| |
De
Europese kanarie of serinus serinus
Trekvogel
van maart tot oktober. De kleinste bij ons inheemse vinkachtige.
Enigszins rond lichaam; korte, stevige, kegelvormige snavel. Fel
geel gekleurde kop, keel, borst, stuit en bovenoogstreep. Het
gelige verenkleed is donker gestreept. Eén gele vleugelband in
de donkere vleugels. De gelijkende groenling heeft geen enkele
zwarttekening op borst en rug. Zingt meestal vanaf hoog gelegen
plaatsen (dakantennes) of tijdens de wat dartelende zangvlucht.
Verspreiding en woongebied : midden en zuiden van Europa. Bij
ons nergens in grote aantallen; enkele exemplaren overwinteren
hier. Leeft in het open bouwland, in parken en tuinen.
Voortplanting : het nest wordt zorgvuldig ingevlochten in
struiken, bomen of klimplanten. Legtijd is mei tot juli -
meestal twee legsels per jaar. Drie tot vijf eieren, teergroen
tot blauwig met rode of lichtlila vlekjes. Het vrouwtje broedt
12-14 dagen; de jongen worden 14-16 dagen door de ouders in het
nest gevoederd en daarna nog één week daarbuiten verzorgd.
Voedsel : zaden; in de zomer ook nog insecten. |
|
|
|
|
|
|