|
1. Fysische geografie
De
twee parallelle bergketens - de Sierra Maestra del Norte langs de grens
met Honduras en de vulkanische Cadena Costera evenwijdig aan de kust -
verdelen El Salvador in drie sterk verschillende gebieden: de
kustvlakte, ca. 25 km breed, met een vochtig-heet tropisch klimaat (tierra
caliente), de door lava en vulkanische as zeer vruchtbare hoogvlakte
tussen de beide bergruggen met een aangenaam gematigd klimaat (tierra
templada) en het aanzienlijk koudere hoge bergland langs de grens met
Honduras (tierra fría). De zuidwestmoesson (temporal) veroorzaakt de
meeste regenval in de periode mei-oktober. De geologische breukzone, die
zich over de hele Midden-Amerikaanse landengte uitstrekt, manifesteert
zich in El Salvador aan de zuidrand van de hoogvlakte in een reeks
vulkanen (Santa Ana, 2386 m), warmwaterbronnen en geisers. De bekendste
actieve vulkaan is de Izalco (1885 m). De Río Lempa, de belangrijkste
rivier, heeft voor de scheepvaart weinig betekenis. In de Cadena Costera
enige kratermeren (Lago de Coatepeque en Lago de Ilopango).
Plantengroei en dierenwereld zijn goeddeels van Zuid-Amerikaanse aard.
De zeer verschillende klimaten hebben het aanschijn gegeven aan even
zovele vegetatiezones. De dierenwereld is vooral gekenmerkt door een
zeer groot aantal soorten vogels (ca. 450), waarvan ongeveer een derde
bestaat uit Noord-Amerikaanse soorten die in El Salvador komen
overwinteren.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestaat voor ca. 90% uit mestiezen (Ladinos), voor de rest uit
Indianen en blanken (de meeste van Spaanse afkomst). In het westen leven
de Pipil, een aan de Nahua verwante groep, en in het noordoosten de
Lenca-Indianen. De jaarlijkse bevolkingstoename (1990-1995) bedraagt
2,2%; het geboorte- en het sterftecijfer (1992) bedragen resp. 32 en 7
per duizend. Ca. 43% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. Ongeveer de
helft van de bevolking woont in de steden.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. De Indianentalen hebben slechts lokale
betekenis (in totaal door 5% van de bevolking gesproken).
2.3 Religie
Er is officieel en feitelijk godsdienstvrijheid. Ongeveer 93% van de
bevolking is rooms-katholiek. In 1842 werd het diocees San Salvador
opgericht, in 1913 een kerkprovincie, thans bestaande uit één
aartsbisdom en acht diocesen. De Rooms-Katholieke Kerk is een
invloedrijke instantie in de Salvadoraanse maatschappij, mede door haar
sociaal engagement. Er zijn ca. 200.000 protestanten (vnl. baptisten,
Pinkstergemeenten en adventisten).
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1983 is El Salvador een presidentiële republiek,
waarin de wetgevende macht berust bij de Wetgevende Vergadering (84
leden; via algemene verkiezingen gekozen voor een termijn van drie
jaar). De uitvoerende macht berust bij de president, die rechtstreeks
wordt gekozen voor een ambtstermijn van vijf jaar; hij is niet
herkiesbaar. Er bestaat stemplicht voor alle burgers ouder dan 18 jaar.
3.2 Administratieve indeling
El Salvador is administratief verdeeld in 14 departementen, die zijn
onderverdeeld in 262 gemeenten (municipios); de departementen worden
bestuurd door een door de president benoemde gouverneur.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
El Salvador is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de
Midden-Amerikaanse Gemeenschappelijke Markt (MCCA), het IMF en het
Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA).
3.4 Politieke partijen; vakbonden; werkgeversorganisaties
De in 1961 opgerichte Partido de Conciliación Nacional (Nationale
Verzoeningspartij PCN) vormde in de jaren zestig en zeventig de
politieke partij van de militairen en grootgrondbezitters. Vanaf de
jaren tachtig is haar functie overgenomen door de extreem-rechtse
Alianza Republicana Nacionalista (Nationalistische Republikeinse
Alliantie ARENA). Andere belangrijke partijen zijn het Frente Farabundo
Martí para la Liberación Nacional (FMLN; de voormalige
guerrillabeweging, sinds 1992 een legale politieke partij) en de
christen-democratische Partido Demócrata Cristiano (PDC). Er zijn drie
belangrijke overkoepelende vakverenigingen: Unidad Popular Democrática (UPD;
100!000 leden), die vnl. de landarbeiders representeert, Unidad Nacional
de Trabajadores Salvadoreños (UNTS; 500!000 leden) en de
regeringsgezinde Unión Nacional Obrero-Campesina (UNOC; 500.000 leden).
De belangrijkste werkgeversorganisatie is de politiek zeer invloedrijke
Asociación Nacional de Empresa Privada (Nationaal Verbond van het
Particuliere Bedrijfsleven ANEP).
4. Economie
4.1 Inleiding
De
economie van El Salvador is vanouds gebaseerd op de export van
landbouwproducten, m.n. koffie, katoen en suiker (75% van de totale
exportwaarde), naast een uitgebreide tertiaire sector. Van de economisch
actieve bevolking is ca. 35% werkzaam in de landbouw, 20% in de
industrie en 45% in bouwnijverheid, handel en diensten; het aandeel van
deze sectoren in het bruto nationaal product was in 1994 resp. 14%, 24%
en 62%. Het bnp per inwoner lag in 1994 op $ 1480, de reële groei over
de afgelopen jaren bedroeg 6,2%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is 35% in gebruik voor landbouw, 29% is
weidegrond en 5% is met bos bedekt. Het landbouwareaal wordt intensief
benut, en kan alleen nog worden uitgebreid door braak liggende gedeelten
van de grote haciendas in cultuur te brengen. Het grondbezit is van
oudsher zeer ongelijk verdeeld: 80% van de plattelandsbevolking
beschikte in de jaren zeventig over ca. 11% van de landbouwgrond,
terwijl 0,4% van de landeigenaren 38% van de grond bezat. Bovendien was
90% van de landbouwbedrijven kleiner dan 10 ha. Ruim 40% van de gezinnen
op het platteland was zonder land. De sinds 1980 geïntroduceerde
landhervorming werd slechts voor een deel uitgevoerd en bereikte
uiteindelijk ongeveer een kwart van de beoogde boerengezinnen. Alle
landgoederen boven de 245 ha zijn gesplitst: nog 3% van de producenten
beschikt over bedrijven van meer dan 30 ha (44% van de landbouwgrond),
87% van de producenten moet het stellen met minder dan 3 ha (op 25% van
het totale landbouwareaal). Met 40% van de agrarische productiewaarde is
koffie het belangrijkste product; het wordt vooral verbouwd in het
Centrale Hoogland (San Salvador en Santa Ana), overwegend op grote
plantages. Het tweede product, katoen, wordt verbouwd in de kuststreek (Usulatán
en La Paz). Overige producten zijn maïs, bonen, rijst, cacao,
suikerriet, tabak, kokospalmen, citrusvruchten, ananas en sisal. In
opkomst zijn nieuwe exportproducten als groente en fruit, bloemen en
planten. Veehouderij (rundvee en varkens) vindt vooral plaats in het
Centrale Hoogland en in het oosten; de vleesproductie is ontoereikend
voor de binnenlandse consumptie. Bosbouw is van geringe betekenis
(brandhout); hout voor bouwnijverheid en industrie wordt voor het
grootste deel geïmporteerd. Zeevisserij (garnalen) is een
staatsmonopolie; er wordt vooral geproduceerd voor de export naar de
Verenigde Staten.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw is van weinig betekenis. Bij Montecristi wordt op kleine
schaal goud en zilver gewonnen. Waterkracht is de belangrijkste bron
voor de elektriciteitsvoorziening; de centrales van Cerrón Grande en San
Lorenzo in de Río Lempa voorzien met een capaciteit van 423 MW in meer
dan de helft van de elektriciteitsproductie. Van belang is ook de
winning van geothermische energie bij Ahuchapán. El Salvador voorziet
volledig in de behoefte aan elektrische energie; verwacht wordt dat het
land in de toekomst elektriciteit zal leveren aan de buurlanden.
4.4 Industrie
El Salvador is het meest geïndustrialiseerde land van Midden-Amerika,
met als centra San Salvador, La Libertad en Santa Ana. De meeste
bedrijven zijn klein of middelgroot; ambachtelijke productie komt nog
veel voor. Geproduceerd worden poederkoffie, textiel, suiker, dranken,
cement, asbest, plantaardige oliën en vetten, chemische producten en
lederwaren; er is ook een metallurgische industrie. Ingevoerde aardolie
wordt geraffineerd in Acajutla.
4.5 Handel
Sinds 1981 vertoont de handelsbalans een negatief saldo (export: $ 1005
miljoen; import $ 2853 miljoen in 1995). Koffie is het belangrijkste
exportproduct (ruim 26% van de exportwaarde in 1992), gevolgd door
katoen, chemische producten en suiker. De invoer bestaat vooral uit
industrieproducten, machines, transportmiddelen, grondstoffen en
voedingsmiddelen. In 1977 ging 22% van de uitvoer naar partners van de
Centraal amerikaanse Gemeenschappelijke Markt; politieke problemen
(Honduras, Nicaragua) hebben de onderlinge handel in de Gemeenschap
ernstig geschaad. De belangrijkste handelspartner blijven de Verenigde
Staten.
4.6 Bankwezen
De in 1934 opgerichte Banco Central de Reserva de El Salvador, welke in
1961 door de staat werd overgenomen, is de centrale bank, die
verantwoordelijk is voor de monetaire politiek en de in 1961 ingevoerde
deviezencontrole. Van de commerciële banken is de Banco Hipotecario de
El Salvador de belangrijkste. In maart 1980 nationaliseerde de regering
de particuliere banken. Een belangrijke rol in de kredietverlening
spelen de Banco de Fomento Agropecuario en de Banco Nacional de
Fomento-Industrial. Er wordt momenteel gestreefd naar herprivatisering
en hervorming van het bankensysteem.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Het economisch hervormingsbeleid dat in 1980 ingezet werd, leidde tot
een grotere rol van de centrale overheid in het financieel en economisch
systeem. Als gevolg van de burgeroorlog (die in de jaren tachtig een
economisch verlies van meer dan $ 7 miljard veroorzaakte),
kapitaalvlucht, dalende prijzen op de wereldmarkt voor koffie en de
teruggevallen handel met de andere Midden-Amerikaanse landen
verslechterde de economische situatie na 1979 drastisch: tussen 1980 en
1987 daalde het bruto nationaal product met gemiddeld 0,4% per jaar. El
Salvador was in de jaren tachtig de op twee na grootste ontvanger van
Amerikaanse hulp ($ 3,3 miljard van 1981-1989). Ook de bedragen die
Salvadoraanse vluchtelingen en immigranten in de Verenigde Staten naar
familieleden in hun geboorteland zonden ($ 600 tot $ 1300 miljoen per
jaar), vormden een belangrijke financiële steun voor de economie. De in
1989 aangetreden regering wijzigde het economisch beleid in de richting
van privatisering en liberalisering.
4.8 Verkeer
Het wegennet is van goede kwaliteit. Van de 9826 km weglengte (1994)
zijn 1936 km geasfalteerd en 8399 km het hele jaar te berijden. Het 602
km lange spoorwegnet (volledig in handen van de overheid) vervult een
belangrijke rol in het goederenvervoer. Luchtvaart is voor het
binnenlandse verkeer van weinig belang; de vroegere internationale
luchthaven Ilopango bij San Salvador is nu een militair vliegveld; bij
Cuscatlán, op 40 km van San Salvador, is een nieuwe luchthaven
aangelegd. Alle buitenlandse handel loopt via de drie havens aan de
Grote Oceaan: La Unión, La Libertad en Acajutla; El Salvador maakt ook
gebruik van de containerhaven van Puerto Barzios in Guatemala.
5. Geschiedenis
5.1 Periode tot de jaren zeventig
Het
gebied van het huidige El Salvador werd in 1524 voor Spanje veroverd
door Pedro de Alvarado en was onder het Spaanse bewind een deel van
Guatemala. Toen Midden-Amerika zich in 1821 van Spanje losmaakte, werd
in El Salvador de republiek uitgeroepen. In 1823 ging het land deel
uitmaken van de Centraalamerikaanse Statenbond, waarvan het zich in 1839
afscheidde. In 1905 was er tussen El Salvador en Guatemala een
grensconflict. In de Eerste Wereldoorlog was El Salvador neutraal, in de
Tweede Wereldoorlog verklaarde het Duitsland de oorlog.
Politiek werd het land traditioneel beheerst door een conservatieve
elite (de '14 families': grootgrondbezitters en exporteurs van
landbouwproducten). Toen deze in 1931 haar macht bedreigd meende door de
massale boerenopstanden, riep ze de militairen te hulp, die op bloedige
wijze de opstand onderdrukten en sindsdien het politieke leven blijvend
hebben bepaald. In 1948 kwam El Salvador onder bestuur van een
revolutionaire raad onder leiding van O. Osorio, die in 1950 tot
president werd gekozen (tot 1956). In dat jaar werd een nieuwe, sterk
economisch georiënteerde grondwet aangenomen. In 1960-1962 werd het
land, ten gevolge van een staatsgreep, door een tweetal militaire
junta's geregeerd, waarvan de tweede zich als anticommunistisch
presenteerde. In 1962 werd Julio Rivera tot president gekozen (tot
1967). Hij voerde een gematigd vooruitstrevend beleid.
In de Midden-Amerikaanse politiek speelde El Salvador een actieve rol.
In 1951 kwam op zijn initiatief de organisatie van Centraalamerikaanse
staten, ODECA, tot stand, in 1960 werd met de daartoe behorende landen
een Centraalamerikaanse Gemeenschappelijke Markt (MCCA) opgericht, in
1964 een arbeidsraad voor het coördineren van de sociale politiek en in
1965 (met uitzondering van Costa Rica) een defensieraad ter bestrijding
van communistische agressie. Medio 1969 was sprake van een gewapend
conflict tussen Honduras en El Salvador (de voetbaloorlog) met als
oorzaak de ongelijke economische ontwikkeling binnen de MCCA, als motief
het beschermen van in Honduras verblijvende Salvadorianen en als
aanleiding incidenten tijdens twee voetbalwedstrijden. Dit conflict
bleef in de jaren zeventig de betrekkingen tussen beide landen nadelig
beïnvloeden. In oktober 1980 ondertekenden beide landen een
vredesverdrag.
5.2 Burgeroorlog en doodseskaders
De verscherping van de sociale tegenstellingen in de jaren zeventig
leidde in de jaren tachtig tot een bloedige burgeroorlog, die meer dan
70.000 levens kostte. Na fraude bij de presidentsverkiezingen van 1972
en 1977 ten gunste van de kandidaten van de met de militairen en
economische elite verbonden PCN ging een deel van de oppositie over tot
gewapend verzet. De regimes van kolonel Molina (1972-1977) en generaal
Romero (1977-1979) onderdrukten met behulp van paramilitaire
doodseskaders, zoals ORDEN, alle vormen van legale en illegale
oppositie. Ook het progressieve deel van de invloedrijke
Rooms-Katholieke Kerk werd vervolgd. Op 23 maart 1980 werd aartsbisschop
Oscar Arnulfo Romero door een extreem-rechts doodseskader vermoord en op
17 maart 1982 vonden vier Nederlandse journalisten de dood na in een
hinderlaag te zijn gelokt. Onder invloed van de gebeurtenissen in het
buurland Nicaragua pleegden legerofficieren in oktober 1979 een
staatsgreep, waarna een junta van burgers en militairen, gesteund door
de Verenigde Staten, aan de macht kwam. Deze benoemde eind 1980 de
christen-democraat José Napoléon Duarte tot voorlopig president. Na een
interim-presidentschap van de conservatief Alvaro Magaña (1982-1984)
werd Duarte bij de verkiezingen van mei 1984 gekozen tot president.
Hoewel formeel ook opperbevelhebber van de strijdkrachten kon Duarte
geen eind maken aan de systematische schendingen van de mensenrechten
door de militairen. Evenmin slaagde hij erin een vredesregeling tot
stand te brengen met de guerrillabeweging FMLN, die in 1981 een
offensief begonnen was dat uitmondde in een militaire patstelling. Op 1
juni 1989 trad Alfredo Cristiani aan als president, nadat zijn partij,
de extreem-rechtse ARENA, de parlementsverkiezingen van maart 1988 en de
presidentsverkiezingen van maart 1989 gewonnen had. Ook Cristiani
slaagde er niet in een eind te maken aan de burgeroorlog. Onder zijn
regime nam de vervolging van de oppositie, m.n. leden van de vakbonden,
hulporganisaties van de Rooms-Katholieke en Lutherse Kerk en
vluchtelingenorganisaties, zelfs weer toe. In nov. 1989 werden zes
jezuïetenpriesters vermoord. Besprekingen tussen de regering en het FMLN,
dat eind 1989 een nieuw offensief begon, liepen telkens stuk, ondanks
pogingen tot bemiddelingen van de Verenigde Naties en de
Midden-Amerikaanse staatshoofden.
Nadat op 16 jan. 1992 het vredesakkoord van Chapultepec werd
ondertekend, leverden de FMLN-strijdens hun wapens in. Op 15 dec. 1992
werd in San Salvador met een plechtige bijeenkomst het formele einde
afgekondigd van de burgeroorlog, die ca. 75!000 mensen het leven heeft
gekost.
Het land werd herhaaldelijk zwaar getroffen door aardbevingen (o.m. in
1854, 1951 en 1986).
De parlements- en presidentsverkiezingen van maart 1994, die werden
ontsierd door tal van onregelmatigheden, leverden overwinningen op voor
de ARENA-partij en voor Armando Calderón Sol, die in juni werd beëdigd
als president. Een onderzoekscommissie kwam in juli 1994 tot de
conclusie dat de doodseskaders, in de jaren tachtig verantwoordelijk
voor de dood van duizenden politieke tegenstanders, nog steeds actief
waren. Na de verkiezingen kwam het tot een breuk in de uit vijf
groeperingen bestaande FMLN, de voormalige guerillabeweging. Het begin
1995 gelanceerde economische hervormingsplan beoogde liberalisering van
de economie, privatisering van de overheidsbedrijven, een vaste
wisselkoers en belastingverhogingen. Het plan bracht in 1995 en 1996
grote sociale onrust teweeg. De vakbonden vreesden banenverlies in een
land waar bijna 60% van de economisch actieve bevolking geen of te
weinig werk heeft. In maart 1996 sprak president Calderón zich uit voor
legalisering van drugs en regulering van de handel erin om zo de
problemen van de drugshandel te bestrijden.
Telefoongids El Salvador
Postcodes El Salvador
|