|
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Egypte
is een presidentiële republiek met een democratisch, socialistisch
systeem, gegrondvest op 'de band tussen de werkende mensen, de
historische erfenis van het land en de geest van de islam'
(vastgelegd in de grondwet van 1964, herzien in 1971 en 1980). Er
is vrijheid van godsdienstoefening, meningsuiting, vergadering en
onderwijs. De wetgevende macht berust bij een parlement met twee
Kamers. De Volksvergadering bestaat uit 454 leden, van wie 444
gekozen worden in algemene verkiezingen, en de overige 10 door de
president worden benoemd. De zittingsduur is vijf jaar. Daarnaast
bestaat de Consultatieve Raad (Shura) met 210 leden, van wie er 57
door de president worden benoemd en de rest wordt gekozen. De
uitvoerende macht berust bij de president en bij het kabinet. De
president wordt voor een termijn van zes jaar gekozen door het
parlement. Deze keus moet bevestigd worden door een referendum. De
president benoemt één of meer vice-presidenten en de ministers.
Volwassen Egyptenaren hebben kiesrecht; men is om dit recht uit te
oefenen verplicht zich in te laten schrijven in het kiesregister,
maar daar een burgerlijke stand en controle ontbreken, is de
opkomst bij verkiezingen gewoonlijk laag. Bij de
parlementsverkiezingen bestaat een kiesdrempel van 8%. (foto :
Nasser)
3.2 Administratieve indeling
Egypte is bestuurlijk verdeeld in 26 gewesten (of gouvernementen).
Aan het hoofd van de gewesten, die onderverdeeld zijn in
districten en gemeenten, staat een gouverneur, benoemd door de
president.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Egypte is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties en van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid
(OAE). In 1979 werd Egypte vanwege het in dat jaar gesloten
vredesverdrag met Israël, eenzijdig uit de Arabische Liga gestoten
en de zetel van deze organisatie werd overgeplaatst van Caïro naar
Tunis. Terzelfder tijd trof Egypte een zelfde lot om dezelfde
reden als lid van de Raad voor Arabische Economische Eenheid. Deze
organisatie verplaatste haar zetel van Caïro naar Amman. Binnen de
Organisatie van Arabische Olie Exporterende Landen (OAPEC) werd
Egypte geschorst. In 1989 werd Egypte formeel weer tot deze drie
organisaties toegelaten. Voorts is Egypte lid van de Islamitische
Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de
Islamitische Conferentieorganisatie.
3.4 Politieke organisatie, partijwezen en vakbeweging
Van 1957 tot 1976 was de Arabische Socialistische Unie de enige
wettelijk toegestane politieke partij met de president als hoofd.
In 1978 formeerde president Sadat uit de later ontbonden Arabische
Socialistische Unie zijn Nationale Democratische partij (NDP), die
sindsdien het Egyptische politieke leven beheerst. In 1983 werd de
Neo-Wafdpartij heropgericht als opvolger van de tussen 1919 en
1952 opererende nationalistische Wafdpartij. Tussen 1980 en 1987
kon ook de Moslim Broederschap (Ikhwan), in coalitie met andere
partijen, aan de verkiezingen deelnemen. Zij is echter niet
gelegaliseerd en wordt van regeringswege tegengewerkt.
Overkoepelende vakorganisatie is de Egyptische Arbeidersfederatie
(ETUF), waarbij meer dan 20 bonden zijn aangesloten (totaal 5
miljoen leden). De grootste bonden zijn die van de arbeiders in de
agrarische sector, de lichte industrie, de bouwnijverheid, het
transportwezen en de textielindustrie. De overheid heeft een
sterke invloed op de activiteiten van de vakbeweging. Stakingen en
uitsluitingen zijn verboden. |