header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Equator
(of Ecuador)

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 


 

Ecuador (officieel: República del Ecuador), republiek in het noordwesten van Zuid-Amerika, 272.045 km2 (incl. de Galápagoseilanden), met (schatting 1995) 11.460.000 inw. (42 inw. per km2); hoofdstad: Quito. Het land dankt zijn naam aan zijn ligging rond de evenaar of equator. Munteenheid is de sucre, onderverdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 10 augustus, de dag waarop het land in 1830 een zelfstandige republiek werd.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Ecuador omvat drie landschappen: a. de Costa, de 20 tot 150 km brede, alluviale kustvlakte met in het zuiden het stroombekken van de Guayas. In het noorden is de belangrijkste rivier de Río Esmeraldas. Naar het westen wordt deze vlakte afgesloten door een zandsteenplateau (tot 300 m hoog) met klifkust. b. De Sierra, een berglandschap dat gevormd wordt door twee parallel lopende ketens van de Andes, de Cordillera Occidental en de Cordillera Oriental. Onderling zijn deze ketens verbonden door hoge drempels (nudos), waartussenin een aantal grote kommen (hoyas) ligt, op ca. 3000 m hoogte. De noordelijke bekkens hebben hun afwatering op de Grote Oceaan, de zuidelijke op de Amazone. Er verrijzen hoge vulkanische toppen, waarvan ca. 30 actief (Chimborazo, met permanente ijskap, 6267 m, Cotopaxi, 5897 m). Aardbevingen komen veelvuldig voor. c. De Oriente, een naar het oosten afdalend tropisch junglegebied, met afwatering via de Río Putumayo, Río Napo, Río Curaray en Río Pastaza naar het Amazonegebied.
1.2 Klimaat, plantengroei en dierenwereld
In het algemeen hebben de Costa en de Oriente een vochtig warm, tropisch klimaat, maar in het Andesgebied komen grote verschillen in klimaat en plantengroei voor. Er is één regenperiode (nov.-mei), met een gemiddeld jaarlijks neerslagcijfer van 1520 mm. Bergwouden bedekken een groot deel van de hellingen tot een hoogte van 3000 m. Hierboven strekt zich een gebied uit met grassen en struiken (paramo). De temperatuur in de bekkens tussen de bergen schommelt relatief weinig (tussen 7 en 20°C). De hoofdstad Quito, die op minder dan 25 km van de evenaar ligt, kent een 'eeuwigdurende lente', hoewel de nachten er vaak zeer koud zijn.
Het kustgebied van Ecuador kent echter de meest opmerkelijke verschillen in klimaat en begroeiing van heel Zuid-Amerika. In het noorden stort een dubbel regenseizoen bijna 2000 mm neerslag per jaar uit over een dicht tropisch regenwoud (selva) en mangrovemoerassen. Verder naar het zuiden vermindert de regenval echter tot één regenperiode (dec.-juni); hier vindt men savanne-achtige graslanden. Nabij de grens met Peru heerst een woestijnklimaat.
De dierenwereld is even gevariëerd als de plantengroei. Vooral het tropisch regenwoud is zeer rijk aan apen en vogels (o.a. toekans en andere vruchteneters, arenden). De natuur van de Galápagoseilanden is zeer goed beschermd, dit in tegenstelling tot de natuur op het vasteland van Ecuador, waar de toepassing van de jachtwetten hier en daar zeer te wensen overlaat.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Hoewel het door de vele mengvormen nauwelijks mogelijk is een exacte verdeling van de samenstelling van de bevolking te geven, ging men er in 1994 van uit dat 45% mestizo was, 35% Indiaans, 10% blank, 6% mulat en 4% Afro-Amerikaans. In de periode 1990-1994 nam de bevolking jaarlijks met 2,2% toe; het geboorte- en het sterftecijfer bedroegen in 1992 30, resp. 7 per duizend; de sterfte van kinderen jonger dan één jaar was 53 per duizend. 39% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De Oriente (ca. 50% van de oppervlakte van Ecuador) biedt woonplaats aan slechts 2% van de bevolking; de overige bewoners zijn ongeveer gelijk verdeeld tussen de Costa en de Sierra; 57% van de bevolking woont in stedelijke gebieden.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans; de Indianen in de Sierra spreken overwegend Chibcha en Quechua, in de Oriente worden andere Indianentalen gesproken.
2.3 Religie
De bevolking is voor het overgrote deel rooms-katholiek (85%). In 1904 vond de scheiding tussen kerk en staat plaats en in 1937 kwam een modus vivendi met de H. Stoel tot stand. De grondwet garandeert godsdienstvrijheid. De kerk heeft nog steeds aanzienlijke politieke macht. Ecuador heeft drie kerkprovincies, bestaande uit de aartsbisdommen: Quito, Guayaquil en Cuenca, en achttien bisdommen. Er is één vrije prelatuur: Los Ríos. Het aantal protestanten is gering, maar stijgt vooral onder invloed van evangeliserende kerkgenootschappen uit de Verenigde Staten. Een deel van de Indiaanse bevolking is aanhanger van natuurreligies.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de in aug. 1979 bij referendum van kracht geworden grondwet - de achttiende sinds 1830 - berust de wetgevende macht bij het parlement, bestaande uit één kamer van volksvertegenwoordigers (82 [afhankelijk van het aantal inw.] leden, rechtstreeks gekozen voor twee jaar). De uitvoerende macht is in handen van de president, voor vier jaar rechtstreeks door de bevolking gekozen (en voor de eerstvolgende ambtsperiode niet herkiesbaar). Er is algemeen kiesrecht voor burgers van achttien jaar en ouder; tot 1979 was dit recht beperkt tot hen die konden lezen en schrijven en in het bezit waren van een identiteitsbewijs (10 à 15% van de bevolking).
3.2 Administratieve indeling
Ecuador is administratief verdeeld in twintig provincies, onderverdeeld in kantons (103) die vervolgens weer verdeeld zijn in 746 gemeenten. De provincies worden bestuurd door een van presidentswege benoemde gouverneur.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Ecuador is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Organisatie van Petroleum Exporterende Landen (OPEC), de Latijns-Amerikaanse Integratie Associatie (LAIA), het zgn. Andes-Pact en van het Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA). Ecuador is een van de mede-ondertekenaars van het Verdrag van Amazonische Samenwerking (1978), waarin economische en ecologische relaties met aan het Amazonebekken grenzende buurlanden geregeld zijn.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen en vakbonden
De militairen bezitten traditioneel een belangrijke politieke invloed. Het onderscheid tussen de politieke partijen wordt meer bepaald door tegenstellingen tussen de politieke leiders dan door programmatische verschillen. De voornaamste partijen zijn de Partido Social Cristiano (PSC; conservatief), de Partido Roldosista Ecuatoriano (PRE; populistisch) en de Democracia Popular (DP; christen-democratisch).
De vakbeweging is sterk gefragmenteerd, en vertegenwoordigt maar een klein deel van de arbeiders. De in 1944 opgerichte Confederación de Trabajadores del Ecuador (CTE; communistisch) heeft overwegend clandestien gefunctioneerd; de katholieke Confederación Ecuatoriana de Organizaciones Clasistas (CEDOC) is in 1938 opgericht. Deze twee zijn verenigd in het Frente Unitario de Trabajadores (FUT), in 1971 opgericht (300.000 leden). De derde groepering is de in 1962 opgerichte en onder Amerikaanse invloed staande Confederación Ecuatoriana de Organizaciones Sindicales Libres (CEOSL). Het stakingsrecht is herhaaldelijk sterk ingeperkt. De drie grootste vakbondsfederaties werken samen in het Frente Unitario de Trabajadores (FUT).

4. Economie
4.1 Algemeen
Ecuador is een van de minst ontwikkelde landen van Latijns-Amerika, met een BNP van $ 1200 p.p. De economie drijft op één kurk: aardolie. Die maakte in de periode 1950-1970 ca. 90% uit van de totale exportwaarde. Sinds 1972 heeft de uitvoer van olie de economische structuur ingrijpend gewijzigd. Het aandeel van de verschillende sectoren in het bruto nationaal product (bnp) was in 1994 als volgt: landbouw (bananen, koffie, cacao en suiker) 12%, industrie 38% (waarvan mijnbouw [incl. olie] 11%), handel en diensten 50%. De economische groei in de jaren van 1965 tot 1970 bedroeg gemiddeld 5% per jaar, versnelde in de jaren tot 1975 tot ca. 12% gemiddeld, en daalde daarna tot 8%. Als gevolg van de lagere olieprijzen groeide de economie tussen 1980 en 1987 met gemiddeld slechts 3,5% per jaar. Van de economisch actieve bevolking (1985: 2,7 miljoen mensen) is 28% werkzaam in de landbouw, 18% in de industrie en mijnbouw en 50% in handel en diensten; officieel wordt de werkloosheid op 8,5% gesteld; de verborgen werkloosheid is echter groot (43% in 1995).
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 12% in gebruik voor landbouw, 11% is weidegrond en 60% is met bos bedekt. Van de landbouwgrond ligt rond 60% in de Costa en bijna 40% in de Sierra; het landbouwpotentieel in de Oriente wordt geschat op 35% van het totale landbouwoppervlak. Belangrijke producten van de Costa zijn bananen (waarvan Ecuador een van de grootste producenten is), cacao (vnl. in de provincies Los Ríos en Guayas) en koffie (overwegend op kleine bedrijven in de provincies Manabé, Los Ríos, Guayas en El Oro). De Costa produceert verder palmpitten, rijst, katoen, suikerriet en tropische vruchten. In de Sierra worden aardappelen, maïs, tarwe en gerst verbouwd, en is de rundveehouderij belangrijk. De nationale productie van tarwe, gerst en melk is te klein om te voldoen aan de binnenlandse vraag. Ondanks de landhervormingen van 1964 en 1973 is de landbouwgrond nog grotendeels in handen van grootgrondbezitters: ca. 10% van de eigenaren beschikt over 76% van de grond. Meer dan 70% van de landbouwbedrijven is kleiner dan 5 ha. Evenmin hebben de agrarische hervormingen een einde kunnen maken aan de traditionele vorm van deelpacht (huasipungo), waarbij de 'pacht' voldaan wordt door arbeid voor de grootgrondbezitter. De grote houtreserves van het land, vooral in de oerwouden in de Oriente, worden slechts op bescheiden schaal geëxploiteerd. Ecuador heeft met een aandeel van bijna 14% in de totale export een belangrijke en snel groeiende zeevisserij (sardines, garnalen en tonijn). Om de visgronden, vooral rond de Galápagoseilanden en voor de kust, te beschermen doet het land rechten gelden op een 200-mijlszone.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Sinds de koloniale tijd is de winning van goud en zilver (bij Portovelo in de provincie El Oro) van belang. Op beperkte schaal worden koper en zwavel gewonnen; voorts is de aanwezigheid van zink, antimoon en uraan aangetoond. De nieuwe mijnbouwwetgeving van 1974 bepaalt dat alle mijnen staatseigendom zijn en dat de exploitatie en verkoop in samenwerking met de staat dienen te geschieden. In de jaren zeventig is de winning van aardolie economisch van groot belang geworden. De ontdekking in 1967 van zeer rijke olievelden in de Oriente (provincie Napo) maakte Ecuador de tweede olie-exporteur van Latijns-Amerika (na Venezuela); een ruim 450 km lange oliepijpleiding van de wingebieden naar Esmeraldas is sinds 1972 in gebruik; vanwege de beperkte raffinagecapaciteit (bij Salinas en in Esmeraldas) wordt de olie voor het grootste gedeelte ongeraffineerd uitgevoerd. Vanaf 1972 werken de Noord-Amerikaanse maatschappijen nauw samen met de in 1971 opgerichte staatsoliemaatschappij CEPE, in 1989 omgedoopt in Petroleus del Ecuador. In de Golf van Guayaquil zijn grote aardgasreserves ontdekt. De geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van elektriciteit (1989: 1,9 miljoen kW, waarvan 48% door waterkracht) is nog onvoldoende. Er zijn nieuwe waterkrachtcentrales bij Pisayambo, Paute en Agoyán in werking gesteld.
4.4 Industrie
De industriële productie groeide in de jaren zeventig met gemiddeld 10% per jaar, maar stagneerde in de jaren tachtig als gevolg van teruglopende investeringen. Sinds 1992 is er weer sprake van groei. Een groot deel van de industriële expansie, gericht op importsubstitutie, is tot stand gebracht door buitenlandse investeringen, buitenlandse kredieten en een sterke uitbreiding van overheidskredieten. De industrie is voor 80% geconcentreerd in Guayaquil en Quito. De belangrijkste producten zijn textiel, plantaardige oliën en vetten, cacaoproducten, suiker, oploskoffie, bier, cement, papier, metaalwaren en rubber. Het doel van een groots opgezet industrieplan is het aanzwengelen van de export en een vermindering van de afhankelijkheid van de import. Grondstofverwerkende, chemische en kunststofindustrie worden sterk gestimuleerd.
4.5 Handel
In 1987 vormden aardolie, garnalen, bananen, koffie en cacao resp. 37%, 19%, 13%, 10% en 4% van de exportwaarde. De uitvoer van koffie is afhankelijk van de quotaregeling in het kader van de Internationale Koffie Overeenkomst (ICO). De belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten, Japan, de EG en de buurlanden van het Andes-Pact. Ingevoerd worden vooral machines, halffabrikaten en voedingsmiddelen. De toegenomen internationale kredietwaardigheid sinds 1972 heeft geleid tot een snelle groei van de buitenlandse schuld ($ 13,9 miljard in 1995); vanaf 1987 was de overheid niet meer in staat te voldoen aan de betalingsverplichtingen op de buitenlandse schuld. Alleen de renteverplichtingen slokken al 30% van de deviezenontvangsten op.
4.6 Bankwezen
De in 1927 opgerichte Banco Central del Ecuador fungeert als centrale bank; de Junta Monetaria van de centrale bank is verantwoordelijk voor de monetaire politiek. Sinds de 'olieboom' in 1972 nam het aantal binnen- en buitenlandse handelsbanken toe; nationale handelsbanken beheersen vanouds de kredietverlening.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
De Nationale Ontwikkelingsraad (CONADE) stelt economische en sociale ontwikkelingsplannen op en coördineert de uitvoering van ontwikkelingsprojecten. Dank zij de olie-inkomsten konden in de jaren zeventig verschillende regionale ontwikkelingsprojecten gerealiseerd worden. Het in 1980 gestarte vijfjarenplan moest echter als gevolg van de daling van de olieprijzen en de stijging van de rente op de buitenlandse schuld bijgesteld worden. Via liberaliseringsmaatregelen probeerde de regering in de jaren tachtig buitenlandse investeringen aan te trekken. Om de groeiende schuldenlast het hoofd te bieden, voert de regering sinds 1992 een economisch aanpassingsprogramma uit, dat gepaard gaat met bezuinigingen op de overheidsuitgaven en een strikt wisselkoersbeleid. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank ondersteunden dit aanpassingsbeleid met nieuwe leningen.
4.8 Verkeer
De belangrijkste belemmering voor het transport wordt gevormd door het oerwoud in de Oriente en de Andesketens in de Sierra. De belangrijkste wegverbindingen zijn het Ecuadoriaanse deel van de Carretera Panamericana (1392 km) tussen Tulcán aan de grens met Colombia en Macará aan de grens met Peru. Van de vier spoorlijnen (totale lengte ruim 1500 km) wordt nog maar 971 km gebruikt; zij zijn van weinig betekenis. De binnenvaart speelt als verkeersverbinding een belangrijke rol, zowel in het vrijwel ontoegankelijke oerwoud in de Oriente als in de Costa. Voor de buitenlandse handel van Ecuador is de zeescheepvaart van groot belang; 95% van de export verlaat via de havens het land. De belangrijkste haven is Guayaquil; andere belangrijke havens zijn Puerto Bolivar en El Balao (olie) en Manta (visserij). Voor de modernisering is $ 160 miljoen uitgetrokken. De koopvaardijvloot bestaat uit 158 zeeschepen, waaronder 22 tankers. Internationale vliegvelden zijn de luchthaven Mariscal Sucre bij Quito en het Simón Bolívar-vliegveld bij Guayaquil; verder zijn er meer dan honderd kleinere vliegvelden en landingsstrips, vooral van belang in de Oriente. Compañía Ecuatoriana de Aviación (CEA) is de nationale luchtvaartmaatschappij.

5. Geschiedenis
5.1 Inkarijk, Spaanse overheersing, onafhankelijkheid
Nadat het gebied voor 1100 de oude beschaving van de Quitu's gekend had, werd het in 1487 door de Inka Huayna-Capac veroverd en met Peru verenigd onder de hoofdstad Quito. Na een eerste verkenning door Bartholomé Ruiz (1526) veroverde Francisco Pizarro dit Inkarijk (1531-1532) en stichtte San Miguel. Twee eeuwen lang behoorde de audiencia van Quito tot het gebied van de onderkoning van Peru, later tot dat van Nieuw-Granáda (1712-1820). Na de mislukte opstand van 1809-1812 voerde die van 1820 onder leiding van Simón Bolívar, na de overwinningen van de generaals Santa Cruz en Sucre, tot de capitulatie van de Spanjaarden (24 mei 1822). Samen met Nieuw-Granáda en Venezuela vormde het land de republiek Groot-Colombia, waarvan het zich echter in 1830 losmaakte.
5.2 19de en begin 20ste eeuw
De politiek werd in de 19de en het begin van de 20ste eeuw bepaald door de strijd tussen liberalen en conservatieven. De liberalen, die vooral in de havenstad Guayaquil sterk waren, streefden naar terugdringing van de invloed van de kerk, decentralisatie van het bestuur en een laissez-fairepolitiek in de economie. Hun tegenstanders zetelden vooral in de hoofdstad Quito en zij verdedigden de tegenovergestelde idealen. In feite ging het om de rivaliteit tussen de Costa en de Sierra, die tot op heden voortduurt. Uit conservatieve kring kwam de eerste president voort: Juan José Flores. Hij zou zich als sterke man tot 1845 tegenover de liberalen staande houden. Een poging om zijn autoritaire regeringswijze in een nieuwe grondwet vast te leggen, leidde tot een opstand in de Costa en zijn afzetting.
De periode 1845-1860 kenmerkte zich door burgerstrijd en grensconflicten met Peru en Nieuw-Granáda (in 1863 omgedoopt tot Colombia). Elkaar snel opvolgende regeringen, geleid door liberalen of militairen, formuleerden steeds nieuwe grondwetten, die niet werden nageleefd. Economische ontwikkeling vond niet plaats. Handel met het buitenland was er nauwelijks. Wel werd in 1852 de slavernij afgeschaft. De antiklerikale politiek van de liberalen (ze verdreven bijv. de jezuïeten) en de slecht verlopende oorlog met Peru lagen ten grondslag aan de opstand van 1860 die de conservatieven opnieuw aan het bewind bracht (tot 1895). De onbetwiste leider van de conservatieven werd Gabriel García Moreno, die van Ecuador een theocratie wilde maken. De grondwet van 1869 ontnam alle niet-praktiserende katholieken en andersdenkenden het staatsburgerschap en de daarbij horende rechten. Al eerder was de greep van de kerk op het onderwijs, de rechtspraak en de censuur versterkt. Het autoritaire regime zorgde voor binnenlandse rust, terwijl voor het eerst de economische ontwikkeling aangepakt werd. Na de moord op García Moreno in 1875 destabiliseerde het conservatieve bewind tot een revolutie in 1895 de liberalen aan de macht bracht. Eloy Alfaro, tweemaal president (1897-1901 en 1907-1911), zou de grondslag leggen voor een liberale hegemonie die tot in de Tweede Wereldoorlog zou duren. Hij seculariseerde de samenleving: scheiding van kerk en staat, onteigening van kerkelijke landgoederen en een echtscheidingswet. In zijn economische politiek streefde hij naar samenwerking met de kapitalistische staten. De export van agrarische tropische producten, vooral cacao, moest de motor worden van de economische ontwikkeling en tegelijk de positie van de Guayaquil-elite versterken ten opzichte van die van Quito. Tussen 1914 en 1925 maakte Ecuador een economische malaise door die gepaard ging met groeiende sociale onrust. Na de militaire staatsgreep van 1925 volgde de dictatuur van Isidro Ayora die fiscale en economische hervormingen doorvoerde. De terugkeer van een liberaal bewind in 1931 leidde tot de invoering van vrouwenkiesrecht.
5.3 Militaire junta's en Velasco Ibarra
In de tweede helft van de jaren dertig regeerden militaire junta's het land. De moeilijke internationale economische omstandigheden, de politieke instabiliteit en ten slotte een nieuwe oorlog met Peru vormden de achtergrond van de groeiende nationale crisis. Het klimaat was rijp voor een populistische beweging als die van J.M. Velasco Ibarra. Zonder duidelijk programma en steunend op een heterogene aanhang van conservatieven, liberalen, socialisten en communisten, greep hij in 1944 de macht. Velasco zou tot 1972 zijn stempel op de politiek drukken. In totaal was hij tussen 1933 en 1972 vijfmaal president. Het velasquismo symboliseerde de fragmentatie van de traditionele partijen en het nieuwe personalisme in de politiek. De positie van Velasco, die handig manoeuvreerde tussen links en rechts, hing af van zijn sterke, directe band met de massa en later, toen die band erodeerde, van de steun van het leger. Zijn bewind kenmerkte zich door het opstellen van veelbelovende programma's voor publieke werken, industrialisatie en landhervormingen, maar ook door een falen waar het de uitvoering betreft.
Begin 1972 bracht het leger Velasco ten val om de dat jaar te houden presidentsverkiezingen te voorkomen. Generaal Rodriguez Lara, die behoorde tot de links-nationalistische, zgn. Peruaanse vleugel in de strijdkrachten, werd president. Hij voerde echter geen werkelijk progressief sociaal beleid. Wél gaf hij ruime aandacht aan de nationale economie. Begin 1976 werd Rodriguez Lara afgezet en vervangen door een junta die de geleidelijke terugkeer naar een burgerregering aankondigde. Op 15 jan. 1978 werd door middel van een referendum een nieuwe grondwet aangenomen (zie § 3.1). In 1979 werd J. Roldós Aguilera van de CFP tot president gekozen.
5.4 De jaren tachtig
Het opnieuw oplaaiende conflict over het deel van het Amazonegebied dat Ecuador in 1941 aan Peru had verloren, leidde in 1981 (en in 1995) tot een grensoorlog tussen beide landen. Na de dood van Roldós bij een vliegtuigongeluk in mei 1981 werd hij opgevolgd door vice-president O. Hurtado van de christen-democratische DP. Hurtado ontsloeg de opperbevelhebber van de strijdkrachten en de minister van Defensie, die gekant waren tegen zijn pogingen tot verzoening met Peru. De presidentsverkiezingen van 1984 werden gewonnen door L. Febres Cordero van de conservatieve PSC, die echter gedurende zijn ambtstermijn geconfronteerd werd met een meerderheid voor de oppositiepartijen in het parlement. Het neoliberale economische beleid en de autoritaire regeerstijl van Febres Cordero veroorzaakten sociale onrust en politieke instabiliteit. Een militaire rebellie onder leiding van luchtmachtcommandant luitenant-generaal F. Vargas leidde tot het aftreden van de minister van Defensie en de opperbevelhebber van het leger. Febres Cordero werd in jan. 1987 door militairen ontvoerd. In ruil voor zijn vrijlating verleende hij amnestie aan Vargas, die zich kandidaat stelde voor de presidentsverkiezingen van jan. 1988. In een tweede ronde op 8 mei 1988 versloeg de sociaal-democraat R. Borja van de ID de kandidaat voor de PRE, A. Bucarám. Om een meerderheid te krijgen in het parlement, waarin zijn partij 30 van de 71 zetels had, zocht Borja steun bij de DP en FADI. De DP trok zich in nov. 1989 uit de coalitie terug. Bij verkiezingen in juni 1990 kreeg de oppositie de meerderheid in het parlement. Na presidentsverkiezingen in mei en juli 1992 werd Sixto Durán Ballén in augustus als president geïnstalleerd. Hij volgde Rodrigo Borja Cevallos op die sinds aug. 1988 president was geweest.
5.5 De jaren negentig
De uitvoering van het economische aanpassingsprogramma verliep in de eerste helft van de jaren negentig moeizaam, doordat de regering voortdurend botste met een oppositionele meerderheid in het parlement en ook vakbonden en Indiaanse organisaties zich fel verzetten. De parlementsverkiezingen van mei 1994 liepen uit op een forse nederlaag van de partijen van president Durán Ballén en vice-president Dahik. In jan. 1995 escaleerde het grensgeschil met Peru in een bloedig conflict, waarbij aan beide zijden tientallen doden vielen. Ondanks herhaaldelijk vredesoverleg bleef de situatie ook in 1996 gespannen.
De presidentsverkiezingen van mei 1996 werden gewonnen door Abdalá Bucarám van de populistische PRE, die direct een kruistocht startte tegen de corruptie. Begin 1997 brak een massaal protest uit tegen de door Bucarám uitgevaardigde bezuinigingsmaatregelen, waarna het parlement begin februari Bucarám afzette. Na enige schermutselingen werd Congresvoorzitter Fabian Alarcon tot interimpresident gekozen, die bij zijn aantreden bezuinigingsmaatregelen aankondigde.

Telefoongids Equator
Postcodes Equator

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009