|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Ecuador omvat drie landschappen: a. de Costa, de 20 tot 150 km brede,
alluviale kustvlakte met in het zuiden het stroombekken van de Guayas.
In het noorden is de belangrijkste rivier de Río Esmeraldas. Naar het
westen wordt deze vlakte afgesloten door een zandsteenplateau (tot 300 m
hoog) met klifkust. b. De Sierra, een berglandschap dat gevormd wordt
door twee parallel lopende ketens van de Andes, de Cordillera Occidental
en de Cordillera Oriental. Onderling zijn deze ketens verbonden door
hoge drempels (nudos), waartussenin een aantal grote kommen (hoyas)
ligt, op ca. 3000 m hoogte. De noordelijke bekkens hebben hun afwatering
op de Grote Oceaan, de zuidelijke op de Amazone. Er verrijzen hoge
vulkanische toppen, waarvan ca. 30 actief (Chimborazo, met permanente
ijskap, 6267 m, Cotopaxi, 5897 m). Aardbevingen komen veelvuldig voor. c.
De Oriente, een naar het oosten afdalend tropisch junglegebied, met
afwatering via de Río Putumayo, Río Napo, Río Curaray en Río Pastaza
naar het Amazonegebied.
1.2 Klimaat, plantengroei en dierenwereld
In het algemeen hebben de Costa en de Oriente een vochtig warm, tropisch
klimaat, maar in het Andesgebied komen grote verschillen in klimaat en
plantengroei voor. Er is één regenperiode (nov.-mei), met een gemiddeld
jaarlijks neerslagcijfer van 1520 mm. Bergwouden bedekken een groot deel
van de hellingen tot een hoogte van 3000 m. Hierboven strekt zich een
gebied uit met grassen en struiken (paramo). De temperatuur in de
bekkens tussen de bergen schommelt relatief weinig (tussen 7 en 20°C).
De hoofdstad Quito, die op minder dan 25 km van de evenaar ligt, kent
een 'eeuwigdurende lente', hoewel de nachten er vaak zeer koud zijn.
Het kustgebied van Ecuador kent echter de meest opmerkelijke verschillen
in klimaat en begroeiing van heel Zuid-Amerika. In het noorden stort een
dubbel regenseizoen bijna 2000 mm neerslag per jaar uit over een dicht
tropisch regenwoud (selva) en mangrovemoerassen. Verder naar het zuiden
vermindert de regenval echter tot één regenperiode (dec.-juni); hier
vindt men savanne-achtige graslanden. Nabij de grens met Peru heerst een
woestijnklimaat.
De dierenwereld is even gevariëerd als de plantengroei. Vooral het
tropisch regenwoud is zeer rijk aan apen en vogels (o.a. toekans en
andere vruchteneters, arenden). De natuur van de Galápagoseilanden is
zeer goed beschermd, dit in tegenstelling tot de natuur op het vasteland
van Ecuador, waar de toepassing van de jachtwetten hier en daar zeer te
wensen overlaat.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Hoewel het door de vele mengvormen nauwelijks mogelijk is een exacte
verdeling van de samenstelling van de bevolking te geven, ging men er in
1994 van uit dat 45% mestizo was, 35% Indiaans, 10% blank, 6% mulat en
4% Afro-Amerikaans. In de periode 1990-1994 nam de bevolking jaarlijks
met 2,2% toe; het geboorte- en het sterftecijfer bedroegen in 1992 30,
resp. 7 per duizend; de sterfte van kinderen jonger dan één jaar was 53
per duizend. 39% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De Oriente (ca.
50% van de oppervlakte van Ecuador) biedt woonplaats aan slechts 2% van
de bevolking; de overige bewoners zijn ongeveer gelijk verdeeld tussen
de Costa en de Sierra; 57% van de bevolking woont in stedelijke
gebieden.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans; de Indianen in de Sierra spreken
overwegend Chibcha en Quechua, in de Oriente worden andere Indianentalen
gesproken.
2.3 Religie
De bevolking is voor het overgrote deel rooms-katholiek (85%). In 1904
vond de scheiding tussen kerk en staat plaats en in 1937 kwam een modus
vivendi met de H. Stoel tot stand. De grondwet garandeert
godsdienstvrijheid. De kerk heeft nog steeds aanzienlijke politieke
macht. Ecuador heeft drie kerkprovincies, bestaande uit de
aartsbisdommen: Quito, Guayaquil en Cuenca, en achttien bisdommen. Er is
één vrije prelatuur: Los Ríos. Het aantal protestanten is gering, maar
stijgt vooral onder invloed van evangeliserende kerkgenootschappen uit
de Verenigde Staten. Een deel van de Indiaanse bevolking is aanhanger
van natuurreligies.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de in aug. 1979 bij referendum van kracht geworden grondwet - de
achttiende sinds 1830 - berust de wetgevende macht bij het parlement,
bestaande uit één kamer van volksvertegenwoordigers (82 [afhankelijk van
het aantal inw.] leden, rechtstreeks gekozen voor twee jaar). De
uitvoerende macht is in handen van de president, voor vier jaar
rechtstreeks door de bevolking gekozen (en voor de eerstvolgende
ambtsperiode niet herkiesbaar). Er is algemeen kiesrecht voor burgers
van achttien jaar en ouder; tot 1979 was dit recht beperkt tot hen die
konden lezen en schrijven en in het bezit waren van een
identiteitsbewijs (10 à 15% van de bevolking).
3.2 Administratieve indeling
Ecuador is administratief verdeeld in twintig provincies, onderverdeeld
in kantons (103) die vervolgens weer verdeeld zijn in 746 gemeenten. De
provincies worden bestuurd door een van presidentswege benoemde
gouverneur.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Ecuador is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), het
Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Organisatie van Petroleum
Exporterende Landen (OPEC), de Latijns-Amerikaanse Integratie Associatie
(LAIA), het zgn. Andes-Pact en van het Latijns-Amerikaanse Economische
Systeem (SELA). Ecuador is een van de mede-ondertekenaars van het
Verdrag van Amazonische Samenwerking (1978), waarin economische en
ecologische relaties met aan het Amazonebekken grenzende buurlanden
geregeld zijn.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen en vakbonden
De militairen bezitten traditioneel een belangrijke politieke invloed.
Het onderscheid tussen de politieke partijen wordt meer bepaald door
tegenstellingen tussen de politieke leiders dan door programmatische
verschillen. De voornaamste partijen zijn de Partido Social Cristiano (PSC;
conservatief), de Partido Roldosista Ecuatoriano (PRE; populistisch) en
de Democracia Popular (DP; christen-democratisch).
De vakbeweging is sterk gefragmenteerd, en vertegenwoordigt maar een
klein deel van de arbeiders. De in 1944 opgerichte Confederación de
Trabajadores del Ecuador (CTE; communistisch) heeft overwegend
clandestien gefunctioneerd; de katholieke Confederación Ecuatoriana de
Organizaciones Clasistas (CEDOC) is in 1938 opgericht. Deze twee zijn
verenigd in het Frente Unitario de Trabajadores (FUT), in 1971 opgericht
(300.000 leden). De derde groepering is de in 1962 opgerichte en onder
Amerikaanse invloed staande Confederación Ecuatoriana de Organizaciones
Sindicales Libres (CEOSL). Het stakingsrecht is herhaaldelijk sterk
ingeperkt. De drie grootste vakbondsfederaties werken samen in het
Frente Unitario de Trabajadores (FUT).
4. Economie
4.1 Algemeen
Ecuador is een van de minst ontwikkelde landen van Latijns-Amerika, met
een BNP van $ 1200 p.p. De economie drijft op één kurk: aardolie. Die
maakte in de periode 1950-1970 ca. 90% uit van de totale exportwaarde.
Sinds 1972 heeft de uitvoer van olie de economische structuur ingrijpend
gewijzigd. Het aandeel van de verschillende sectoren in het bruto
nationaal product (bnp) was in 1994 als volgt: landbouw (bananen,
koffie, cacao en suiker) 12%, industrie 38% (waarvan mijnbouw [incl.
olie] 11%), handel en diensten 50%. De economische groei in de jaren van
1965 tot 1970 bedroeg gemiddeld 5% per jaar, versnelde in de jaren tot
1975 tot ca. 12% gemiddeld, en daalde daarna tot 8%. Als gevolg van de
lagere olieprijzen groeide de economie tussen 1980 en 1987 met gemiddeld
slechts 3,5% per jaar. Van de economisch actieve bevolking (1985: 2,7
miljoen mensen) is 28% werkzaam in de landbouw, 18% in de industrie en
mijnbouw en 50% in handel en diensten; officieel wordt de werkloosheid
op 8,5% gesteld; de verborgen werkloosheid is echter groot (43% in
1995).
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 12% in gebruik voor landbouw, 11% is
weidegrond en 60% is met bos bedekt. Van de landbouwgrond ligt rond 60%
in de Costa en bijna 40% in de Sierra; het landbouwpotentieel in de
Oriente wordt geschat op 35% van het totale landbouwoppervlak.
Belangrijke producten van de Costa zijn bananen (waarvan Ecuador een van
de grootste producenten is), cacao (vnl. in de provincies Los Ríos en
Guayas) en koffie (overwegend op kleine bedrijven in de provincies
Manabé, Los Ríos, Guayas en El Oro). De Costa produceert verder
palmpitten, rijst, katoen, suikerriet en tropische vruchten. In de
Sierra worden aardappelen, maïs, tarwe en gerst verbouwd, en is de
rundveehouderij belangrijk. De nationale productie van tarwe, gerst en
melk is te klein om te voldoen aan de binnenlandse vraag. Ondanks de
landhervormingen van 1964 en 1973 is de landbouwgrond nog grotendeels in
handen van grootgrondbezitters: ca. 10% van de eigenaren beschikt over
76% van de grond. Meer dan 70% van de landbouwbedrijven is kleiner dan 5
ha. Evenmin hebben de agrarische hervormingen een einde kunnen maken aan
de traditionele vorm van deelpacht (huasipungo), waarbij de 'pacht'
voldaan wordt door arbeid voor de grootgrondbezitter. De grote
houtreserves van het land, vooral in de oerwouden in de Oriente, worden
slechts op bescheiden schaal geëxploiteerd. Ecuador heeft met een
aandeel van bijna 14% in de totale export een belangrijke en snel
groeiende zeevisserij (sardines, garnalen en tonijn). Om de visgronden,
vooral rond de Galápagoseilanden en voor de kust, te beschermen doet het
land rechten gelden op een 200-mijlszone.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Sinds de koloniale tijd is de winning van goud en zilver (bij Portovelo
in de provincie El Oro) van belang. Op beperkte schaal worden koper en
zwavel gewonnen; voorts is de aanwezigheid van zink, antimoon en uraan
aangetoond. De nieuwe mijnbouwwetgeving van 1974 bepaalt dat alle mijnen
staatseigendom zijn en dat de exploitatie en verkoop in samenwerking met
de staat dienen te geschieden. In de jaren zeventig is de winning van
aardolie economisch van groot belang geworden. De ontdekking in 1967 van
zeer rijke olievelden in de Oriente (provincie Napo) maakte Ecuador de
tweede olie-exporteur van Latijns-Amerika (na Venezuela); een ruim 450
km lange oliepijpleiding van de wingebieden naar Esmeraldas is sinds
1972 in gebruik; vanwege de beperkte raffinagecapaciteit (bij Salinas en
in Esmeraldas) wordt de olie voor het grootste gedeelte ongeraffineerd
uitgevoerd. Vanaf 1972 werken de Noord-Amerikaanse maatschappijen nauw
samen met de in 1971 opgerichte staatsoliemaatschappij CEPE, in 1989
omgedoopt in Petroleus del Ecuador. In de Golf van Guayaquil zijn grote
aardgasreserves ontdekt. De geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking
van elektriciteit (1989: 1,9 miljoen kW, waarvan 48% door waterkracht)
is nog onvoldoende. Er zijn nieuwe waterkrachtcentrales bij Pisayambo,
Paute en Agoyán in werking gesteld.
4.4 Industrie
De industriële productie groeide in de jaren zeventig met gemiddeld 10%
per jaar, maar stagneerde in de jaren tachtig als gevolg van
teruglopende investeringen. Sinds 1992 is er weer sprake van groei. Een
groot deel van de industriële expansie, gericht op importsubstitutie, is
tot stand gebracht door buitenlandse investeringen, buitenlandse
kredieten en een sterke uitbreiding van overheidskredieten. De industrie
is voor 80% geconcentreerd in Guayaquil en Quito. De belangrijkste
producten zijn textiel, plantaardige oliën en vetten, cacaoproducten,
suiker, oploskoffie, bier, cement, papier, metaalwaren en rubber. Het
doel van een groots opgezet industrieplan is het aanzwengelen van de
export en een vermindering van de afhankelijkheid van de import.
Grondstofverwerkende, chemische en kunststofindustrie worden sterk
gestimuleerd.
4.5 Handel
In 1987 vormden aardolie, garnalen, bananen, koffie en cacao resp. 37%,
19%, 13%, 10% en 4% van de exportwaarde. De uitvoer van koffie is
afhankelijk van de quotaregeling in het kader van de Internationale
Koffie Overeenkomst (ICO). De belangrijkste handelspartners zijn de
Verenigde Staten, Japan, de EG en de buurlanden van het Andes-Pact.
Ingevoerd worden vooral machines, halffabrikaten en voedingsmiddelen. De
toegenomen internationale kredietwaardigheid sinds 1972 heeft geleid tot
een snelle groei van de buitenlandse schuld ($ 13,9 miljard in 1995);
vanaf 1987 was de overheid niet meer in staat te voldoen aan de
betalingsverplichtingen op de buitenlandse schuld. Alleen de
renteverplichtingen slokken al 30% van de deviezenontvangsten op.
4.6 Bankwezen
De in 1927 opgerichte Banco Central del Ecuador fungeert als centrale
bank; de Junta Monetaria van de centrale bank is verantwoordelijk voor
de monetaire politiek. Sinds de 'olieboom' in 1972 nam het aantal
binnen- en buitenlandse handelsbanken toe; nationale handelsbanken
beheersen vanouds de kredietverlening.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
De Nationale Ontwikkelingsraad (CONADE) stelt economische en sociale
ontwikkelingsplannen op en coördineert de uitvoering van
ontwikkelingsprojecten. Dank zij de olie-inkomsten konden in de jaren
zeventig verschillende regionale ontwikkelingsprojecten gerealiseerd
worden. Het in 1980 gestarte vijfjarenplan moest echter als gevolg van
de daling van de olieprijzen en de stijging van de rente op de
buitenlandse schuld bijgesteld worden. Via liberaliseringsmaatregelen
probeerde de regering in de jaren tachtig buitenlandse investeringen aan
te trekken. Om de groeiende schuldenlast het hoofd te bieden, voert de
regering sinds 1992 een economisch aanpassingsprogramma uit, dat gepaard
gaat met bezuinigingen op de overheidsuitgaven en een strikt
wisselkoersbeleid. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank
ondersteunden dit aanpassingsbeleid met nieuwe leningen.
4.8 Verkeer
De belangrijkste belemmering voor het transport wordt gevormd door het
oerwoud in de Oriente en de Andesketens in de Sierra. De belangrijkste
wegverbindingen zijn het Ecuadoriaanse deel van de Carretera
Panamericana (1392 km) tussen Tulcán aan de grens met Colombia en Macará
aan de grens met Peru. Van de vier spoorlijnen (totale lengte ruim 1500
km) wordt nog maar 971 km gebruikt; zij zijn van weinig betekenis. De
binnenvaart speelt als verkeersverbinding een belangrijke rol, zowel in
het vrijwel ontoegankelijke oerwoud in de Oriente als in de Costa. Voor
de buitenlandse handel van Ecuador is de zeescheepvaart van groot
belang; 95% van de export verlaat via de havens het land. De
belangrijkste haven is Guayaquil; andere belangrijke havens zijn Puerto
Bolivar en El Balao (olie) en Manta (visserij). Voor de modernisering is
$ 160 miljoen uitgetrokken. De koopvaardijvloot bestaat uit 158
zeeschepen, waaronder 22 tankers. Internationale vliegvelden zijn de
luchthaven Mariscal Sucre bij Quito en het Simón Bolívar-vliegveld bij
Guayaquil; verder zijn er meer dan honderd kleinere vliegvelden en
landingsstrips, vooral van belang in de Oriente. Compañía Ecuatoriana de
Aviación (CEA) is de nationale luchtvaartmaatschappij.
5. Geschiedenis
5.1 Inkarijk, Spaanse overheersing, onafhankelijkheid
Nadat het gebied voor 1100 de oude beschaving van de Quitu's gekend had,
werd het in 1487 door de Inka Huayna-Capac veroverd en met Peru verenigd
onder de hoofdstad Quito. Na een eerste verkenning door Bartholomé Ruiz
(1526) veroverde Francisco Pizarro dit Inkarijk (1531-1532) en stichtte
San Miguel. Twee eeuwen lang behoorde de audiencia van Quito tot het
gebied van de onderkoning van Peru, later tot dat van Nieuw-Granáda
(1712-1820). Na de mislukte opstand van 1809-1812 voerde die van 1820
onder leiding van Simón Bolívar, na de overwinningen van de generaals
Santa Cruz en Sucre, tot de capitulatie van de Spanjaarden (24 mei
1822). Samen met Nieuw-Granáda en Venezuela vormde het land de republiek
Groot-Colombia, waarvan het zich echter in 1830 losmaakte.
5.2 19de en begin 20ste eeuw
De politiek werd in de 19de en het begin van de 20ste eeuw bepaald door
de strijd tussen liberalen en conservatieven. De liberalen, die vooral
in de havenstad Guayaquil sterk waren, streefden naar terugdringing van
de invloed van de kerk, decentralisatie van het bestuur en een
laissez-fairepolitiek in de economie. Hun tegenstanders zetelden vooral
in de hoofdstad Quito en zij verdedigden de tegenovergestelde idealen.
In feite ging het om de rivaliteit tussen de Costa en de Sierra, die tot
op heden voortduurt. Uit conservatieve kring kwam de eerste president
voort: Juan José Flores. Hij zou zich als sterke man tot 1845 tegenover
de liberalen staande houden. Een poging om zijn autoritaire
regeringswijze in een nieuwe grondwet vast te leggen, leidde tot een
opstand in de Costa en zijn afzetting.
De periode 1845-1860 kenmerkte zich door burgerstrijd en grensconflicten
met Peru en Nieuw-Granáda (in 1863 omgedoopt tot Colombia). Elkaar snel
opvolgende regeringen, geleid door liberalen of militairen, formuleerden
steeds nieuwe grondwetten, die niet werden nageleefd. Economische
ontwikkeling vond niet plaats. Handel met het buitenland was er
nauwelijks. Wel werd in 1852 de slavernij afgeschaft. De antiklerikale
politiek van de liberalen (ze verdreven bijv. de jezuïeten) en de slecht
verlopende oorlog met Peru lagen ten grondslag aan de opstand van 1860
die de conservatieven opnieuw aan het bewind bracht (tot 1895). De
onbetwiste leider van de conservatieven werd Gabriel García Moreno, die
van Ecuador een theocratie wilde maken. De grondwet van 1869 ontnam alle
niet-praktiserende katholieken en andersdenkenden het staatsburgerschap
en de daarbij horende rechten. Al eerder was de greep van de kerk op het
onderwijs, de rechtspraak en de censuur versterkt. Het autoritaire
regime zorgde voor binnenlandse rust, terwijl voor het eerst de
economische ontwikkeling aangepakt werd. Na de moord op García Moreno in
1875 destabiliseerde het conservatieve bewind tot een revolutie in 1895
de liberalen aan de macht bracht. Eloy Alfaro, tweemaal president
(1897-1901 en 1907-1911), zou de grondslag leggen voor een liberale
hegemonie die tot in de Tweede Wereldoorlog zou duren. Hij
seculariseerde de samenleving: scheiding van kerk en staat, onteigening
van kerkelijke landgoederen en een echtscheidingswet. In zijn
economische politiek streefde hij naar samenwerking met de
kapitalistische staten. De export van agrarische tropische producten,
vooral cacao, moest de motor worden van de economische ontwikkeling en
tegelijk de positie van de Guayaquil-elite versterken ten opzichte van
die van Quito. Tussen 1914 en 1925 maakte Ecuador een economische
malaise door die gepaard ging met groeiende sociale onrust. Na de
militaire staatsgreep van 1925 volgde de dictatuur van Isidro Ayora die
fiscale en economische hervormingen doorvoerde. De terugkeer van een
liberaal bewind in 1931 leidde tot de invoering van vrouwenkiesrecht.
5.3 Militaire junta's en Velasco Ibarra
In de tweede helft van de jaren dertig regeerden militaire junta's het
land. De moeilijke internationale economische omstandigheden, de
politieke instabiliteit en ten slotte een nieuwe oorlog met Peru vormden
de achtergrond van de groeiende nationale crisis. Het klimaat was rijp
voor een populistische beweging als die van J.M. Velasco Ibarra. Zonder
duidelijk programma en steunend op een heterogene aanhang van
conservatieven, liberalen, socialisten en communisten, greep hij in 1944
de macht. Velasco zou tot 1972 zijn stempel op de politiek drukken. In
totaal was hij tussen 1933 en 1972 vijfmaal president. Het velasquismo
symboliseerde de fragmentatie van de traditionele partijen en het nieuwe
personalisme in de politiek. De positie van Velasco, die handig
manoeuvreerde tussen links en rechts, hing af van zijn sterke, directe
band met de massa en later, toen die band erodeerde, van de steun van
het leger. Zijn bewind kenmerkte zich door het opstellen van
veelbelovende programma's voor publieke werken, industrialisatie en
landhervormingen, maar ook door een falen waar het de uitvoering
betreft.
Begin 1972 bracht het leger Velasco ten val om de dat jaar te houden
presidentsverkiezingen te voorkomen. Generaal Rodriguez Lara, die
behoorde tot de links-nationalistische, zgn. Peruaanse vleugel in de
strijdkrachten, werd president. Hij voerde echter geen werkelijk
progressief sociaal beleid. Wél gaf hij ruime aandacht aan de nationale
economie. Begin 1976 werd Rodriguez Lara afgezet en vervangen door een
junta die de geleidelijke terugkeer naar een burgerregering aankondigde.
Op 15 jan. 1978 werd door middel van een referendum een nieuwe grondwet
aangenomen (zie § 3.1). In 1979 werd J. Roldós Aguilera van de CFP tot
president gekozen.
5.4 De jaren tachtig
Het opnieuw oplaaiende conflict over het deel van het Amazonegebied dat
Ecuador in 1941 aan Peru had verloren, leidde in 1981 (en in 1995) tot
een grensoorlog tussen beide landen. Na de dood van Roldós bij een
vliegtuigongeluk in mei 1981 werd hij opgevolgd door vice-president O.
Hurtado van de christen-democratische DP. Hurtado ontsloeg de
opperbevelhebber van de strijdkrachten en de minister van Defensie, die
gekant waren tegen zijn pogingen tot verzoening met Peru. De
presidentsverkiezingen van 1984 werden gewonnen door L. Febres Cordero
van de conservatieve PSC, die echter gedurende zijn ambtstermijn
geconfronteerd werd met een meerderheid voor de oppositiepartijen in het
parlement. Het neoliberale economische beleid en de autoritaire
regeerstijl van Febres Cordero veroorzaakten sociale onrust en politieke
instabiliteit. Een militaire rebellie onder leiding van
luchtmachtcommandant luitenant-generaal F. Vargas leidde tot het
aftreden van de minister van Defensie en de opperbevelhebber van het
leger. Febres Cordero werd in jan. 1987 door militairen ontvoerd. In
ruil voor zijn vrijlating verleende hij amnestie aan Vargas, die zich
kandidaat stelde voor de presidentsverkiezingen van jan. 1988. In een
tweede ronde op 8 mei 1988 versloeg de sociaal-democraat R. Borja van de
ID de kandidaat voor de PRE, A. Bucarám. Om een meerderheid te krijgen
in het parlement, waarin zijn partij 30 van de 71 zetels had, zocht
Borja steun bij de DP en FADI. De DP trok zich in nov. 1989 uit de
coalitie terug. Bij verkiezingen in juni 1990 kreeg de oppositie de
meerderheid in het parlement. Na presidentsverkiezingen in mei en juli
1992 werd Sixto Durán Ballén in augustus als president geïnstalleerd.
Hij volgde Rodrigo Borja Cevallos op die sinds aug. 1988 president was
geweest.
5.5 De jaren negentig
De uitvoering van het economische aanpassingsprogramma verliep in de
eerste helft van de jaren negentig moeizaam, doordat de regering
voortdurend botste met een oppositionele meerderheid in het parlement en
ook vakbonden en Indiaanse organisaties zich fel verzetten. De
parlementsverkiezingen van mei 1994 liepen uit op een forse nederlaag
van de partijen van president Durán Ballén en vice-president Dahik. In
jan. 1995 escaleerde het grensgeschil met Peru in een bloedig conflict,
waarbij aan beide zijden tientallen doden vielen. Ondanks herhaaldelijk
vredesoverleg bleef de situatie ook in 1996 gespannen.
De presidentsverkiezingen van mei 1996 werden gewonnen door Abdalá
Bucarám van de populistische PRE, die direct een kruistocht startte
tegen de corruptie. Begin 1997 brak een massaal protest uit tegen de
door Bucarám uitgevaardigde bezuinigingsmaatregelen, waarna het
parlement begin februari Bucarám afzette. Na enige schermutselingen werd
Congresvoorzitter Fabian Alarcon tot interimpresident gekozen, die bij
zijn aantreden bezuinigingsmaatregelen aankondigde.
Telefoongids Equator
Postcodes
Equator
|