header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

EthiopiŽ

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 

EthiopiŽ (officieel: Ityopya; Eng: Federal Democratic Republic of Ethiopia), republiek in Oost-Afrika, 1.133.380 km2, met (schatting 1993) 53,6 miljoen inw. (47 inw. per km2); hoofdstad: Addis Abeba. Munteenheid is de birr, verdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 12 september, de dag van de revolutie in 1974.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap en geologische bouw
EthiopiŽ bestaat uit drie duidelijk te onderscheiden landschappen: het Ethiopisch plateau of Hoogland van AbessiniŽ, het Somalihoogland en tussen deze beide hooglanden de Ethiopische slenk. Het fundament van de hoge plateaus bestaat uit kristallijn gesteente (graniet, gneis en schisten). Daarop zijn in het MesozoÔcum zandsteen-, mergel- en kalksteenlagen afgezet. Deze gesteenten zijn later overdekt door een dik pak vulkanisch materiaal: basalten, trachieten en tuf. Daaruit bestaan ook de vele vulkaankegels als de Ras Dasjan (4580 m). Deze vulkanieten verweren tot een zeer vruchtbare bodem. Het Somalihoogland, minder hoog dan het Ethiopisch plateau, is door de erosie in een aantal afzonderlijke berggroepen verdeeld, o.a. de Tsjertsjerbergen. Het zuidelijk deel van de Ethiopische slenk, die zich naar het noorden voortzet in de Danakildepressie tussen de steile bergmuur van het Ethiopisch plateau en de Rode Zee, is gekarakteriseerd door een guirlande van meren, van het Zwaimeer in Midden-EthiopiŽ tot het Rudolfmeer in Noord-Kenia; het middendeel wordt doorstroomd door de rivier de Awasj. De Danakillaagte, op sommige plaatsen tot 175 m beneden zeeniveau, wordt gekenmerkt door een groot aantal, voor een deel nog werkzame vulkaankegels. In het noordelijk deel zijn grote zoutvlakten.
1.2 Hydrografie
De Sobat, de Blauwe Nijl (Abbai) en de Takkaze (Atbara) voeren het water van het Ethiopisch plateau naar de Nijl. Door de zomerregens zwellen de rivieren van juli tot september aan tot geweldige stromen; ze veroorzaken de jaarlijkse overstroming van de Nijl in Egypte. In zijn bovenloop loopt de Blauwe Nijl door het Tanameer (1820 m boven zeeniveau) en vormt spoedig daarna imposante watervallen (Tississat). De Awasj eindigt in een moeras op de grens met Djibouti.
1.3 Klimaat
EthiopiŽ ligt dicht bij de evenaar. Daardoor heeft de Danakildepressie een gemiddelde jaartemperatuur van 30 įC en behoort daarmee tot de warmste gebieden van de aarde. Op de plateaus doet de grote hoogte het effect van de warmte te niet. Addis Abeba, 2400 m boven zeeniveau, heeft een gemiddelde jaartemperatuur van 16,4 įC. De verschillen tussen de warmste en de koudste maand zijn klein (Addis Abeba 4 įC), maar die tussen dag en nacht zijn aanzienlijk. In de hoge bergstreken is het klimaat ruw; eeuwige sneeuw en gletsjers ontbreken echter geheel. De grote regentijd (krempt) valt in de maanden juli, augustus en september. Op het Ethiopisch plateau neemt de regenval van het zuiden naar het noorden en van het westen naar het oosten af. Hij bedraagt in Gore in het zuidwesten 2087 mm, in Addis Abeba 1270 mm en in Harar 885 mm. In de winter overheerst de noordoostmoesson uit West-AziŽ, die droogte brengt. Van maart tot juni vallen de voorjaarsregens, die echter onregelmatig optreden. Danakil heeft minder dan 250 mm neerslag. De EthiopiŽrs onderscheiden naar de hoogte drie klimaatgordels: de k(w)olla, beneden 1800 m, met een gemiddelde jaartemperatuur boven de 20 įC; de woina dega, de middelste zone, met een aangenaam klimaat, waarin de meeste steden en dorpen liggen; de dega, de koele zone boven de 2500 m, met koude nachten.
1.4 Plantengroei
EthiopiŽ is bijzonder rijk aan plantensoorten. De k(w)olla is van oorsprong begroeid met open savannewoud. Hierin overwegen 7-12 m hoge bomen, vnl. peuldragers. Dit land is thans grotendeels in cultuur gebracht. Langs de rivieren zijn galerijwouden. Oorspronkelijk behoorde de woina dega tot het gematigde regenwoud, dat echter grotendeels is ontgonnen ten behoeve van landbouw en veeteelt. De dega bestaat uit steppen; boven de 3000 m krijgt de flora een alpine karakter. Bomen zijn hier schaars; karakteristiek zijn er reusachtige boomvormige lobelia- en kruiskruidsoorten. De weelderigste wouden heeft het regenrijke zuidwesten. Het grootste deel van Danakil bestaat uit steppen met schermacacia's en doornstruiken. Talrijke soorten leveren wierook, mirre, balsem en andere welriekende harsen.
1.5 Dierenwereld
De laaggelegen gebieden kenmerken zich door een grote verscheidenheid aan grote zoogdieren. De meeste kenmerkende soorten van Afrika zijn hier aanwezig: o.a. leeuwen, olifanten, neushoorns, giraffen, zebra's en antilopen. In het westen komen nijlpaarden en buffels voor. In de woestijngebieden komen o.a. nog wilde ezels en antilopen als gerenoeks, lamagazellen en spiesbokken voor. Soorten als gelada (een bergbaviaan), Ethiopische berghond of simienvos, bergnyala en Ethiopische of Waliasteenbok zijn in hun verspreiding beperkt tot EthiopiŽ. De nationale parken en natuurreservaten ondervinden de last van het niet toepassen van de desbetreffende wetgeving; een aantal diersoorten (juist de exclusieve soorten) wordt met uitroeiing bedreigd.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking woont overwegend op het platteland; 13% woont in de steden. De dichtstbevolkte gebieden liggen in het centrale hoogland; het oosten en zuidoosten zijn zeer dun bevolkt.
EthiopiŽ heeft een relatief jonge bevolking; bijna 50% is jonger dan 15 jaar, terwijl slechts 26% ouder is dan 29 jaar. De levensverwachting bij geboorte is 48 jaar. De zuigelingensterfte wordt geschat op 12,2%. De gemiddelde bevolkingsaanwas bedraagt per jaar 3,1%.
De bevolking is samengesteld uit een grote verscheidenheid van groepen. De Amhara, de heersende bevolkingsgroep (ca. 25% van de bevolking), bewonen de centrale hooglanden; de Tigrť, die 12% van de bevolking uitmaken en ten noorden hiervan wonen, zijn verwant aan de Amhara en behoren eveneens tot de Koptische Kerk, maar spreken een andere (wel verwante) taal. De Oromo (Galla), de grootste bevolkingsgroep (40%), zijn vnl. herders en boeren en hebben zich in het zuiden en zuidwesten gevestigd.
De Afar en de Somali, nomadische veehouders, wonen in de dorre gebieden in het oosten (Ogaden) en zuidoosten. Ze leven grotendeels nog in hechte stamverbanden. Langs de grens met Soedan wonen de Sjankalla, de enige negers in EthiopiŽ. Verder zijn er nog kleinere bevolkingsgroepen zoals de Falasha of Abessijnse joden (Noord-Begemder; na hun uittocht naar IsraŽl in 1984-1985 en in 1989-1991 leven er nog maar ca. 2000 van hen in EthiopiŽ), de Goeragi (zuidwest-Sjoa) en de Sidamo (Gemoe Gofa en Kaffa).
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Amharisch, dat de voertaal is van ca. een derde van de bevolking. Engels is de voornaamste handelstaal. In totaal zijn er ca. 70 talen met meer dan 200 dialecten. De meest gesproken talen zijn, naast het Amharisch, het Afar (Danakil-depressie), het Somali (zuidoosten) en het Gallinja (zuiden).
2.3 Religie
Ca. 57% van de bevolking is Ethiopisch orthodox (tot 1974 staatsgodsdienst; zie Ethiopische Kerk), ca. 31% is islamiet en ca. 11% animistisch.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting, partijwezen en vakbonden
Volgens de grondwet van 1994 is EthiopiŽ thans een federale republiek met aanzienlijke bevoegdheden voor de negen regio's. Deze regio's, die op etnische basis zijn vastgesteld, hebben zelfs het recht op afscheiding. De wetgevende macht berust bij de nationale volksassemblťe (Shengo), die uit twee Kamers bestaat. In de Raad van Volksvertegenwoordigers zitten 548 direct voor vijf jaar gekozen leden. De Federale Raad is de senaat en bestaat uit 117 deels direct, deels door de regionale regeringen gekozen leden. De uitvoerende macht berust sinds 1994 niet langer bij de president, thans slechts een ceremonieel ambt, maar bij de minister-president, die ook opperbevelhebber van de strijdkrachten is. Het staatshoofd wordt direct voor een periode van zes jaar gekozen. De minister-president wordt door de grootste partij in de Raad van Volksvertegenwoordigers geleverd.
Dominerende partij is de in 1989 opgerichte alliantie Ethiopian People's Revolutionary Democratic Front (EPRDF), dat een geslaagde guerrillastrijd voerde tegen het Mengistu-regime en sinds 1991 aan de macht is. De EPRDF wordt voor een belangrijk deel beÔnvloed door het Tigre People's Liberation Front (TPLF), dat er deel van uitmaakt. Tot de belangrijkste oppositiepartijen behoort het Oromo Liberation Front (OLF), dat het traditioneel benadeelde volksdeel vertegenwoordigt. De oppositiepartijen boycotten de (eerste vrije) parlementsverkiezingen van 1995. De All Ethiopian Trade Union, bestaande uit 9 industrie- en 22 regionale vakbonden (in totaal 320!000 leden), kreeg in 1994 concurrentie van de onafhankelijke Confederation of Ethiopian Trade Unions (CETU), maar aangezien dat niet in overeenstemming is met de EPRDF, wordt gestreefd naar een nieuw verband onder de naam Peace and Democracy Seeking Trade Union.
3.2 Administratieve indeling
De Democratische Federale Republiek EthiopiŽ is administratief verdeeld in negen deelstaten of regio's (Keelils), die op etnische basis zijn vastgesteld en een grote mate van autonomie bezitten. Addis Abeba is een (apart) hoofdstaddistrict.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
EthiopiŽ is lid van o.a. de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). De OAE zetelt in Addis Abeba, evenals de Economische Commissie voor Afrika van de Verenigde Naties. EthiopiŽ maakt deel uit van de conventie van Lomť (een overeenkomst tussen de EU en de ACP-landen).

4. Economie
4.1 Algemeen
EthiopiŽ heeft een centraal geleide economie. De economische ontwikkeling wordt bemoeilijkt door binnenlandse onrust en aanhoudende droogte. De banken, de meeste ondernemingen en de commerciŽle boerenbedrijven zijn genationaliseerd. Het inkomen per hoofd van de bevolking bedroeg in 1994 $ 130, waarmee EthiopiŽ tot de armste landen ter wereld behoort. De economische groei is gemiddeld 1,8% per jaar (tussen 1980 en 1993). De inflatie bedraagt 5,6% per jaar (1985-1994). Ruim 50% van de bevolking is economisch productief. In 1993 werkte 73% in de landbouw, 7% in de industriŽle en 20% in de dienstensector. De verbouw van voedsel voor eigen gebruik zal nog belangrijker worden. Een opmerkelijk verschijnsel is het dualisme in de economie, vooral in de industrie: de traditionele en de moderne sector zijn bijna compleet gescheiden. De regionale ontwikkeling is onevenwichtig. Sommige steden en enkele landbouwstreken ontwikkelen zich snel, terwijl de rest van het land achterblijft.
4.2 Landbouw, veehouderij, visvangst, bosbouw
De landbouw is de belangrijkste pijler van de economie. Meer dan 70% van de bevolking vindt haar bestaan in deze sector. De landbouw is hoofdzakelijk gericht op de productie van voedingsmiddelen voor eigen gebruik. Kleine overschotten worden verhandeld. EthiopiŽ kan nauwelijks in de eigen voedselbehoeften voorzien. De landbouwmethoden en technieken zijn weinig ontwikkeld en transport en opslag zijn moeilijk en inefficiŽnt. Slechts een zesde van het potentiŽle landbouwareaal wordt benut. Afgaande op geografische en klimatologische omstandigheden zou EthiopiŽ de graanschuur van Afrika hebben kunnen zijn, maar menselijke dwalingen voorkwamen dit.
De meest verbouwde granen zijn tef, maÔs, gerst, sorghum, tarwe en millet. Tef wordt gebruikt voor het bakken van endjera, platte zure broden. Naast granen zijn oliezaden, rietsuiker, peulvruchten, enset (valse banaan) en boter (ghee) van betekenis voor de binnenlandse consumptie. Er wordt ook thee verbouwd.
Het belangrijkste exportproduct is koffie. Ca. 90% van de koffie groeit wild op het westelijke en centrale plateau en wordt met de hand geplukt. De veehouderij is altijd van grote betekenis geweest. De veestapel, die is gedecimeerd als gevolg van de droogte, omvat runderen, schapen, geiten, ezels, paarden, muildieren, kamelen en kippen. Naast economische waarde als leverancier van vlees, zuivel, wol, huiden en van trekkracht, heeft vee een grote sociale betekenis. Het bezit van vee betekent rijkdom en prestige. Het rendement van de veestapel is niet hoog wegens veel voorkomende veeziekten, de aanhoudende droogte en de weerstanden van de eigenaars tegen het verkopen van hun vee. De visvangst neemt de laatste jaren toe, m.n. als gevolg van kleinschalige ontwikkelingsprojecten. Zoetwatervisserij in meren en rivieren is slechts van lokale betekenis. Verwerking, opslag en transport van de vis laten veel te wensen over. Bosbouw vindt nog maar op kleine schaal plaats als gevolg van overexploitatie van het bos ten behoeve van de export, bouwnijverheid, het gebruik van hout als brandstof, het afbranden van bos ten behoeve van de landbouw en overbeweiding. In de laatste eeuw is 40% van alle bossen gerooid. Met name in Tigre is de grond als gevolg van het verdwijnen van het bos zwaar geŽrodeerd.
4.3 Mijnbouw
Goud wordt gewonnen ten zuidwesten van de stad Adola. In de omgeving van Dzjoebdo wordt platina gevonden. Zout wordt gewonnen in de Danakilvlakte. Het voorkomen van verschillende andere delfstoffen, waaronder lood en zink, is aangetoond. Gebrek aan kapitaal en de afwezigheid van afvoerwegen maken de exploitatie op grote schaal moeilijk.
4.4 Energievoorziening
Waterkrachtcentrales leveren, naast de centrales die op (geÔmporteerde) olie werken, het grootste deel van de elektriciteit. De totale elektriciteitsproductie bedroeg in 1986 722 miljoen kWh.
4.5 Industrie
De industriŽle activiteit is voor ruim 90% geconcentreerd rond Addis Abeba.
De industrie bestaat vnl. uit de verwerking van lokale grondstoffen. De belangrijkste tak is de levensmiddelenindustrie. De tweede bedrijfstak van betekenis is de textielindustrie (katoenen stoffen, jute zakken en touw). Er is ook chemische industrie op kleine schaal. De eerste zware industrie ontstond in 1963; in Akaki werd een ijzer- en staalfabriek gebouwd. In Addis Abeba is een cementfabriek. De industrie draagt slechts voor ca. 10% bij aan het bnp. De industriŽle ontwikkeling bedroeg tussen 1980 en 1991 1,9% per jaar, maar ondervindt moeilijkheden als gevolg van het gebrek aan technische kennis, goed management, onderdelen en investeringskapitaal.
4.6 Handel
De handelsbalans is sinds 1958 vrijwel steeds negatief. De totale invoer bedroeg in 1993 $ 787 miljoen (tegen $ 200 miljoen uitvoer).
Ingevoerd worden consumptiegoederen, halffabrikaten, machines, transportmiddelen, olie, kapitaalgoederen, chemicaliŽn, peulvruchten en oliezaden.
Het belangrijkste uitvoerproduct is koffie (in 1991 60% van de totale uitvoer). Verder worden oliezaden, groenten en fruit, huiden, vee en vlees uitgevoerd. EthiopiŽ drijft handel met o.a. Japan, Duitsland en Groot-BrittanniŽ.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
In het tienjarige ontwikkelingsplan (1984-1994) lag de nadruk op een socialistische economische ontwikkeling, dwz. een verhoging van de zelfvoorzieningsgraad en de agrarische (staats)productie. Als gevolg van de aanhoudende droogte verving de regering het tienjarenplan door een driejarig Intermediate Development Plan. Hierin geeft de regering prioriteit aan voedselhulp en -distributie. In het (jaarlijkse) Austerity Plan voor 1985 wordt gezorgd voor een bijdrage van werknemers en particuliere bedrijven aan het Hongersnood-hulpplan, ook is de import van olie en luxegoederen aan banden gelegd. Sinds 1991 werkt EthiopiŽ weer samen met de Wereldbank en het IMF, die omvangrijke kredieten verleenden voor de wederopbouw, op voorwaarde onder andere van snelle privatiseringen.
De netto ontvangst aan ontwikkelingshulp bedroeg in 1991 $ 1091 miljoen. Ideologische verschillen geven problemen bij de toekenning van ontwikkelingshulp. De voedselhulp vanuit het buitenland bij de hongersnood in 1984-1985 kwam pas goed op gang na particuliere initiatieven via de massamedia. De meeste voedselhulp vanuit het buitenland gaat via particuliere organisaties, niet via regeringsinstanties. De buitenlandse schuld bedroeg in 1985 $ 1,87 miljard (1994: $ 5058 miljard). Daarnaast bedroeg in 1985 volgens westerse schattingen de schuld aan de toenmalige Sovjet-Unie voor militaire bijstand $ 4 ŗ 5 miljard.
4.8 Bankwezen en financiŽn
In 1975 zijn de banken en verzekeringsmaatschappijen genationaliseerd. De Nationale Bank van EthiopiŽ is als centrale bank verantwoordelijk voor het monetaire beleid en de controle op de geldhandel. De belangrijkste commerciŽle bank is de Commercial Bank of Ethiopia. De rol van particuliere geldschieters, die zeer hoge rente vragen, is vooral op het platteland nog overheersend.
4.9 Verkeer
Het verkeersnet is ontoereikend en de aanleg van wegen en spoorwegen wordt bemoeilijkt door het bergachtige landschap. Het luchtverkeer is daarom van veel betekenis. Het wegennet omvat 27!972 km, waarvan ruim 19!017 km begaanbaar is onder alle weersomstandigheden. Sinds 1985 wordt het landelijk wegennet uitgebreid. Er is maar ťťn spoorlijn in gebruik: van Addis Abeba naar Djibouti (782 km). Sinds de onafhankelijkheid van Eritrea heeft EthiopiŽ geen zeehavens meer. Het land is aangewezen op de haven van Assab in Eritrea en op de havens van Djibouti. Binnenscheepvaart vindt vnl. plaats op de Baro en op het Tanameer. Het luchtverkeer is zowel voor het personen- als voor het vrachtvervoer van groot belang. Addis Abeba en Dire Dawa hebben een internationale luchthaven; daarnaast beschikt het land over 44 vliegvelden voor binnenlands verkeer. Ethiopian Airlines onderhoudt verbindingen met Afrikaanse landen, Europa, het Midden-Oosten, India en de Volksrepubliek China.

5. Geschiedenis
5.1 Periode tot 1855
De naam Aethiopia werd in de oudheid gegeven aan een gewest in Noordoost-Afrika dat bezet werd door verschillende volkeren, wier geschiedenis mondeling is overgeleverd. In plaats van EthiopiŽ werd ook wel de naam Habashat (AbessiniŽ) gebruikt. In de tweede helft van de 6de eeuw en in het begin van de 7de eeuw geraakte het eerste koninkrijk van Aksoem (gesticht waarschijnlijk vůůr de 5de eeuw v.C.) in verval en EthiopiŽ werd van de verbinding met de Middellandse Zee afgesneden door de expansie van de islam. Hiermee begon een lange periode waarvan bijna iedere documentatie ontbreekt. Een nieuwe dynastie, de Zague, verplaatste de hoofdstad van Aksoem naar Roha, later genoemd Lalibela.
In 1270 ging de macht over op de Salomonidendynastie, wier traditionele genealogie aanvangt met Menelik I, zoon van Salomo en de koningin van Seba. Oorlogen tussen deze dynastie en de islamieten, geleid door de sultan van Ifat, namen twee en een halve eeuw in beslag. Koning Yakub (1434-1468) versloeg en doodde de sultan van Ifat bij Egubba in 1445. De leiding van de islamieten van EthiopiŽ ging over op de sultan van Adal. Nieuwe invallen van de islam brachten het christelijke rijk in groot gevaar. Portugal, dat destijds in de zeeweg naar IndiŽ geÔnteresseerd was, stuurde militaire hulp en de islamieten werden in 1542 verslagen bij het Tanameer. Toen beide partijen uitgeput waren, vielen ze ten offer aan nieuwe invallers, de Galla, afkomstig uit Noord-Kenia.
5.2 Keizerrijk AbessiniŽ
Na 1632 was het land opnieuw, voor twee eeuwen, van de Middellandse-Zeewereld afgesneden. Het herstel kwam onder Theodorus II (1855-1868), die de feodale groten onder zijn gezag bracht, maar de gevangenzetting van de Britse gezant aan zijn hof leidde tot een strafexpeditie onder Lord Napier in 1868 en de zelfmoord van Theodorus II. Zijn enige zoon werd naar Engeland overgebracht en Johannes IV (1872-1889) kwam op de troon. Het graven van het Suezkanaal (1869) wekte de belangstelling van de Europese machten voor EthiopiŽ. Groot-BrittanniŽ en Frankrijk vestigden zich in Somaliland en ItaliŽ in Massawa (1885). Koning Johannes sneuvelde bij een poging een aanval der mahdisten af te slaan en Menelik II, koning van Shoa, werd keizer (1889-1913). Met hem kwam het Huis van Salomo weer op de troon. Hij sloot het vriendschapsverdrag van Uccialli met ItaliŽ. Een Italiaanse poging over EthiopiŽ een protectoraat te vestigen werd gewapenderhand bestreden en de Italianen leden de nederlaag van Adoea (1896). Zij werden gedwongen tot de Vrede van Addis Abeba, waarbij EthiopiŽs onafhankelijkheid werd erkend. Hierna was Menelik in staat zijn rijk uit te breiden en te moderniseren.
In 1906 werd tussen Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en ItaliŽ een verdrag gesloten, waarbij zij overeenkwamen de integriteit van EthiopiŽ te waarborgen. Na de dood van Menelik in 1913 ontstonden moeilijkheden, toen zijn kleinzoon en opvolger, Lidj Jasu, zich als aanhanger van de centrale mogendheden en van de islam ontpopte. In 1916 werd hij door het hoofd van de Ethiopische Kerk geŽxcommuniceerd. Zauditu, dochter van Menelik, werd nu tot keizerin (negesta nagastal) uitgeroepen en Ras Tafari, zijn achterneef, tot regent. In 1923 werd EthiopiŽ (nu weer AbessiniŽ genoemd) toegelaten tot de Volkenbond; in 1928 werd een verdrag van 'eeuwige vriendschap' met ItaliŽ gesloten. In hetzelfde jaar wist de regent door een staatsgreep de alleenheerschappij en de waardigheid van negus (koning) te krijgen. In 1930, na de dood van de keizerin, liet hij zich tot nagusa nagast (koning der koningen) Haile Selassie I kronen.
Een botsing tussen Italiaanse en Abessijnse troepen in dec. 1934 was voor AbessiniŽ aanleiding om de dreiging aan de Volkenbond te rapporteren (jan. 1935). Ondanks bemiddelingspogingen van Groot-BrittanniŽ en een schikkingsbevel van de Raad van de Volkenbond ging ItaliŽ op 3 okt. 1935 tot de aanval over. Hoewel ItaliŽ door de Volkenbond schuldig werd verklaard, rukten de Italiaanse troepen onder de generaals De Bono, Graziani en Badoglio op en op 5 mei 1936 werd Addis Abeba bezet. Het veroverde rijk werd met de oude Italiaanse koloniŽn samengevoegd onder de naam Africa Orientale Italiana. De koning van ItaliŽ werd keizer van EthiopiŽ, vertegenwoordigd door een onderkoning. Deze Italiaanse annexatie werd door 28 lid-staten van de Volkenbond de jure erkend. Na het uitbreken van de oorlog tussen Groot-BrittanniŽ en ItaliŽ in juni 1940 werden de in EthiopiŽ aanwezige Italiaanse troepen verslagen. Op 18 mei 1941 werd Haile Selassie weer in het bezit van de troon gesteld. Na beŽindiging van de oorlog eiste hij voor EthiopiŽ het gehele grondgebied van het voormalige Africa Orientale Italiana op. De Verenigde Naties kwamen ten dele aan deze eis tegemoet: Eritrea werd in 1952 met EthiopiŽ in een federatieve staat verenigd; SomaliŽ kwam daarentegen als beheerschapsgebied onder Italiaans bestuur. In 1962 werd Eritrea in EthiopiŽ geÔntegreerd.
In de loop der jaren verwierf de keizer steeds meer aanzien als leider van het Afrikaanse eenheidsstreven (hij speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid) en als voorvechter van een politiek van niet-gebondenheid. In zijn binnenlands beleid ondernam hij echter niet veel meer dan schuchtere pogingen tot aanpassing aan de moderne tijd. Studentenacties (vanaf 1968) tegen het autocratische bewind, de machtspositie van de conservatieve kerk, de corruptie e.d. werden onderdrukt. Demonstraties in 1973 tegen de economische noodsituatie (droogte en hongersnood in de drie noordelijke provincies) vormden de inleiding tot het ingrijpen van het leger in 1974. In juni van dat jaar nam het leger de macht in handen en op 12 sept. 1974 werd Haile Selassie door een voorlopige militaire raad, de Dergue, afgezet.
5.3 Periode Mengistu
De vestiging van het nieuwe regime ging gepaard met gewelddadigheden op grote schaal. Op 21 dec. 1974 maakten de nieuwe leiders van de militaire junta, brigadegeneraal Teferi Benti en majoor Mengistu Haile Mariam, bekend dat EthiopiŽ een socialistische staat zou worden met een eenpartijstelsel. In 1975 werd de monarchie officieel afgeschaft en in 1976 werd een democratische volksrepubliek geproclameerd. Inmiddels was een aantal ondernemingen genationaliseerd en een radicale landhervormingswet uitgevaardigd. Staatshoofd Benti werd in 1977 vermoord. De sterke man in de Dergue, Mengistu, kreeg de leiding van de staat. Hij had o.m. te kampen met (linkse) oppositie van intellectuelen en studenten, die zich tegen het militaire karakter van het regime keerden. Van 1978 tot 1981 voerde hij een officiŽle, wrede 'rode-terreur-campagne' tegen hen; tienduizenden opposanten werden vermoord. In totaal vluchtten ca. 2 miljoen EthiopiŽrs naar Soedan, West-Europa en de Verenigde Staten.
In de jaren tachtig dwong de regering miljoenen boeren in nieuwe dorpen te gaan wonen, officieel vanwege de bevolkingsdruk op het uitgeputte land in Noord-EthiopiŽ, maar duizenden boeren stierven als gevolg van het slecht voorbereide hervestigingsprogramma en nog veel meer weken uit naar Soedan en SomaliŽ. Vooral in de jaren 1984/1985 en 1989/1990 vielen honderdduizenden doden door hongersnood.
In Eritrea, met een in meerderheid islamitische bevolking, bestond sinds begin jaren zestig een separatistische beweging. In 1991 stortte het Ethiopische regime in en in 1993 werd Eritrea, na een referendum, onafhankelijk.
In de provincie Tigre veroverde het Tigrese Volksbevrijdingsfront (TPLF) grote delen van het noorden.
De verhouding tussen EthiopiŽ en SomaliŽ was sedert het ontstaan van SomaliŽ in 1960 gekenmerkt door spanningen, veroorzaakt doordat SomaliŽ aanspraken liet gelden op gebieden in EthiopiŽ waar Somali's wonen en op het Franse Afar en Issaland (dat voor EthiopiŽ van economisch belang was). Gevechten in de Ogaden-woestijn en langs de grens duurden voort tot 1986, toen besprekingen tussen beide landen begonnen die in april 1988 tot een vredesakkoord leidden.
5.4 Grondwet 1987
Per referendum (het eerste in EthiopiŽ gehouden) werd in 1987 een nieuwe grondwet aangenomen, waarmee officieel een einde kwam aan 13 jaar militaire dictatuur. Haile Mariam Mengistu werd president van de 'Democratische Volksrepubliek EthiopiŽ'. In juni werden verkiezingen voor het parlement (de Shengo) gehouden. Onder druk van de oprukkende bevrijdingslegers van Eritrea en Tigre en door het wegvallen van de steun uit de communistische landen van Europa ontdeed Mengistu zich begin 1990 van het communistische vignet van zijn regime. Hij beloofde een vrije-markt-economie, het recht tot grondbezit en openheid in het politieke systeem. Desondanks stortte zijn regime in en na een conferentie in juli 1991 werd een overgangsregering gevormd tussen het Revolutionair Democratisch Volksfront van EthiopiŽ (EPRDF), waarin de rebellen van het Volksbevrijdingsfront van Tigray (TPLF) domineren, en het Bevrijdingsfront van Oromo (OLF). Verslechterde verhoudingen leidden vanaf begin 1992 tot een oplaaien van de gevechten en tot een staat van anarchie in vooral het oosten en zuidoosten van EthiopiŽ.
In 1993 scheidde Eritrea zich af na een referendum. Een jaar later werd een nieuwe grondwet aangenomen, op grond waarvan in 1995 parlementsverkiezingen plaatsvonden met de EPRDF als winnaar. Een voedselcrisis kostte in 1994 aan zeker 10!000 mensen het leven. Bij de presidentsverkiezingen van 1995 werd Negaso Gidada tot president gekozen, maar de werkelijke macht bleef bij de voormalige guerrillaleider en premier Meles Zenawi, die een zekere liberalisering voorstaat.
Terwijl de economische groei de afgelopen decennia gemiddeld niet boven de 1, 5% uitkwam, lag die in het midden van de jaren negentig op 5%. Desondanks is het door de burgeroorlog geteisterde land een van de armste van Afrika.

Telefoongids EthiopiŽ
Postcodes EthiopiŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009