekozen krachtens
algemeen direct kiesrecht, volgens een stelsel dat een compromis vormt
tussen de evenredige vertegenwoordiging en het meerderheidsstelsel. In
bepaalde gevallen kan hij ontbonden worden. De Bondsraad bestaat uit
leden van de regeringen der deelstaten (drie, vier, vijf of zes naar
gelang van het aantal inwoners van de desbetreffende deelstaat). De
Bondsraad heeft o.a. een opschortend vetorecht tegen de meeste wetten
die door de Bondsdag zijn aangenomen. De Bondsregering bestaat uit de
bondskanselier (door de Bondsdag benoemd op voorstel van de
bondspresident) en de bondsministers (door de bondspresident benoemd op
voorstel van de bondskanselier). De bondskanselier heeft een grote
persoonlijke macht. Hoewel alle ministers verantwoordelijk zijn aan de
Bondsdag, kan alleen tegen de kanselier een motie van wantrouwen worden
aangenomen, aangezien hij het enige kabinetslid is dat door het
parlement gekozen is. Hij hoeft dan slechts af te treden, indien de
meerderheid het eens is over de keuze van een opvolger. De
bondspresident is het staatshoofd en heeft slechts zeer beperkte
bevoegdheden. Zijn taken zijn overwegend van representatieve aard. Hij
wordt voor vijf jaar gekozen door de bondsvergadering, een college
bestaande uit de Bondsdag en een gelijk aantal afgevaardigden, gekozen
door de parlementen van de deelstaten en kan één keer herkozen worden.
Actief en passief kiesrecht bestaat voor alle staatsburgers vanaf 18
jaar.
De deelstaten (Länder) hebben elk hun eigen volksvertegenwoordiging, de
Landtag. Deze kiest een minister-president, die de andere leden der
regering benoemt. In Hamburg en Bremen heeft men in plaats van de
Landtag de Bürgerschaft en in plaats van de regering de Senat. De
grondwet bakent de bevoegdheden van Bond en deelstaten af. Buitenlandse
zaken, nationaliteit, geldwezen, maten en gewichten, spoorwegen,
luchtverkeer, octrooi- en auteursrecht zijn aan de Bond voorbehouden.
Voorts geldt: 'Bondsrecht breekt deelstaatrecht'.
3.2 Administratieve indeling
Het nieuwe Duitsland is onderverdeeld in 16 Länder, elk met een eigen
grondwet, (direct gekozen) parlement en regering.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
In 1973 werd de Bondsrepubliek toegelaten als lid van de Verenigde
Naties en een aantal van haar suborganisaties. Vanaf de oprichting
(1957) is zij lid van de Europese Unie (EU), de West-Europese Unie
(WEU), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Europese Raad, de
Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en de Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Ook na de
hereniging met de Duitse Democratische Republiek in 1990 is de
Bondsrepubliek lid van de NAVO (sinds 1955) gebleven.
3.4 Politieke organisatie: partijstelsel; vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Christlich-Demokratische
Union Deutschlands (CDU), de Sozialdemokratische Partei Deutschlands
(SPD), de Christlich Soziale Union (CSU), de liberale Freie
Demokratische Partei (FDP) en de links-progressieve partij Bündnis
90/Die Grünen. De Partei des Demokratischen Sozialismus (PDS) van Gregor
Gysi kwam in 1990 voort uit de Sozialistische Einheitspartei
Deutschlands (SED), die tussen 1946 en 1990 de eenheidspartij van de DDR
was. De PDS behaalde echter tot nog toe steeds minder dan 5% van de
stemmen. In sept. 1990 fuseerde zowel de CDU als de SPD met hun resp.
Oost-Duitse varianten. Die Grünen, opgericht in 1980, gingen bij de
Bondsdagverkiezingen van 1990 een lijstverbinding aan met de voormalige
DDR-oppositiepartij Bündnis 90. In 1993 kwam het tot een fusie van beide
partijen. De CDU en de CSU vormen in de Bondsdag een gezamenlijke
fractie en hebben zowel rooms-katholieke als protestantse kiezers. Er
bestaat nog een aantal kleinere partijen, maar die hebben weinig kansen
door de hoogte van de kiesdrempel: een partij kan pas afgevaardigden
sturen naar de Bondsdag, indien zij ten minste 5% van de stemmen heeft
behaald. De rechts-radicale partijen (zoals de Republikaner van Franz
Schönhuber) zijn er vooralsnog niet in geslaagd deze drempel bij de
Bondsdagverkiezingen te overwinnen. Bij vertegenwoordiging van nationale
minderheden wordt wel afgeweken van deze 5%-regel: zo is er een kleine
Deense groep vertegenwoordigd in het parlement van de deelstaat
Sleeswijk-Holstein.
Tussen werkgevers en werknemers bestaan relaties als sociale partners.
Men kent de tariefautonomie: werkgevers en werknemers mogen zonder
inmenging van de staat arbeidsovereenkomsten afsluiten. De werknemers
zijn georganiseerd in een klein aantal vakverenigingen. De grootste
hiervan is de Deutscher Gewerkschaftsbund (DGB) met 9, 4 miljoen leden.
In de DGB zijn 16 vakbonden georganiseerd. Voorts zijn er nog de
Deutsche Angestellten-Gewerkschaft (DAG) met 500.000 leden en de
Deutscher Beamtenbund (DBB) met 1,1 miljoen leden. Deze vakverenigingen
zijn politiek en confessioneel onafhankelijk. De meeste werkgevers zijn
georganiseerd in talrijke verbonden, overkoepeld door de
Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände (BDA). Wettelijk
hebben de werknemers het stakingsrecht, de werkgevers het recht van
bedrijfssluiting als uiterste middelen. Stakingen komen zelden voor.
Werkgevers en werknemers benoemen bijzondere scheidsrechters in de
Arbeitsgerichte.
4. Economie
4.1 Algemeen
Duitsland heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste
industrielanden ter wereld en werd slechts weinig getroffen door de
economische recessies in de jaren zeventig en in het begin van de jaren
tachtig. Het nationaal product per hoofd behoort met o.a. dat van de
Verenigde Staten en Japan tot de hoogste ter wereld en de Duitse Mark
(DM) behoort tot de meest waardevaste valuta ter wereld.
Het economische stelsel van na 1945 kan men een sociale markteconomie
noemen. De staat geeft globale leiding, maar heeft geen directe
bemoeienis met bijv. de loon- en prijsvorming. Door het Kartellgesetz
(1957) wordt de concurrentie beschermd tegen ondernemersafspraken. Door
een veelomvattende sociale wetgeving is de arbeidsvrede goeddeels
bewaard gebleven. De leiding door de staat komt o.a. tot uiting in de
Konzertierte Aktion, een tripartite-overleg tussen de overheid,
werkgevers- en werknemersorganisaties om conjunctuurbeleid te voeren. In
de tweede helft van de jaren negentig kreeg Duitsland te kampen met
grote werkloosheid, stagnatie van de groei en hoge begrotingstekorten,
mede als gevolg van het snelle proces van eenwording.
Het bruto nationaal product (bnp) steeg van 302 miljard DM in 1960 tot
3445 miljard DM in 1995. Ondanks de prijsstijgingen hield dit een flinke
productiestijging in. Bijna de helft van het bnp was afkomstig van
industrie en mijnbouw; het aandeel van de agrarische sector nam af van
5, 7% in 1960 tot 1,6% in 1995; de dienstensector steeg in dezelfde
periode van 11,4% tot 64%; het aandeel van de staat ging van 7,2 in 1960
naar 13% in 1988. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg van 4331
DM in 1960 tot 45!200 DM in 1994. Het aandeel van de loontrekkenden
steeg van 60,4% in 1960 tot 68,6% in 1988. De miljoenen vluchtelingen
uit de Duitse Democratische Republiek (DDR) droegen wezenlijk bij tot
het 'Wirtschaftswunder'. De beroepsbevolking steeg van 20, 4 miljoen in
1950 tot 29,6 miljoen in 1989, na 1960 vnl. door de komst van
buitenlandse gastarbeiders (in 1973 een piek met 2,5 miljoen), in de
jaren tachtig vooral door de toevloed van asielzoekers en burgers uit de
DDR. Zie ook §5. Geschiedenis.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Duitsland heeft een productieve landbouw, die meer dan driekwart van de
Duitse behoefte aan agrarische producten dekt. De mechanisatie is in de
bedrijfsvoering sterk doorgedrongen. Driekwart van de landbouwbedrijven
is coöperatief georganiseerd; gespecialiseerde kippen-, varkens- en
rundermesterijen worden zeer rationeel gedreven. De hoofdproducten van
de akkerbouw zijn granen (vooral in het laagland in het noorden,
Münsterland, Oberpfalz en Beieren), aardappelen, suikerbieten (in de
driehoek Hannover-Brunswijk-Kassel), fruit, groente en wijn (zie Duitse
wijnen). Ondanks herverkaveling overheerst nog het kleinbedrijf. Het
grootbedrijf vindt men vooral in het noordwesten. De gehele landbouw
ondervindt de invloed van de Europese Gemeenschap (toenemende
vrijhandel).
De belangrijkste West-Duitse deelstaten voor de bosbouw zijn Beieren,
Baden-Württemberg, Hessen, Rheinland-Pfalz. Bijna eenderde deel van
West-Duitsland (10,3 miljoen ha) is met bos bedekt. Behalve voor de
houtwinning is het bos van groot belang voor de recreatie en de
milieubescherming. Op plaatsen waar men bomen kapt is men wettelijk
verplicht nieuwe bomen te planten. In de jaren tachtig constateerde men
steeds meer schade aan de bossen ten gevolge van de zure regen. Met
behulp van nationale en internationale maatregelen probeert Duitsland
tot vermindering van de luchtvervuiling te komen.
De visserij is de laatste jaren sterk gemoderniseerd. De EG heeft
vangstbeperkingen ingesteld; in 1977 hebben de staten langs de
Noord-Atlantischhe Oceaan en de Noordzee een visserijzone van 200
zeemijlen ingesteld.
Tuinbouw wordt vooral beoefend rond Erfurt. Wat de veehouderij betreft,
is het fokken van runderen m.n. in het zuiden geconcentreerd,
schapenfokkerijen m.n. in Saksen en Thüringen.
Bosbouw komt vooral voor in Pommeren, Thüringen en in het Saksische
bergland. Het bosareaal beslaat 10,4 miljoen ha, waarvan een kwart is
aangetast door zure regen.
Visserij vindt vnl. plaats in de Noord- en Oostzee en de Atlantische
Oceaan.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Duitsland staat bekend als uitgesproken grondstofarm. Ze beschikt over
bescheiden hoeveelheden ijzererts, aardolie en aardgas. Slechts de
voorraden steenkool, bruinkool en zout zijn overvloedig. De winning is
evenwel te duur geworden door de hoge loonkosten. Steenkool wordt vooral
gedolven in het Ruhrgebied en het Saarland, bruinkool bij Helmstedt en
Keulen en rond Leipzig, Halle, Dresden en Cottbus, waar de winning en
het gebruik van bruinkool als brandstof voor ernstige milieuproblemen
heeft gezorgd. Aardgas neemt in de nieuwe bondslanden de functie van
bruinkool over. Zout wordt gewonnen bij o.a. Fulda.
In de energiebehoefte wordt 42% door aardolie, 18,6% door aardgas, 17,2%
door steenkool en 12% door kernenergie voorzien (1993). Rijke
aardgasvondsten werden gedaan in Oost-Friesland. Het aardgas dekte in
1987 15% van de totale energiebehoefte, waarvan 28% uit binnenlandse
bronnen. Ca. 30% van het geïmporteerde aardgas komt uit Nederland. Het
gebruik van kernenergie neemt nog steeds toe, ondanks opslag- en
veiligheidsproblemen, en politieke tegenstand. Er waren in 1987 21
kerncentrales in werking. De opslag van het radioactieve afval in
Noord-Duitsland heeft tot omstreden transporten geleid.
4.4 Industrie
West-Duitsland. Opmerkelijk is de geconcentreerde structuur met sterke
horizontale en verticale vervlechtingen van bedrijven, waardoor grote
concerns ontstonden. Meer dan de helft van de industriële bedrijven is
klein (minder dan 50 werknemers); slechts 5% bestaat uit grootbedrijven
met meer dan 500 werknemers. Meer dan de helft van alle werknemers werkt
in deze grootbedrijven; ook leveren deze ruim de helft van de totale
industriële productie. Het grootbedrijf overheerst in de steenkool-,
staal-, aardolie-, chemische en automobielindustrie. De belangrijkste
primaire bedrijfstak is de chemische industrie (Hoechst, BASF en Bayer)
met een half miljoen werknemers. Van groot belang zijn voorts de
machine- en apparatenfabricage en de productie van transportmiddelen.
Na de Verenigde Staten en Japan is West-Duitsland de derde producent van
personenauto's. De elektrotechnische industrie en de productie van
bureaumachines en computers staan op een hoog peil. In deze bedrijfstak
werken meer dan een miljoen mensen. Van de verbruiksgoederenindustrie
zijn vooral de textiel en bekleding van belang. West-Duitsland is
West-Europa's grootste producent van o.a. ruw ijzer en ruw staal,
walserijproducten en van katoenen garens en weefsels. Het Ruhrgebied,
waar de zware industrie domineert, is al vele decennia lang het
zwaartepunt van de West-Duitse economie.
Nog voor de hereniging van de beide Duitslanden waren reeds diverse
samenwerkingsverbanden tussen de West- en Oost-Duitse industrie tot
stand gekomen. In maart 1990 werd de Treuhandanstalt, de organisatie die
de privatisering van de Oost-Duitse staatsbedrijven zou coördineren,
opgericht.
Oost-Duitsland. Eisenhüttenstadt is de belangrijkste zetel van de zware
industrie. Het ligt aan de Oder, waardoor veel van de ruwe grondstof
over water kan worden aangevoerd (cokes uit Pools Silezië en ijzererts
uit Oekraine) en het gietijzer kan worden afgevoerd (naar de
staalfabrieken van Hennigsdorf en Brandenburg en de metaalindustrie van
o.a. Magdeburg, Berlijn en Leipzig). Een ander centrum van
gietijzerproductie is Calbe aan de Saale, waar de ijzerertsen (met een
laag gehalte) van het Harzgebergte en cokes van bruinkool worden
verwerkt. In weerwil van de bereikte resultaten blijft het grote manco
dat de metaalverwerkende industrieën geen eigen grondstoffenbasis
hebben, waardoor zij in een kwetsbare positie verkeren. Machinebouw,
metaalindustrie, chemische industrie en textielnijverheid zijn de
belangrijkste bedrijfstakken. De geografische spreiding van de industrie
is in grote lijnen als volgt: machinebouw en metaalindustrie
voornamelijk in Saksen en Thüringen (Chemnitz, Magdeburg, Leipzig,
Weimar, Dresden); automobielindustrie in Eisenach, Zwickau en
Brandenburg; scheepsbouw in Rostock; lichte metaalindustrie in Thüringen;
optische industrie in Jena en Dresden; elektrotechnische industrie in
Leipzig, Erfurt en Dresden; chemische industrie vooral in het gebied van
Leuna-Schkopau-Bitterfeld, in Berlijn en Dresden; textielindustrie in
het gebied (Chemnitz)-Zwickau-Plauen; rubberindustrie te Gotha, Leipzig
en Riesa; voedings- en genotmiddelenindustrie in Thüringen (vleeswaren)
en Saksen-Anhalt (conserven).
4.5 Handel
De gezamenlijke waarde van in- en uitvoer steeg van 19, 7 miljard DM in
1950 tot meer dan 1370 miljard DM in 1994, daarmede de tweede plaats
bereikend in de wereldhandel, na de Verenigde Staten. De handelsbalans
vertoont een aanzienlijk overschot; tot 1991 was het zelfs groter dan
dat van Japan (134,7 miljard in 1989; sinds de hereniging teruggevallen
op 22 miljard in 1991, opgeklommen naar 112 miljard in 1995). De
dienstenbalans vertoont daarentegen een groot negatief saldo, vooral
door het Duitse toerisme in het buitenland en de export van DM door
buitenlandse werknemers. Geëxporteerd worden vooral machines, auto's,
elektrotechnische en chemische producten. Bij de invoer spelen vooral
voedings- en genotmiddelen, aardolie en aardgas een rol. Binnen de
Europese Gemeenschappen is de handel sterk toegenomen. In 1986 kwam 52%
van de totale invoer uit de EG-staten, terwijl 51% van de uitvoer
daarheen ging. De grootste handelspartners zijn Nederland en Frankrijk.
De Oost-Europese landen spelen een bescheiden rol zowel in de in- als in
de export.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking
Duitsland verleent bilaterale en multilaterale hulp. Tot de laatste vorm
behoort de deelname aan werk van de Verenigde Naties, de Wereldbank en
het Ontwikkelingsfonds van de EG. Naast de regeringshulp bestaan
allerlei particuliere organisaties, zoals kerken, vakbonden en
stichtingen, die ontwikkelingshulp bedrijven.
4.7 Bankwezen en beurzen
Als centrale bank fungeert de Deutsche Bundesbank (1957) in Frankfurt am
Main, een der belangrijkste financiële centra ter wereld. Andere
belangrijke banken zijn de Deutsche Bank, de Dresdner Bank, de
Commerzbank, de Westdeutsche Landesbank en de Bayerische Vereinsbank.
Beroemd sinds eeuwen zijn de jaarbeurzen (Messen) van Frankfurt en
Leipzig. Later kwamen er vele bij, o.a. in Berlijn, Düsseldorf, Hamburg,
Hannover, Keulen en München.
4.8 Verkeer
De grootste transportonderneming is het staatsbedrijf Deutsche
Bundesbahn. In 1993 beschikte Duitsland over 44!252 km rail. Het
vrachtautovervoer verzorgt echter 80% van alle goederentransport. Het
wegennet meet (1994) ruim 227!200 km, waarvan ruim 11!080 km Autobahn.
Het aantal voertuigen is van 1,9 miljoen (1950) gestegen tot 46 miljoen
(1994), waarvan 39,8 miljoen personenauto's. Slechts 20% van het
personenverkeer geschiedt met openbaar vervoer. De zeescheepvaart, met
als belangrijkste havens Hamburg, Bremen, Bremerhaven, Lübeck en Kiel,
is van groot belang; voorts Rostock, Wismar en Stralsund. De binnenvaart
op rivieren en kanalen (1993: 7467 km bevaarbaar) is zeer druk; ruim 60%
van de binnenvaart geschiedt over de Rijn, het drukstbevaarde
binnenwater in Europa. De belangrijkste havens zijn hier Duisburg,
Keulen, Mannheim, Karlsruhe en Ludwigshafen. De luchtvaart wordt
verzorgd door de Deutsche Lufthansa A.G. (opgericht in 1953) te Keulen.
De belangrijkste luchthaven is Frankfurt am Main, gevolgd door
Düsseldorf, Hamburg, München, Hannover, Stuttgart, Keulen, Neurenberg en
Bremen; er zijn drie luchthavens te Berlijn, Tegel in het westen,
Schönefeld in het oosten en Tempelhof in het zuiden van de stad.
5. Prehistorie
Hoewel enkele van Europa's oudste menselijke skeletresten (de onderkaak
van Mauer en de schedel van Steinheim) van Duitse bodem stammen, zijn
artefacten uit de periode vóór de Riss/Saale-ijstijd zeer schaars. Het
laat- Acheuléen is beter vertegenwoordigd met als bekendste de
vondstgroep van Salzgitter-Lebenstedt en de houten speer in het skelet
van een Elephas antiquus uit Lehringen. Uit de tijd van de
Neandertalmens (75!000 - 37!000 v.C.) stammen vuursteencomplexen van
verschillende cultuurgroepen: Altmühl, Micoquien en Moustérien, zowel
uit cultuurlagen in grotten als uit openluchtkampplaatsen. Dit laatste
geldt ook voor het laat-paleolithicum, met achtereenvolgens het
Aurignacien (met zes kleine dierfiguren van mammoetivoor uit de
Vogelherdgrot), het Gravettien en het Magdalénien. Uit het einde van de
laatstgenoemde cultuurperiode stammen de unieke kampplaatsen van
Gönnersdorf bij Koblenz, onderzocht in de jaren 1968-1974, waar talrijke
leisteenplaten met ingekraste figuren van dieren en mensen werden
gevonden. Uit dezelfde periode stamt de oudste bewoning van de
Noord-Duitse laagvlakte, de rendierjagers van de Hamburgcultuur.
Het verschil in materiële cultuur tussen Midden- en Zuid-Duitsland
enerzijds en het noorden (dat aansluit bij de Scandinavische en
Baltische prehistorie) anderzijds is een opvallend contrast in vrijwel
de gehele prehistorie.
In het midden en zuiden wordt het mesolithische Tardenoisien (8200-5300
v.C.) afgesloten met de introductie van de agrarische levenswijze van de
bandkeramische cultuur, het vroegste neolithicum. Deze valt vervolgens
uiteen in verschillende culturen. De belangrijkste opeenvolging is:
bandkeramiek (5300-4800), Rössen-cultuur (4800-4400), Michelsbergcultuur
(4400-3600). Vooral door grootscheepse opgravingen in het
bruinkoolwinningsgebied van de Aldenhovener Platte ten oosten van Aken,
sedert 1970, is onze kennis van het vroege neolithicum aanzienlijk
vergroot.
In het noorden wordt het mesolithicum gekenmerkt door niet geslepen
vuurstenen bijlen. Contacten met het zuiden leiden, ca. 4500 v.C., tot
het ontstaan van de half-neolithische Ertebøllecultuur, omstreeks 3800
v.C., opgevolgd door de trechterbekercultuur.
Sedert 3100 v.C. tot aan het begin van de bronstijd vindt men in geheel
Duitsland sporen van de verschillende bekerculturen.
Er zijn drie centra van vroege bronsindustrie: één in Baden-Württemberg
en Zuid-Beieren (Singen), één in het oosten (ÚnÉtice-cultuur), beide
sedert ca. 2100 v.C. Een derde cultuurgebied sluit in het noorden aan
bij de Scandinavische bronstijd, sedert ca. 1500 v.C. De vroege en
midden-bronstijd worden gekenmerkt door begraving onder grafheuvels, de
mannen met wapenrusting. Enkele zeer rijke 'vorstengraven' laten voor
het eerst een sociaal gelaagde maatschappij zien. Sedert ca. 1200 v.C.
verandert de grafgewoonte en vinden urnenvelden ingang.
De ijzertijd (sedert 750 v.C.) wordt verdeeld in de Hallstatt-cultuur en
de La Tène-cultuur, beide met beroemde, zeer rijke vorstengraven en
vorstenburchten, zoals de Heuneburg. In de La Tène-tijd treedt de eerste
aanzet tot het vormen van steden op, de oppida, zoals die te Manching.
Buiten het gebied van de Romeinse bezetting zet de ijzertijd zich voort
tot aan de volksverhuizingstijd (ca. 375 n.C.). Romeinse import in dit
gebied wijst op uitgebreide handelsbetrekkingen.
6. Geschiedenis
6.1
Duitsland tot 843
De onder de naam Duitsland samengevatte gebieden werden bij het begin
van onze jaartelling bewoond door Germaanse volken (vandaar de Romeinse
naam Germania) en door Slavische ten oosten daarvan. Zij vormden geen
staten, maar soms sloten enige volken zich onder een koning tijdelijk
aaneen. Met het Romeinse Rijk kwamen zij in aanraking in de tijd van
Julius Caesar, die in het zuiden en westen van de Rijn enkele
Germaanse volken onderwierp (zie ook Germanen). Nadat tijdens Augustus
de Elbe de grens van het Romeinse Rijk was geweest, werd na de Slag in
het Teutoburgerwoud (9 n.C.), waar de Germaanse vorst Hermann de
legioenen versloeg, en na de tochten van Germanicus de Rijn de grens van
het rijk en in het zuiden de Donau.
Deze grens werd tussen de 2de en 4de eeuw n.C. herhaaldelijk door
Germaanse legers overschreden, terwijl zich grotere volksverbonden ten
oosten van de Rijn vormden (zie Franken, Goten), en de Slaven in het
oosten meer en meer opdrongen. Na de grote Volksverhuizing hadden dezen
het gebied ten oosten van de Elbe geheel in hun macht, terwijl in het
westen een Frankisch, een Alamannisch en in het zuiden een Ostrogotisch
en een Bourgondisch rijk zich vormden. Het Frankische Rijk breidde zich
nu zo uit, dat onder Karel de Grote geheel Duitsland ten westen van de
Elbe en langs de Donau tot het tegenwoordige Hongarije ertoe behoorde;
enkele Slavische stammen ten oosten hiervan waren schatplichtig.
6.2 Het Duitse Rijk in de middeleeuwen
Het ontstaan van het Duitse Rijk gaat terug op het Verdrag van Verdun
(10 aug. 843) en het Verdrag van Meerssen (8 aug. 870). Te Verdun werd
het Frankische Rijk verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome:
Lotharius, de oudste, verkreeg, behalve de keizerskroon en de twee
hoofdsteden Rome en Aken, Italië, de Provence en een lange strook van
Bourgondië over Lotharingen en Brabant naar Friesland; Karel de Kale
kreeg het westen (het oude Gallië); Lodewijk de Duitser het oosten met
Speyer, Mainz en Worms op de linkeroever van de Rijn. Bij de dood van
Lotharius (855) werd zijn rijk verdeeld onder zijn drie zonen: Lodewijk
II kreeg Italië met de keizerskroon; Karel ontving het zuidelijk deel
van de zich van de Middellandse Zee tot de Noordzee uitstrekkende
middenzone en Lotharius II het noordelijk deel daarvan.
De grens tussen beide delen werd gevormd door het Plateau van Langres.
Dit noordelijk deel kreeg de naam van zijn heerser: Lotharingen (Regnum
Lotharii). Na Lotharius' dood werd zijn rijk verdeeld tussen Karel de
Kale en Lodewijk de Duitser (Verdrag van Meerssen, 870). De grens tussen
het Franse en het Duitse Rijk kwam hierbij ongeveer samen te vallen met
de loop van Saône en Maas. In 880 kwam Lotharingen geheel aan Lodewijk
III, zoon en opvolger van Lodewijk de Duitser. De Schelde werd toen
grensstroom; vele eeuwen bleef dit zo.
Wegens de strijd tussen de Karolingische troonpretendenten en door de
groeiende macht van de stamhertogen had het keizerlijk gezag weinig te
betekenen. Na Lodewijk het Kind (900-911), de laatste Duitse
Karolingische koning, schonken de rijksgroten de kroon aan de hertog van
Frankenland, Koenraad I (911-918). Met diens opvolger Hendrik I
(919-936) begint de grote tijd van het Duitse Rijk (919-1250).
Achtereenvolgens behoorden de koningen tot het Saksische Huis
(919-1024), het Salische Huis (1024-1125) en het Huis der Hohenstaufen
(1138-1254). De meeste van hen waren behalve Duits koning ook keizer. De
politiek van de Duitse koningen was drievoudig: a. de strijd tot
herstel, behoud of uitbreiding van de centrale keizerlijke macht tegen
het streven naar onafhankelijkheid van de rijksgroten; b. de strijd tot
behoud of uitbreiding van het rijksgebied in het oosten over de Elbe; c.
bovenal de strijd om Italië, met daaraan vastgeknoopt de strijd tegen de
pausen om de heerschappij over de kerk, met als hoogtepunt: de
Investituurstrijd. De grootste keizers waren Otto I de Grote (936-973),
die in 962 als eerste niet-Karolingische Duitse koning de keizerskroon
verwierf, Koenraad II (1024-1039), Hendrik III (1039-1056), Hendrik IV
(1056-1106), Hendrik V (1106-1125), Frederik I (1152-1190), Hendrik VI
(1190-1197) en Frederik II (1212-1250).
Otto I slaagde erin zijn gezag te vestigen en uit te breiden, zowel ten
aanzien van wereldlijke rijksvorsten als van pausen en bisschoppen.
Sedertdien werd het gewoonte te spreken van het Duitse Rijk of het
Heilige Roomse Rijk (der Duitse Natie). Tijdens de regeringen van
Hendrik IV en zijn opvolgers woedde de Investituurstrijd. Deze eindigde
met het Concordaat van Worms (1122), waarbij de keuze van de bisschoppen
aan de geestelijkheid werd overgedragen. Onder Frederik I beleefde de
koninklijke macht een hoogtepunt.
In 1254 (dood van Koenraad IV) brak een tijd van anarchie aan, het
Interregnum. In okt. 1273 kozen de keurvorsten Rudolf van Habsburg
(1273-1291) tot koning. Gedurende ongeveer anderhalve eeuw was de keizer
de speelbal van de keurvorsten. Duitsland werd een federatie, bestaande
uit grote vorstendommen, honderden heerlijkheden en een aantal vrije
steden. Het keizerlijk gezag werd slechts dan erkend, wanneer de keizer
een grote persoonlijke macht bezat. Met Albrecht II (1438-1439) kwam de
Duitse kroon definitief aan de Habsburgers. Zijn eerste opvolgers waren
Frederik III, Maximiliaan I (sedert wie de Duitse koningen automatisch
de keizerstitel voerden) en Karel V.
6.3 Het Duitse Rijk onder de Habsburgers
Onder het bewind van Maximiliaan I (1493-1519) werden in het Heilige
Roomse Rijk, eigenlijk voor het laatst, interne hervormingen van enig
belang doorgevoerd, met name de Eeuwige landvrede, de oprichting van het
Reichskammergericht, de indeling in tien Kreitsen en de instelling van
de Reichsmatrikelordnung. Dit alles was echter ontoereikend om de reeds
vérgevorderde staatkundige desintegratie van het Rijk zelfs maar tot
stilstand te brengen. Het uitgeholde keizerschap kon slechts in
verbinding met de imposante Habsburgse 'Hausmacht' (dwz. de macht die de
dynastie kon ontlenen aan haar territoriale bezittingen) in de
rijkspolitiek nog invloed laten gelden, terwijl de Rijksdag, die in zijn
drie collegiën de rijksstanden, te weten de keurvorsten, vorsten en
vrije steden, verenigde, al om structurele redenen niet geschikt was om
een werkelijk middelpunt van de politieke bedrijvigheid te worden. De
blijvende tegenstelling tussen de keizer en het rijksapparaat enerzijds
en het ongebreidelde particularisme der rijksstanden, in het bijzonder
der territoriale vorsten, anderzijds (in totaal waren er meer dan 2500
staatjes) werden in het tijdperk der Reformatie in aanzienlijke mate
verscherpt. In de streken die protestants werden, wisten de betrokken
vorsten en stadsbesturen door de secularisering van de kerkelijke
goederen en door de vestiging van een eigen kerkelijke organisatie, het
Landeskirchentum, hun machtspositie te versterken. Doordat ettelijke
geestelijke vorstendommen in wereldlijke omgezet werden, zag de keizer
daarentegen zijn invloed vooral in het noordoosten van het Rijk ernstig
achteruitgaan. De godsdienstige verdeeldheid, door de Vrede van Augsburg
(1555) bezegeld, werd door de beide partijen als ondraaglijk
ondervonden; de pogingen, vooral van rooms-katholieke zijde, om het
precaire evenwicht alsnog ten eigen gunste te doen omslaan, leidden ten
slotte tot de Dertigjarige Oorlog. De Habsburgers, die in en buiten
Duitsland als aanvoerders van het katholieke kamp optraden, hoopten
daarbij ook het keizerschap een nieuwe inhoud te geven. Op het
hoogtepunt van de katholieke successen kondigde Ferdinand II in 1629 het
Restitutie-edict af, dat indirect ook zijn keizerlijk gezag moest
schragen. Toen bleek evenwel dat zelfs de Duitse bondgenoten van het
Habsburgse Huis de onbeperkte handhaving van de liberteit der
rijksstanden boven het belang van de katholieke zaak stelden, zodat het
hele streven op niets uitliep. In de latere fase van de Dertigjarige
Oorlog, toen reeds duidelijk was dat op Duitse bodem in feite Europese
machtsconflicten werden uitgevochten, vond weliswaar een toenadering
plaats tussen de keizer en de overige Duitse vorsten, doch het was al te
laat om de noodlottige ontwikkeling te bezweren. De Vrede van Westfalen
(1648), die de godsdienstige verhoudingen in het Heilige Roomse Rijk
definitief geregeld heeft en zodoende aan het langdurige conflict een
eind heeft gemaakt, is in andere opzichten voor de Duitse natie bepaald
funest geweest. Het Rijk, dat gedurende die oorlog de zwaarste
beproevingen had moeten doorstaan, boette thans voor zijn machteloosheid
met het verlies van uitgestrekte gebieden, met name in het westen, en
ondervond, wat zijn staatkundige structuur betrof, een verdere
verzwakking. Van het keizerschap bleef nauwelijks meer over dan een lege
titel, en de afzonderlijke Duitse staten die het Ius foederationis
hadden verworven, mochten voortaan nagenoeg zonder beperkingen een eigen
buitenlands beleid voeren.
Met de opkomst van Brandenburg-Pruisen werd in de rijkspolitiek het
tijdperk van het Oostenrijks-Pruisische dualisme ingeluid, dat men
zonder meer als de laatste fase van het staatkundig verval van het
Heilige Roomse Rijk kan beschouwen. Immers, beide mogendheden, aan de
oostelijke periferie van het Duitse grondgebied gelegen en grotendeels,
als staten met een eigen karakter, de Duitse verhoudingen ontgroeid,
beschouwden de rest van het Rijk als speelruimte voor hun niets
ontziende belangenpolitiek, daarin gevolgd door kleinere landen als
Saksen, Beieren en Hannover. Voor de ontbinding van het Heilige Roomse
Rijk was het feit typerend, dat men in de volksmond ten slotte nog maar
de versnipperde gebieden aan de Midden-Rijn het Rijk noemde.
6.4 De Franse overheersing
De periode van revolutionaire en Napoleontische oorlogen (1792-1815) was
voor Duitsland een tijd van zware beproevingen en diepgaande
veranderingen, vooral op politiek gebied. Nog voor de 18de eeuw om was,
lijfde het zegevierende Frankrijk al het land aan de linker Rijnoever
in. Om de Duitse vorsten die hierdoor hun bezittingen verloren hadden,
schadeloos te stellen, werden door de beschikking van de
Reichsdeputationshauptschluss (1803) de geestelijke vorstendommen en de
meeste dwergstaatjes onder de gegadigden verdeeld, waarbij de door
Frankrijk begunstigde Zuid-Duitse landen Beieren, Württemberg en Baden
en ook het neutrale Pruisen het leeuwendeel van de buit wisten in te
palmen. Napoleon zag toen en later de kans schoon de Franse invloed in
Duitsland stelselmatig te versterken. Toen in 1806 zestien Duitse
vorsten onder leiding van de vorst-aartsbisschop van Mainz, von Dalberg,
de Rijnbond stichtten, betekende dat de ondergang van het Heilige Roomse
Rijk. Zijn laatste keizer, Frans II (1792-1806), die sinds 11 aug. 1804
de titel van keizer van Oostenrijk voerde, legde op 6 aug. 1806 onder
Franse druk zijn oude waardigheid neer.
Kort daarop geraakte Pruisen, dat tot dan toe geheel Noord-Duitsland
buiten de oorlog had gehouden, in een gewapend conflict met Frankrijk,
dat voor de eerstgenoemde mogendheid een rampspoedig verloop had. Alleen
op voorspraak van de Russische tsaar liet men in het vredesverdrag van
Tilsit (1807) een gehalveerd Pruisen voortbestaan, dat evenwel door
loodzware materiële lasten, die het bij die gelegenheid opgelegd kreeg,
aan Frankrijk werd gekluisterd. De door Pruisen afgestane gebieden in
Duitsland werden deels onder de Rijnbondsstaten verdeeld, deels als
koninkrijk Westfalen aan Napoleons jongste broer Jerôme overgedragen. In
1810 werd, tegelijkertijd met de annexatie van Holland, een brede
kuststrook in Noordwest-Duitsland, met de havensteden Bremen, Hamburg en
Lübeck, door Frankrijk ingelijfd. Op Pruisen en Oostenrijk na waren
intussen alle nog bestaande Duitse staten leden van de Rijnbond
geworden, die onder het beschermheerschap van Napoleon stond en een
instrument van Franse politiek was.
De omstandigheid dat het grootste deel van de Duitse natie rechtstreeks
of indirect onder Franse heerschappij was geraakt, wekte er om
verscheidene redenen ontevredenheid, doch een nationaal bewust verzet
kwam nochtans maar zelden voor. Alleen in het vernederde Pruisen werden
de ontwikkelde kringen dragers van een anti-Franse oppositie, die deels
een romantisch-nationaal, deels een behoudend-Pruisisch karakter had. De
bevrijdingsoorlog van 1813-1815 bleef in Duitsland daarom in de eerste
plaats een diplomatieke en militaire aangelegenheid, terwijl slechts een
deel van het publiek nationale geestdrift aan de dag legde.
6.5 De strijd om de Duitse eenheid
Het was pas de teleurstelling over de wijze waarop de Duitse
verhoudingen op het Congres van Wenen werden geregeld, die in het volk,
en dan alweer in de ontwikkelde kringen, de opkomst van moderne
nationale gezindheid aanwakkerde. Ondanks grote territoriale
verschuivingen bleef Duitsland namelijk verdeeld in liefst 39 staten van
uiteenlopende grootte en betekenis, waarvan het grondgebied meestal
verbrokkeld was en grillige vormen vertoonde. Te zamen vormden deze
staten de Duitse Bond. Pruisen, dat in tegenstelling tot het
multinationale Oostenrijk een overwegend Duitse bevolking had, moest in
de Duitse politiek na 1815 met een tweede plaats genoegen nemen, o.a.
omdat de Berlijnse bewindslieden te veel aan de leiband van Metternich
liepen, die de koers van de Duitse Bond bepaalde.
Als tegenstander van alle nationale en liberale strevingen trachtte hij
de ontwikkeling naar het constitutionalisme ten minste af te remmen en
in de Duitse staten die reeds een grondwet hadden, de vestiging van een
werkelijk liberaal bewind te beletten. In toenemende mate werd door de
Bond ingegrepen tegen vooruitstrevende richtingen en groeperingen,
waarvan de aanhang ondanks alle persecutie groeiende was. Pruisen, dat
in politiek opzicht Oostenrijk volgde, werd op economisch terrein reeds
uit eigenbelang voorvechter van een hechtere eenheid; de Zollverein die
het in het leven geroepen had, omvatte sinds 1834 de meeste Duitse
staten.
De Maartrevolutie van 1848 deed in Duitsland het nationale
eenheidsstreven en het politieke radicalisme in een machtige stroom
samenvloeien. Te Frankfurt a.M., in de Paulskirche, kwam een gekozen
nationale vergadering bijeen, die tot taak had het toekomstige Duitse
Rijk een vrijzinnige grondwet te geven, terwijl een provisorisch
Rijksbewind onder leiding van aartshertog Johan als 'Reichsverweser'
ingesteld werd. Weldra bleek echter, dat de territoriale verdeeldheid,
diepgaande politieke meningsverschillen en een algemeen gebrek aan
werkelijkheidszin de vernieuwers in een impasse brachten.
Toen de grondwet begin 1849 eindelijk gereedkwam, die de Duitse landen
met uitzondering van Oostenrijk in een erfelijk keizerrijk onder
Pruisische leiding verenigde, was de reactie reeds overal aan de
winnende hand. De weigering van de Pruisische koning de aangeboden
keizerlijke waardigheid te aanvaarden, bezegelde de nederlaag van het
liberale nationalisme. Nadat een Pruisische poging een Duitse Unie op te
richten door Oostenrijk en Rusland verijdeld was, werd in 1850 te Olmütz
de Duitse Bond in zijn oude vorm hersteld.
De spanningen bleven uiteraard voortduren. Terwijl Oostenrijk na de
Krimoorlog en de nederlaag in Italië (1859) in de Duitse politiek veel
van zijn gezag en invloed verloor, trad het economisch en militair
steeds belangrijker Pruisen onophoudelijk op de voorgrond. Sinds 1862,
toen Bismarck te Berlijn aan het bewind was gekomen, nam de crisis
binnen de Duitse Bond acute vormen aan. De conservatieve Pruis, die in
zijn eigen land met de liberalen overhoop lag, zag er niet tegenop om
met behulp van liberale en radicale nationalisten in andere Duitse
landen de Oostenrijkse hegemonie te gaan bestrijden. Door koene
diplomatieke manoeuvres zorgde hij ervoor dat het conflict in 1866 in
een Duitse broederoorlog uitmondde, waarin Oostenrijk en zijn
bondgenoten een verpletterende nederlaag leden.
De Duitse Bond viel uiteen en bij de Vrede van Praag werd Oostenrijk als
machtsfactor voorgoed uit de Duitse politiek verdrongen. Pruisen, door
de inlijving van uitgestrekte gebieden versterkt, vormde met de Duitse
staten ten noorden van de Main de zgn. Noord-Duitse Bond, die qua
structuur veel hechter was dan zijn voorganger en met name een
democratisch gekozen volksvertegenwoordiging kreeg. Met de Zuid-Duitse
staten, die formeel onafhankelijk werden, sloot de Noord-Duitse Bond
alliantieverdragen, die de reeds uit hoofde van de Zollverein bestaande
economische banden completeerden.
Het streven van Oostenrijk en Frankrijk het Zuid-Duitse particularisme
tegen de Pruisische hegemonie uit te spelen, was dus van meet af aan tot
mislukking gedoemd. De Noord-Duitse Bond werd een tussenstadium op de
weg naar de nationale eenwording, die evenwel een ander karakter zou
krijgen dan de 48-ers zich destijds hadden voorgesteld. De door de
Noord-Duitse Bond en de Zuid-Duitse staten gezamenlijk gevoerde oorlog
tegen Frankrijk (zie Frans-Duitse Oorlog) bracht ten slotte in 1871 de
eenheid tot stand.
6.6 Het rijk der Hohenzollern
De stichting van het Duitse keizerrijk te Versailles op 18 jan. 1871
door
Bismarck, waarbij de Pruisische koning Wilhelm I Duits keizer werd,
betekende de verwezenlijking van de Duitse nationale verlangens sedert
de romantiek. Echter niet in alle opzichten, want door uitsluiting van
het Habsburgse rijk was de Groot-Duitse eenheid van de baan. Bovendien
was het nieuwe rijk niet een liberale constitutionele monarchie, door de
natie zelf gesticht (zoals men in 1848 had gewild), maar een vorstenbond
onder Pruisische leiding. Bismarck had zodoende op het nieuwe rijk het
stempel van zijn conservatieve conceptie gedrukt; de kroon en de oude
feodale bovenlaag bleven de dienst uitmaken en de invloed van de
burgerij was in wezen beperkt. Dat conservatieve antiliberalistische
karakter van de nieuwe staat bleek minder uit de constitutie als zodanig
dan uit de mentaliteit en het hele normenstelsel dat zich nu
ontwikkelde, waarbij adel en leger in velerlei opzichten het voorbeeld
stelden. Eveneens bracht de nieuwe staat geen volledige oplossing van
het centralisatievraagstuk.
De afzonderlijke staten bleven met hun vorsten en regeringen bestaan en
behielden op cultureel en administratief gebied nog zeer veel
zeggenschap, met name Beieren, welks zelfbewustzijn en traditie speciaal
moesten worden ontzien. Doordat het ambt van rijkskanselier meestal
samenviel met dat van Pruisisch minister-president (en steeds met dat
van Pruisisch minister van Buitenlandse Zaken), ontstond er bovendien
nog een zeer ingewikkelde twee-eenheidsverhouding: Rijk - Pruisen, die
niet identiek maar toch zeer nauw gelieerd waren. Het buitenlandse
beleid en de hoofdlijnen der binnenlandse politiek werden bepaald door
de rijksregering, waarbij Bismarck voor de steun van een meerderheid in
de Rijksdag wist te zorgen door op ingenieuze wijze de partijen tegen
elkaar uit te spelen.
Allereerst verbond hij zich vooral met de liberalen, die hij voor zich
gewonnen had door zijn succesvolle eenheidspolitiek. Met hun steun
trachtte hij na 1871 de culturele invloed van het internationaal
georiënteerde katholicisme in Duitsland te breken om een onbetwiste
staatshegemonie in culturele en religieuze zaken te vestigen. Deze
Kulturkampf werd na tal van antikerkelijke maatregelen ca. 1878
beëindigd, toen de gematigde Leo XIII paus werd en Bismarck de
katholieke centrumpartij weer nodig had.
Inmiddels had Duitsland zich in snel tempo van een agrarisch land tot
een industriële maatschappij ontplooid. Industrie en nijverheid vroegen
om bescherming en zo maakte Bismarck een zwenking naar een
protectionistische koers, die hem met de liberalen en hun
vrijhandelsbeginselen in conflict bracht. Hij steunde na 1879 daarom op
het centrum en de agrarische conservatieven. Daarnaast opende hij een
steeds fellere strijd tegen het opkomende socialisme, vooral na de
Socialistenwet van 1878. Door sociale verzekeringen trachtte hij het aan
de andere kant de wind uit de zeilen te nemen. Toen in 1888 de jonge
Wilhelm II de kroon aanvaardde, leidde diens drang tot grote daden al
snel tot spanningen met de almachtige kanselier. Diens
onverzettelijkheid ten aanzien van de socialisten en het sociale
vraagstuk had in 1890 zijn ontslag tot gevolg.
Het buitenlandse beleid van Bismarck na 1871 was gekenmerkt door zijn
these, dat Duitsland 'saturiert' was en dat de vrede gehandhaafd moest
blijven. Door een uiterst gecompliceerd systeem van allianties (Triple
Alliantie, Duple Alliantie, Driekeizerentente) trachtte hij de
doodsvijand Frankrijk te isoleren. Op het Congres van Berlijn (1878) kon
een dreigend conflict in de Balkan worden voorkomen. De tegenstanders
Rusland en Oostenrijk wist hij beide aan Duitsland te binden. Toch bleek
na Bismarcks ontslag, dat de Duitse positie allerminst onschokbaar was.
Het Frans-Russische bondgenootschap (1892) en de Engels-Franse Entente
(1904) waren tekenen aan de wand. De Duitse regeringen na 1890 gaven
herhaaldelijk blijk van een verkeerde taxatie der internationale
verhoudingen en vooral van een bedenkelijke zelfoverschatting. De enorme
economische opbloei en de industrialisatie hadden het land namelijk ca.
1900 een belangrijke positie op de wereldmarkt verschaft, slechts door
Groot-Brittannië en de Verenigde Staten overtroffen. De industriële
productie verdrievoudigde tussen 1890 en 1914.
Daarmee kwam ook een imperialistisch streven in de politiek op, dat door
brede lagen in de burgerij werd gedragen. De vlootbouw onder leiding van
Alfred von Tirpitz was hiervan slechts het meest in het oog lopende
symptoom, dat tot een breuk met Engeland leidde. In Afrika en Oceanië
werd het reeds onder Bismarck ontstane koloniale rijk uitgebreid; in
China deed het rijk mee aan de belangenverdeling; door de Bagdadspoorweg
trachtte het economisch vat te krijgen op het Nabije Oosten. Dit
imperialisme en de uitdagende houding bij tal van internationale
spanningen in de jaren na 1900 dreven het rijk in een isolement, waarbij
het alleen nog gesteund werd door de innerlijk gedesintegreerde
Habsburgse monarchie.
Toen in de zomer van 1914 het kruitvat in de Balkan explodeerde, zag
Duitsland zich dan ook met Oostenrijk geplaatst tegenover een
Brits-Frans-Russische alliantie. Het ondervond slechts steun van Turkije
en later van Bulgarije. Wel bleek nu de grote militaire kracht van het
rijk (zie Eerste Wereldoorlog). De legerleiding slaagde erin door fel
offensief optreden de oorlog buiten het land te houden. Diep in
Frankrijk en in Polen vond de moordende strijd plaats. Hoewel een
democratisering en een echte politieke integratie van burgerij en
arbeiders in het keizerrijk met zijn semi-feodale structuur nooit hadden
plaatsgevonden, bleek er aanvankelijk een grote nationalistische
eensgezindheid en zelfs de socialisten steunden de oorlogskredieten.
De oorlog vergde echter steeds grotere offers, de bondgenoten bleken een
blok aan het been en de tegenstanders groeiden aan tot ca. dertig
staten, zodat de verwachte snelle overwinning voortdurend uitbleef.
Daarmee kwam weer de vraag op naar constitutionele hervormingen, die een
einde zouden maken aan de positie van de oude elite. Wel kon in 1918,
ook dankzij de Russische revolutie, Rusland tot de vrede worden
gedwongen, maar in de herfst van 1918 - de Verenigde Staten,
geprovoceerd, door de onbeperkte onderzeebootoorlog, hadden zich
inmiddels ook bij de Entente gevoegd - was de toestand aan het westfront
uitzichtloos geworden. Weldra volgde de volledige ineenstorting. Een
omwenteling maakte snel een einde aan de monarchie en de Republiek werd
geproclameerd (9 nov. 1918).
6.7 De Weimar-republiek
Deze nieuwe republiek, waarin socialisten, democraten en het katholieke
centrum de sterkste partijen vormden, zag zich allereerst voor de zware
taak gesteld de wapenstilstand en vervolgens de vrede met de
overwinnaars te sluiten. Bij de Vrede van Versailles (28 juni 1919)
werden Elzas-Lotharingen en andere grensgebieden, benevens alle
koloniën, afgestaan. Vooral de nieuwe oostgrens, waarbij Oost-Pruisen
door de Poolse corridor van de rest van het rijk werd gescheiden, werd
door vele Duitsers als ondraaglijk gevoeld. Het leger moest tot 100.000
man worden gereduceerd. De vloot mocht maximaal zes slagschepen van
10!000 ton, zes kruisers van 6000 ton en 24 torpedobootjagers hebben.
Een nader uit te werken regeling voorzag in zeer hoge herstelbetalingen.
Te Weimar was inmiddels een democratische constitutie uitgewerkt, die
echter aan de president nog vrij grote invloed toekende. Eerste
rijkspresident werd de socialist Friedrich Ebert.
De eerste jaren vertoonden een beeld van economische ellende en
politieke chaos. De communistische Spartakusopstand (zie Spartakusbund)
werd onderdrukt en aan de half-revolutionaire raden kwam eveneens een
eind. De regering zag in de verwarring haar voornaamste taak in het
handhaven van de orde, waarvoor zij de steun van de oude legerkringen
nodig meende te hebben. Daarmee verkregen de conservatief-monarchale
elementen al dadelijk weer een zekere invloed en de (overdreven) angst
voor de bolsjevistische revolutie versterkte de invloed van de rechtse
partijen al snel. Het jaar 1923 bracht een dieptepunt door de Franse
Ruhrbezetting en de inflatie, die catastrofale gevolgen had en de hele
economie ontwrichtte. Rechts-radicaal separatisme in Beieren,
communistische woelingen in Thüringen en Saksen bedreigden de eenheid.
In de komende jaren volgden echter een normalisering en verbetering van
de toestanden. Ook internationaal kwam er ontspanning, o.a. door het
Pact van Locarno (1925), geestesproduct van Stresemann en Briand,
waarbij de verhouding tot de Entente verbeterd werd. Toch bleven de
rechtse partijen, die door brede kringen werden gesteund, vreemd staan
tegenover de democratie. De wereldcrisis van 1929 trof het land
bijzonder zwaar. De werkloosheid ging met sprongen omhoog en bereikte in
1932 de 6 miljoen. Daarmee groeide het radicalisme van links, maar
vooral van rechts aan tot een levensgroot gevaar voor de republiek. Dat
gold vóór alles voor de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP)
van
Adolf Hitler, die in 1930 107 zetels in de Rijksdag verwierf en
daarmee de tweede partij werd (SPD 143 zetels). Gezien de felle
tegenstellingen in de Rijksdag en de noodsituatie trachtten van 1930 tot
1933 enkele buitenparlementaire kabinetten (Brüning, von Papen en von
Schleicher), steunend op het gezag van de oude rijkspresident von
Hindenburg, die in 1925 Ebert was opgevolgd, de economische en politieke
chaos de baas te worden. Daarbij werden de socialisten al spoedig
uitgeschakeld en werd een reactionair beleid gevoerd. Toen in 1932 de
NSDAP als sterkste partij uit de verkiezingen te voorschijn kwam, bleek
echter spoedig dat haar demagogie en massa-aanhang elke regering
verlamde die niet het risico van een militaire staatsgreep met de hulp
van het leger aandurfde. Aangezien men dat risico niet wilde nemen, werd
ten slotte Hitler rijkskanselier van een kabinet waarin naast enkele
nationaal-socialisten ook Duits-nationalen en partijloze conservatieven
zitting hadden (30 jan. 1933).
6.8 Het Derde Rijk
Op even bekwame als onscrupuleuze wijze wist Hitler binnen enkele
maanden alle coalitiepartners uit te schakelen en een dictatoriaal
eenpartijregime te vestigen, waarbij hij van een ongekende terreur
gebruikmaakte; de Rijksdagbrand, het Ermächtigungsgesetz, de opheffing
van de vakbonden en uitschakeling van de andere partijen, dat alles
gepaard met een vloedgolf van arrestaties, de oprichting van
concentratiekampen, de eerste vervolgingen van de joden, markeerden
Duitslands weg naar de totalitaire staat. De 'Länder' werden van
deelstaten tot onderdelen van een eenheidsstaat gemaakt (zie Adolf
Hitler; nationaal-socialisme). Hindenburgs dood (aug. 1934) verschafte
Hitler bovendien de mogelijkheid staatshoofd en daarmee dictator te
worden. Nadat hij zich van zijn oude strijdmakkers in de SA, die een
antikapitalistische revolutie nastreefden, in een bloedige afrekening
had ontdaan, wist hij in een reeks maatregelen het leger en de
conservatieve groeperingen volkomen te onderwerpen. Geholpen door de
stijgende internationale conjunctuur, die hij in Duitsland nog door een
grootscheepse bewapening stimuleerde, werd inderdaad de economische
toestand na de crisisjaren verbeterd. Hitlers buitenlands beleid werd,
na aanvankelijke matiging, steeds agressiever, naar gelang hij in het
binnenland zijn dictatuur verstevigde. Aangespoord door de aanvankelijke
zwakheid en door de ongemene concessies van het Westen (o.a.
Overeenkomst van München, 1938), stuurde hij regelrecht op een oorlog
aan, die dan ook met zijn aanval op Polen (1 sept. 1939) uitbrak (zie
Tweede Wereldoorlog), nadat in 1938 Oostenrijk en Sudetenland en nog
begin 1939 Bohemen en Moravië, alsmede Memel, zonder oorlog geannexeerd
konden worden.
In deze nieuwe oorlog bleek Duitsland een nog veel machtiger
oorlogsmachine te hebben opgebouwd dan in de Eerste Wereldoorlog,
waarvan de doeltreffendheid en kracht door de nationaal-socialistische
dictatuur en haar terroristische ideologie nog werd versterkt. Het lukte
de Duitsers het grootste deel van het Europese continent onder de voet
te lopen. Pas Hitlers aanval op de Sovjet-Unie (juni 1941) deed de
kansen langzaam keren. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de
Sovjet-Unie namen nu samen de leiding in de strijd tegen de
nationaal-socialistische heerschappij, die voor Duitsland in een totale
nederlaag en een militaire en politieke catastrofe zonder weerga
eindigde (mei 1945). Door ongekende wreedheden tegen joden die in
intensiteit en omvang toenamen naarmate de oorlog voor Duitsland
slechter verliep en uitmondden in genocide, en door bruut geweld tegen
politieke tegenstanders had het nazi-bewind Duitsland ook moreel
volledig in diskrediet gebracht en Europa ontredderd.
6.9 De periode 1945-1949
Het land werd door de overwinnaars in vier bezettingszones verdeeld, met
de bedoeling het gezamenlijk te besturen en tot een democratie op te
voeden. De snel aan den dag tredende tegenstelling echter tussen het
Westen en de Sovjet-Unie maakte dit plan onmogelijk en verhinderde ook
het tot stand komen van een formeel vredesverdrag met Duitsland. Zo
ontwikkelden zich onder invloed van de Koude Oorlog in de jaren na 1945
al spoedig twee afzonderlijke staten: de Bondsrepubliek Duitsland (zie §
9.10 hierna) en de Duitse Democratische Republiek, beide in 1949 tot
stand gekomen.
6.10 De Bondsrepubliek Duitsland 1949-1990
De Bondsrepubliek Duitsland werd op 14 aug. 1949 gevormd uit de
Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones van het voormalige Duitse
Rijk, met uitzondering van de westelijke sectoren van Berlijn en van
Saarland. Krachtens de akkoorden uit 1950 werden de westelijke sectoren
van Berlijn een Land van de Bondsrepubliek. Het door de Fransen bezette
Saarland kwam op 1 jan. 1957 bij de Bondsrepubliek. Ten slotte bezegelde
het Herenigingsverdrag - dat op 3 okt. 1990 van kracht werd - de
aansluiting (Beitritt) van de Duitse Democratische Republiek (DDR) bij
de Bondsrepubliek Duitsland.
De miljoenen die naar de Bondsrepubliek vluchtten uit de gebieden die na
de Tweede Wereldoorlog werden toegewezen aan de Duitse Democratische
Republiek (DDR), Polen, de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije, zorgden ook
op het gebied van de sociale voorzieningen voor problemen. In de jaren
vijftig werden zij onder de bevolking opgenomen (Eingliederung). De
grote inspanningen die de regering zich op dit gebied getroostte en de
opgaande conjunctuur leverden vluchtelingen ook later dezelfde status op
als de burgers van de Bondsrepubliek.
Als schadevergoeding werd de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog een
vergoeding toegekend in de vorm van de Lastenausgleich: wie nog wat
bezat, stond een deel daarvan af aan wie niets meer had. Ten slotte is
er de Wiedergutmachung: uitkeringen aan de slachtoffers van het
nationaal-socialistisch regime. Met Israël werd in 1952 een speciale
regeling getroffen met betrekking tot hulp aan joodse vluchtelingen,
voorts met 12 Europese staten over slachtoffers onder hun burgers. Tot
1988 is voor 77 miljard DM uitgekeerd; het eindbedrag zal ca. 85 miljard
DM zijn.
6.10.1 Binnenlandse politiek
Bij de eerste verkiezingen voor de Bondsdag, die op de dag van het van
kracht worden van de grondwet werden gehouden, behaalde de CDU 149
zetels, de SPD 131, de FDP 52, de (conservatieve) Deutsche Partei (DP)
17 en de overige groepen 53 (zie voor het partijwezen § 3.7). Als eerste
president werd 12 sept. 1949 gekozen Theodor Heuss (FDP); hij werd in
1954 herkozen. Bondskanselier werd 15 sept. 1949
Konrad Adenauer (CDU), die in 1953, 1957 en 1961 werd herkozen.
Er werd een coalitieregering gevormd van CDU, FDP en DP. De binnenlandse
politieke verhoudingen werden sterk beïnvloed door de koers die de
regering-Adenauer insloeg inzake het achterstellen van de hereniging met
de DDR bij de oriëntering op het Westen. De door K. Schumacher geleide
socialisten, sedert 1955 ook de liberalen en de (van 1953 tot 1957 in de
Bondsdag vertegenwoordigde) Vluchtelingenpartij wilden de hereniging
primair stellen en daaraan de buitenlandse politiek ondergeschikt maken.
Deze oppositie kon niet verhinderen, dat de CDU, de partij van Adenauer,
die een sterk persoonlijk stempel op de regering drukte, zowel in 1953
als in 1957 een grote overwinning behaalde. In 1953 werd een
coalitieregering gevormd van CDU, FDP, DP en Vluchtelingenpartij; de
coalitie kreeg in de Bondsdag en eveneens in de Bondsraad een tweederde
meerderheid. In 1955 trad de Vluchtelingenpartij uit de regering; in
1956 volgden de liberalen, waarbij een scheuring in de FDP optrad. De
oppositie had echter wel succes bij de verkiezing van vertegenwoordigers
in de Länder, waar de socialisten vooruitgang boekten ten koste van de
regeringspartijen.
De sterke economische vooruitgang, het Wirtschaftswunder (waarvoor
vooral minister van Economische Zaken Ludwig Erhard verantwoordelijk
was), leidde tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden
van de arbeiders, dat in 1959 de SPD haar programma in burgerlijke
richting wijzigde. De grootste tegenstellingen in de binnenlandse
politiek bleven de buitenlandse politiek betreffen.
Bij de verkiezingen in 1961 behaalde de CDU weliswaar haar vierde
overwinning, maar zij bezat geen overtuigende meerderheid meer ten
gevolge van o.a. interne conflicten. Adenauer moest de FDP als
coalitiepartner in de regering opnemen. Ondanks het verzet van Adenauer
tegen de nominatie van Erhard als zijn opvolger en zijn pogingen om zijn
ambtstermijn steeds weer te prolongeren, werd Adenauer in okt. 1963 door
Erhard vervangen. Bij de verkiezingen in sept. 1965 wist de CDU opnieuw
de SPD en haar kandidaat Willy Brandt duidelijk te verslaan. Erhard
vormde met de FDP een nieuw coalitiekabinet.
Ondanks de verkiezingsoverwinning der CDU slaagde Erhard er niet in
voldoende prestige als regeringsleider te verwerven. Toen op 27 okt.
1966 de FDP-ministers zich terugtrokken naar aanleiding van een geschil
over de begroting, was zijn lot bezegeld. Op verzoek van zijn eigen
partij trad Erhard af. Zijn partijgenoot Kurt Georg Kiesinger werd 1
dec. 1966 als zijn opvolger tot kanselier gekozen. Deze vormde een
coalitiekabinet met de SPD, waarvan de leider, Brandt, vice-kanselier en
minister van Buitenlandse Zaken werd. Deze Grote Coalitie zag kans de
economische recessie van 1966 ongedaan te maken en een zeker herstel te
bewerkstelligen. Toch waren er wrijvingspunten tussen de
coalitiepartners, met name op het gebied van de buitenlandse politiek.
In 1969 zorgde een kleine overwinning van de SPD bij de
Bondsdagverkiezingen er dan ook voor dat de Grote Coalitie uiteen viel.
De SPD vormde samen met de FDP een nieuwe coalitie onder leiding van
Willy Brandt als kanselier, die na vervroegde verkiezingen op 19 nov.
1972 kon worden voortgezet. Na een spionageschandaal, waarbij een
medewerker van hem was betrokken, trad Brandt in mei 1974 terug als
bondskanselier. Hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt.
Ook na de verkiezingen van 1976 werd de SPD-FDP-coalitie, hoewel iets
verzwakt, voortgezet. Sinds de aardoliecrisis van 1973 werd de
werkloosheid een belangrijk probleem, evenals het financieren van de
sociale wetgeving en de toekomstige energievoorziening. Een nieuw
probleem was destijds het terrorisme, waarvoor de Baader-Meinhofgroep of
Rote Armee Fraktion (RAF), die na de onrustige jaren zestig aan de
universiteiten van de Bondsrepubliek was ontstaan, welhaast synoniem
werd. Kritiek werd echter geleverd op hun berechting, de wijze waarop ze
werden behandeld en de zgn. antiterrorismewetgeving. Veel aandacht
kregen de Berufsverbote, steunend op het van 1972 tot 1978 geldende
Radikalenerlass, een antecedentenonderzoek waaraan de overheid
sollicitanten naar een ambtelijke functie onderwierp met het doel
politiek radicaal denkenden uit te sluiten.
In de loop van de jaren zeventig is ook de invloed van
milieu-actiegroepen merkbaar geworden. Na zich bij lokale verkiezingen
politiek te hebben gepresenteerd op de Grüne Liste, waarmee ze de FDP en
de SPD electorale schade berokkenden, besloten de Grünen, een
conglomeraat van o.m. milieubeschermers, tegenstanders van kernenergie
en van economische groei, en sociale utopisten, zich begin 1980 aaneen
te sluiten tot een politieke partij, de Grüne Partei.
De sociaal-liberale coalitie ging inmiddels duidelijke tekenen van
slijtage vertonen. In de Bondsdagverkiezingen van 1980 behaalde zij nog
een comfortabele meerderheid (271 zetels van de 497), maar dit was
vooral te danken aan het feit dat de door velen gevreesde Franz Josef
Strauss lijsttrekker was van de christen-democraten. Daarna was de rek
er echter uit. Meningsverschillen over het te voeren economische beleid
en de problemen van bondskanselier Schmidt met zijn achterban, die meer
naar links wilde opschuiven om de concurrentie van de Grünen af te
weren, leidden in de zomer van 1982 tot de breuk van de coalitie. Door
snel met de christen-democraten een akkoord te treffen, voltrok
Hans-Dietrich Genscher de 'Wende' en bracht Schmidt ten val, waarna
CDU-voorman
Helmut Kohl een nieuwe regering vormde.
In maart 1983 vonden in de Bondsrepubliek vervroegde verkiezingen
plaats, die de christen-democraten winst en de FDP en SPD verlies
opleverden; de milieupartij Grünen slaagde erin om als vierde fractie in
de Bondsdag te komen (27 zetels). De centrum-rechtse coalitie
Kohl-Genscher bleef aan de macht. Een duidelijke verrechtsing van het
regeringsbeleid bleef evenwel uit. Met de nieuwe president Richard von
Weizsäcker, die in 1984 Carl Carstens (CDU) opvolgde, kreeg de
Bondsrepubliek een staatshoofd met een uitzonderlijk staatkundig en
moreel gezag. Voor bondskanselier Kohl, die internationaal veel minder
meetelde dan zijn voorganger en door tal van misstappen voor tijdelijke
opwinding zorgde, betekende het presidentschap van Von Weizsäcker een
onmiskenbare ruggensteun. De Grünen wisten ondanks hardnekkige
kinderziektes en de splitsing in de Fundi's en Realo's, in de
Bondsdagverkiezingen van 1987 hun parlementaire positie te bestendigen.
De partij bleef in het linkse kamp voor de SPD een hinderlijke
mededinger. Aan de rechterzijde leek de opkomst van de rechtsradicale
Republikaner onder leiding van F. Schönhuber eind jaren tachtig een
bedreiging voor de christen-democraten. Extremistische tendensen maakten
deze partij tot een verzamelplaats van rechtsradicalen en deden haar in
de opiniepeilingen weer duidelijk onder de 5%-grens zakken.
De ontwikkelingen in de late zomer van 1989 in en rond de Duitse
Democratische Republiek (DDR), die tot de val van het communistisch
regime aldaar zouden leiden gaven de christen-democratisch-liberale
samenwerking een nieuwe stimulans. De ferme houding van bondskanselier
Kohl, die van het eerste begin op een staatkundige samensmelting van
beide Duitslanden aanstuurde, vond veel meer weerklank aan beide zijden
van de grens dan de linkse oppositie zich had voorgesteld. De Grünen,
die het meest voor het voortbestaan van de DDR geporteerd waren, moesten
bakzeil halen. In de SPD, waar de voorstanders van een graduele
confederatieve aansluiting aanvankelijk in de meerderheid waren, deden
zich ernstige meningsverschillen voor tussen Brandt, Vogel en de
eigenzinnige aankomende lijsttrekker O. Lafontaine.
6.10.2 De Hereniging
Met het aantreden van Michail Gorbatsjov als politiek leider van de
Sovjet-Unie (maart 1985) begon, aanvankelijk nog onopvallend, beweging
te komen in de schijnbaar vastgeroeste Oost-West-machtsverhouding in
Europa. Niet alleen de regering in Bonn maar ook de socialistische
oppositie spande zich in om de betrekkingen met de DDR en de daar
regerende SED te intensiveren. Dit beleid van Wandel durch Annäherung,
dat de leiders van de DDR een zekere respectabiliteit verleende, vond
bij de DDR-bevolking maar matige waardering.
In zijn regeringsverklaring van maart 1987 bracht bondskanselier Kohl de
hereniging ter sprake. Op dat tijdstip werd daarop nog door de
Sovjet-Unie afhoudend en door de DDR ronduit afwijzend gereageerd. De
sterker wordende positie van de Bondsrepubliek als factor in de
internationale betrekkingen dwong de DDR echter in te binden. Daarbij
kwam bovendien dat de DDR-regering door haar oppositie tegen de
Russische koers van glasnost en perestrojka in de Duits-Duitse relatie
steeds zwakker kwam te staan. Tijdens zijn staatsbezoek aan de
Bondsrepubliek (najaar 1987), tijdens hetwelk hij als bevriend
staatshoofd werd ontvangen, beweerde Erich Honecker nog dat de grens
tussen beide staten zou moeten verbinden in plaats van scheiden. In juni
1989 opperde de Sovjet-Russische leider
Gorbatsjov, tijdens zijn staatsbezoek aan Bonn, de mogelijkheid van
de afbraak van de Berlijnse muur, waartoe de Amerikaanse president
Reagan al in 1987 had opgeroepen.
Door de massale vlucht van DDR-vakantiegangers naar het westen in de
zomer van 1989 raakte de Duitse kwestie in een stroomversnelling. Na de
fluwelen omwenteling in de DDR in nov. 1989 en de afbraak van de
Berlijnse muur trachtte de regering in Bonn de beoogde eenwording
internationaal aanvaardbaar te maken. In het Westen vreesde men een
machtig Duitsland en bleef men erop aandringen dat de toekomstige
eenheidsstaat ingebed zou blijven in de westerse wereld. In het voorjaar
en de zomer van 1990 werd in hoog tempo een groot aantal wetswijzigingen
die een snelle hereniging mogelijk moesten maken door de Volkskammer van
de DDR aangenomen. Op 18 mei werd door beide ministers van Financiën een
staatsverdrag over economische, monetaire en sociale eenwording
ondertekend (van kracht sinds 1 juli) en op 5 mei begon het
twee-plus-vier-overleg tussen beide Duitslanden en de geallieerde
mogendheden; de Sovjet-Unie gaf toe aan de wens van het Westen dat het
nieuwe Duitsland ook na hereniging met de DDR lid zou blijven van de
NATO; de Oder-Neisse-grens werd door zowel de Bundesrat als de
Volkskammer erkend; het recht op voorbehoud van de geallieerden voor
Berlijn en Duitsland werd afgeschaft. In sept. 1990 fuseerde zowel de
CDU (Christlich-Demokratische Union) als de SPD (Sozialdemokratische
Partei Deutschlands) met hun resp. Oost-Duitse varianten. Op 3 okt. 1990
werd de hereniging van de Bondsrepubliek met de DDR door het van kracht
worden van het Herenigingsverdrag bezegeld.
6.11 Duitsland vanaf 1990
6.11.1 Het herenigd Duitsland
In december 1990 werden de eerste parlementsverkiezingen in herenigd
Duitsland gehouden. Deze werden door de CDU (44%) gewonnen. De SPD
bereikte met 33% van de stemmen een naoorlogs dieptepunt. Lafontaine
trok zich vervolgens terug als beoogd partijleider. De Grünen haalden de
kiesdrempel niet en keerden niet in de Bondsdag terug. De coalitie
tussen CDU en FDP werd voortgezet. De kosten van de Hereniging bleken
echter veel hoger dan begroot en al in jan. 1991 verhoogde Kohl de
belastingen.
In de 'nieuwe deelstaten' kreeg de Treuhand Anstalt de taak 8000
staatsbedrijven en drie miljoen hectare grond te privatiseren. Maar van
de getaxeerde boedelwaarde van DM 50 miljard, waarop enorme
schuldenlasten drukten, konden slechts de vetste brokken (in de sectoren
hotels, communicatie, optische industrie en chemie) van de hand worden
gedaan. Het afstoten en sluiten van de rest leidde tot stijgende
arbeidsonrust en werkloosheid in het oosten van Duitsland en een diepe
recessie in geheel Duitsland, die zijn neerslag had op Duitslands
handelspartners.
De toegenomen vreemdelingenhaat uitte zich in aanslagen op woonoorden
van asielzoekers en andere buitenlanders in wie concurrentie op de
arbeidsmarkt werd gezien. Begonnen in het Oost-Duitse Saksen, zette de
golf zich tot in het West-Duitse Nordrhein-Westfalen voort. In 1992
vielen er 20 slachtoffers van wie de helft kinderen. Mede als gevolg van
het toenemende racistische geweld zag de regering zich genoodzaakt door
wettelijke maatregelen de immigratie in te dammen.
Op het gebied van de wetgeving leidde de hereniging van beide
Duitslanden aanvankelijk tot enkele problemen, m.n. waar dit de abortus
betrof; het Herenigingsverdrag voorzag in een overgangsfase van twee
jaar voor het oplossen van de verschillen in de abortuswetgeving.
Op het gebied van de buitenlandse politiek voelde Duitsland zich
gedwongen een grotere rol te spelen, met name bij conflicten. Zo kwamen
in mei 1993 van het eerst sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in
1955, gewapende Duitse soldaten aan in een niet-NAVO-gebied. Het betrof
de VN-operatie in Somalië.
De rechts-extremistische acties tegen buitenlanders hielden in 1993 aan,
met als dieptepunt de dood van vijf Turkse vrouwen en meisjes in
Solingen. De vloedgolf van asielzoekers noopte de politiek tot een
wijziging van de grondwet in juli, waarbij vluchtelingen uit zgn.
'veilige landen' meteen konden worden uitgewezen. Voordien verleende de
Bondsrepubliek alle asielzoekers toegang. Ook de linkse terroristen van
de RAF deden zich na lange tijd weer gelden met een bomaanslag op de
nieuwe gevangenis van Hessen. Ten gevolge van de economische malaise
kwam het zowel in de voormalige DDR als in het westen van het land tot
vele uitingen van arbeidsonrust.
6.11.2 Stagnerende economie
Na twee ambtstermijnen werd Richard von Weiszäcker in 1994 als president
opgevolgd door Roman Herzog (CDU). De Bondsdagverkiezingen stonden voor
een belangrijk deel in het teken van de economische ontwikkelingen, die
eerder en sterker een herstel te zien gaven. De CDU behaalde weliswaar
het slechtste verkiezingsresultaat sinds 1949, maar bleef wel de
grootste partij en kon wederom met de liberale FDP een coalitieregering
vormen onder leiding van Helmut Kohl, die met één stem meerderheid voor
de vierde maal tot bondskanselier werd gekozen. Opmerkelijk was dat bij
alle in 1994 gehouden verkiezingen de extreem-rechtse partijen geen voet
aan de grond kregen. Niettegenstaande de asielwet van juli 1993 zochten
maandelijks nog bijna 10!000 buitenlanders hun toevlucht tot de
Bondsrepubliek.
In 1995 stagneerde de economische groei en bleef de werkloosheid hoog,
vooral in de voormalige DDR. Daar was de groei overigens het sterkst,
wat vooral te danken was aan overheidsinvesteringen in de bouw en de
infrastructuur.
Ondanks bedenkingen van de Bundesbank bleef de regering de plannen voor
één Europese munt steunen. In 1996 leidden besprekingen over de
Economische en Monetaire Unie (EMU) tot een felle strijd tegen bijna
alle andere EU-landen, waarbij Bonn het streven naar een zo 'hard'
mogelijke euro, de toekomstige gemeenschappelijke munt, verdedigde.
Naast het inbedden van de D-mark in een monetaire unie, kampte de Duitse
economie in 1996 met nog enkele, onderling verbonden problemen: de
economische en psychologische kloof tussen het oosten en het westen van
het land, de modernisering van de verzorgingsstaat en het saneren van de
overheidsfinanciën. Verder kwamen op internationaal gebied enige barsten
aan het licht in de as Bonn-Parijs, waar het Franse protectionisme
botste met het Duitse streven naar vrijhandel. De aanzienlijk verbeterde
verhouding met Nederland kwam in 1995 o.m. tot uiting in de vorming van
een Nederlands-Duits militaire eenheid.
Telefoongids
Duitsland
Postcodes
Duitsland
|