header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Egypte - geschiedenis

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 

Bezoek ook onze rubriek Egypte en het verleden >>

5. Geschiedenis

The PyramidsEgypte is door de eeuwen heen de naam geweest van een land dat de noordoostelijke hoek van het Afrikaanse continent omvat, met inbegrip van het, fysisch-geografisch tot Voor-AziŽ behorende, schiereiland SinaÔ. De kern van het land is het dal van de beneden-Nijl, van de eerste cataract bij Aswan tot aan de Middellandse Zee, tot welk gebied de naam Aiguptos oorspronkelijk beperkt was. De betekenis van de naam is niet bekend. De oude Egyptenaren noemden hun land Kemi of Kemet (= zwart, naar het Nijlslib, als tegenstelling tot het geel van de woestijn). De Arabische naam voor Egypte is Misr. In het Hebreeuws heet het land MitsraÔm of Masor, in het Oud-Perzisch Moedraja. Afwisselend vormde Egypte een staatkundige eenheid of was het een conglomeraat van elkaar beoorlogende staatjes, was het een onafhankelijk koninkrijk of stond het onder vreemde heerschappij.
5.1 De Romeinse tijd (30 v.C. - ca. 300 n.C.)
De Romeinse tijd ving aan op het moment dat Augustus Egypte als keizerlijke provincie bij het Romeinse Rijk inlijfde. In de drie eeuwen die volgden, werd het centrale gezag, dat onder de laatste PtolemaeŽn sterk had geleden, hersteld, maar ingrijpende veranderingen bracht het Romeinse bewind niet. De cultuur bleef sterk Grieks beÔnvloed. In 212 n.C. verkregen de inwoners van Egypte het Romeinse burgerrecht krachtens de Constitutio Antoniniana. Sinds de 2de eeuw verspreidde het christendom zich er snel.
Economisch ging Egypte er in de Romeinse tijd niet op vooruit. Zeer hoge belastingen werden opgelegd aan de inwoners van het land dat als 'graanschuur van Rome' grote hoeveelheden graan aan Rome moest leveren. De daaruit voortvloeiende economische ontreddering werd nog vergroot door de inflatie die in de 4de eeuw in het Romeinse Rijk onrustbarende vormen aannam. Men ging ertoe over welgestelde burgers te verplichten gedurende een aantal jaren een bepaald ambt zelf te bekleden of op eigen kosten door een ander te laten vervullen. Op dit systeem van liturgieŽn kwam op den duur het hele ambtelijke apparaat in Egypte te rusten.
5.2 De Byzantijnse tijd (ca. 300-642 n.C.)
De Byzantijnse tijd ving voor Egypte aan met ingrijpende hervormingen ten tijde van keizer Diocletianus op het gebied van o.a. de staatkundige organisatie, de economie en het monetaire systeem. Ondanks die hervormingen was deze periode er echter duidelijk een van verval. De bevolking viel uiteen in een kleine groep van machtige grootgrondbezitters en de enorme massa der van hen afhankelijken, vooral boeren.
5.3 Egypte onder de kaliefen (642-969)
Medinet HabuMet de inval van de Arabische veldheer Amr ibn al-As in 639 begint de geschiedenis van Egypte als islamitisch land. Op de plaats van de vesting Babylon (niet ver van het huidige CaÔro) werd de nieuwe stad al-Foestat gevestigd; van hieruit begon de Arabische verovering van Noord-Afrika. Egypte was in die eerste eeuw van de islam een typisch wingewest, dat aan de schatkist van de te Damascus zetelende kaliefen geweldige baten opleverde. Het Arabisch-islamitische bewind ondervond, ondanks verscheidene opstanden van de Egyptische christenen, de Kopten, weinig moeilijkheden. De administratie werd aanvankelijk in handen van christelijke ambtenaren gelaten en de Arabische taal werd door de bevolking vrij snel overgenomen. De strijd rond de erkenning van de dynastie der Omajjaden in 658 was evenwel ook in Egypte met bloedvergieten gepaard gegaan, en in 750, bij haar vervanging door die der Abbasiden, vielen eveneens slachtoffers. De laatste Omajjadenkalief, Marwan, vluchtte naar Egypte en werd daar vermoord.
De te Bagdad zetelende Abbasiden bestuurden Egypte evenals hun voorgangers door middel van stadhouders. Op den duur konden zij hun gezag niet handhaven; in 868 maakte stadhouder Ahmad ibn Toeloen zich in feite onafhankelijk. Zijn nakomelingen (de Toeloeniden) moesten echter weer plaats maken voor door Bagdad gezonden stadhouders, totdat in 935 stadhouder Mohammed al-Ichsjid in staat was zich als onafhankelijk heerser op te stellen. Na zijn dood werd de macht uitgeoefend door de door hem tot voogd van zijn kleinzoon aangewezen eunuch Kafoer, die als een van de beste heersers van Egypte bekend is. Kafoer stierf in 968 en reeds het volgende jaar moest al-Ichsjids kleinzoon Ahmad het veld ruimen voor de sji'itische Fatimiden.
5.4 Egypte zelfstandig onder Arabische dynastieŽn (969-1517)
De Fatimiden hadden ca. 910 de dynastie der Aghlabiden in TunesiŽ verdreven en waren spoedig daarna met een voortdurende actie tegen Egypte begonnen. In 969 werd al-Foestat ingenomen; de (sji'itische) Fatimiden namen vervolgens de titel kalief aan. Hun heerschappij zou tot 1171 duren. Uit het ten noordoosten van al-Foestat gestichte legerkamp groeide snel de nieuwe Fatimidenhoofdstad al-Kahira (CaÔro), sedertdien de hoofdstad van Egypte. De Fatimidenkalief vestigde zich in deze nieuwe residentie, terwijl zijn zegevierende troepen in de volgende twintig jaren ook nog het grootste deel van SyriŽ met Damascus onderwierpen. Zo was Egypte ca. 980 het kernland van een machtig rijk geworden, dat zich van Algerije tot aan SyriŽ uitstrekte. Gedurende de 11de eeuw gingen de gebieden in het westen en het oosten echter allengs weer verloren.
Battle of Hastings GameVooral de eerste heersers der Fatimiden waren bekwaam en hebben het land een tijdperk van materiŽle en culturele bloei geschonken, waarvan literaire, wetenschappelijke en artistieke productiviteit getuigenis aflegt. De handel met oost en west bracht grote welvaart.
Intussen bleven inwendige twisten, vooral veroorzaakt door Turkse hulptroepen waarvan de Fatimiden gebruik maakten, niet uit. In de jaren 1062-1075 beleefde Egypte daardoor, en mede door het niet wassen van de Nijl, een diep economisch verval, waarbij ook grote schatten van literatuur en kunst verloren gingen. Daarna was het gezag herhaaldelijk in handen van almachtige viziers.
In het begin van de 12de eeuw kwam ook Egypte in conflict met de Kruisvaarders; de binnenlandse toestand was intussen zo slecht geworden, dat interventie van de islamitische machthebbers in SyriŽ, de Ajjoebiden, die daar het verzet tegen de Kruisvaarders georganiseerd hadden, onvermijdelijk werd. Zo kon ten slotte de Ajjoebide Saladin in 1171 de Fatimiden zonder veel moeite opzij schuiven en in Egypte zijn gezag vestigen.
De Ajjoebiden brachten Egypte weer officieel tot de soennitische islam en vestigden er een autocratisch regeringssysteem. Onder de regering van al-Kamil had in 1219 een inval van de Kruisvaarders in Egypte plaats, waarbij Damiate (Damietta) veroverd werd.
Een tweede maal werd deze stad genomen in 1250 bij de zevende Kruistocht onder Lodewijk IX, die daarna door het Egyptische leger gevangen werd genomen. Datzelfde jaar bracht het einde van de Ajjoebidendynastie in Egypte, niet opgewassen als zij was tegen het machtsstreven van de voor het grootste deel uit Turken bestaande huurtroepen van het rijk.
Het tijdperk der Mamelukken (1250-1517). Mameluk (Arab., = slaaf) werden de huurlingen genoemd uit wie de rijkslegers waren samengesteld. Men onderscheidt de Bahridische Mamelukken (1250-1390) en de Boerdjidische Mamelukken (1390-1517), zo genoemd naar de plaats waar hun invloedscentrum was gelegen in de hoofdstad. Twisten tussen de machthebbers onderling bleven niet uit, maar de Egyptische bevolking zelf gedroeg zich meestal apathisch ten opzichte daarvan. Slechts weinig Mamelukkensultans, zoals Baibars (1260-1277) en al-Nasir (1310-1341), toonden zich bekwame heersers. Wederom werd in deze periode SyriŽ bij het Egyptische rijk gevoegd, dat zich soms van Barka tot de Eufraat en de Taurus uitstrekte en waarvan de invloedssfeer ook over West- en Zuid-ArabiŽ reikte. De administratie van het land kwam in handen van een bekwame ambtenarenklasse, waarvan verscheidene leden uiterst waardevolle werken over de administratie en de toestanden van Egypte en SyriŽ hebben nagelaten. Van de bloei van de kunst en vooral van de bouwkunst legt een aantal schitterende moskeeŽn in CaÔro getuigenis af.
5.5 Egypte als deel van het Osmaanse Rijk (1517-1806)
Egypte verloor opnieuw zijn politieke zelfstandigheid in 1517 door de verovering door de Osmaanse sultan Selim I. De Mamelukken waren reeds in de 15de eeuw in conflict met de snel groeiende Osmaanse macht gekomen; bij de geweldige uitbreiding van het Osmaanse Rijk kon ten slotte het economisch verzwakte Egypte zijn zelfstandigheid niet meer handhaven. De verovering ontmoette geen noemenswaardig verzet en voortaan werd Egypte door Turkse gouverneurs bestuurd. Een speciaal troepenkorps van Mamelukken bleef echter bestaan en dit kon vaak naar welgevallen de Turkse pasja's afzetten en doen benoemen. De ongeregelde toestand verminderde de welvaart van het land, terwijl ook de grote teruggang van de doorvoerhandel - wegens de ontdekking door de Europese mogendheden van de zeeweg naar IndiŽ - een sterke economische inzinking veroorzaakte. Naarmate het Osmaanse Rijk in de 18de eeuw verzwakte, traden verschillende persoonlijkheden onder de Mamelukken naar voren, die zich als onafhankelijk vorst van Egypte wilden doen erkennen; bekend is de opstand van Ali Bei in 1768.
Een geheel nieuwe wending nam Egyptes geschiedenis door de Franse bezetting in 1798 onder Napoleon I Bonaparte. Deze gebeurtenis was het gevolg van Egyptes geografische ligging tussen Europa en de door Europese mogendheden in IndiŽ veroverde koloniale gebieden, een ligging die in de nu volgende periode van steeds groter betekenis zou worden voor de lotgevallen van het land. De Franse bezetting heeft aan de Franse culturele invloed in Egypte een voorsprong gegeven, hoewel door de tijdelijk verenigde krachten van het Osmaanse Rijk en Engeland de Franse troepen reeds in 1801 het land weer geheel moesten verlaten. Enige jaren later kreeg de geschiedenis van het land een geheel nieuwe wending door het optreden van Mohammed [Egypte], die als Turks officier in 1799 in het land was gekomen en zo'n grote invloed had gekregen, dat hij in 1806 tot gouverneur van Egypte werd benoemd.
5.6 Feitelijke zelfstandigheid (1806-1882)
Mohammed Ali (1806-1848) is door zijn despotisch optreden op militair, economisch en cultureel terrein de vader van het moderne Egypte geworden. Hij trok ten strijde tegen de Wahhabieten in het gebied rondom Mekka, waar hij zijn macht definitief vestigde (1818). Daarna veroverde hij het noordelijk gedeelte van Soedan (1821). Met hulp van Franse officieren voerde hij een geslaagde modernisering van het leger door, en ook de vloot werd op moderne leest geschoeid, waarbij de strijd tegen de Grieken (1824-1827), zijn bestuur over Kreta (vanaf 1821) en de acties in AnatoliŽ en SyriŽ (1832-1840) hem de gelegenheid boden de vernieuwingen te toetsen. Hij decentraliseerde het bestuur en stichtte een aantal drukkerijen. Studenten konden in Parijs studeren. In 1825 werden met Franse hulp een ziekenhuis en een medische faculteit gesticht.
Mohammed Ali nam zijn toevlucht tot dwangarbeid om de Nijl te normaliseren en door aanleg van een kanaal CaÔro toegankelijk te maken voor lichte zeeschepen. De aanleg van een stuwdam in de Nijl mislukte. Door confiscatie van gronden en het vestigen van een staatsmonopolie op katoen, waarvan de kwaliteit werd verbeterd, op Arabische gom en indigo maakte Egypte economisch grote vooruitgang. In 1835 kwam er een voorloper van het Suezkanaal tot stand door een lorrieverbinding tussen de haven van CaÔro en Suez.
In 1841 werd Mohammed Ali erfelijk regeerder over Egypte en Soedan, maar in de strijd om de handelsmonopolies moest hij het afleggen tegen Constantinopel, dat sterk was door buitenlandse invloed. Zijn zoon Ibrahim, die grote militaire successen had geboekt, werd in 1848 regent, doch overleed nog hetzelfde jaar, acht maanden vůůr zijn vader.
Abbas Hilmi I (1848-1854) was anti-Europees, maar niet antichristelijk, getuige zijn opneming van ArmeniŽrs en Kopten in het bestuursapparaat. In juli 1854 werd hij vermoord en Said (1854-1863) volgde hem op. Hij begunstigde de Fransen en gaf aan Ferdinand de Lesseps in 1856 de concessie tot het graven van het Suezkanaal. Vooral als gevolg daarvan liet hij Egypte achter in grote schulden, toen hij in 1863 stierf.
Medieval CairoIsmail (1863-1879) verdubbelde de belastingen, kreeg van Constantinopel de eretitel van khedive (onderkoning) en vergrootte het strategisch belang van Egypte door de opening van het Suezkanaal in 1869. Toen Groot-BrittanniŽ echter in het midden van de jaren zeventig zich tegen Ismails streven naar Afrikaanse expansie verzette, leed hij tot tweemaal toe een nederlaag in EthiopiŽ. Nog meer taande zijn glorie, toen zijn leger door de Russen aan de Donau werd verslagen. In zijn economische politiek slaagde hij er niet in de levensstandaard van het gewone volk op te voeren. In 1876 werden de consulaire gerechtshoven, die zaken tegen vreemdelingen behandelden, op basis van de Code Napolťon hervormd, doch doordat Egyptische samen met buitenlandse rechters de zittingen leidden, werd de macht van het buitenland in Egypte aanmerkelijk vergroot. In 1875 was Egypte zo achteruitgegaan dat het zijn rente op de Europese schulden niet meer kon betalen; Ismail was genoodzaakt zijn aandelen in de Suezkanaal-maatschappij te verkopen aan Engeland; bovendien moest hij buitenlanders toelaten om de financiŽn te controleren, wat in feite neerkwam op een Frans-Engels beheer van inkomsten en uitgaven. Onder Franse en Engelse invloed ontsloeg de sultan in Constantinopel ten slotte Ismail als khedive; hij werd door zijn zoon Mohammed Tawfik (1879-1892) opgevolgd. Inmiddels was de middenstand politiek ontwaakt; zij vond een uitgang voor politieke aspiraties in de Vrije Nationale Partij van al-Afghani en Mohammed Abdoeh, gesticht in 1878. Door tegenstand van de regering en de streng orthodoxe al-Azhar Universiteit werden deze twee mannen spoedig uit Egypte verbannen en werd de Anglo-Franse greep op Egypte nog hechter, vooral op de financiŽn. Doordat de (islamitische) bevolking deze buitenlandse machten als een christelijk front beschouwde, groeide de onrust. Snel steeg de ster van de nationalist Arabi Pasja. Arabi werd in 1882 minister van Oorlog; toen de nationalisten uitdagend gingen optreden, bombardeerden de Engelsen AlexandriŽ. Frankrijk en ItaliŽ weigerden mee te doen aan militaire acties. Op 13 sept. werd Arabi door een Brits leger verslagen, waarna de Britse bezetting van Egypte een feit werd.
5.7 De Britse overheersing (1882-1922)
De Britten trokken op 15 sept. 1882 CaÔro binnen. Egypte werd in de praktijk een Brits protectoraat, hoewel de soevereiniteit van de Osmaanse sultan in Istanbul tot aan de Eerste Wereldoorlog erkend bleef. Inmiddels was in Soedan een opstand uitgebroken onder een religieuze leider, mahdi Mohammed Ahmed. De Engels-Egyptische legers leden tegen hem de ene nederlaag na de andere; in 1885 was geheel Soedan in handen van de mahdisten (zie voorts Soedan [aardrijkskunde]2). De Britse consul-generaal, Sir Evelyn Baring, sinds 1891 Lord Cromer geheten, voerde een sanering van de financiŽn door en bevorderde bevloeiingswerken, w.o. de Aswandam (1902). Tawfik overleed in 1892 en werd opgevolgd door zijn zoon Abbas Hilmi II.
Het nationalisme had intussen steeds meer vat gekregen op de jeugd van de welgestelde burgerij. Moestafa Kamil, die in Frankrijk gestudeerd had, richtte in 1894 de 'Vaderlandse Partij' (Hizb al-Watani) op. De partij keerde zich zowel tegen het Britse bestuur als tegen de daarmee samenwerkende khedive. Na de dood van Kamil in 1908 geraakte zijn partij in verval, maar de nationalistische agitatie hield aan. In 1911 nam Lord Horatio Herbert Kitchener, die in 1898 Soedan op de mahdisten had terugveroverd, het bestuur over. In 1913 kreeg Egypte een parlement met tamelijk vergaande wetgevende bevoegdheid, en een nieuw kiesstelsel.
5.8 Egypte als onafhankelijke staat
Toen Turkije in de Eerste Wereldoorlog de zijde van de Centrale Mogendheden koos, werd Egypte op 18 dec. 1914 officieel tot Brits protectoraat geproclameerd. De macht berustte bij de Britse Hoge Commissaris. Hoesein Kamil, die zijn oom Abbas Hilmi II was opgevolgd met de titel sultan, overleed in 1917 en werd opgevolgd door zijn broer Ahmed Foead. De nationalistische oppositie had een nieuwe leider gevonden in Sa'd Zaghloel Pasja. Na de oorlog wist de toenmalige Hoge Commissaris, generaal Allenby, de regering in Londen te bewegen tot een eenzijdige opheffing van het protectoraat (22 febr. 1922). Egypte werd als een onafhankelijke staat erkend, hoewel Engeland de exclusieve controle behield over de verdediging van Egypte, de verbindingswegen van het Britse imperium (Suezkanaal), de bescherming van minoriteiten en buitenlandse belangen en het bestuur over Soedan. Foead nam de koningstitel aan; Egypte werd een parlementaire monarchie met een naar Belgisch model ontworpen constitutie. Zaghloel stichtte een nieuwe nationalistische partij, de Wafd.
Van 1922 tot aan de Tweede Wereldoorlog werd het politieke toneel in Egypte beheerst door een driehoeksconflict tussen de koning, de Wafd-partij en de Britse regering. De inzet hiervan was de toepassing van de constitutie; noch de koning, noch de Britten wensten een Wafd-meerderheid in het parlement. Pas in 1935 leidde de nationalistische agitatie tot vrije verkiezingen krachtens de constitutie van 1922. Deze leverden een Wafd-meerderheid op; de nieuwe Wafd-leider, Nahas Pasja, vormde in mei 1936 een geheel uit partijgenoten samengesteld kabinet. Een maand eerder was Foead gestorven en opgevolgd door zijn zoon Faroek. Deze zond reeds in 1937 premier Nahas heen, waarna het land werd geregeerd door 'paleiscoalities', in welke situatie ook het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geen verandering bracht. Pas in febr. 1942, toen het oprukkende Duitse Afrikakorps onder Rommel de Britten in Egypte zorgen baarde en de Egyptische koning en regering hun weinig steun verleenden, keerde Nahas Pasja op Brits aandringen als premier terug. In okt. 1944, toen voor Egypte het oorlogsgevaar geweken was, ontsloeg Faroek Nahas echter opnieuw.
5.9 De naoorlogse periode tot 1967 (VAR en Suezcrisis)
Inmiddels waren op instigatie van Nahas Pasja de eerste stappen gezet naar de oprichting van de Arabische Liga op 22 maart 1945. Egypte trachtte binnen deze organisatie de Arabische wereld te mobiliseren in een strijd tegen de laatste restanten van de Britse imperiale positie in het Midden-Oosten. (De Britten beheersten nog steeds Soedan en het Suezkanaal.) De verloren Palestijnse oorlog in 1948 schiep een steeds chaotischer politieke situatie in het land, terwijl het bewind van Faroek werd gekenmerkt door corruptie en willekeur. De koning werd geconfronteerd met een groeiend aantal oppositionele groeperingen, waaronder de communisten en de snel opkomende extreem-rechtse Moslemse Broederschap (opgericht in 1928). De geheime tak van deze organisatie pleegde diverse moordaanslagen op politici. De leider van de Broederschap Hassan al-Banna werd in 1949 vermoord.
In het leger bestond inmiddels een geheime organisatie van jonge officieren onder leiding van kolonel Djamal Abd al-Nasser; toen Faroeks geheime politie haar op het spoor was gekomen, voerde de organisatie op 23 juli 1952 een staatsgreep uit. Faroek verliet als banneling het land, waarna op 18 juni 1953 de republiek werd geproclameerd. Er vond een strijd om de macht plaats tussen generaal Mohammed Naguib, de nominale voorzitter van de militaire junta, en kolonel Nasser, die in het voordeel van Nasser werd beslist. In okt. 1954 bereikte Nasser met Engeland overeenstemming over de terugtrekking van de Britse troepen langs het Suezkanaal. Hij maakte vervolgens een aanvang met de uitvoering van sociale en economische hervormingen; in zijn buitenlandse politiek ontpopte hij zich als een overtuigd voorstander van de politiek van ongebondenheid. In juli 1956 beantwoordde hij Brits-Amerikaanse pogingen om Egypte te dwingen tot deelneming aan het Bagdadpact (zie Centrale Verdragsorganisatie) met de nationalisatie van het Suezkanaal. Uit de daaruit voortvloeiende Suezcrisis, die in het gezamenlijke militaire optreden tegen Egypte van Engeland, Frankrijk en IsraŽl, eind oktober haar hoogtepunt kreeg, trad hij dankzij een 'de facto'-samenwerking van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in de Verenigde Naties als diplomatiek overwinnaar te voorschijn; radicale groepen in de gehele Arabische wereld zagen hierna in hem het symbool van een Arabische renaissance. Een van deze groepen, de Syrische socialistische Ba'thpartij, ijverde voor een politieke band tussen SyriŽ en Egypte en op 5 febr. 1958 kwam een Egyptisch-Syrische Unie tot stand, die de naam Verenigde Arabische Republiek (VAR) kreeg. Nasser werd als eerste president van de VAR aangewezen. Nasser wist zijn greep op het politieke leven binnen de VAR steeds meer te versterken, en onder de Syrische bourgeoisie en militairen ontstond grote ontevredenheid over het Egyptische centrale gezag, vooral nadat Nasser in juni 1961 de meeste grote Syrische ondernemingen had genationaliseerd. Op 28 sept. pleegde een aantal Syrische officieren een staatsgreep en scheidde SyriŽ zich weer van de VAR af.
Nadat de VAR in 1958 tot stand was gekomen, waren ook andere Arabische staten uitgenodigd zich bij de nieuwe unie aan te sluiten. In maart 1958 werd een losse federatie gesloten tussen de VAR en Jemen, genaamd de Verenigde Arabische Staten (VAS). Ook de VAS bleek niet erg levensvatbaar; zij viel in dec. 1961 uiteen.
Terwijl inmiddels de betrekkingen tussen Egypte (de naam VAR bleef officieel nog tot 1971 bestaan) en het Westen verslechterden, verbeterde de relatie met de Sovjet-Unie, die tegen voordelige voorwaarden wapens en technische uitrusting leverde en hulp verleende bij de bouw van militaire installaties en industriŽle projecten (o.a. de Aswandam). Communistische partijen bleven echter binnen Egypte verboden en hun leden werden vaak zwaar vervolgd. In juni 1962 werd een nieuw regeringssysteem ingevoerd, dat o.m. gebaseerd was op de Arabische Socialistische Unie (ASU) als enige politieke partij. Nasser wist zijn positie van belangrijkste leider van de Arabische wereld de volgende jaren voortdurend te versterken, maar zijn regering ondervond in deze periode ernstige economische moeilijkheden. Pogingen van de Saoedische koning Faisal in het begin van 1966 om een alliantie tussen een aantal conservatievere islamitische staten te vormen, werden door Nasser beschouwd als een reactionaire bedreiging van zijn macht in de Arabische wereld. Ook het bewind van koning Hoessein van JordaniŽ werd door Egypte sterk gekritiseerd. Er vond echter weer een zekere toenadering plaats tussen Egypte en SyriŽ en in nov. 1966 werd er, mede op aandringen van de Sovjet-Unie, een defensieverdrag tussen beide landen gesloten.
5.10 Oorlogen met IsraŽl
Toen SyriŽ in mei 1967 bekendmaakte dat IsraŽl op het punt stond een grootscheepse aanval op SyriŽ te doen, reageerde Nasser met het zenden van een grote troepenmacht naar de IsraŽlische grens. Op zijn verzoek werden de troepen van de Verenigde Naties bij de grens van Egypte met IsraŽl teruggetrokken. De spanning nam sterk toe en alle Arabische leiders betuigden hun steun aan Nasser; ook JordaniŽ en Irak sloten nu defensieovereenkomsten met CaÔro. Op 5 juni deed de IsraŽlische luchtmacht een grootscheepse aanval op de vliegvelden van Egypte, JordaniŽ, SyriŽ en Irak, waarbij het grootste deel van de Arabische luchtmacht op de grond vernietigd werd. Binnen vijf dagen bezette het IsraŽlische leger de Gaza-strook, het SinaÔ-schiereiland, de westoever van de Jordaan en de hoogvlakte van Golan. Het Suezkanaal werd tijdens de oorlog door Egypte geblokkeerd. Op 9 juni, een dag na het staakt-het-vuren, bood Nasser zijn ontslag aan; grootscheepse demonstraties te zijnen gunste deden hem echter besluiten aan te blijven. Op 19 juni trok hij ook de functies van premier en secretaris-generaal van de ASU aan zich. Een groot deel van de voor Egypte verloren gegane wapens werd vervolgens met de hulp van de Sovjet-Unie vervangen. Grote aantallen Russische militaire adviseurs en technici werden naar Egypte gezonden. De Sovjet-Unie verstrekte ook op grote schaal economische hulp en verwierf steeds grotere invloed in CaÔro.
Naar aanleiding van de Egyptische nederlaag in de oorlog met IsraŽl hadden grote wijzigingen in de Egyptische legerleiding plaats. Een militaire staatsgreep tegen Nasser werd echter verijdeld. De volgende jaren kwamen herhaaldelijk studentenstakingen en -opstanden voor, vooral gericht tegen de vaak halfslachtige houding van de Egyptische overheid ten aanzien van de strijd met IsraŽl en tegen een gebrek aan democratie op de universiteiten.
Op 28 sept. 1970 stierf president Nasser, waardoor een leemte in het leiderschap van de Arabische wereld ontstond. Hij werd opgevolgd door Anwar al-Sadat. Op 17 april 1971 kwam officieel een nieuwe federatie tot stand tussen Egypte, LibiŽ en SyriŽ, genaamd de Federatie van Arabische Republieken (FAR), die echter in de praktijk niet zou functioneren. Binnen de Egyptische regering en de ASU bestond echter verzet tegen de FAR en tegen de politiek van Sadat. In mei 1971 werden grootscheepse zuiveringen gehouden onder Sadats politieke tegenstanders, van wie er een aantal ter dood werd veroordeeld. Inmiddels was onder Sadats nieuwe bewind in de binnen- en buitenlandse politiek van Egypte sprake van een verschuiving naar rechts. Een conflict met de Sovjet-Unie was ontstaan door de weigering van dat land aan Egypte de gewenste wapens te leveren voor de strijd tegen IsraŽl. Na haar breuk met de Sovjet-Unie probeerde de Egyptische regering politieke en militaire steun te verkrijgen in het Westen, hetgeen grotendeels mislukte. Egypte werd hierdoor gedwongen opnieuw toenadering te zoeken tot de Sovjet-Unie. Eind 1972 waren de betrekkingen tussen Egypte en de Sovjet-Unie weer enigszins genormaliseerd. Egyptes verhouding met LibiŽ werd inmiddels steeds slechter: van het in aug. 1972 genomen besluit om voor sept. 1973 een volledige unie tussen beide landen te bereiken kwam niets (in sept. 1974 was een volledige breuk een feit, waardoor ook de FAR ophield te bestaan).
Op 6 okt. 1973 opende Egypte een aanval op het door IsraŽl in 1967 bezette grondgebied ten oosten van het Suezkanaal, gecoŲrdineerd met een Syrische aanval op de eveneens door IsraŽl bezette Golan-hoogvlakte (Oktoberoorlog). Op 23 okt. werd door de strijdende partijen een staakt-het-vuren aanvaard. Vredesbesprekingen te GenŤve in december liepen op niets uit. Op 17 jan. 1974 werd, na intensief bemiddelingswerk door de Amerikaanse minister Henry Alfred Kissinger, tussen Egypte en IsraŽl afzonderlijk een interim-troepenscheidingsakkoord gesloten, waarbij ook een VN-bufferzone werd ingesteld. De Sovjet-Unie werd buiten het overleg gehouden. In maart herkreeg Egypte de controle over beide oevers van het Suezkanaal. De omstreden kwestie van wel of geen deelname door de Palestijnen aan verdere vredesbesprekingen tussen de betrokken landen bracht de situatie in het Midden-Oosten nadien in een impasse, die pas in sept. 1975 werd doorbroken, toen Kissinger erin slaagde een tweede deelakkoord tussen Egypte en IsraŽl tot stand te brengen. Inmiddels was op 5 juni 1975 het Suezkanaal heropend. Sadats soepele houding tegenover IsraŽl ontmoette echter in vele Arabische landen scherpe kritiek.
Onenigheid met Moskou over de terugbetaling van de Egyptische schulden aan de Sovjet-Unie, alsmede over de levering van meer Russisch oorlogsmaterieel aan Egypte leidde in de loop van 1975 tot een ernstige verkoeling in de betrekkingen tussen beide landen. Egyptes verhouding met de Verenigde Staten en diverse andere westerse landen werd daarentegen steeds hartelijker, hetgeen resulteerde in een aantal akkoorden betreffende economische samenwerking en wapenleveranties.
5.11 Camp David-akkoorden en toenadering tot het Westen
Het spectaculaire bezoek van president Sadat aan IsraŽl, waar hij o.a. de Knesset toesprak, in nov. 1977 doorbrak de impasse in het vredesproces met IsraŽl. Ondanks felle kritiek uit het binnenland en uit de Arabische wereld, werd het overleg met IsraŽl door Amerikaanse bemiddeling voortgezet. In sept. 1978 werden met IsraŽl de Akkoorden van Camp David bereikt, die uiteindelijk in maart 1979 uitmondden in een Egyptisch-IsraŽlisch vredesverdrag. In dit kader werd de SinaÔ gefaseerd aan Egypte teruggegeven. Het laatste deel werd in april 1982 aan Egypte overgedragen. Een geschil over het grensgebied bij Taba werd in 1989 door arbitrage in Egyptisch voordeel beslecht. De Egyptisch-IsraŽlische toenadering bracht Egypte in de Arabische wereld in een isolement. Egypte werd in 1978 uit de Arabische Liga gestoten en werd het doelwit van een politieke en handelsboycot. Voor het wegvallen van de aanzienlijke Saoedische financiŽle steun vond CaÔro compensatie in Washington. In de jaren tachtig zouden de gematigde Arabische staten hun houding ten opzichte van Egypte geleidelijk verzachten.
De toenadering tot het Westen ging gepaard met een 'Open deur'-politiek (Infitah) op economisch terrein. Sadat hoopte o.a. door privatisering op meer buitenlandse investeringen. De snel groeiende schuldenlast alsmede de eis van het Internationale Monetaire Fonds om subsidies op eerste levensbehoeften te verminderen leidden tot groeiende sociale spanningen (het 'broodoproer' van jan. 1977), waarbij zich islamitische fundamentalisten die zich tegen westerse invloeden keerden, manifesteerden. Terwijl Sadat enige concessies deed aan de Moslimbroederschap, traden daarnaast radicalere groepen op (al-Jihad, Takfir wa-l Hidjra), die steeds vaker in botsing kwamen met Koptische christenen. In sept. 1981 liet Sadat duizenden moslimfundamentalisten, communisten, nasseristen en andere vooraanstaande critici oppakken (onder wie de Koptische patriarch Shenouda). Op 6 okt. 1981 kwamen Sadat en een groot aantal andere prominenten om bij een moordaanslag van fundamentalistische soldaten tijdens een parade in CaÔro. Zijn opvolger, vice-president Mohammed Hosni Moebarak, riep de noodtoestand uit, onderdrukte opstanden in Assioet en Minya en liet talrijke moslimextremisten berechten. Vele andere gevangenen, in sept. 1981 onder Sadat gearresteerd, werden echter weer vrijgelaten.
De onder Sadat begonnen voorzichtige democratisering van het politieke leven werd onder Moebarak voortgezet. In 1978 was de Nationale Democratische Partij opgericht als opvolger van de ASU en waren ter rechter- en linkerzijde nieuwe politieke partijen toegestaan. De parlementsverkiezingen van 1984 en 1987 brachten o.a. nasseristen, liberalen, Moslimbroeders en de heropgerichte Wafd-partij in de Assemblťe, maar de NDP van Moebarak behield een ruime absolute meerderheid. Buitenparlementaire oppositie (moslimfundamentalisten en de nasseristische Egyptische Revolutie), die o.a. door aanslagen in het nieuws kwam, stond evenwel aan meedogenloze vervolging bloot. In juli 1992 werd de doodstraf op terrorisme ingesteld. Onder Moebarak werd tevens een grote anticorruptiecampagne begonnen, o.a. tegen familieleden van Sadat.
5.12 Moebarak
In zijn buitenlandse politiek handhaafde Moebarak de relaties met de Verenigde Staten en IsraŽl, al bekoelden de verhoudingen met IsraŽl aanzienlijk door de Libanonoorlog van 1982. Tegelijk slaagde Egypte erin geleidelijk terug te keren in de Arabische wereld. In dec. 1983 bezocht PLO-leider Arafat CaÔro, in 1984 herstelde JordaniŽ de banden en in verband met de Eerste Golfoorlog volgden ook Irak en de Arabische Golfstaten. In 1987 keerde Egypte terug bij de islamitische topconferenties en in 1989 in de Arabische Liga. Als grootste Arabische land had Egypte zich in de jaren tachtig ten aanzien van de confrontatie met Iran weer een vooraanstaande positie in de Arabische wereld verworven. Tevens kon het zich opwerpen als bemiddelaar in het Arabisch-IsraŽlisch conflict. Ook wist Moebarak de betrekkingen met Moskou te verbeteren; in aug. 1987 bracht hij een officieel bezoek aan Moskou.
Eind 1988 speelde Egypte een belangrijke rol bij het tot stand komen van de dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO. De betrekkingen met de radicalere Arabische staten LibiŽ en SyriŽ werden hersteld en verbeterd. In febr. 1989 vormde Egypte samen met Irak, JordaniŽ en (Noord-)Jemen de Arabische Samenwerkingsraad, die echter in aug. 1990 weer uiteenviel ten gevolge van de Iraakse invasie in Koeweit. Samen met o.a. de Verenigde Staten stuurde Egypte troepen naar Saoedi-ArabiŽ (ter ondersteuning van de troepen die tijdens de Tweede Golfoorlog in 1991 Koeweit bevrijdden). Tegelijk keerden ca. 1 miljoen Egyptische gastarbeiders totaal berooid uit Irak en Koeweit terug naar hun land. In 1993 kreeg Egypte te maken met een toename van tegen de regering gericht geweld door moslimfundamentalisten.
De Moslemse Broederschap, Egyptes oudste fundamentalistische beweging, distantieerde zich nadrukkelijk van het terrorisme. President Moebarak werd in okt. 1993 voor een derde ambtstermijn gekozen. Nadat het islamitisch geweld ook in 1995 weer tientallen slachtoffers had geŽist, ging de regering over tot vervolging van de Moslemse Broederschap, wat tot een verdere radicalisering van de islamitische beweging leidde. Tijdens een bezoek aan EthiopiŽ in juni 1995 vond een mislukte moordaanslag plaats op president Moebarak. De parlementsverkiezingen van eind nov. 1995, die gepaard gingen met veel gewelddadigheden en fraude, leverden een grote overwinning op voor de regerende Nationaal-Democratische Partij.
In 1996 pakte de overheid met succes het islamitisch geweld aan, terwijl ook in het dagelijks leven een dam werd opgeworpen tegen het fundamentalisme. President Moebarak bekrachtigde de centrale rol van Egypte in de Arabische wereld op de Arabische topconferentie in juni 1996 in CaÔro, waarbij hij de Arabische landen (Irak ontbrak) op ťťn lijn wist te krijgen over de voortgang van het vredesproces.

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009