|
4.
Economie
4.1 Algemeen
De
Egyptische economie wordt de laatste jaren gekenmerkt door het
loslaten van het Arabisch socialisme onder Nasser (een door de
staat geleid economiesysteem) en het langzamerhand overgaan naar
een vrijere economie ( 'politiek van de economische opening')
onder Sadat en Moebarak. Nationalisaties werden teruggedraaid en
buitenlandse investeringen aangemoedigd. Maar een verbetering van
de economische toestand trad niet in. Door de sterke
bevolkingsgroei is het tekort aan arbeidsplaatsen steeds nijpender
geworden. In 1994 was 20% van de beroepsbevolking werkloos en
werkten ca. 2 miljoen Egyptenaren in het buitenland. Egypte kampt
met een topzwaar ambtenarenapparaat. In 1992 was 33% van de
beroepsbevolking werkzaam in de landbouw, 21% in de industrie en
46% in de dienstensector. Het aandeel van deze sectoren aan het
bruto nationaal product bedroeg resp. 18, 22 en 60%, hetgeen de
relatief lage opbrengst van de landbouwsector illustreert. De
inflatie bedroeg in de periode 1985-1994 16,4%.
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
De landbouw is nog steeds de belangrijkste sector van de economie,
zowel wat betreft werkgelegenheid alsook door zijn aandeel in de
Egyptische export (vooral katoen). In 1962 werd het grondbezit in
principe beperkt tot 100 feddans (1 feddan = 0,42 ha), maar in
1981 had 95% van alle landbouwbedrijven niet meer dan 5 feddan;
het gemiddelde is slechts 0,9 feddan. Door verbetering van
irrigatie- en drainagetechnieken (o.a. door Nederlandse
ontwikkelingshulp en kennis) is de beschikbare cultuurgrond
uitgebreid tot ca. 6 miljoen feddans (= ruim 36!000 km2, ongeveer
de oppervlakte van Nederland), zo'n 4% van het gehele land, die
twee, soms drie oogsten per jaar opleveren. Ook is de
productieopbrengst per feddan (die tot de hoogste ter wereld
behoort) toegenomen, maar door de snelle bevolkingsgroei heeft dit
niet geleid tot een vermindering van de voedselimport. De
jaarlijkse voedselproductie stijgt met 3,5%, maar de binnenlandse
vraag met 4,8%. Ook is de uitbreiding van de cultuurgrond
onvoldoende. Sinds in 1970 de Hoge Dam bij Aswan werd voltooid,
kon het agrarisch areaal vergroot worden met ca. 5000 km2, maar
veel cultuurgrond ging ook weer verloren door stedenbouw en
verzilting. Egypte is 's werelds belangrijkste leverancier van
langvezelige katoen (2,8 cm en langer) en de zesde katoenproducent
van de wereld. De rijstverbouw wordt steeds belangrijker. Egypte
heeft de grootste rijstproductie van Afrika en neemt de tweede
plaats in bij het verbouwen van maïs en rietsuiker.
Verder worden nog granen, groenten, (citrus)vruchten en
aardappelen verbouwd.
De veehouderij levert een kwart van de landbouwbijdrage aan het
bruto nationaal product. De meest voorkomende soorten groot vee (vnl.
gebruikt voor melk- en vleesproductie, maar ook als last- en
trekdier) zijn runderen, buffels, schapen en in mindere mate ezels
en geiten. Toch moeten veel zuivelproducten en vlees ingevoerd
worden. Ook worden kamelen gehouden.
Door de bouw van de Aswandam is de visvangst in de Middellandse
Zee (sardines, garnalen) verloren gegaan. De binnenvisserij (o.a.
in het Nassermeer, achter de dam) levert 80% (1986) van de totale
vangst.
4.3 Mijnbouw
De aardolie-industrie is van groot belang voor de economie. De
voornaamste velden liggen in de Golf van Suez, in de Sinaï en in
de gebieden van de meer recente vondsten: de velden van El Alamein,
Yidma, Aboe Gharadek en al-Razzak in de Westelijke Woestijn. In
1968 is Egypte een olie-exporterend land geworden. De productie
was 22 miljoen ton in 1977, 34 miljoen in 1980 en voor 1987 was
een productie van 63 miljoen ton gepland, maar door de daling van
de olieprijzen en hoge binnenlandse consumptie vielen de
opbrengsten tegen. Olieraffinaderijcentra zijn Alexandria en Caïro.
Er is een netwerk van pijpleidingen om de olie te vervoeren. De
pijpleiding met de grootste capaciteit is die van Suez naar de
Middellandse Zee.
In 1974 zijn er aardgasvelden ontdekt bij Aboe Madi in de
Nijldelta. Andere velden liggen bij Aboe Gharadek in de Westelijke
Woestijn (1976) en in Aboekir, vlakbij Alexandrië (1977). De
gasreserves worden op 340 miljard m3 geschat. Aan uitvoer wordt
pas gedacht wanneer het land zelf voor minstens 40 jaar genoeg
heeft. Andere belangrijke delfstoffen zijn fosfaat, ijzer, zout en
mangaan, grotendeels onontgonnen.
4.4 Energievoorziening
Het produceren van voldoende energie is een van de belangrijkste
zorgen van de economische ontwikkeling. In de jaren zestig werd
met financiële steun van de Sovjet-Unie de Hoge Dam bij Aswan
gebouwd om de industrie van elektriciteit te voorzien. Voorts werd
een begin gemaakt met de aanleg van een elektriciteitsnet op het
platteland. Inmiddels kan de Aswandam echter niet meer voldoen aan
de gestegen vraag. In 1986 kwam een tweede krachtcentrale (270 mW)
bij Aswan gereed. In samenwerking met de Verenigde Staten en
Frankrijk werd het gebruik van kernenergie (de bouw van twee
kerncentrales) onderzocht, maar daarvan is afgezien.
4.5 Industrie
De productie steeg tussen 1950 en 1970 met ca. 20% en sindsdien
jaarlijks met ca. 5%. Er is een overschot aan goedkope
arbeidskrachten, maar een tekort aan technisch geschoolden. Er is
inefficiency, onderbezetting en tekort aan kapitaal. Sinds 1977
voert Egypte een beleid om meer buitenlands kapitaal aan te
trekken en de vele staatsbedrijven te privatiseren. De meeste
industrieën liggen in en rond de grote steden van de Nijldelta (Caïro,
Port Said, Alexandrië); de voornaamste industriële sectoren zijn
de textielindustrie en de voedingsmiddelenindustrie (ca. 57% van
de industriële productie). De zware industrie wordt steeds
belangrijker, zoals de ijzer- en staalindustrie in Helwan en de
aluminiumindustrie in Nag Hammadi. Andere kleine industrieën zijn
o.m. cement-, auto- en elektronische industrie. Sinds 1980 is er
een sterke ontwikkeling van de wapenindustrie.
4.6 Handel
De handelsbalans van Egypte vertoont al vele jaren tekorten. In
1986 werd totaal voor US $ 5680 miljoen uitgevoerd en voor US $
15!250 miljoen ingevoerd. Veel consumptiegoederen moeten worden
ingevoerd (vooral tarwe). Verder worden machines, chemicaliën,
transportmiddelen en metaal ingevoerd. De voornaamste
uitvoerproducten zijn katoen en aardolie (samen ruim 50% van de
export), textielproducten en rijst. De belangrijkste
exportgebieden zijn de voormalige Sovjet-Unie, de EU-landen
(vooral Italië, Griekenland en de Verenigde Staten). De meeste
import kwam uit de EU-landen (vooral Duitsland, Italië en
Frankrijk) en de Verenigde Staten en Japan.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Met de revolutie van 1952 begon de economische planning. In het
eerste tienjarenplan (1954-1964) lag het zwaartepunt op de
ontwikkeling van de industrie. Na de oorlog van 1967 werd een
driejarenplan vastgesteld met het zwaartepunt op de consolidering
van vroegere investeringen. Het in 1971 opgestelde nieuwe
tienjarenplan voor 1973-1982 moest in verband met de Oktoberoorlog
van 1973 worden ingetrokken. Het werd vervangen door een
jaarlijkse planning, terwijl tegelijkertijd een afzonderlijk
wederopbouwprogramma werd opgesteld voor o.a. de Suezkanaalzone en
het Sinaïschiereiland, voor Groot-Caïro en voor het gebied van het
Nassermeer. Het vijfjarenplan 1976-1980 gaf prioriteit aan de
industriële groei. Op landbouwgebied heeft uitbreiding van de
cultuurgrond voorrang. Om financiële redenen konden de
doelstellingen van dit plan en het plan 1980-1984 echter niet
gehaald worden. Een tussentijds gelanceerd nieuw vijfjarenplan
(1982-1987) beoogde de binnenlandse consumptie en de import te
verminderen en door ontwikkeling van mijnbouw, industrie,
transport en het Suezkanaal het tekort op de handelsbalans te
bestrijden. Het vijfjarenplan 1987-1992 wilde de productie in de
publieke sector stimuleren en de export doen stijgen. Een groot
probleem vormt het hoge niveau van subsidies op eerste
levensbehoeften en olie. Voor verdere kredieten eist het
Internationale Monetaire Fonds (IMF) de geleidelijke vermindering
van deze subsidies. De totale schuld van Egypte beliep in 1994 $
30 miljard (in 1978 nog $ 8 miljard). In 1987 werd met het IMF een
akkoord over de herstructurering van de schulden bereikt. De
wisselkoersen werden vrijgelaten, waardoor het Egyptische pond met
de helft in waarde daalde.
Volgens ruwe schattingen heeft Egypte tot 1974 voor meer dan $ 5
miljard aan hulp ontvangen van de westerse landen en voor bijna $
7 miljard van de Oostbloklanden. Tussen 1969 en 1990 kreeg Egypte
van de Verenigde Staten meer dan $ 14 miljard economische
bijstand. Daarnaast zijn de Bondsrepubliek Duitsland en Japan
belangrijke donoren. Nederland trekt vanaf 1975 jaarlijks ƒ 30
miljoen uit voor bilaterale hulp, waarvan ruim 60% in de
waterbeheersingssector wordt besteed, o.a. in het drainage- en
irrigatieproject van het vruchtbare Fajoemgebied. In totaal
ontving Egypte in 1996 bijna $ 2 miljard aan buitenlandse
financiële hulp.
4.8 Bankwezen
De Central Bank of Egypt werd opgericht in 1960. In 1971 werd het
bankwezen gereorganiseerd. Er werd een speciale bank opgericht om
de buitenlandse handel en buitenlandse investeringen te
stimuleren. Sinds 1974 kunnen buitenlandse banken zich vestigen in
Egypte. Deze banken blijven bijna alle voor 51% in Egyptische
handen; hierdoor kunnen ze aan zowel binnenlandse als buitenlandse
transacties deelnemen. In 1975 werd de Nasser Social Bank
opgericht om pensioenen en andere vormen van sociale verzekering
te regelen. Sinds 1979 bestaan er in Egypte islamitische banken
die zaken doen volgens de regels van de shari'a (islamitische
wet). Door excessieve speculatie kwam een aantal islamitische
investeringsmaatschappijen in de jaren tachtig in moeilijkheden,
waarop de Centrale Bank in 1987 het toezicht op het bankwezen
verscherpte.
4.9 Verkeer en toerisme
Goede wegen verbinden Caïro en Alexandrië, de steden langs het
Suezkanaal en die in Opper-Egypte. Het Egyptische wegennet is in
de jaren tachtig sterk uitgebreid. Het beslaat in totaal meer dan
45!000 km. In 1980 kwam de Hamditunnel onder het Suezkanaal
gereed. De kustweg naar Libië en de verbinding met Soedan werden
verbeterd. Reeds in 1851 had Egypte een spoorwegnet. In 1990
bedroeg de totale lengte 7726 km. In 1987 werd het metronet in
Caïro in gebruik genomen.
De voornaamste havens zijn Alexandrië, Port Said en Suez. Een
nieuw groot havencomplex kwam in 1986 gereed bij Damietta. In 1985
werd een veerdienst in gebruik genomen tussen Nuweibeh aan de Rode
Zee en de Jordaanse haven Akaba. De waterwegen zijn belangrijk als
transportmogelijkheid. De totale lengte bedraagt 3350 km, waarvan
bijna de helft door de Nijl gevormd wordt; de rest bestaat uit
kanalen.
De regering wil de havens aan de Middellandse Zee en de Rode Zee
uitbreiden. Ten westen van Alexandrië wordt een nieuwe haven
gebouwd: Dakheila, met een capaciteit van 20 miljoen ton goederen
overslag per jaar (Alexandrië: 15 miljoen ton). De havens Port
Said, Ismailia en Suez worden vergroot sedert de heropening van
het Suezkanaal (1975). De nationale luchtvaartmaatschappij Egypt
Air verzorgt binnenlandse en buitenlandse vluchten. Caïro en
Alexandrië beschikken over een internationale luchthaven.
In de tweede helft van de jaren zeventig heeft het toerisme zich
met overheidssteun krachtig hersteld van de tegenslagen,
veroorzaakt door de oorlogen met Israël. De Golfcrisis en
aanslagen door moslimfundamentalisten deden de sector geen goed.
In 1984 bezochten 1,5 miljoen buitenlanders het land en in 1995
was dat cijfer ruim verdubbeld. Het toerisme (een van de weinige
pluspunten van de economie) richt zich vnl. op de grote monumenten
van de Egyptische beschaving en in toenemende mate op de
Rode-Zeekust. |