Europa [aardrijkskunde], het kleinste
van de drie werelddelen die tezamen de Oude Wereld vormen (Azië,
Afrika en Europa), 10,5 miljoen km2,
696 miljoen inw. Aan de oostzijde, van de Noordelijke IJszee tot aan de Zwarte Zee, is Europa verbonden met
Azië. Grote schiereilanden zijn Scandinavië, het Iberisch, het Apennijns en het Balkanschiereiland. De
grootste tot Europa behorende eilanden zijn Groot-Brittannië, IJsland, Ierland en Nova Zembla.
|
 |
1. Landschap en
klimaat
Europa
heeft een grote variatie in landschappen: oude, hoge massieven als
de Spaanse hoogvlakte, het Plateau Central in Frankrijk, het
Leisteenplateau in Duitsland en het Boheems massief in Tsjechië
wisselen af met hoge, hoekige, relatief jonge plooiingsgebergten
als Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Balkan, Dinarische Alpen,
Apennijnen en Kaukasus in het zuiden. In het oosten vormt het
Oeralgebergte min of meer de grens tussen Europa en Azië. In het
zuiden wordt de grens met Azië gemarkeerd door Kaukasus en Zwarte
Zee. Het noordoosten van Europa wordt ingenomen door laagland
(tussen 1 en 200 m boven de zeespiegel). De gemiddelde hoogte van
het werelddeel is bijna 300 m; slechts 1% van de totale
oppervlakte ligt boven de 2000 m. De Europese rivieren (ca.
230.000 in getal) behoren vrijwel alle tot vier stroomstelsels,
waarvan het water resp. naar Atlantische Oceaan, Noordelijke
IJszee,
Middellandse Zee en Kaspische Zee afvloeit. In de landen rondom de
Oostzee liggen talrijke meren, die, evenals de meren aan de voet
van de Alpen, daar bij het terugschrijden (afsmelten) van he t
ijs aan het eind van de ijstijd werden gevormd.
In de westelijke en zuidelijke kustgebieden overheerst een
zeeklimaat, dankzij de ligging van Europa, met in het westen de
warme Golfstroom en in het zuiden de Middellandse Zee. Een
landklimaat heerst in het centrale en oostelijke deel door de
invloed van het grote Aziatische vasteland. De vele depressies,
die over het land trekken (vnl. in oostelijke richting), geven het
weer in de westelijke en centrale delen een wisselvallig karakter.
In Scandinavië en in de gebieden ten noorden van de Middellandse
Zee vormen de bergketens een duidelijke klimaatscheiding.
2. Plantengroei en dierenwereld
Van noord naar zuid zijn vier typen plantengroei te onderscheiden:
a. Het arctische floragebied met de boomloze toendra's of
mossteppen, in het noorden van Scandinavië, Finland en Rusland. b.
Het woudgebied van de gematigde zone (Eurosiberische regio) met
twee gordels: 1. Naaldwouden (en hier en daar loofbomen, vnl.
berken) in het grootste deel van Scandinavië, Finland, het noorden
van Rusland en Schotland. 2. De zuidelijker gordel, met als
natuurlijke plantengroei loofbossen, in het zuiden van Scandinavië
en Finland en verder in Midden- en West-Europa, waar overigens de
vérgaande ontbossing het ontstaan van grote cultuursteppen tot
gevolg heeft gehad. In de bergen vindt men boven de boomgrens de
alpine gordel, die overeenkomt met het arctische gebied. c. De
boomloze grassteppen in Noord-Spanje, de Balkan, Hongarije (de
poesta) en ten noorden van Kaspische en Zwarte Zee. Deze vormen
een voortzetting van het Centraalaziatische steppenland (tot in
Hongarije). d. De mediterrane regio met subtropische flora in het
zuiden van Portugal en Spanje, aan de Franse Riviera, in Italië en
in Griekenland, met o.a. olijf, vijg, cipres, laurier en
ingevoerde ingeburgerde soorten als agave, aloë, vijgcactus en
Citrus-soorten. Dit is het gebied van de altijdgroene heesters (maquis)
of van halfheesters en kruiden (garigue). De loofbossen in de
bergen zijn 's winters kaal.
De dierenwereld van Europa is zeer gevarieerd, vooral door de
grote verscheidenheid in landschappen. In het arctische deel leven
o.m. ijsbeer, poolvos, poolhaas en sneeuwhoen, in het zuidelijker
toendragebied o.m. rendier, wolf en lemming. In het westen van
Europa leven nog vele, ook grote, diersoorten, o.m. vos, bruine
beer, marter, eekhoorn, ree, edelhert, eland en wild zwijn. Vooral
het loofbos is zeer rijk aan zangvogels, spechten en velerlei
insecten. In de hooggebergten leven o.m. steenbok, gems en
steenarend. Het damhert, het (Japanse) sikahert en de uit Corsica
ingevoerde moeflon worden nu in Europa in de vrije wildbaan
aangetroffen, evenals de muskusrat en de beverrat, die uit resp.
Noord- en Zuid-Amerika zijn ingevoerd. Ten zuiden van Alpen en
Pyreneeën neemt het aantal soorten reptielen, amfibieën en
insecten toe.
3.
Bevolking
De
bevolking behoort tot het Europide hoofdras (zie Europide rassen).
Met een bevolkingsdichtheid van 67 inw. per km2 is Europa het
dichtstbevolkte werelddeel. De dichtheidsverschillen zijn echter
zeer groot. IJsland bijv. heeft een bevolkingsdichtheid van 2 inw.
per km2, terwijl Nederland 364 inw. per km2 heeft. In Europa
worden meer dan zestig talen gesproken, overwegend Germaanse,
Romaanse en Slavische, alle behorend tot de Indo-Germaanse talen. |