Er is een
tijd geweest waarin de Eskimo’s veel meer verspreid leefden dan
tegenwoordig. Op dit moment leven er ongeveer 30.000 op Groenland,
12.000 in het Canadees gedeelte van de poolstreken, 1.500 in Siberië
en de rest in Alaska. De naam Eskimo betekent ‘eter van rauw vlees’.
De naam is afkomstig van de taal der Algonkin-Indianen. De rijkdom
van een Eskimo wordt niet afgemeten naar het aantal goederen dat hij
bezit, maar naar de behendigheid waarmee hij kan jagen en zodoende
zijn familie in leven kan houden. Eskimo’s hebben een zeer groot
samenwerkingsgevoel. Omdat zij voortdurend worden geconfronteerd met
de dreiging van de hongerdood ligt hun enige redding in een goede
samenwerking. Alles wat wordt gevangen en gedood wordt dan ook
gedeeld.
De Eskimo’s, die nog aan de traditionele gebruiken vasthouden,
moeten gedurende bijna de helft van het jaar ongeveer zeventien uur
per dag in koude, donkere, primitieve eenkamerwoningen doorbrengen.
Ze zijn niet alleen zeer sociaal, maar ook zeer hartelijk
en vriendelijk. Op dat punt hebben wij beslist nog heel wat
van hen te leren.
Hun lievelingsprooi zijn robben, maar in de donkere winter zijn ze
moeilijk te vangen. Men kan duidelijk stellen dat de rob het lot van
de Eskimo’s meer beďnvloedt dan wat ook. Er zijn reeds veel families
van de honger omgekomen doordat er een tekort aan robben was.
De zomer stelt echter minder hoge eisen. Dan kunnen de robben op het
ijs worden beslopen of in het water vanuit de kajaks
geharpoeneerd.
Deze kajaks zijn boten die volgens de oude gebruiken met huiden zijn
bespannen. Ze zijn niet hetzelfde als de oemiaks, de grotere
vaartuigen die bestemd zijn voor passagiers- en goederentransport.
Verder is de Eskimo een behendige jager op walvissen en walrussen
(die hij met een harpoen te lijf gaat). Bovendien is hij in staat om
in het water vissen aan zijn speer te rijgen en zelfs kariboes,
wanneer die in de lente en in de herfst naar het water trekken.
Wanneer er een tekort aan brandstof is, eten de Eskimo’s hun voedsel
rauw. Gewoonlijk wordt het eten echter gekookt in stenen potten die
boven stenen lampen worden verwarmd. Deze lampen branden op
gesmolten dierlijke vetten. De pitjes worden wel eens gemaakt van
mos, dat bovendien in de zomer wordt verzameld om er de laarzen mee
op te vullen, zodat ze extra warm zijn.
De Eskimocultuur is op drie belangrijke peilers gebaseerd : hoe te
jagen om aan eten te komen, hoe kleren te maken en hoe een huis te
bouwen.
Velen denken dat alle Eskimo’s in iglo’s leven, maar dat is
niet zo. Veel Eskimo’s hebben zelfs nog nooit een iglo gezien. Enkel
de Eskimo’s in het Canadese noordpoolgebied leven op die wijze.
Voor velen onder hen is het huis slechts een ‘tijdelijk’ onderkomen,
gebouwd met houten paaltjes, stukjes kariboehuid en enkele
graszoden. Dergelijk onderkomen noemen zij een iccellik, een
naam ontleend aan het woord iccuk, wat betrekking heeft op de
kariboehuiden. Dit soort huizen kan gemakkelijk worden afgebroken
wanneer men verder trekt. Een ander type woning bestaat uit een
raamwerk waartegen zoden worden opgestapeld, of uit stenen die van
samengeperste aarde worden gemaakt.
Dit is zowat de levenswijze waaraan de Eskimo’s tussen de 4.000 en
misschien wel 6.000 jaar lang zijn trouw gebleven. Het is een
leefwijze die een grote realiteitszin vereist en die jaren geleden
werd doorgevoerd tot het punt van zelfvernietiging. Wanneer er
hongersnood dreigde was het gebruikelijk dat de bejaarden zelfmoord
pleegden of iemand anders vroegen hen te doden. En wanneer er teveel
kinderen werden geboren, werden ze gedood (voornamelijk de meisjes).
Dat is dan ook de reden waarom zelfs grote dorpen nooit meer dan
zo’n honderd inwoners hebben.
De moderne beschaving heeft hier ook z’n intrede gedaan, zodat die
tradities stilaan wijken.
|
|
|
|
|
|