header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Duitsland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 



 

Duitsland (Duits: Deutschland), officieel: Bondsrepubliek Duitsland (Duits: Bundesrepublik Deutschland; afk.: BRD), federale republiek in Midden-Europa, 356.854 km2, met (1995) 81,76 miljoen inw. (228 inw. per km2); hoofdstad: Berlijn (regeringszetel [tot ca. 2000]: Bonn). Munteenheid is de Mark (DM), verdeeld in 100 Pfennig. Nationale feestdag is 3 oktober, de dag van de 'Duitse Eenheid' (= de Duitse hereniging in 1990).
Tot het grondgebied behoren naast continentaal Duitsland tevens de Oost- en Noord-Friese eilanden, alsmede Helgoland in de Noordzee en Fehmarn, Rügen en een deel van Usedom in de Oostzee.
Duitsland kreeg zijn huidige vorm op 3 okt. 1990 door de aansluiting bij de Bondsrepubliek Duitsland van de Duitse Democratische Republiek (DDR).

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Duitsland bestaat uit drie grote geografische landschappen: a. het Noord-Duitse laagland; b. het middelgebergte; c. het Alpengebied.
a. het Noord-Duitse laagland is een in de pleistocene ijstijden gevormd landschap. Het gehele gebied heeft een zacht golvende oppervlakte; hier en daar is het geheel vlak. De bodemverheffingen vormen twee groepen: de noordelijkste omvat de zgn. Baltische landrug, een eindmorenegebied, onmiddellijk ten zuiden van de Oostzee, een gebied rijk aan meren en bossen. De tweede verloopt zuidelijker en vormt een krans van oudere eindmorenen vanaf de Beneden-Elbe tot het Katzengebergte. Parallel met deze grote eindmorenegordels loopt ten noorden ervan een zacht golvend, lemig grondmorenegebied en in het zuiden een brede strook onvruchtbare zandgrond (zgn. Sandr), deels met heide bedekt (o.a. Lüneburger Heide). In dezelfde richting verlopen de zgn. oerstroomdalen, tot 20 km brede, vroeger uit veen bestaande stroken, eertijds de bedding van het van de ijskap afstromende smeltwater. Naar het zuiden toe dringt het laagland met enkele diepe bochten in het middelgebergte door (Middenrijnse laagvlakte, Münsterland, Saksische laagvlakte, Nieder-Lausitz), meestal vruchtbare lössgebieden (voornamelijk de zgn. Magdeburger Börde).
b. Het middelgebergte is geologisch zeer gecompliceerd (zie § 1.4). In het westen begint het bergland met een aantal ketens die door de Rijn vrijwel onder een rechte hoek worden doorsneden: Rijns Leisteengebergte, Eifel, Westerwald (657 m), overgaand in Rothaargebergte en Hunsrück, Taunus (880 m), waarbij aansluiten de Vogelsberg en het Rhörgebergte (950 m). Verder naar het noorden ligt de Harz (Brocken 1142 m), met ten westen daarvan het Weser Bergland en het Teutoburgerwoud en ten noordoosten de Fläming. Ten oosten van de Rhön verloopt noordwest-zuidoost het Thüringer Woud, aan het zuidoostelijk einde waarvan het Fichtelgebergte een knooppunt vormt met het Ertsgebergte naar het noordoosten, het Oberpfalzerwoud-Bohemerwoud naar het zuidoosten en de Fränkische Alb naar het zuidwesten. Deze laatste vormt geologisch één geheel met de verder zuidwestwaarts lopende Schwäbische Alb; beide worden ten zuiden begrensd door de Donau.
c. Het Alpengebied. Ten zuiden van de Donau stijgt het land geleidelijk en gaat over in het morenegebied van het Alpenvoorland, waarna in het uiterste zuiden het bescheiden Duitse aandeel in de Alpen, met name de noordelijke Kalkalpen, volgt, dat tevens de grens vormt met Oostenrijk. Van west naar oost liggen hier de Allgäuer Alpen, de Ammergauer Bergen, als hoogste het steile Wettersteingebergte en de Salzburger Alpen.
1.2 Rivieren, kanalen en meren
Onder de zelfstandige rivierstelsels zijn de voornaamste die van Elbe, Weser en Rijn, die naar de Noordzee stromen, en dat van de Donau die in de Zwarte Zee uitmondt. De Weser (Werra) is hiervan de enige die geheel door Duits gebied stroomt. Verder zijn de belangrijkste rivieren de Oder, met de zijrivier de Neisse, de Moezel en de Main, zijrivieren van de Rijn, en de Ems. In het algemeen zijn de rivieren genormaliseerd en door kanalen onderling verbonden. De voor de scheepvaart belangrijke kanalen zijn: het Mittellandkanal, het Dortmund-Ems-Kanal, het Nord-Ostsee-Kanal, het Oder-Spree-Kanal, het Ems-Jade-Kanal, het Oder-Havel-Kanal, het Küstenkanal, het Elbe-Lübeck-Kanal, het Wesel-Datteln-Kanal, het Elbe-Havel-Kanal en het Rhein-Herne-Kanal. In uitvoering is een Main-Donaukanaal.
Vooral in het Alpenvoorland (oude gletsjerbeddingen) en het Mecklenburgs Merenplateau komen meren voor. De grootste meren zijn: Bodensee, Müritzsee, Chiemsee, Schweriner See, Würmsee en Ammersee.
1.3 Kust
In het noordwesten vormt de Noordzeekust met de Oost-Friese Eilanden een voortzetting van het Nederlandse Waddengebied. De eigenlijke Noordzeekust is geleed: de getijstroom dringt ver in de riviermondingen en heeft die trechtervormig uitgeschuurd, waardoor de havens (Bremen, Hamburg) landinwaarts liggen. De Oostzeekust is in het westen eveneens geleed (fjorden, boggen), in het oosten daarentegen vlak: hier komen strandmeren voor. De kust is slechts hier en daar steil (Rügen, Helgoland, Samland).
1.4 Geologische bouw
Duitsland heeft een betrekkelijk ingewikkelde geologische bouw. Verscheidene orogenesen en bekkenvormingen sinds het einde van het Precambrium zijn voor deze gecompliceerdheid verantwoordelijk. De belangrijkste gebergtevormingsperiode was de variscische orogenese, die tijdens het Carboon plaatsvond. Uit deze tijd stammen de geologische eenheden: Boheems Massief, Ertsgebergte, Thüringer Leisteengebergte, Zwarte Woud, Spessart, Odenwoud, Taunus, Hunsrück, Leisteengebergte, Ruhrgebied, Ardennen en de Harz. In sommige van deze gebieden komen evenwel nog resten van oudere gebergten voor, zoals in het Boheems Massief, het Ertsgebergte, het Zwarte Woud en de Ardennen.
De oudste gesteenten in Duitsland komen voor in het Boheems Massief, dat evenwel grotendeels in Tsjechoslowakije ligt. Hier zijn precambrische metamorfe gesteenten ontsloten, die tot het zgn. Moldanubicum gerekend worden. De ouderdom van de gesteenten is niet goed bekend, maar zij zijn zeker precambrisch. Discordant hierop werden paleozoïsche sedimenten afgezet. Tijdens de variscische orogenese werd dit Moldanubicum tezamen met de discordante bedekking nogmaals gemetamorfoseerd. Bovendien intrudeerden in die tijd grote granietlichamen. Deze gesteenten zetten zich ondergronds voort naar het westen en duiken in het Zwarte Woud en de Vogezen weer op, waar zij eveneens tot de Moldanubische zone gerekend worden, die zich nog verder in Frankrijk vervolgen laat.
Noordelijk van de Moldanubische zone ligt de Saxo-Thuringische zone, waarin paleozoïsche sedimenten zijn afgezet, die tijdens de variscische orogenese sterk geplooid werden, maar slechts licht gemetamorfoseerd. Verder westwaarts behoren ook de Spessart, het Odenwoud en het noordelijk deel van het Zwarte Woud ertoe. In de laatstgenoemde gebieden komen bovendien oudere kristallijne gesteenten aan de oppervlakte. De Saxo-Thuringische zone is een deel van de hercynische geosynclinaal, waarin een belangrijke cambrische en ordovicische sedimentatie plaatsvond. Het Siluur en Devoon is minder dik, terwijl het Carboon van nog minder betekenis is. De plooiing is intensief en er werden daarbij veel leien gevormd, bijv. in het Thüringer Leisteengebergte.
Het contact tussen het Moldanubicum en het Saxo-Thuringicum is een breuk waarbij de eerstgenoemde op de andere zone is geschoven. In het Saxo-Thuringicum komen enkele oudere kristallijne massieven voor, zoals het Münchberger gneismassief en het Fichtelgebergte. In het Ertsgebergte vindt men het granulietmassief. Alle gesteenten in deze massieven zijn zeer hoog metamorf. Daarnaast komen variscische intrusieve granieten voor, zoals de Lausitzer graniet. Tussen de Saxo-Thüringische en de noordelijk daarvan gelegen Rheno-hercynische zone ligt de Middenduitse Rug, een geoanticlinaal in de hercynische geosynclinaal. Hierop vond slechts geringe paleozoïsche sedimentatie plaats.
In het Rheno-Hercynicum, omvattende Leisteengebergte, Taunus, Hunsrück, Ardennen en Harz, vond een zeer belangrijke sedimentatie plaats tijdens het Devoon. Plaatselijk, in het Lahn-Dill-gebied en in de Harz, kwam het tot geosynclinaal magmatisme. De plooiing in deze gebieden was eveneens zeer intensief en gaf dikwijls aanleiding tot de vorming van leien. De Ardennen sluiten zich bij het Leisteengebergte aan. Graniet komt in de Rheno-hercynische zone bijna niet voor; er zijn slechts twee lichamen in de Harz, een daarvan is de Brockengraniet.
Noordelijk van deze zone ligt het subhercynische voordiep, waarin voornamelijk carbonische sedimenten werden afgezet, die slechts betrekkelijk zwak geplooid werden. De kolenbekkens van de Ruhr en van Zuid-Limburg behoren tot dit voordiep.
In het variscische gebergte vindt men van zuid naar noord een duidelijke ontwikkeling, waarbij de metamorfose, de plooiingsintensiteit en de hoeveelheid intrusieve granieten afnemen. Bovendien vindt de plooiing in noordelijke richting steeds later plaats. Is in het Moldanubicum de plooiing voor-tot-vroeg-carbonisch, in de Saxo-Thuringische en Rheno-hercynische zone is deze midden-carbonisch en in het voordiep laat-carbonisch.
Aan het eind van het Carboon werden de meeste van deze gebieden door erosie genivelleerd, waarbij op vele plaatsen de kristallijne gesteenten aan de dag kwamen. Discordant op de variscische gesteenten werd het Perm, meestal bestaand uit zandstenen met zoutlagen, of direct de Trias beginnend met de bontzandsteen afgezet. Daarop volgt de muschelkalk, de Keuper en de Jura. In een groot gebied tussen het Boheems Massief en het Zwarte Woud zijn deze gesteenten ontsloten, en wel de Jura in de Schwäbische en Fränkische Alb, en de Trias in het Schwäbische en Fränkische terrassenland. De Trias strekt zich verder uit via de Spessart tot het Hessische bergland en het Thüringer bekken.
Krijtafzettingen komen voor ten noorden van de Harz en ten oosten van het Ertsgebergte. Tertiaire gesteenten komen voor in de Molasstrog ten zuiden van de Schwäbische en Fränkische Alb. Hierin werden afbraakproducten van de Alpen afgezet. Ten zuiden van de Molasse ligt eerst een smalle strook Krijt en Tertiair, die tot de Helvetische zone behoren, en dan (voornamelijk in Oostenrijk) een brede strook Trias en Jura in de noordelijke Kalkalpen, die tot de oostalpine dekbladen behoren. Uitgezonderd dit gedeelte van de Alpen, is het Mesozoïcum in Duitsland slechts zwak geplooid, in sterke tegenstelling tot de paleozoïsche sedimenten. Eerstgenoemde zijn germanotype, laatstgenoemde alpinotype geplooid.
Het noordelijk deel van Duitsland wordt geheel bedekt door afzettingen van tertiaire en kwartaire ouderdom: de Noord-Duitse Laagvlakte. Hierin zijn verscheidene moreneruggen van de kwartaire ijstijden te herkennen. In Noordwest-Duitsland komen in de ondergrond veel zoutdomes voor.
Andere jonge structuren zijn grote slenken, waarvan de Boven-Rijndalslenk tussen de Vogezen en het Zwarte Woud de meest bekende is. Deze 300 km lange slenk ontstond voornamelijk tijdens het Tertiair en Kwartair. Noordwaarts zet deze slenk zich voort in de Hessische slenk. Noordelijk van het Leisteengebergte ligt de Beneden-Rijndalslenk, die tot in Nederland doorloopt. In deze slenken komt dikwijls een jong vulkanisme voor, waarvan de Kaiserstuhl in de Boven-Rijndalslenk en de Vogelsberg in de Hessische slenk getuigen zijn. Tertiaire vulkanische gesteenten die niet aan deze slenken gebonden zijn, bevinden zich in de Eifel, waar o.a. oude kraterpijpen voorkomen, die nu dikwijls meertjes bevatten, de zgn. maren.
1.5 Klimaat
Het klimaat wordt behalve door de geografische breedte in hoofdzaak bepaald door de landinwaarts afnemende invloed van de zee en de hoogte boven zeeniveau. De gemiddelde windsnelheid en de neerslag nemen landinwaarts geleidelijk af.
Aan de noordzijde van de Alpen zijn de temperaturen in het algemeen iets hoger dan met de geografische breedte en de hoogte van de plaats overeenkomt ten gevolge van föhnwerking. Deze treedt vooral op in het winterhalfjaar, wanneer ten gevolge van het frequent voorkomen van relatief hoge druk boven het continent zuidoostelijke winden betrekkelijk veel voorkomen.
Het verloop van het weer hangt geheel af van het heersende circulatietype. Die waarbij de luchtdruk boven Midden-Europa relatief hoog is, zodat er geen depressies kunnen doordringen, zijn het meest frequent in herfst en winter met een maximum in september. Het fraaie zomerweer dat daarbij optreedt, wordt Altweibersommer genoemd.
De laagste wintertemperaturen worden vooral aangetroffen bij situaties met een hoge luchtdruk boven Scandinavië, waarbij koude lucht uit Oost-Europa over land naar het westen wordt gevoerd. Daarbij wordt de kou geïntensiveerd, wanneer zich in Midden-Europa een sneeuwdek bevindt. In West-Duitsland ligt ongeveer 25 dagen per jaar sneeuw, naar het oosten neemt dit aantal dagen toe tot ongeveer 40 in Berlijn. Ook op hooggelegen stations ligt de sneeuw langer. Volgens het klimaatsysteem van Köppen heerst in Duitsland vrijwel overal een Cfb-klimaat. Met toenemende hoogte daalt de temperatuur en gaat het klimaat over in een boreaal klimaat (Dfb) en vervolgens in een toendraklimaat (ET).
1.6 Plantengroei
De flora behoort tot twee plantengeografische provincies van de Eurosiberische regio: in het uiterste noordwesten tot de Atlantische, overigens tot de Midden-Europese, waarin de alpine flora van het hooggebergte een afzonderlijke sector vormt. De natuurlijke begroeiing bestaat overwegend uit bos, uitgezonderd de zilte strook langs de kust, stuivende duinen, levende hoogvenen en het gebergte boven de boomgrens. Bij het begin van onze jaartelling was Duitsland nog voor ca. 75% met bos bedekt, ca. 1800 nog slechts voor ca. 20%; thans weer voor ca. 28%, waarvan ca. tweederde naaldhout (den en spar). Oorspronkelijk was het naaldhout verre in de minderheid en hoofdzakelijk beperkt tot de grove-dennenbossen in het noordoosten en fijnsparrenbossen in de sparrengordel der gebergten.
Het loofbos bestaat voornamelijk uit eikenhaagbeukenbos (met eik, haagbeuk, beuk, wilde kers, es, esdoorn) op voedselrijke gronden in de laagvlakte; beukenbos in het Atlantische en Baltische laagland, in het heuvelgebied en de onder de sparrengordel gelegen beukengordel der gebergten; eiken-berkenbos op voedselarme gronden in de laagvlakte; elzen- en wilgenbos in de moerassen; wilgenbos en essen-iepen-vogelkersbos in de overstromingsgebieden der rivieren. Duitsland bestaat verder voor ca. 14% uit natuurgebieden met als vegetatietypen o.a. heiden (vooral in het noordwesten), hoogvenen (vooral in de gebergten), moerassen (vooral in het zuiden van Beieren en Württemberg en in het noordoosten), rotsbegroeiingen, struwelen en lokaal de merkwaardige schrale vegetatie van bodems rijk aan zink of lood.
Tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw hadden de halfnatuurlijke landschappen, zoals schrale en extensief beweide graslanden, heiden en hooimoerassen, nog een belangrijk aandeel in de vegetatie van Duitsland. Ten gevolge van de revolutionaire wijzigingen in de agrarische cultuur zijn deze eeuwenlang stabiel gebleven levensgemeenschappen tot op enkele resten teruggedrongen en overigens herontgonnen of verwilderd, hetgeen tot een aanzienlijke verarming van flora en fauna heeft geleid.
1.7 Dierenwereld
De dierenwereld verschilt weinig van die van Nederland en België althans wat het noorden en westen betreft; in het oosten sluit de fauna aan bij die van Oost-Europa en in het zuiden (Beieren) bij die van de Alpen. De hier en daar nog uitgestrekte bossen bieden schuilplaats aan herten, wilde zwijnen, wilde katten, enz., grotendeels te danken aan een goed jachtbeheer. Toename van de bevolking, urbanisatie en industrialisatie hebben de fauna sterk teruggedrongen. De zalm is uit de Rijn vrijwel verdwenen ten gevolge van de watervervuiling. Een positief element is dat zeldzaam geworden soorten weer opnieuw uitgezet worden (o.a. wisent, oehoe).

        KönigseeBad TölzSchleierfälleFrauenkircheHohenschwangau

2. Bevolking
2.1 Samenstelling
De dichtstbevolkte gebieden zijn de miljoenensteden (Berlijn, Hamburg en München), het industriegebied Rheinland-Westfalen, het Rijn-Main-gebied, het Rijn-Neckar-gebied en de omgeving van Stuttgart, het industriegebied Leipzig-Halle, het gebied Chemnitz-Zwickau en de omgeving van Dresden. Ruim 86% van de bevolking woont in de steden.
In Duitsland woonden eind 1995 81!759!000 inw., waarvan 7,2 miljoen buitenlanders. In het noorden van Sleeswijk-Holstein wonen ca. 60!000 Deens sprekende Duitsers van Deense oorsprong. Eenzelfde aantal heeft de Slavische minderheid der Sorben in het oosten (Lansitz). Ca. 30% van de buitenlanders zijn Turken, voorts Joegoslaven, Italianen, Grieken, Polen, Bosniërs en Kroaten. Door de grote stroom vluchtelingen naar Duitsland vanaf het einde van de jaren tachtig, afkomstig uit de Oostbloklanden, m.n. Oost-Duitsland, Joegoslavië, Rusland, maar ook uit Afrika en Azië, werd in 1993 het asielrecht ingeperkt.
In 1994 bedroeg het geboortecijfer 9, 5‰, het sterftecijfer 10,9‰. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte was toen voor vrouwen 79, voor mannen 73 jaar. De bevolkingsgroei bedraagt gemiddeld 0,5% per jaar.
2.2 Taal
Het Hoog-Duits (zie Duitse taal) is de taal van de gehele bevolking. In Sleeswijk wordt ook Deens gesproken. Een klein gedeelte van het land, rondom Cottbus en Bautzen, is tweetalig; behalve het Hoog-Duits wordt hier ook het Westslavische Sorbisch gesproken. Het Neder-Duits of Plat-Duits, dat in het noordwesten wordt gesproken, vertoont veel overeenkomst met de in Oost-Nederland gangbare streektalen.
2.3 Religie
In 1994 behoorde 35% van de bevolking tot de protestantse (vnl. Lutherse) kerken en 34% tot de Rooms-Katholieke Kerk; 2% behoorde tot het islamitische geloof. De joodse gemeenschap telde in 1995 72 gemeenten met in totaal 53!797 leden.
Zowel de protestantse kerken als de Rooms-Katholieke Kerk organiseren tweejaarlijkse landelijke bijeenkomsten; de zgn. kerkdagen en katholiekendagen.
Protestantse kerken. De in totaal 18 Lutherse en gereformeerde (reformierte) kerken in West-Duitsland die zijn verenigd in de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD), hebben zich in 1991 verenigd met de Bund der Evangelischen Kirchen uit de voormalige DDR (opgericht in 1969). Zie voor de ontwikkeling van de Duitse Lutherse Kerken Lutherse Kerken.
Rooms-Katholieke Kerk. Duitsland omvat thans zeven rooms-katholieke aartsbisdommen, Bamberg, Keulen, Freiburg, München en Freising, Paderborn, Hamburg en Berlijn; er zijn 20 bisdommen. Het aartsbisdom Keulen is het rijkste ter wereld, mede dankzij de kerkbelasting ( 'Kirchensteuer').

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 23 mei 1949 verklaarde de Bondsrepubliek tot een 'federatieve, democratische, parlementaire en sociale rechtsstaat'. De Bondsdag, het parlement, is het hoogste orgaan en oefent de wetgevende macht uit. Hij wordt voor vier jaar door het volk gekozen krachtens algemeen direct kiesrecht, volgens een stelsel dat een compromis vormt tussen de evenredige vertegenwoordiging en het meerderheidsstelsel. In bepaalde gevallen kan hij ontbonden worden. De Bondsraad bestaat uit leden van de regeringen der deelstaten (drie, vier, vijf of zes naar gelang van het aantal inwoners van de desbetreffende deelstaat). De Bondsraad heeft o.a. een opschortend vetorecht tegen de meeste wetten die door de Bondsdag zijn aangenomen. De Bondsregering bestaat uit de bondskanselier (door de Bondsdag benoemd op voorstel van de bondspresident) en de bondsministers (door de bondspresident benoemd op voorstel van de bondskanselier). De bondskanselier heeft een grote persoonlijke macht. Hoewel alle ministers verantwoordelijk zijn aan de Bondsdag, kan alleen tegen de kanselier een motie van wantrouwen worden aangenomen, aangezien hij het enige kabinetslid is dat door het parlement gekozen is. Hij hoeft dan slechts af te treden, indien de meerderheid het eens is over de keuze van een opvolger. De bondspresident is het staatshoofd en heeft slechts zeer beperkte bevoegdheden. Zijn taken zijn overwegend van representatieve aard. Hij wordt voor vijf jaar gekozen door de bondsvergadering, een college bestaande uit de Bondsdag en een gelijk aantal afgevaardigden, gekozen door de parlementen van de deelstaten en kan één keer herkozen worden. Actief en passief kiesrecht bestaat voor alle staatsburgers vanaf 18 jaar.
De deelstaten (Länder) hebben elk hun eigen volksvertegenwoordiging, de Landtag. Deze kiest een minister-president, die de andere leden der regering benoemt. In Hamburg en Bremen heeft men in plaats van de Landtag de Bürgerschaft en in plaats van de regering de Senat. De grondwet bakent de bevoegdheden van Bond en deelstaten af. Buitenlandse zaken, nationaliteit, geldwezen, maten en gewichten, spoorwegen, luchtverkeer, octrooi- en auteursrecht zijn aan de Bond voorbehouden. Voorts geldt: 'Bondsrecht breekt deelstaatrecht'.
3.2 Administratieve indeling
Het nieuwe Duitsland is onderverdeeld in 16 Länder, elk met een eigen grondwet, (direct gekozen) parlement en regering.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
In 1973 werd de Bondsrepubliek toegelaten als lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties. Vanaf de oprichting (1957) is zij lid van de Europese Unie (EU), de West-Europese Unie (WEU), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Europese Raad, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Ook na de hereniging met de Duitse Democratische Republiek in 1990 is de Bondsrepubliek lid van de NAVO (sinds 1955) gebleven.
3.4 Politieke organisatie: partijstelsel; vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Christlich-Demokratische Union Deutschlands (CDU), de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), de Christlich Soziale Union (CSU), de liberale Freie Demokratische Partei (FDP) en de links-progressieve partij Bündnis 90/Die Grünen. De Partei des Demokratischen Sozialismus (PDS) van Gregor Gysi kwam in 1990 voort uit de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED), die tussen 1946 en 1990 de eenheidspartij van de DDR was. De PDS behaalde echter tot nog toe steeds minder dan 5% van de stemmen. In sept. 1990 fuseerde zowel de CDU als de SPD met hun resp. Oost-Duitse varianten. Die Grünen, opgericht in 1980, gingen bij de Bondsdagverkiezingen van 1990 een lijstverbinding aan met de voormalige DDR-oppositiepartij Bündnis 90. In 1993 kwam het tot een fusie van beide partijen. De CDU en de CSU vormen in de Bondsdag een gezamenlijke fractie en hebben zowel rooms-katholieke als protestantse kiezers. Er bestaat nog een aantal kleinere partijen, maar die hebben weinig kansen door de hoogte van de kiesdrempel: een partij kan pas afgevaardigden sturen naar de Bondsdag, indien zij ten minste 5% van de stemmen heeft behaald. De rechts-radicale partijen (zoals de Republikaner van Franz Schönhuber) zijn er vooralsnog niet in geslaagd deze drempel bij de Bondsdagverkiezingen te overwinnen. Bij vertegenwoordiging van nationale minderheden wordt wel afgeweken van deze 5%-regel: zo is er een kleine Deense groep vertegenwoordigd in het parlement van de deelstaat Sleeswijk-Holstein.
Tussen werkgevers en werknemers bestaan relaties als sociale partners. Men kent de tariefautonomie: werkgevers en werknemers mogen zonder inmenging van de staat arbeidsovereenkomsten afsluiten. De werknemers zijn georganiseerd in een klein aantal vakverenigingen. De grootste hiervan is de Deutscher Gewerkschaftsbund (DGB) met 9, 4 miljoen leden. In de DGB zijn 16 vakbonden georganiseerd. Voorts zijn er nog de Deutsche Angestellten-Gewerkschaft (DAG) met 500.000 leden en de Deutscher Beamtenbund (DBB) met 1,1 miljoen leden. Deze vakverenigingen zijn politiek en confessioneel onafhankelijk. De meeste werkgevers zijn georganiseerd in talrijke verbonden, overkoepeld door de Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände (BDA). Wettelijk hebben de werknemers het stakingsrecht, de werkgevers het recht van bedrijfssluiting als uiterste middelen. Stakingen komen zelden voor. Werkgevers en werknemers benoemen bijzondere scheidsrechters in de Arbeitsgerichte.

4. Economie
4.1 Algemeen
Duitsland heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste industrielanden ter wereld en werd slechts weinig getroffen door de economische recessies in de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig. Het nationaal product per hoofd behoort met o.a. dat van de Verenigde Staten en Japan tot de hoogste ter wereld en de Duitse Mark (DM) behoort tot de meest waardevaste valuta ter wereld.
Het economische stelsel van na 1945 kan men een sociale markteconomie noemen. De staat geeft globale leiding, maar heeft geen directe bemoeienis met bijv. de loon- en prijsvorming. Door het Kartellgesetz (1957) wordt de concurrentie beschermd tegen ondernemersafspraken. Door een veelomvattende sociale wetgeving is de arbeidsvrede goeddeels bewaard gebleven. De leiding door de staat komt o.a. tot uiting in de Konzertierte Aktion, een tripartite-overleg tussen de overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties om conjunctuurbeleid te voeren. In de tweede helft van de jaren negentig kreeg Duitsland te kampen met grote werkloosheid, stagnatie van de groei en hoge begrotingstekorten, mede als gevolg van het snelle proces van eenwording.
Het bruto nationaal product (bnp) steeg van 302 miljard DM in 1960 tot 3445 miljard DM in 1995. Ondanks de prijsstijgingen hield dit een flinke productiestijging in. Bijna de helft van het bnp was afkomstig van industrie en mijnbouw; het aandeel van de agrarische sector nam af van 5, 7% in 1960 tot 1,6% in 1995; de dienstensector steeg in dezelfde periode van 11,4% tot 64%; het aandeel van de staat ging van 7,2 in 1960 naar 13% in 1988. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg van 4331 DM in 1960 tot 45!200 DM in 1994. Het aandeel van de loontrekkenden steeg van 60,4% in 1960 tot 68,6% in 1988. De miljoenen vluchtelingen uit de Duitse Democratische Republiek (DDR) droegen wezenlijk bij tot het 'Wirtschaftswunder'. De beroepsbevolking steeg van 20, 4 miljoen in 1950 tot 29,6 miljoen in 1989, na 1960 vnl. door de komst van buitenlandse gastarbeiders (in 1973 een piek met 2,5 miljoen), in de jaren tachtig vooral door de toevloed van asielzoekers en burgers uit de DDR. Zie ook §5. Geschiedenis.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Duitsland heeft een productieve landbouw, die meer dan driekwart van de Duitse behoefte aan agrarische producten dekt. De mechanisatie is in de bedrijfsvoering sterk doorgedrongen. Driekwart van de landbouwbedrijven is coöperatief georganiseerd; gespecialiseerde kippen-, varkens- en rundermesterijen worden zeer rationeel gedreven. De hoofdproducten van de akkerbouw zijn granen (vooral in het laagland in het noorden, Münsterland, Oberpfalz en Beieren), aardappelen, suikerbieten (in de driehoek Hannover-Brunswijk-Kassel), fruit, groente en wijn (zie Duitse wijnen). Ondanks herverkaveling overheerst nog het kleinbedrijf. Het grootbedrijf vindt men vooral in het noordwesten. De gehele landbouw ondervindt de invloed van de Europese Gemeenschap (toenemende vrijhandel).
De belangrijkste West-Duitse deelstaten voor de bosbouw zijn Beieren, Baden-Württemberg, Hessen, Rheinland-Pfalz. Bijna eenderde deel van West-Duitsland (10,3 miljoen ha) is met bos bedekt. Behalve voor de houtwinning is het bos van groot belang voor de recreatie en de milieubescherming. Op plaatsen waar men bomen kapt is men wettelijk verplicht nieuwe bomen te planten. In de jaren tachtig constateerde men steeds meer schade aan de bossen ten gevolge van de zure regen. Met behulp van nationale en internationale maatregelen probeert Duitsland tot vermindering van de luchtvervuiling te komen.
De visserij is de laatste jaren sterk gemoderniseerd. De EG heeft vangstbeperkingen ingesteld; in 1977 hebben de staten langs de Noord-Atlantischhe Oceaan en de Noordzee een visserijzone van 200 zeemijlen ingesteld.
Tuinbouw wordt vooral beoefend rond Erfurt. Wat de veehouderij betreft, is het fokken van runderen m.n. in het zuiden geconcentreerd, schapenfokkerijen m.n. in Saksen en Thüringen.
Bosbouw komt vooral voor in Pommeren, Thüringen en in het Saksische bergland. Het bosareaal beslaat 10,4 miljoen ha, waarvan een kwart is aangetast door zure regen.
Visserij vindt vnl. plaats in de Noord- en Oostzee en de Atlantische Oceaan.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Duitsland staat bekend als uitgesproken grondstofarm. Ze beschikt over bescheiden hoeveelheden ijzererts, aardolie en aardgas. Slechts de voorraden steenkool, bruinkool en zout zijn overvloedig. De winning is evenwel te duur geworden door de hoge loonkosten. Steenkool wordt vooral gedolven in het Ruhrgebied en het Saarland, bruinkool bij Helmstedt en Keulen en rond Leipzig, Halle, Dresden en Cottbus, waar de winning en het gebruik van bruinkool als brandstof voor ernstige milieuproblemen heeft gezorgd. Aardgas neemt in de nieuwe bondslanden de functie van bruinkool over. Zout wordt gewonnen bij o.a. Fulda.
In de energiebehoefte wordt 42% door aardolie, 18,6% door aardgas, 17,2% door steenkool en 12% door kernenergie voorzien (1993). Rijke aardgasvondsten werden gedaan in Oost-Friesland. Het aardgas dekte in 1987 15% van de totale energiebehoefte, waarvan 28% uit binnenlandse bronnen. Ca. 30% van het geïmporteerde aardgas komt uit Nederland. Het gebruik van kernenergie neemt nog steeds toe, ondanks opslag- en veiligheidsproblemen, en politieke tegenstand. Er waren in 1987 21 kerncentrales in werking. De opslag van het radioactieve afval in Noord-Duitsland heeft tot omstreden transporten geleid.
4.4 Industrie
West-Duitsland. Opmerkelijk is de geconcentreerde structuur met sterke horizontale en verticale vervlechtingen van bedrijven, waardoor grote concerns ontstonden. Meer dan de helft van de industriële bedrijven is klein (minder dan 50 werknemers); slechts 5% bestaat uit grootbedrijven met meer dan 500 werknemers. Meer dan de helft van alle werknemers werkt in deze grootbedrijven; ook leveren deze ruim de helft van de totale industriële productie. Het grootbedrijf overheerst in de steenkool-, staal-, aardolie-, chemische en automobielindustrie. De belangrijkste primaire bedrijfstak is de chemische industrie (Hoechst, BASF en Bayer) met een half miljoen werknemers. Van groot belang zijn voorts de machine- en apparatenfabricage en de productie van transportmiddelen.
Na de Verenigde Staten en Japan is West-Duitsland de derde producent van personenauto's. De elektrotechnische industrie en de productie van bureaumachines en computers staan op een hoog peil. In deze bedrijfstak werken meer dan een miljoen mensen. Van de verbruiksgoederenindustrie zijn vooral de textiel en bekleding van belang. West-Duitsland is West-Europa's grootste producent van o.a. ruw ijzer en ruw staal, walserijproducten en van katoenen garens en weefsels. Het Ruhrgebied, waar de zware industrie domineert, is al vele decennia lang het zwaartepunt van de West-Duitse economie.
Nog voor de hereniging van de beide Duitslanden waren reeds diverse samenwerkingsverbanden tussen de West- en Oost-Duitse industrie tot stand gekomen. In maart 1990 werd de Treuhandanstalt, de organisatie die de privatisering van de Oost-Duitse staatsbedrijven zou coördineren, opgericht.
Oost-Duitsland. Eisenhüttenstadt is de belangrijkste zetel van de zware industrie. Het ligt aan de Oder, waardoor veel van de ruwe grondstof over water kan worden aangevoerd (cokes uit Pools Silezië en ijzererts uit Oekraine) en het gietijzer kan worden afgevoerd (naar de staalfabrieken van Hennigsdorf en Brandenburg en de metaalindustrie van o.a. Magdeburg, Berlijn en Leipzig). Een ander centrum van gietijzerproductie is Calbe aan de Saale, waar de ijzerertsen (met een laag gehalte) van het Harzgebergte en cokes van bruinkool worden verwerkt. In weerwil van de bereikte resultaten blijft het grote manco dat de metaalverwerkende industrieën geen eigen grondstoffenbasis hebben, waardoor zij in een kwetsbare positie verkeren. Machinebouw, metaalindustrie, chemische industrie en textielnijverheid zijn de belangrijkste bedrijfstakken. De geografische spreiding van de industrie is in grote lijnen als volgt: machinebouw en metaalindustrie voornamelijk in Saksen en Thüringen (Chemnitz, Magdeburg, Leipzig, Weimar, Dresden); automobielindustrie in Eisenach, Zwickau en Brandenburg; scheepsbouw in Rostock; lichte metaalindustrie in Thüringen; optische industrie in Jena en Dresden; elektrotechnische industrie in Leipzig, Erfurt en Dresden; chemische industrie vooral in het gebied van Leuna-Schkopau-Bitterfeld, in Berlijn en Dresden; textielindustrie in het gebied (Chemnitz)-Zwickau-Plauen; rubberindustrie te Gotha, Leipzig en Riesa; voedings- en genotmiddelenindustrie in Thüringen (vleeswaren) en Saksen-Anhalt (conserven).
4.5 Handel
De gezamenlijke waarde van in- en uitvoer steeg van 19, 7 miljard DM in 1950 tot meer dan 1370 miljard DM in 1994, daarmede de tweede plaats bereikend in de wereldhandel, na de Verenigde Staten. De handelsbalans vertoont een aanzienlijk overschot; tot 1991 was het zelfs groter dan dat van Japan (134,7 miljard in 1989; sinds de hereniging teruggevallen op 22 miljard in 1991, opgeklommen naar 112 miljard in 1995). De dienstenbalans vertoont daarentegen een groot negatief saldo, vooral door het Duitse toerisme in het buitenland en de export van DM door buitenlandse werknemers. Geëxporteerd worden vooral machines, auto's, elektrotechnische en chemische producten. Bij de invoer spelen vooral voedings- en genotmiddelen, aardolie en aardgas een rol. Binnen de Europese Gemeenschappen is de handel sterk toegenomen. In 1986 kwam 52% van de totale invoer uit de EG-staten, terwijl 51% van de uitvoer daarheen ging. De grootste handelspartners zijn Nederland en Frankrijk. De Oost-Europese landen spelen een bescheiden rol zowel in de in- als in de export.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking
Duitsland verleent bilaterale en multilaterale hulp. Tot de laatste vorm behoort de deelname aan werk van de Verenigde Naties, de Wereldbank en het Ontwikkelingsfonds van de EG. Naast de regeringshulp bestaan allerlei particuliere organisaties, zoals kerken, vakbonden en stichtingen, die ontwikkelingshulp bedrijven.
4.7 Bankwezen en beurzen
Als centrale bank fungeert de Deutsche Bundesbank (1957) in Frankfurt am Main, een der belangrijkste financiële centra ter wereld. Andere belangrijke banken zijn de Deutsche Bank, de Dresdner Bank, de Commerzbank, de Westdeutsche Landesbank en de Bayerische Vereinsbank.
Beroemd sinds eeuwen zijn de jaarbeurzen (Messen) van Frankfurt en Leipzig. Later kwamen er vele bij, o.a. in Berlijn, Düsseldorf, Hamburg, Hannover, Keulen en München.
4.8 Verkeer
De grootste transportonderneming is het staatsbedrijf Deutsche Bundesbahn. In 1993 beschikte Duitsland over 44!252 km rail. Het vrachtautovervoer verzorgt echter 80% van alle goederentransport. Het wegennet meet (1994) ruim 227!200 km, waarvan ruim 11!080 km Autobahn. Het aantal voertuigen is van 1,9 miljoen (1950) gestegen tot 46 miljoen (1994), waarvan 39,8 miljoen personenauto's. Slechts 20% van het personenverkeer geschiedt met openbaar vervoer. De zeescheepvaart, met als belangrijkste havens Hamburg, Bremen, Bremerhaven, Lübeck en Kiel, is van groot belang; voorts Rostock, Wismar en Stralsund. De binnenvaart op rivieren en kanalen (1993: 7467 km bevaarbaar) is zeer druk; ruim 60% van de binnenvaart geschiedt over de Rijn, het drukstbevaarde binnenwater in Europa. De belangrijkste havens zijn hier Duisburg, Keulen, Mannheim, Karlsruhe en Ludwigshafen. De luchtvaart wordt verzorgd door de Deutsche Lufthansa A.G. (opgericht in 1953) te Keulen. De belangrijkste luchthaven is Frankfurt am Main, gevolgd door Düsseldorf, Hamburg, München, Hannover, Stuttgart, Keulen, Neurenberg en Bremen; er zijn drie luchthavens te Berlijn, Tegel in het westen, Schönefeld in het oosten en Tempelhof in het zuiden van de stad.

5. Prehistorie
Hoewel enkele van Europa's oudste menselijke skeletresten (de onderkaak van Mauer en de schedel van Steinheim) van Duitse bodem stammen, zijn artefacten uit de periode vóór de Riss/Saale-ijstijd zeer schaars. Het laat- Acheuléen is beter vertegenwoordigd met als bekendste de vondstgroep van Salzgitter-Lebenstedt en de houten speer in het skelet van een Elephas antiquus uit Lehringen. Uit de tijd van de Neandertalmens (75!000 - 37!000 v.C.) stammen vuursteencomplexen van verschillende cultuurgroepen: Altmühl, Micoquien en Moustérien, zowel uit cultuurlagen in grotten als uit openluchtkampplaatsen. Dit laatste geldt ook voor het laat-paleolithicum, met achtereenvolgens het Aurignacien (met zes kleine dierfiguren van mammoetivoor uit de Vogelherdgrot), het Gravettien en het Magdalénien. Uit het einde van de laatstgenoemde cultuurperiode stammen de unieke kampplaatsen van Gönnersdorf bij Koblenz, onderzocht in de jaren 1968-1974, waar talrijke leisteenplaten met ingekraste figuren van dieren en mensen werden gevonden. Uit dezelfde periode stamt de oudste bewoning van de Noord-Duitse laagvlakte, de rendierjagers van de Hamburgcultuur.
Het verschil in materiële cultuur tussen Midden- en Zuid-Duitsland enerzijds en het noorden (dat aansluit bij de Scandinavische en Baltische prehistorie) anderzijds is een opvallend contrast in vrijwel de gehele prehistorie.
In het midden en zuiden wordt het mesolithische Tardenoisien (8200-5300 v.C.) afgesloten met de introductie van de agrarische levenswijze van de bandkeramische cultuur, het vroegste neolithicum. Deze valt vervolgens uiteen in verschillende culturen. De belangrijkste opeenvolging is: bandkeramiek (5300-4800), Rössen-cultuur (4800-4400), Michelsbergcultuur (4400-3600). Vooral door grootscheepse opgravingen in het bruinkoolwinningsgebied van de Aldenhovener Platte ten oosten van Aken, sedert 1970, is onze kennis van het vroege neolithicum aanzienlijk vergroot.
In het noorden wordt het mesolithicum gekenmerkt door niet geslepen vuurstenen bijlen. Contacten met het zuiden leiden, ca. 4500 v.C., tot het ontstaan van de half-neolithische Ertebøllecultuur, omstreeks 3800 v.C., opgevolgd door de trechterbekercultuur.
Sedert 3100 v.C. tot aan het begin van de bronstijd vindt men in geheel Duitsland sporen van de verschillende bekerculturen.
Er zijn drie centra van vroege bronsindustrie: één in Baden-Württemberg en Zuid-Beieren (Singen), één in het oosten (ÚnÉtice-cultuur), beide sedert ca. 2100 v.C. Een derde cultuurgebied sluit in het noorden aan bij de Scandinavische bronstijd, sedert ca. 1500 v.C. De vroege en midden-bronstijd worden gekenmerkt door begraving onder grafheuvels, de mannen met wapenrusting. Enkele zeer rijke 'vorstengraven' laten voor het eerst een sociaal gelaagde maatschappij zien. Sedert ca. 1200 v.C. verandert de grafgewoonte en vinden urnenvelden ingang.
De ijzertijd (sedert 750 v.C.) wordt verdeeld in de Hallstatt-cultuur en de La Tène-cultuur, beide met beroemde, zeer rijke vorstengraven en vorstenburchten, zoals de Heuneburg. In de La Tène-tijd treedt de eerste aanzet tot het vormen van steden op, de oppida, zoals die te Manching. Buiten het gebied van de Romeinse bezetting zet de ijzertijd zich voort tot aan de volksverhuizingstijd (ca. 375 n.C.). Romeinse import in dit gebied wijst op uitgebreide handelsbetrekkingen.

6. Geschiedenis
6.1 Duitsland tot 843
De onder de naam Duitsland samengevatte gebieden werden bij het begin van onze jaartelling bewoond door Germaanse volken (vandaar de Romeinse naam Germania) en door Slavische ten oosten daarvan. Zij vormden geen staten, maar soms sloten enige volken zich onder een koning tijdelijk aaneen. Met het Romeinse Rijk kwamen zij in aanraking in de tijd van Julius Caesar, die in het zuiden en westen van de Rijn enkele Germaanse volken onderwierp (zie ook Germanen). Nadat tijdens Augustus de Elbe de grens van het Romeinse Rijk was geweest, werd na de Slag in het Teutoburgerwoud (9 n.C.), waar de Germaanse vorst Hermann de legioenen versloeg, en na de tochten van Germanicus de Rijn de grens van het rijk en in het zuiden de Donau.
Deze grens werd tussen de 2de en 4de eeuw n.C. herhaaldelijk door Germaanse legers overschreden, terwijl zich grotere volksverbonden ten oosten van de Rijn vormden (zie Franken, Goten), en de Slaven in het oosten meer en meer opdrongen. Na de grote Volksverhuizing hadden dezen het gebied ten oosten van de Elbe geheel in hun macht, terwijl in het westen een Frankisch, een Alamannisch en in het zuiden een Ostrogotisch en een Bourgondisch rijk zich vormden. Het Frankische Rijk breidde zich nu zo uit, dat onder Karel de Grote geheel Duitsland ten westen van de Elbe en langs de Donau tot het tegenwoordige Hongarije ertoe behoorde; enkele Slavische stammen ten oosten hiervan waren schatplichtig.
6.2 Het Duitse Rijk in de middeleeuwen
Het ontstaan van het Duitse Rijk gaat terug op het Verdrag van Verdun (10 aug. 843) en het Verdrag van Meerssen (8 aug. 870). Te Verdun werd het Frankische Rijk verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome: Lotharius, de oudste, verkreeg, behalve de keizerskroon en de twee hoofdsteden Rome en Aken, Italië, de Provence en een lange strook van Bourgondië over Lotharingen en Brabant naar Friesland; Karel de Kale kreeg het westen (het oude Gallië); Lodewijk de Duitser het oosten met Speyer, Mainz en Worms op de linkeroever van de Rijn. Bij de dood van Lotharius (855) werd zijn rijk verdeeld onder zijn drie zonen: Lodewijk II kreeg Italië met de keizerskroon; Karel ontving het zuidelijk deel van de zich van de Middellandse Zee tot de Noordzee uitstrekkende middenzone en Lotharius II het noordelijk deel daarvan.
De grens tussen beide delen werd gevormd door het Plateau van Langres. Dit noordelijk deel kreeg de naam van zijn heerser: Lotharingen (Regnum Lotharii). Na Lotharius' dood werd zijn rijk verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser (Verdrag van Meerssen, 870). De grens tussen het Franse en het Duitse Rijk kwam hierbij ongeveer samen te vallen met de loop van Saône en Maas. In 880 kwam Lotharingen geheel aan Lodewijk III, zoon en opvolger van Lodewijk de Duitser. De Schelde werd toen grensstroom; vele eeuwen bleef dit zo.
Wegens de strijd tussen de Karolingische troonpretendenten en door de groeiende macht van de stamhertogen had het keizerlijk gezag weinig te betekenen. Na Lodewijk het Kind (900-911), de laatste Duitse Karolingische koning, schonken de rijksgroten de kroon aan de hertog van Frankenland, Koenraad I (911-918). Met diens opvolger Hendrik I (919-936) begint de grote tijd van het Duitse Rijk (919-1250). Achtereenvolgens behoorden de koningen tot het Saksische Huis (919-1024), het Salische Huis (1024-1125) en het Huis der Hohenstaufen (1138-1254). De meeste van hen waren behalve Duits koning ook keizer. De politiek van de Duitse koningen was drievoudig: a. de strijd tot herstel, behoud of uitbreiding van de centrale keizerlijke macht tegen het streven naar onafhankelijkheid van de rijksgroten; b. de strijd tot behoud of uitbreiding van het rijksgebied in het oosten over de Elbe; c. bovenal de strijd om Italië, met daaraan vastgeknoopt de strijd tegen de pausen om de heerschappij over de kerk, met als hoogtepunt: de Investituurstrijd. De grootste keizers waren Otto I de Grote (936-973), die in 962 als eerste niet-Karolingische Duitse koning de keizerskroon verwierf, Koenraad II (1024-1039), Hendrik III (1039-1056), Hendrik IV (1056-1106), Hendrik V (1106-1125), Frederik I (1152-1190), Hendrik VI (1190-1197) en Frederik II (1212-1250).
Otto I slaagde erin zijn gezag te vestigen en uit te breiden, zowel ten aanzien van wereldlijke rijksvorsten als van pausen en bisschoppen. Sedertdien werd het gewoonte te spreken van het Duitse Rijk of het Heilige Roomse Rijk (der Duitse Natie). Tijdens de regeringen van Hendrik IV en zijn opvolgers woedde de Investituurstrijd. Deze eindigde met het Concordaat van Worms (1122), waarbij de keuze van de bisschoppen aan de geestelijkheid werd overgedragen. Onder Frederik I beleefde de koninklijke macht een hoogtepunt.
In 1254 (dood van Koenraad IV) brak een tijd van anarchie aan, het Interregnum. In okt. 1273 kozen de keurvorsten Rudolf van Habsburg (1273-1291) tot koning. Gedurende ongeveer anderhalve eeuw was de keizer de speelbal van de keurvorsten. Duitsland werd een federatie, bestaande uit grote vorstendommen, honderden heerlijkheden en een aantal vrije steden. Het keizerlijk gezag werd slechts dan erkend, wanneer de keizer een grote persoonlijke macht bezat. Met Albrecht II (1438-1439) kwam de Duitse kroon definitief aan de Habsburgers. Zijn eerste opvolgers waren Frederik III, Maximiliaan I (sedert wie de Duitse koningen automatisch de keizerstitel voerden) en Karel V.
6.3 Het Duitse Rijk onder de Habsburgers
Onder het bewind van Maximiliaan I (1493-1519) werden in het Heilige Roomse Rijk, eigenlijk voor het laatst, interne hervormingen van enig belang doorgevoerd, met name de Eeuwige landvrede, de oprichting van het Reichskammergericht, de indeling in tien Kreitsen en de instelling van de Reichsmatrikelordnung. Dit alles was echter ontoereikend om de reeds vérgevorderde staatkundige desintegratie van het Rijk zelfs maar tot stilstand te brengen. Het uitgeholde keizerschap kon slechts in verbinding met de imposante Habsburgse 'Hausmacht' (dwz. de macht die de dynastie kon ontlenen aan haar territoriale bezittingen) in de rijkspolitiek nog invloed laten gelden, terwijl de Rijksdag, die in zijn drie collegiën de rijksstanden, te weten de keurvorsten, vorsten en vrije steden, verenigde, al om structurele redenen niet geschikt was om een werkelijk middelpunt van de politieke bedrijvigheid te worden. De blijvende tegenstelling tussen de keizer en het rijksapparaat enerzijds en het ongebreidelde particularisme der rijksstanden, in het bijzonder der territoriale vorsten, anderzijds (in totaal waren er meer dan 2500 staatjes) werden in het tijdperk der Reformatie in aanzienlijke mate verscherpt. In de streken die protestants werden, wisten de betrokken vorsten en stadsbesturen door de secularisering van de kerkelijke goederen en door de vestiging van een eigen kerkelijke organisatie, het Landeskirchentum, hun machtspositie te versterken. Doordat ettelijke geestelijke vorstendommen in wereldlijke omgezet werden, zag de keizer daarentegen zijn invloed vooral in het noordoosten van het Rijk ernstig achteruitgaan. De godsdienstige verdeeldheid, door de Vrede van Augsburg (1555) bezegeld, werd door de beide partijen als ondraaglijk ondervonden; de pogingen, vooral van rooms-katholieke zijde, om het precaire evenwicht alsnog ten eigen gunste te doen omslaan, leidden ten slotte tot de Dertigjarige Oorlog. De Habsburgers, die in en buiten Duitsland als aanvoerders van het katholieke kamp optraden, hoopten daarbij ook het keizerschap een nieuwe inhoud te geven. Op het hoogtepunt van de katholieke successen kondigde Ferdinand II in 1629 het Restitutie-edict af, dat indirect ook zijn keizerlijk gezag moest schragen. Toen bleek evenwel dat zelfs de Duitse bondgenoten van het Habsburgse Huis de onbeperkte handhaving van de liberteit der rijksstanden boven het belang van de katholieke zaak stelden, zodat het hele streven op niets uitliep. In de latere fase van de Dertigjarige Oorlog, toen reeds duidelijk was dat op Duitse bodem in feite Europese machtsconflicten werden uitgevochten, vond weliswaar een toenadering plaats tussen de keizer en de overige Duitse vorsten, doch het was al te laat om de noodlottige ontwikkeling te bezweren. De Vrede van Westfalen (1648), die de godsdienstige verhoudingen in het Heilige Roomse Rijk definitief geregeld heeft en zodoende aan het langdurige conflict een eind heeft gemaakt, is in andere opzichten voor de Duitse natie bepaald funest geweest. Het Rijk, dat gedurende die oorlog de zwaarste beproevingen had moeten doorstaan, boette thans voor zijn machteloosheid met het verlies van uitgestrekte gebieden, met name in het westen, en ondervond, wat zijn staatkundige structuur betrof, een verdere verzwakking. Van het keizerschap bleef nauwelijks meer over dan een lege titel, en de afzonderlijke Duitse staten die het Ius foederationis hadden verworven, mochten voortaan nagenoeg zonder beperkingen een eigen buitenlands beleid voeren.
Met de opkomst van Brandenburg-Pruisen werd in de rijkspolitiek het tijdperk van het Oostenrijks-Pruisische dualisme ingeluid, dat men zonder meer als de laatste fase van het staatkundig verval van het Heilige Roomse Rijk kan beschouwen. Immers, beide mogendheden, aan de oostelijke periferie van het Duitse grondgebied gelegen en grotendeels, als staten met een eigen karakter, de Duitse verhoudingen ontgroeid, beschouwden de rest van het Rijk als speelruimte voor hun niets ontziende belangenpolitiek, daarin gevolgd door kleinere landen als Saksen, Beieren en Hannover. Voor de ontbinding van het Heilige Roomse Rijk was het feit typerend, dat men in de volksmond ten slotte nog maar de versnipperde gebieden aan de Midden-Rijn het Rijk noemde.
6.4 De Franse overheersing
De periode van revolutionaire en Napoleontische oorlogen (1792-1815) was voor Duitsland een tijd van zware beproevingen en diepgaande veranderingen, vooral op politiek gebied. Nog voor de 18de eeuw om was, lijfde het zegevierende Frankrijk al het land aan de linker Rijnoever in. Om de Duitse vorsten die hierdoor hun bezittingen verloren hadden, schadeloos te stellen, werden door de beschikking van de Reichsdeputationshauptschluss (1803) de geestelijke vorstendommen en de meeste dwergstaatjes onder de gegadigden verdeeld, waarbij de door Frankrijk begunstigde Zuid-Duitse landen Beieren, Württemberg en Baden en ook het neutrale Pruisen het leeuwendeel van de buit wisten in te palmen. Napoleon zag toen en later de kans schoon de Franse invloed in Duitsland stelselmatig te versterken. Toen in 1806 zestien Duitse vorsten onder leiding van de vorst-aartsbisschop van Mainz, von Dalberg, de Rijnbond stichtten, betekende dat de ondergang van het Heilige Roomse Rijk. Zijn laatste keizer, Frans II (1792-1806), die sinds 11 aug. 1804 de titel van keizer van Oostenrijk voerde, legde op 6 aug. 1806 onder Franse druk zijn oude waardigheid neer.
Kort daarop geraakte Pruisen, dat tot dan toe geheel Noord-Duitsland buiten de oorlog had gehouden, in een gewapend conflict met Frankrijk, dat voor de eerstgenoemde mogendheid een rampspoedig verloop had. Alleen op voorspraak van de Russische tsaar liet men in het vredesverdrag van Tilsit (1807) een gehalveerd Pruisen voortbestaan, dat evenwel door loodzware materiële lasten, die het bij die gelegenheid opgelegd kreeg, aan Frankrijk werd gekluisterd. De door Pruisen afgestane gebieden in Duitsland werden deels onder de Rijnbondsstaten verdeeld, deels als koninkrijk Westfalen aan Napoleons jongste broer Jerôme overgedragen. In 1810 werd, tegelijkertijd met de annexatie van Holland, een brede kuststrook in Noordwest-Duitsland, met de havensteden Bremen, Hamburg en Lübeck, door Frankrijk ingelijfd. Op Pruisen en Oostenrijk na waren intussen alle nog bestaande Duitse staten leden van de Rijnbond geworden, die onder het beschermheerschap van Napoleon stond en een instrument van Franse politiek was.
De omstandigheid dat het grootste deel van de Duitse natie rechtstreeks of indirect onder Franse heerschappij was geraakt, wekte er om verscheidene redenen ontevredenheid, doch een nationaal bewust verzet kwam nochtans maar zelden voor. Alleen in het vernederde Pruisen werden de ontwikkelde kringen dragers van een anti-Franse oppositie, die deels een romantisch-nationaal, deels een behoudend-Pruisisch karakter had. De bevrijdingsoorlog van 1813-1815 bleef in Duitsland daarom in de eerste plaats een diplomatieke en militaire aangelegenheid, terwijl slechts een deel van het publiek nationale geestdrift aan de dag legde.
6.5 De strijd om de Duitse eenheid
Het was pas de teleurstelling over de wijze waarop de Duitse verhoudingen op het Congres van Wenen werden geregeld, die in het volk, en dan alweer in de ontwikkelde kringen, de opkomst van moderne nationale gezindheid aanwakkerde. Ondanks grote territoriale verschuivingen bleef Duitsland namelijk verdeeld in liefst 39 staten van uiteenlopende grootte en betekenis, waarvan het grondgebied meestal verbrokkeld was en grillige vormen vertoonde. Te zamen vormden deze staten de Duitse Bond. Pruisen, dat in tegenstelling tot het multinationale Oostenrijk een overwegend Duitse bevolking had, moest in de Duitse politiek na 1815 met een tweede plaats genoegen nemen, o.a. omdat de Berlijnse bewindslieden te veel aan de leiband van Metternich liepen, die de koers van de Duitse Bond bepaalde.
Als tegenstander van alle nationale en liberale strevingen trachtte hij de ontwikkeling naar het constitutionalisme ten minste af te remmen en in de Duitse staten die reeds een grondwet hadden, de vestiging van een werkelijk liberaal bewind te beletten. In toenemende mate werd door de Bond ingegrepen tegen vooruitstrevende richtingen en groeperingen, waarvan de aanhang ondanks alle persecutie groeiende was. Pruisen, dat in politiek opzicht Oostenrijk volgde, werd op economisch terrein reeds uit eigenbelang voorvechter van een hechtere eenheid; de Zollverein die het in het leven geroepen had, omvatte sinds 1834 de meeste Duitse staten.
De Maartrevolutie van 1848 deed in Duitsland het nationale eenheidsstreven en het politieke radicalisme in een machtige stroom samenvloeien. Te Frankfurt a.M., in de Paulskirche, kwam een gekozen nationale vergadering bijeen, die tot taak had het toekomstige Duitse Rijk een vrijzinnige grondwet te geven, terwijl een provisorisch Rijksbewind onder leiding van aartshertog Johan als 'Reichsverweser' ingesteld werd. Weldra bleek echter, dat de territoriale verdeeldheid, diepgaande politieke meningsverschillen en een algemeen gebrek aan werkelijkheidszin de vernieuwers in een impasse brachten.
Toen de grondwet begin 1849 eindelijk gereedkwam, die de Duitse landen met uitzondering van Oostenrijk in een erfelijk keizerrijk onder Pruisische leiding verenigde, was de reactie reeds overal aan de winnende hand. De weigering van de Pruisische koning de aangeboden keizerlijke waardigheid te aanvaarden, bezegelde de nederlaag van het liberale nationalisme. Nadat een Pruisische poging een Duitse Unie op te richten door Oostenrijk en Rusland verijdeld was, werd in 1850 te Olmütz de Duitse Bond in zijn oude vorm hersteld.
De spanningen bleven uiteraard voortduren. Terwijl Oostenrijk na de Krimoorlog en de nederlaag in Italië (1859) in de Duitse politiek veel van zijn gezag en invloed verloor, trad het economisch en militair steeds belangrijker Pruisen onophoudelijk op de voorgrond. Sinds 1862, toen Bismarck te Berlijn aan het bewind was gekomen, nam de crisis binnen de Duitse Bond acute vormen aan. De conservatieve Pruis, die in zijn eigen land met de liberalen overhoop lag, zag er niet tegenop om met behulp van liberale en radicale nationalisten in andere Duitse landen de Oostenrijkse hegemonie te gaan bestrijden. Door koene diplomatieke manoeuvres zorgde hij ervoor dat het conflict in 1866 in een Duitse broederoorlog uitmondde, waarin Oostenrijk en zijn bondgenoten een verpletterende nederlaag leden.
De Duitse Bond viel uiteen en bij de Vrede van Praag werd Oostenrijk als machtsfactor voorgoed uit de Duitse politiek verdrongen. Pruisen, door de inlijving van uitgestrekte gebieden versterkt, vormde met de Duitse staten ten noorden van de Main de zgn. Noord-Duitse Bond, die qua structuur veel hechter was dan zijn voorganger en met name een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging kreeg. Met de Zuid-Duitse staten, die formeel onafhankelijk werden, sloot de Noord-Duitse Bond alliantieverdragen, die de reeds uit hoofde van de Zollverein bestaande economische banden completeerden.
Het streven van Oostenrijk en Frankrijk het Zuid-Duitse particularisme tegen de Pruisische hegemonie uit te spelen, was dus van meet af aan tot mislukking gedoemd. De Noord-Duitse Bond werd een tussenstadium op de weg naar de nationale eenwording, die evenwel een ander karakter zou krijgen dan de 48-ers zich destijds hadden voorgesteld. De door de Noord-Duitse Bond en de Zuid-Duitse staten gezamenlijk gevoerde oorlog tegen Frankrijk (zie Frans-Duitse Oorlog) bracht ten slotte in 1871 de eenheid tot stand.
6.6 Het rijk der Hohenzollern
De stichting van het Duitse keizerrijk te Versailles op 18 jan. 1871 door Bismarck, waarbij de Pruisische koning Wilhelm I Duits keizer werd, betekende de verwezenlijking van de Duitse nationale verlangens sedert de romantiek. Echter niet in alle opzichten, want door uitsluiting van het Habsburgse rijk was de Groot-Duitse eenheid van de baan. Bovendien was het nieuwe rijk niet een liberale constitutionele monarchie, door de natie zelf gesticht (zoals men in 1848 had gewild), maar een vorstenbond onder Pruisische leiding. Bismarck had zodoende op het nieuwe rijk het stempel van zijn conservatieve conceptie gedrukt; de kroon en de oude feodale bovenlaag bleven de dienst uitmaken en de invloed van de burgerij was in wezen beperkt. Dat conservatieve antiliberalistische karakter van de nieuwe staat bleek minder uit de constitutie als zodanig dan uit de mentaliteit en het hele normenstelsel dat zich nu ontwikkelde, waarbij adel en leger in velerlei opzichten het voorbeeld stelden. Eveneens bracht de nieuwe staat geen volledige oplossing van het centralisatievraagstuk.
De afzonderlijke staten bleven met hun vorsten en regeringen bestaan en behielden op cultureel en administratief gebied nog zeer veel zeggenschap, met name Beieren, welks zelfbewustzijn en traditie speciaal moesten worden ontzien. Doordat het ambt van rijkskanselier meestal samenviel met dat van Pruisisch minister-president (en steeds met dat van Pruisisch minister van Buitenlandse Zaken), ontstond er bovendien nog een zeer ingewikkelde twee-eenheidsverhouding: Rijk - Pruisen, die niet identiek maar toch zeer nauw gelieerd waren. Het buitenlandse beleid en de hoofdlijnen der binnenlandse politiek werden bepaald door de rijksregering, waarbij Bismarck voor de steun van een meerderheid in de Rijksdag wist te zorgen door op ingenieuze wijze de partijen tegen elkaar uit te spelen.
Allereerst verbond hij zich vooral met de liberalen, die hij voor zich gewonnen had door zijn succesvolle eenheidspolitiek. Met hun steun trachtte hij na 1871 de culturele invloed van het internationaal georiënteerde katholicisme in Duitsland te breken om een onbetwiste staatshegemonie in culturele en religieuze zaken te vestigen. Deze Kulturkampf werd na tal van antikerkelijke maatregelen ca. 1878 beëindigd, toen de gematigde Leo XIII paus werd en Bismarck de katholieke centrumpartij weer nodig had.
Inmiddels had Duitsland zich in snel tempo van een agrarisch land tot een industriële maatschappij ontplooid. Industrie en nijverheid vroegen om bescherming en zo maakte Bismarck een zwenking naar een protectionistische koers, die hem met de liberalen en hun vrijhandelsbeginselen in conflict bracht. Hij steunde na 1879 daarom op het centrum en de agrarische conservatieven. Daarnaast opende hij een steeds fellere strijd tegen het opkomende socialisme, vooral na de Socialistenwet van 1878. Door sociale verzekeringen trachtte hij het aan de andere kant de wind uit de zeilen te nemen. Toen in 1888 de jonge Wilhelm II de kroon aanvaardde, leidde diens drang tot grote daden al snel tot spanningen met de almachtige kanselier. Diens onverzettelijkheid ten aanzien van de socialisten en het sociale vraagstuk had in 1890 zijn ontslag tot gevolg.
Het buitenlandse beleid van Bismarck na 1871 was gekenmerkt door zijn these, dat Duitsland 'saturiert' was en dat de vrede gehandhaafd moest blijven. Door een uiterst gecompliceerd systeem van allianties (Triple Alliantie, Duple Alliantie, Driekeizerentente) trachtte hij de doodsvijand Frankrijk te isoleren. Op het Congres van Berlijn (1878) kon een dreigend conflict in de Balkan worden voorkomen. De tegenstanders Rusland en Oostenrijk wist hij beide aan Duitsland te binden. Toch bleek na Bismarcks ontslag, dat de Duitse positie allerminst onschokbaar was. Het Frans-Russische bondgenootschap (1892) en de Engels-Franse Entente (1904) waren tekenen aan de wand. De Duitse regeringen na 1890 gaven herhaaldelijk blijk van een verkeerde taxatie der internationale verhoudingen en vooral van een bedenkelijke zelfoverschatting. De enorme economische opbloei en de industrialisatie hadden het land namelijk ca. 1900 een belangrijke positie op de wereldmarkt verschaft, slechts door Groot-Brittannië en de Verenigde Staten overtroffen. De industriële productie verdrievoudigde tussen 1890 en 1914.
Daarmee kwam ook een imperialistisch streven in de politiek op, dat door brede lagen in de burgerij werd gedragen. De vlootbouw onder leiding van Alfred von Tirpitz was hiervan slechts het meest in het oog lopende symptoom, dat tot een breuk met Engeland leidde. In Afrika en Oceanië werd het reeds onder Bismarck ontstane koloniale rijk uitgebreid; in China deed het rijk mee aan de belangenverdeling; door de Bagdadspoorweg trachtte het economisch vat te krijgen op het Nabije Oosten. Dit imperialisme en de uitdagende houding bij tal van internationale spanningen in de jaren na 1900 dreven het rijk in een isolement, waarbij het alleen nog gesteund werd door de innerlijk gedesintegreerde Habsburgse monarchie.
Toen in de zomer van 1914 het kruitvat in de Balkan explodeerde, zag Duitsland zich dan ook met Oostenrijk geplaatst tegenover een Brits-Frans-Russische alliantie. Het ondervond slechts steun van Turkije en later van Bulgarije. Wel bleek nu de grote militaire kracht van het rijk (zie Eerste Wereldoorlog). De legerleiding slaagde erin door fel offensief optreden de oorlog buiten het land te houden. Diep in Frankrijk en in Polen vond de moordende strijd plaats. Hoewel een democratisering en een echte politieke integratie van burgerij en arbeiders in het keizerrijk met zijn semi-feodale structuur nooit hadden plaatsgevonden, bleek er aanvankelijk een grote nationalistische eensgezindheid en zelfs de socialisten steunden de oorlogskredieten.
De oorlog vergde echter steeds grotere offers, de bondgenoten bleken een blok aan het been en de tegenstanders groeiden aan tot ca. dertig staten, zodat de verwachte snelle overwinning voortdurend uitbleef. Daarmee kwam weer de vraag op naar constitutionele hervormingen, die een einde zouden maken aan de positie van de oude elite. Wel kon in 1918, ook dankzij de Russische revolutie, Rusland tot de vrede worden gedwongen, maar in de herfst van 1918 - de Verenigde Staten, geprovoceerd, door de onbeperkte onderzeebootoorlog, hadden zich inmiddels ook bij de Entente gevoegd - was de toestand aan het westfront uitzichtloos geworden. Weldra volgde de volledige ineenstorting. Een omwenteling maakte snel een einde aan de monarchie en de Republiek werd geproclameerd (9 nov. 1918).
6.7 De Weimar-republiek
Deze nieuwe republiek, waarin socialisten, democraten en het katholieke centrum de sterkste partijen vormden, zag zich allereerst voor de zware taak gesteld de wapenstilstand en vervolgens de vrede met de overwinnaars te sluiten. Bij de Vrede van Versailles (28 juni 1919) werden Elzas-Lotharingen en andere grensgebieden, benevens alle koloniën, afgestaan. Vooral de nieuwe oostgrens, waarbij Oost-Pruisen door de Poolse corridor van de rest van het rijk werd gescheiden, werd door vele Duitsers als ondraaglijk gevoeld. Het leger moest tot 100.000 man worden gereduceerd. De vloot mocht maximaal zes slagschepen van 10!000 ton, zes kruisers van 6000 ton en 24 torpedobootjagers hebben. Een nader uit te werken regeling voorzag in zeer hoge herstelbetalingen. Te Weimar was inmiddels een democratische constitutie uitgewerkt, die echter aan de president nog vrij grote invloed toekende. Eerste rijkspresident werd de socialist Friedrich Ebert.
De eerste jaren vertoonden een beeld van economische ellende en politieke chaos. De communistische Spartakusopstand (zie Spartakusbund) werd onderdrukt en aan de half-revolutionaire raden kwam eveneens een eind. De regering zag in de verwarring haar voornaamste taak in het handhaven van de orde, waarvoor zij de steun van de oude legerkringen nodig meende te hebben. Daarmee verkregen de conservatief-monarchale elementen al dadelijk weer een zekere invloed en de (overdreven) angst voor de bolsjevistische revolutie versterkte de invloed van de rechtse partijen al snel. Het jaar 1923 bracht een dieptepunt door de Franse Ruhrbezetting en de inflatie, die catastrofale gevolgen had en de hele economie ontwrichtte. Rechts-radicaal separatisme in Beieren, communistische woelingen in Thüringen en Saksen bedreigden de eenheid. In de komende jaren volgden echter een normalisering en verbetering van de toestanden. Ook internationaal kwam er ontspanning, o.a. door het Pact van Locarno (1925), geestesproduct van Stresemann en Briand, waarbij de verhouding tot de Entente verbeterd werd. Toch bleven de rechtse partijen, die door brede kringen werden gesteund, vreemd staan tegenover de democratie. De wereldcrisis van 1929 trof het land bijzonder zwaar. De werkloosheid ging met sprongen omhoog en bereikte in 1932 de 6 miljoen. Daarmee groeide het radicalisme van links, maar vooral van rechts aan tot een levensgroot gevaar voor de republiek. Dat gold vóór alles voor de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) van Adolf Hitler, die in 1930 107 zetels in de Rijksdag verwierf en daarmee de tweede partij werd (SPD 143 zetels). Gezien de felle tegenstellingen in de Rijksdag en de noodsituatie trachtten van 1930 tot 1933 enkele buitenparlementaire kabinetten (Brüning, von Papen en von Schleicher), steunend op het gezag van de oude rijkspresident von Hindenburg, die in 1925 Ebert was opgevolgd, de economische en politieke chaos de baas te worden. Daarbij werden de socialisten al spoedig uitgeschakeld en werd een reactionair beleid gevoerd. Toen in 1932 de NSDAP als sterkste partij uit de verkiezingen te voorschijn kwam, bleek echter spoedig dat haar demagogie en massa-aanhang elke regering verlamde die niet het risico van een militaire staatsgreep met de hulp van het leger aandurfde. Aangezien men dat risico niet wilde nemen, werd ten slotte Hitler rijkskanselier van een kabinet waarin naast enkele nationaal-socialisten ook Duits-nationalen en partijloze conservatieven zitting hadden (30 jan. 1933).
6.8 Het Derde Rijk
Op even bekwame als onscrupuleuze wijze wist Hitler binnen enkele maanden alle coalitiepartners uit te schakelen en een dictatoriaal eenpartijregime te vestigen, waarbij hij van een ongekende terreur gebruikmaakte; de Rijksdagbrand, het Ermächtigungsgesetz, de opheffing van de vakbonden en uitschakeling van de andere partijen, dat alles gepaard met een vloedgolf van arrestaties, de oprichting van concentratiekampen, de eerste vervolgingen van de joden, markeerden Duitslands weg naar de totalitaire staat. De 'Länder' werden van deelstaten tot onderdelen van een eenheidsstaat gemaakt (zie Adolf Hitler; nationaal-socialisme). Hindenburgs dood (aug. 1934) verschafte Hitler bovendien de mogelijkheid staatshoofd en daarmee dictator te worden. Nadat hij zich van zijn oude strijdmakkers in de SA, die een antikapitalistische revolutie nastreefden, in een bloedige afrekening had ontdaan, wist hij in een reeks maatregelen het leger en de conservatieve groeperingen volkomen te onderwerpen. Geholpen door de stijgende internationale conjunctuur, die hij in Duitsland nog door een grootscheepse bewapening stimuleerde, werd inderdaad de economische toestand na de crisisjaren verbeterd. Hitlers buitenlands beleid werd, na aanvankelijke matiging, steeds agressiever, naar gelang hij in het binnenland zijn dictatuur verstevigde. Aangespoord door de aanvankelijke zwakheid en door de ongemene concessies van het Westen (o.a. Overeenkomst van München, 1938), stuurde hij regelrecht op een oorlog aan, die dan ook met zijn aanval op Polen (1 sept. 1939) uitbrak (zie Tweede Wereldoorlog), nadat in 1938 Oostenrijk en Sudetenland en nog begin 1939 Bohemen en Moravië, alsmede Memel, zonder oorlog geannexeerd konden worden.
In deze nieuwe oorlog bleek Duitsland een nog veel machtiger oorlogsmachine te hebben opgebouwd dan in de Eerste Wereldoorlog, waarvan de doeltreffendheid en kracht door de nationaal-socialistische dictatuur en haar terroristische ideologie nog werd versterkt. Het lukte de Duitsers het grootste deel van het Europese continent onder de voet te lopen. Pas Hitlers aanval op de Sovjet-Unie (juni 1941) deed de kansen langzaam keren. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie namen nu samen de leiding in de strijd tegen de nationaal-socialistische heerschappij, die voor Duitsland in een totale nederlaag en een militaire en politieke catastrofe zonder weerga eindigde (mei 1945). Door ongekende wreedheden tegen joden die in intensiteit en omvang toenamen naarmate de oorlog voor Duitsland slechter verliep en uitmondden in genocide, en door bruut geweld tegen politieke tegenstanders had het nazi-bewind Duitsland ook moreel volledig in diskrediet gebracht en Europa ontredderd.
6.9 De periode 1945-1949
Het land werd door de overwinnaars in vier bezettingszones verdeeld, met de bedoeling het gezamenlijk te besturen en tot een democratie op te voeden. De snel aan den dag tredende tegenstelling echter tussen het Westen en de Sovjet-Unie maakte dit plan onmogelijk en verhinderde ook het tot stand komen van een formeel vredesverdrag met Duitsland. Zo ontwikkelden zich onder invloed van de Koude Oorlog in de jaren na 1945 al spoedig twee afzonderlijke staten: de Bondsrepubliek Duitsland (zie § 9.10 hierna) en de Duitse Democratische Republiek, beide in 1949 tot stand gekomen.
6.10 De Bondsrepubliek Duitsland 1949-1990
De Bondsrepubliek Duitsland werd op 14 aug. 1949 gevormd uit de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones van het voormalige Duitse Rijk, met uitzondering van de westelijke sectoren van Berlijn en van Saarland. Krachtens de akkoorden uit 1950 werden de westelijke sectoren van Berlijn een Land van de Bondsrepubliek. Het door de Fransen bezette Saarland kwam op 1 jan. 1957 bij de Bondsrepubliek. Ten slotte bezegelde het Herenigingsverdrag - dat op 3 okt. 1990 van kracht werd - de aansluiting (Beitritt) van de Duitse Democratische Republiek (DDR) bij de Bondsrepubliek Duitsland.
De miljoenen die naar de Bondsrepubliek vluchtten uit de gebieden die na de Tweede Wereldoorlog werden toegewezen aan de Duitse Democratische Republiek (DDR), Polen, de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije, zorgden ook op het gebied van de sociale voorzieningen voor problemen. In de jaren vijftig werden zij onder de bevolking opgenomen (Eingliederung). De grote inspanningen die de regering zich op dit gebied getroostte en de opgaande conjunctuur leverden vluchtelingen ook later dezelfde status op als de burgers van de Bondsrepubliek.
Als schadevergoeding werd de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog een vergoeding toegekend in de vorm van de Lastenausgleich: wie nog wat bezat, stond een deel daarvan af aan wie niets meer had. Ten slotte is er de Wiedergutmachung: uitkeringen aan de slachtoffers van het nationaal-socialistisch regime. Met Israël werd in 1952 een speciale regeling getroffen met betrekking tot hulp aan joodse vluchtelingen, voorts met 12 Europese staten over slachtoffers onder hun burgers. Tot 1988 is voor 77 miljard DM uitgekeerd; het eindbedrag zal ca. 85 miljard DM zijn.
6.10.1 Binnenlandse politiek
Bij de eerste verkiezingen voor de Bondsdag, die op de dag van het van kracht worden van de grondwet werden gehouden, behaalde de CDU 149 zetels, de SPD 131, de FDP 52, de (conservatieve) Deutsche Partei (DP) 17 en de overige groepen 53 (zie voor het partijwezen § 3.7). Als eerste president werd 12 sept. 1949 gekozen Theodor Heuss (FDP); hij werd in 1954 herkozen. Bondskanselier werd 15 sept. 1949 Konrad Adenauer (CDU), die in 1953, 1957 en 1961 werd herkozen.
Er werd een coalitieregering gevormd van CDU, FDP en DP. De binnenlandse politieke verhoudingen werden sterk beïnvloed door de koers die de regering-Adenauer insloeg inzake het achterstellen van de hereniging met de DDR bij de oriëntering op het Westen. De door K. Schumacher geleide socialisten, sedert 1955 ook de liberalen en de (van 1953 tot 1957 in de Bondsdag vertegenwoordigde) Vluchtelingenpartij wilden de hereniging primair stellen en daaraan de buitenlandse politiek ondergeschikt maken. Deze oppositie kon niet verhinderen, dat de CDU, de partij van Adenauer, die een sterk persoonlijk stempel op de regering drukte, zowel in 1953 als in 1957 een grote overwinning behaalde. In 1953 werd een coalitieregering gevormd van CDU, FDP, DP en Vluchtelingenpartij; de coalitie kreeg in de Bondsdag en eveneens in de Bondsraad een tweederde meerderheid. In 1955 trad de Vluchtelingenpartij uit de regering; in 1956 volgden de liberalen, waarbij een scheuring in de FDP optrad. De oppositie had echter wel succes bij de verkiezing van vertegenwoordigers in de Länder, waar de socialisten vooruitgang boekten ten koste van de regeringspartijen.
De sterke economische vooruitgang, het Wirtschaftswunder (waarvoor vooral minister van Economische Zaken Ludwig Erhard verantwoordelijk was), leidde tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders, dat in 1959 de SPD haar programma in burgerlijke richting wijzigde. De grootste tegenstellingen in de binnenlandse politiek bleven de buitenlandse politiek betreffen.
Bij de verkiezingen in 1961 behaalde de CDU weliswaar haar vierde overwinning, maar zij bezat geen overtuigende meerderheid meer ten gevolge van o.a. interne conflicten. Adenauer moest de FDP als coalitiepartner in de regering opnemen. Ondanks het verzet van Adenauer tegen de nominatie van Erhard als zijn opvolger en zijn pogingen om zijn ambtstermijn steeds weer te prolongeren, werd Adenauer in okt. 1963 door Erhard vervangen. Bij de verkiezingen in sept. 1965 wist de CDU opnieuw de SPD en haar kandidaat Willy Brandt duidelijk te verslaan. Erhard vormde met de FDP een nieuw coalitiekabinet.
Ondanks de verkiezingsoverwinning der CDU slaagde Erhard er niet in voldoende prestige als regeringsleider te verwerven. Toen op 27 okt. 1966 de FDP-ministers zich terugtrokken naar aanleiding van een geschil over de begroting, was zijn lot bezegeld. Op verzoek van zijn eigen partij trad Erhard af. Zijn partijgenoot Kurt Georg Kiesinger werd 1 dec. 1966 als zijn opvolger tot kanselier gekozen. Deze vormde een coalitiekabinet met de SPD, waarvan de leider, Brandt, vice-kanselier en minister van Buitenlandse Zaken werd. Deze Grote Coalitie zag kans de economische recessie van 1966 ongedaan te maken en een zeker herstel te bewerkstelligen. Toch waren er wrijvingspunten tussen de coalitiepartners, met name op het gebied van de buitenlandse politiek. In 1969 zorgde een kleine overwinning van de SPD bij de Bondsdagverkiezingen er dan ook voor dat de Grote Coalitie uiteen viel. De SPD vormde samen met de FDP een nieuwe coalitie onder leiding van Willy Brandt als kanselier, die na vervroegde verkiezingen op 19 nov. 1972 kon worden voortgezet. Na een spionageschandaal, waarbij een medewerker van hem was betrokken, trad Brandt in mei 1974 terug als bondskanselier. Hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt.
Ook na de verkiezingen van 1976 werd de SPD-FDP-coalitie, hoewel iets verzwakt, voortgezet. Sinds de aardoliecrisis van 1973 werd de werkloosheid een belangrijk probleem, evenals het financieren van de sociale wetgeving en de toekomstige energievoorziening. Een nieuw probleem was destijds het terrorisme, waarvoor de Baader-Meinhofgroep of Rote Armee Fraktion (RAF), die na de onrustige jaren zestig aan de universiteiten van de Bondsrepubliek was ontstaan, welhaast synoniem werd. Kritiek werd echter geleverd op hun berechting, de wijze waarop ze werden behandeld en de zgn. antiterrorismewetgeving. Veel aandacht kregen de Berufsverbote, steunend op het van 1972 tot 1978 geldende Radikalenerlass, een antecedentenonderzoek waaraan de overheid sollicitanten naar een ambtelijke functie onderwierp met het doel politiek radicaal denkenden uit te sluiten.
In de loop van de jaren zeventig is ook de invloed van milieu-actiegroepen merkbaar geworden. Na zich bij lokale verkiezingen politiek te hebben gepresenteerd op de Grüne Liste, waarmee ze de FDP en de SPD electorale schade berokkenden, besloten de Grünen, een conglomeraat van o.m. milieubeschermers, tegenstanders van kernenergie en van economische groei, en sociale utopisten, zich begin 1980 aaneen te sluiten tot een politieke partij, de Grüne Partei.
De sociaal-liberale coalitie ging inmiddels duidelijke tekenen van slijtage vertonen. In de Bondsdagverkiezingen van 1980 behaalde zij nog een comfortabele meerderheid (271 zetels van de 497), maar dit was vooral te danken aan het feit dat de door velen gevreesde Franz Josef Strauss lijsttrekker was van de christen-democraten. Daarna was de rek er echter uit. Meningsverschillen over het te voeren economische beleid en de problemen van bondskanselier Schmidt met zijn achterban, die meer naar links wilde opschuiven om de concurrentie van de Grünen af te weren, leidden in de zomer van 1982 tot de breuk van de coalitie. Door snel met de christen-democraten een akkoord te treffen, voltrok Hans-Dietrich Genscher de 'Wende' en bracht Schmidt ten val, waarna CDU-voorman Helmut Kohl een nieuwe regering vormde.
In maart 1983 vonden in de Bondsrepubliek vervroegde verkiezingen plaats, die de christen-democraten winst en de FDP en SPD verlies opleverden; de milieupartij Grünen slaagde erin om als vierde fractie in de Bondsdag te komen (27 zetels). De centrum-rechtse coalitie Kohl-Genscher bleef aan de macht. Een duidelijke verrechtsing van het regeringsbeleid bleef evenwel uit. Met de nieuwe president Richard von Weizsäcker, die in 1984 Carl Carstens (CDU) opvolgde, kreeg de Bondsrepubliek een staatshoofd met een uitzonderlijk staatkundig en moreel gezag. Voor bondskanselier Kohl, die internationaal veel minder meetelde dan zijn voorganger en door tal van misstappen voor tijdelijke opwinding zorgde, betekende het presidentschap van Von Weizsäcker een onmiskenbare ruggensteun. De Grünen wisten ondanks hardnekkige kinderziektes en de splitsing in de Fundi's en Realo's, in de Bondsdagverkiezingen van 1987 hun parlementaire positie te bestendigen. De partij bleef in het linkse kamp voor de SPD een hinderlijke mededinger. Aan de rechterzijde leek de opkomst van de rechtsradicale Republikaner onder leiding van F. Schönhuber eind jaren tachtig een bedreiging voor de christen-democraten. Extremistische tendensen maakten deze partij tot een verzamelplaats van rechtsradicalen en deden haar in de opiniepeilingen weer duidelijk onder de 5%-grens zakken.
De ontwikkelingen in de late zomer van 1989 in en rond de Duitse Democratische Republiek (DDR), die tot de val van het communistisch regime aldaar zouden leiden gaven de christen-democratisch-liberale samenwerking een nieuwe stimulans. De ferme houding van bondskanselier Kohl, die van het eerste begin op een staatkundige samensmelting van beide Duitslanden aanstuurde, vond veel meer weerklank aan beide zijden van de grens dan de linkse oppositie zich had voorgesteld. De Grünen, die het meest voor het voortbestaan van de DDR geporteerd waren, moesten bakzeil halen. In de SPD, waar de voorstanders van een graduele confederatieve aansluiting aanvankelijk in de meerderheid waren, deden zich ernstige meningsverschillen voor tussen Brandt, Vogel en de eigenzinnige aankomende lijsttrekker O. Lafontaine.
6.10.2 De Hereniging
Met het aantreden van Michail Gorbatsjov als politiek leider van de Sovjet-Unie (maart 1985) begon, aanvankelijk nog onopvallend, beweging te komen in de schijnbaar vastgeroeste Oost-West-machtsverhouding in Europa. Niet alleen de regering in Bonn maar ook de socialistische oppositie spande zich in om de betrekkingen met de DDR en de daar regerende SED te intensiveren. Dit beleid van Wandel durch Annäherung, dat de leiders van de DDR een zekere respectabiliteit verleende, vond bij de DDR-bevolking maar matige waardering.
In zijn regeringsverklaring van maart 1987 bracht bondskanselier Kohl de hereniging ter sprake. Op dat tijdstip werd daarop nog door de Sovjet-Unie afhoudend en door de DDR ronduit afwijzend gereageerd. De sterker wordende positie van de Bondsrepubliek als factor in de internationale betrekkingen dwong de DDR echter in te binden. Daarbij kwam bovendien dat de DDR-regering door haar oppositie tegen de Russische koers van glasnost en perestrojka in de Duits-Duitse relatie steeds zwakker kwam te staan. Tijdens zijn staatsbezoek aan de Bondsrepubliek (najaar 1987), tijdens hetwelk hij als bevriend staatshoofd werd ontvangen, beweerde Erich Honecker nog dat de grens tussen beide staten zou moeten verbinden in plaats van scheiden. In juni 1989 opperde de Sovjet-Russische leider Gorbatsjov, tijdens zijn staatsbezoek aan Bonn, de mogelijkheid van de afbraak van de Berlijnse muur, waartoe de Amerikaanse president Reagan al in 1987 had opgeroepen.
Door de massale vlucht van DDR-vakantiegangers naar het westen in de zomer van 1989 raakte de Duitse kwestie in een stroomversnelling. Na de fluwelen omwenteling in de DDR in nov. 1989 en de afbraak van de Berlijnse muur trachtte de regering in Bonn de beoogde eenwording internationaal aanvaardbaar te maken. In het Westen vreesde men een machtig Duitsland en bleef men erop aandringen dat de toekomstige eenheidsstaat ingebed zou blijven in de westerse wereld. In het voorjaar en de zomer van 1990 werd in hoog tempo een groot aantal wetswijzigingen die een snelle hereniging mogelijk moesten maken door de Volkskammer van de DDR aangenomen. Op 18 mei werd door beide ministers van Financiën een staatsverdrag over economische, monetaire en sociale eenwording ondertekend (van kracht sinds 1 juli) en op 5 mei begon het twee-plus-vier-overleg tussen beide Duitslanden en de geallieerde mogendheden; de Sovjet-Unie gaf toe aan de wens van het Westen dat het nieuwe Duitsland ook na hereniging met de DDR lid zou blijven van de NATO; de Oder-Neisse-grens werd door zowel de Bundesrat als de Volkskammer erkend; het recht op voorbehoud van de geallieerden voor Berlijn en Duitsland werd afgeschaft. In sept. 1990 fuseerde zowel de CDU (Christlich-Demokratische Union) als de SPD (Sozialdemokratische Partei Deutschlands) met hun resp. Oost-Duitse varianten. Op 3 okt. 1990 werd de hereniging van de Bondsrepubliek met de DDR door het van kracht worden van het Herenigingsverdrag bezegeld.
6.11 Duitsland vanaf 1990
6.11.1 Het herenigd Duitsland
In december 1990 werden de eerste parlementsverkiezingen in herenigd Duitsland gehouden. Deze werden door de CDU (44%) gewonnen. De SPD bereikte met 33% van de stemmen een naoorlogs dieptepunt. Lafontaine trok zich vervolgens terug als beoogd partijleider. De Grünen haalden de kiesdrempel niet en keerden niet in de Bondsdag terug. De coalitie tussen CDU en FDP werd voortgezet. De kosten van de Hereniging bleken echter veel hoger dan begroot en al in jan. 1991 verhoogde Kohl de belastingen.
In de 'nieuwe deelstaten' kreeg de Treuhand Anstalt de taak 8000 staatsbedrijven en drie miljoen hectare grond te privatiseren. Maar van de getaxeerde boedelwaarde van DM 50 miljard, waarop enorme schuldenlasten drukten, konden slechts de vetste brokken (in de sectoren hotels, communicatie, optische industrie en chemie) van de hand worden gedaan. Het afstoten en sluiten van de rest leidde tot stijgende arbeidsonrust en werkloosheid in het oosten van Duitsland en een diepe recessie in geheel Duitsland, die zijn neerslag had op Duitslands handelspartners.
De toegenomen vreemdelingenhaat uitte zich in aanslagen op woonoorden van asielzoekers en andere buitenlanders in wie concurrentie op de arbeidsmarkt werd gezien. Begonnen in het Oost-Duitse Saksen, zette de golf zich tot in het West-Duitse Nordrhein-Westfalen voort. In 1992 vielen er 20 slachtoffers van wie de helft kinderen. Mede als gevolg van het toenemende racistische geweld zag de regering zich genoodzaakt door wettelijke maatregelen de immigratie in te dammen.
Op het gebied van de wetgeving leidde de hereniging van beide Duitslanden aanvankelijk tot enkele problemen, m.n. waar dit de abortus betrof; het Herenigingsverdrag voorzag in een overgangsfase van twee jaar voor het oplossen van de verschillen in de abortuswetgeving.
Op het gebied van de buitenlandse politiek voelde Duitsland zich gedwongen een grotere rol te spelen, met name bij conflicten. Zo kwamen in mei 1993 van het eerst sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in 1955, gewapende Duitse soldaten aan in een niet-NAVO-gebied. Het betrof de VN-operatie in Somalië.
De rechts-extremistische acties tegen buitenlanders hielden in 1993 aan, met als dieptepunt de dood van vijf Turkse vrouwen en meisjes in Solingen. De vloedgolf van asielzoekers noopte de politiek tot een wijziging van de grondwet in juli, waarbij vluchtelingen uit zgn. 'veilige landen' meteen konden worden uitgewezen. Voordien verleende de Bondsrepubliek alle asielzoekers toegang. Ook de linkse terroristen van de RAF deden zich na lange tijd weer gelden met een bomaanslag op de nieuwe gevangenis van Hessen. Ten gevolge van de economische malaise kwam het zowel in de voormalige DDR als in het westen van het land tot vele uitingen van arbeidsonrust.
6.11.2 Stagnerende economie
Na twee ambtstermijnen werd Richard von Weiszäcker in 1994 als president opgevolgd door Roman Herzog (CDU). De Bondsdagverkiezingen stonden voor een belangrijk deel in het teken van de economische ontwikkelingen, die eerder en sterker een herstel te zien gaven. De CDU behaalde weliswaar het slechtste verkiezingsresultaat sinds 1949, maar bleef wel de grootste partij en kon wederom met de liberale FDP een coalitieregering vormen onder leiding van Helmut Kohl, die met één stem meerderheid voor de vierde maal tot bondskanselier werd gekozen. Opmerkelijk was dat bij alle in 1994 gehouden verkiezingen de extreem-rechtse partijen geen voet aan de grond kregen. Niettegenstaande de asielwet van juli 1993 zochten maandelijks nog bijna 10!000 buitenlanders hun toevlucht tot de Bondsrepubliek.
In 1995 stagneerde de economische groei en bleef de werkloosheid hoog, vooral in de voormalige DDR. Daar was de groei overigens het sterkst, wat vooral te danken was aan overheidsinvesteringen in de bouw en de infrastructuur.
Ondanks bedenkingen van de Bundesbank bleef de regering de plannen voor één Europese munt steunen. In 1996 leidden besprekingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) tot een felle strijd tegen bijna alle andere EU-landen, waarbij Bonn het streven naar een zo 'hard' mogelijke euro, de toekomstige gemeenschappelijke munt, verdedigde. Naast het inbedden van de D-mark in een monetaire unie, kampte de Duitse economie in 1996 met nog enkele, onderling verbonden problemen: de economische en psychologische kloof tussen het oosten en het westen van het land, de modernisering van de verzorgingsstaat en het saneren van de overheidsfinanciën. Verder kwamen op internationaal gebied enige barsten aan het licht in de as Bonn-Parijs, waar het Franse protectionisme botste met het Duitse streven naar vrijhandel. De aanzienlijk verbeterde verhouding met Nederland kwam in 1995 o.m. tot uiting in de vorming van een Nederlands-Duits militaire eenheid.

Telefoongids Duitsland
Postcodes
Duitsland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009