header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Estland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

Estland (Estisch: Eesti Vabariik; = Republiek Estland), republiek in Noordoost-Europa, aan de Oostzee, 45.549 km2, met (schatting 1995) 1.541.000 inw. (34 inw. per km2); hoofdstad: Tallin. Munteenheid is de Estische kroon, onderverdeeld in 100 senti. Sinds 20 juni 1992 is deze gekoppeld aan de Duitse Mark (omrekenkoers 8:1). Nationale feestdag is 24 februari, de dag waarop in 1918 de republiek Estland werd uitgeroepen.

1. Fysische geografie
Het gebied bestaat voor meer dan de helft uit laagland, waarvan het centrale deel wordt gevormd door een oerstroomdal dat rijk is aan glaciale landschapsvormen (morenes, drumlins) en waarin ten gevolge van de slechte afwatering uitgestrekte veenmoerassen ontstonden (turfwinning). Door het in het oosten liggende Peipusmeer verloopt deels de grens met de Russische Federatie. Het noorden bestaat uit een tot 166 m hoog kalksteenplateau dat naar het westen geleidelijk afhelt en in het noorden eindigt met een steile klifkust. De ca. 800 voor de kust gelegen eilanden zijn resten van een oude kust. Het zuiden van Estland is een zandsteenplateau dat in het oosten tot 317 m hoog is.
Het klimaat is gematigd met naar het oosten toe een toenemend continentaal karakter.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor 63% uit Esten (in 1959 nog 75%; het verschil is een gevolg van de al dan niet gedwongen emigratie en een laag geboortecijfer onder de Esten), voor 29% uit Russen, voor 3% uit OekraÔners, voor 2% uit Witrussen en voor 1% uit Finnen. De grootste steden zijn Tallinn (1995: 443.000 inw.), Tartoe, Narva en Kochtla-Jarve. Meer dan 70% van de bevolking leeft in de steden. De bevolkingsgroei was aan het begin van de jaren negentig als gevolg van een toenemende netto-emigratie en een dalend geboortecijfer naar vrijwel 0% gezakt. Geboortecijfer per duizend inwoners: 19, 5; sterftecijfer: 14,5 (1994). De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedroeg 69,5 jaar.
2.2 Taal
De officiŽle taal is het Estisch (zie Fins-Oegrische talen). Voorts wordt er Russisch gesproken.
2.3 Religie
60% van de bevolking is lid van de Evangelisch-Lutherse Kerk; de rest is voor het merendeel lid van de Russisch-Orthodoxe Kerk.

3. Bestuur
3.1 Staatsinrichting
Volgens de nieuwe grondwet van 1992, die teruggaat op die van 1938, berust de wetgevende macht bij het parlement (Riigikogu), dat 101 afgevaardigden kent die elke vier jaar direct worden gekozen. Er bestaat een kiesdrempel van 5%. De uitvoerende macht berust bij de minister-president en zijn ministers, die door het staatshoofd worden benoemd (de ministers op voordracht van de premier). De president wordt eens in de vijf jaar door het parlement gekozen. Volgens de nieuwe grondwet is elk kind met minstens ťťn Estische ouder staatsburger. Dit benadeelt de in Estland wonende minderheidsgroepen, van wie de grootste de Russen zijn. Zij zijn, als zij willen stemmen, verplicht zich te naturaliseren.
3.2 Administratieve indeling

Estland is administratief verdeeld in vijftien regio's en zes stadsdistricten.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties

Estland is lid van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Baltische Raad. Estland tekende in 1995 een associatieverdrag met de Europese Unie dat toetreding tot de EU in het vooruitzicht stelt. Ook heeft het een Partnership for Peace-overeenkomst met de NAVO.
3.4 Politieke partijen

Tot 1990 heerste de Communistische Partij van Estland vrijwel oppermachtig. Na de onafhankelijkheid verloren de Russisch-georiŽnteerde partijen aan invloed, m.n. na de putsch in Moskou van 19 aug. 1991. De verscheidenheid aan partijen is zeer groot en bij elke verkiezing doen zich nieuwe lijstverbindingen voor, zodat het niet goed mogelijk is om voor de lange duur een overzicht te geven van het partijpolitieke spectrum.

4. Economie
4.1 Algemeen
Het hervormingsproces sinds de onafhankelijkheid heeft Estland in een penibele economische situatie gebracht. De erfenis van de sovjetdictatuur met een centraal geleide industrialisatiepolitiek heeft het land opgezadeld met onevenwichtige industriestructuren en zwak presterende ondernemingen. Deze kunnen niet voldoen aan de eisen van de wereldmarkt.
Direct na de onafhankelijkheid van Estland in 1991 is de privatisering begonnen, een proces dat in 1995 werd afgerond. Na aanloopverliezen groeide het bnp in 1994 voor het eerst sinds jaren, met (afhankelijk van de bron) 3,5 tot 5%. De consumentenprijzen stegen in dat jaar overigens met ruim 40%. De landsbegroting vertoonde voor het eerst geen tekort, afgezien van de uitstaande buitenlandse schuld van $ 186 miljoen. De helft van alle exportgoederen ging in 1995 naar de landen van de Europese Unie.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw
Van een exporteur van agrarische producten is Estland nu een importeur. Zowel de plantaardige als de dierlijke productie is sinds 1990 sterk achteruitgegaan. Dit heeft mede te maken met de versnippering van de grond: van 300 grote bedrijven naar 13!513 kleine boerderijen met gemiddeld 32, 1 ha. Belangrijkste producten zijn graan en peulvruchten. De veestapel is te verwaarlozen (460!000 runderen, 430!000 varkens en 80.000 schapen in 1994). Estland telt 260 miljoen m2 bos, de basis voor houtverwerkings-, cellulose- en papierindustrie. De laatste jaren neemt de houtproductie echter af.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De belangrijkste natuurlijke grondstoffen zijn oliehoudende leisteen (grondstof voor de chemische industrie, de gasproductie en als brandstof voor elektrische centrales), fosfor, kalksteen en turf. Het merendeel (75 tot 90%) van de oliehoudende leisteen wordt gebruikt voor de stroomopwekking. In Tallinn staat een centrale op zware olie.
4.4 Industrie
Naar omzet gemeten waren in het eerste half jaar van 1994 van belang de voedingsmiddelenindustrie (met 36, 7%), stroom, gas en water (12,9%), de machinebouw- en metaalindustrie (10,6%), de lichte industrie (10,6%), de chemie (9,6%) en de houtindustrie (7,3%). De houtindustrie is prioritair, ook voor buitenlandse investeerders.
4.5 Handel
Ingevoerd werden (in 1994 voor $ 13 miljoen) machinebouwproducten, voedingsmiddelen, minerale producten en textiel, vooral uit Finland, Rusland, Zweden en Duitsland. Uitgevoerd werden voedingsmiddelen, textiel, hout en houtskool ter waarde van $ 10 miljoen, vooral naar Rusland, Finland, Zweden en Duitsland.
4.6 Bankwezen
Sinds begin 1992 fungeert de Bank van Estland als centrale bank. Eind mei 1995 waren er twintig handelsbanken met een licentie van de centrale bank.
4.7 Verkeer
Het verharde wegennet telt 14.800 km, het spoorwegnet telt 1026 km, waarvan 132 km geŽlektrificeerd. De zeehavens Tallinn en Nieuw-Tallinn (20 km oostelijker) slaan maar 5% eigen producten om. De grootste binnenhaven is Tartoe. Er zijn zes vliegvelden en landingsbanen op de drie eilanden. Voor het internationale verkeer is er de luchthaven van de hoofdstad Tallinn.

5. Geschiedenis
5.1 Tot 1917
Traditioneel werd Estland bewoond door een Fins-Oegrische bevolking (Esten), die in kleine stamgemeenschappen was georganiseerd. In de 11de eeuw geraakte Estland tijdelijk onder de macht van de Russische vorsten. Pas na 1150 werd Estland, evenals de overige Oostzeegewesten, het doelwit van stelselmatige kerstenings- en kolonisatieactiviteiten, die van de Zweden, Denen en Duitsers gelijktijdig uitging. Sinds 1530 werd in het land de Hervorming van boven af ingevoerd, maar de secularisering leidde tot een politieke crisis. De Lijflandse Oorlog (1558-1583) bracht Russische en Poolse invasielegers naar Estland, die evenwel plaats moesten maken voor een Zweedse heerschappij, die de positie van de Duitstalige bovenlaag verzwakte zonder die van de Esten noemenswaardig te verbeteren. In 1710 bezetten de Russen het toengeheten Reval (Tallinn) en in 1721 werd Estland door Zweden aan Rusland afgestaan. Als onderdeel van het Russische keizerrijk voerde Estland voortaan een apart bestaan. In 1817 werd er evenals in de andere Oostzeegewesten de lijfeigenschap afgeschaft, maar de boeren kregen hun land niet in eigendom en moesten voortaan als pachters en landarbeiders in de schaduw van het Duitse grootgrondbezit leven. Na 1881 brak het tijdperk van russificatie aan. Het Baltisch-Duitse element werd op de tweede plaats gedrongen en onder de Esten begon het proces van nationale bewustwording. De omwenteling van 1905, waarin de landhongerige boeren op grote schaal adellijke bezittingen trachtten te bemachtigen, werd met geweld onderdrukt. Onder leiding van K. Pšts bleef zich de nationalistische Estlandse beweging ook in de laatste jaren van de Russische overheersing roeren en nam politiek aan betekenis toe.
5.2 1917-1988
De Russische maartrevolutie van 1917 opende nieuwe perspectieven voor de nationaalgezinde Esten, die sindsdien voor hun land autonomie nastreefden. De novemberrevolutie verhaastte deze ontwikkeling. Reeds in febr. 1918 werd te Tallin een onafhankelijk Estland uitgeroepen, maar een paar weken daarna bezetten Duitse troepen het hele land. Toen in nov. 1918 het inmiddels verslagen Duitsland tot de evacuatie van de Oostzeestreken moest overgaan, vormde Pšts een nationale regering, die al spoedig door vreemde mogendheden werd erkend. Een Estisch volksleger kon de herhaaldelijke invallen van de bolsjeviki, die in Estland een radenbewind wilden vestigen, weerstaan en op 26 febr. 1920 werd te Tartoe met de Sovjetregering het vredesverdrag gesloten, waarbij de onafhankelijkheid van Estland werd erkend. In hetzelfde jaar voerde de Estische republiek, die behalve het oude Estland ook het noordelijk deel van Lijfland (Vidzeme) en het landje van Isborsk omvatte, een democratische grondwet in. Een radicale grondhervorming maakte een eind aan de bevoorrechte positie van de Duitse grootgrondbezitters en droeg de vrijgekomen gronden over aan de Estische boeren. Een rechts georiŽnteerde beweging van oud-strijders maakte in 1933 een eind aan het democratische bewind; de constitutie van 1920 werd toen vervangen door een presidentiŽle grondwet. Weliswaar slaagde president Pšts er reeds in 1934 in de oud-strijders als politieke factor uit te schakelen, maar de parlementaire democratie werd niet meer hersteld. De nieuwe grondwet van 1937 droeg integendeel een autoritair en corporatistisch karakter.
De buitenlandse politiek van Estland was geheel gericht op het behoud van de nationale onafhankelijkheid. Met Finland en andere Baltische staten werden nauwe betrekkingen aangeknoopt, met de Sovjet-Unie werd in 1932 een non-agressiepact gesloten. Bij het naderen van de Tweede Wereldoorlog haastte Estland zich ook met Duitsland een non-agressieverdrag te sluiten (1939), maar in het Ribbentrop-Molotov-pact van 27 aug. 1939 werd Estland aan de invloedssfeer der Sovjet-Unie toegewezen. Na de ineenstorting van Polen werd de Duitse minderheid uit Estland geŽvacueerd en moest de regering van Estland met de Sovjet-Unie een bijstandsverdrag sluiten, dat het Rode leger in staat stelde strategisch belangrijke punten in het land te bezetten. Toen in mei en juni 1940 de Duitsers in West-Europa zegevierden, werd Estland onder druk gezet. Een nieuwe, aan Moskou welgevallige regering kwam er aan de macht en schreef verkiezingen uit, die aan het blok der communisten en partijlozen een 'overwinning' van liefst 99% bezorgden. Op 6 aug. 1940 werd Estland als laatste van de Baltische staten op eigen verzoek als 15de deelstaat in de Sovjet-Unie opgenomen. De terreur, die reeds wekenlang vůůr de inlijving elke oppositie deed verstommen, werd in onverminderde omvang voortgezet. Tienduizenden Esten werden naar Rusland en Centraal-AziŽ weggevoerd. De Duitse inval in 1941 maakte aan het sovjetbewind een plotseling eind, maar van een herstel van de verloren onafhankelijkheid kwam niets terecht. Toen in de zomer van 1944 het Rode leger opnieuw Estland binnenviel, vluchtten 60.000 Esten naar Duitsland en Zweden. Ongeveer 50!000 van collaboratie verdachte Esten werden naar Rusland gedeporteerd. Sinds 1944 maakte Estland een integraal deel van de Sovjet-Unie uit. Enkele landen, waaronder de Verenigde Staten, hebben geweigerd de annexatie van Estland volkenrechtelijk te erkennen.
5.3 Na 1988
Met de invoering van glasnost en perestrojka aan het einde van de jaren tachtig (zie Sovjet-Unie) ontstond in het Estse parlement openlijk verzet tegen de hegemonie van Moskou. Er werden diverse maatregelen genomen, w.o. het invoeren van het Estisch als officiŽle staatstaal (dec. 1988), het streven naar economische onafhankelijkheid (goedgekeurd door het Centraal Comitť in nov. 1989) en het invoeren van een nieuwe Kieswet waarin strenge regels werden vastgesteld omtrent het Estse staatsburgerschap en het daaraan verbonden kiesrecht. M.n. de laatste maatregel leidde halverwege 1989 tot massale stakingsacties van de ten gevolge van de russificatiepolitiek in Estland woonachtige Russische arbeiders. Eveneens ontstond grote beroering toen het Estse parlement op 12 nov. 1989 het referendum van juli 1940 en daarmee het Sovjet-Russische gezag onwettig verklaarde. In aug. 1990 verklaarde Estland zich onafhankelijk. De Sovjet-Russische president Gorbatsjov bestempelde de verklaring als onwettig. Pas na de poging tot staatsgreep in Moskou, in aug. 1991, werd Estland toegestaan de Sovjet-Unie te verlaten. Hierdoor, en door de in 1991 aangenomen wet betreffende het Estse staatsburgerschap, voelde de Russische minderheid (30%) zich ernstig bedreigd. In okt. 1992 dreigde president Jeltsin van de Russische Federatie de terugtrekking van de ca. 25!000 tellende Russische militairen stop te zetten wegens Estse schending van de burgerrechten van zijn Russische minderheid. Mede als gevolg van Russische druk op het door een diepe economische crisis geteisterde Estland, weigerde president Lennart Meri op 21 juni 1993 de wet van 1991 op het Estse staatsburgerschap te ondertekenen. In juli tekende hij alsnog een aangepaste wet die de rechten van de Russische minderheid beter waarborgt.
De economie ontwikkelde zich in de eerste helft van de jaren negentig rustig. Bij de in maart 1995 gehouden parlementsverkiezingen leden de regeringspartijen een zware nederlaag. De in april beŽdigde regering onder leiding van Tiit Všhi bleef ijveren voor toenadering tot het Westen, maar kondigde ook maatregelen aan om de in hoog tempo doorgevoerde economische hervormingen te verzachten. In nov. 1995 vroeg Estland het EU-lidmaatschap officieel aan. President Meri werd in 1996 herkozen. De Baltische samenwerking kreeg in 1996 verder gestalte door de ondertekening van een vrijhandelsakkoord op landbouwproducten. De relatie met Rusland wordt bemoeilijkt door de zwakke rechtspositie van de Russische minderheid. In febr. 1997 kondigde premier Všhi, die sinds nov. 1996 een minderheidskabinet leidt en tegen wie beschuldigingen van corruptie liepen, zijn vertrek aan.


Telefoongids Estland
Postcodes Estland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009