|

|
Of het geheim van de
diversiteit van het leven. De enorme diversiteit aan leven op aarde en de
onderlinge afhankelijkheid tussen verschillende soorten zijn lange tijd als
overtuigend bewijs beschouwd voor de aanwezigheid van een Schepper. Een
dergelijk subtiel en complex systeem, waarin elk deel perfect voor zijn doel
geschikt is gemaakt, kan toch alleen door een hogere macht zijn geschapen ?
Het was de theorie van evolutie door natuurlijke selectie van
Charles Darwin, de
grootste triomf van de 19de eeuwse wetenschap, die met dit denkbeeld
afrekende.
Tal van filosofen hadden zich sinds
Aristoteles afgevraagd
hoe levensvormen zich uit voorgaande organismen konden ontwikkelen. Er waren
twee belangrijke omwentelingen nodig om de evolutietheorie geloofwaardig te
maken. De eerste was de ontdekking van fossielen en het bewijs dat dit
levende wezens waren geweest die waren uitgestorven, zoals voor het eerst
werd beweerd in 1770 door de Zwitserse natuurvorser Charles Bonner.
Twintig jaar later ontdekte de Engelse onderzoeker William Smith
bij boorwerkzaamheden voor de aanleg van een kanaal verschillende fossielen
in de rotslagen. In 1800 classificeerde de Franse natuurkenner Georges
Cuvier de tot dan toe bekende fossielen. Hij wist het merendeel
onder te brengen binnen de bestaande planten- en dierenfamilies, maar dat
lukte niet bij allemaal. Hij weet de oorzaak van het uitsterven van deze
groepen aan grootschalige natuurrampen.
De tweede onderliggende omwenteling was de ontdekking dat de aarde niet
slechts een paar duizend maar wel miljoenen of miljarden jaren oud was. Dat
maakte het mogelijk om aan te nemen dat langzame veranderingen in een soort
- te langzaam om tijdens een mensenleven waar te nemen - de soort in de loop
van eeuwen geheel kon veranderen. In 1859 publiceerde Darwin 'On the Origin
of Species', waarin hij het mechanisme beschreef waardoor dit
veranderingsproces kon plaatshebben. Zijn denkbeelden zetten de Victoriaanse
samenleving op haar achterste benen en werden gezien als een aanval op de
Kerk. Darwin stelde immers dat alle vormen van leven op aarde een product
zijn van het toeval en dat het toeval de vorming van soorten tot in het
kleinste detail had beïnvloed.
Darwin wist zijn theorie, volgens de Amerikaanse filosoof Daniel
Dennett 'het enige grootste idee dat iemand ooit heeft gehad',
alleen niet te onderbouwen met een mechanisme. Hij kon wel de mutaties in
soorten aantonen en ook waarom deze zich hadden voorgedaan, maar wist niet
uit te leggen hoe.
Kennis van de erfelijkheidswetten, van genen en van genetische mutaties
zouden dit inzicht wel verschaffen. De combinatie van het werk van Darwin en
Mendel is als theorie
bewezen en ligt nog altijd ten grondslag aan alle biologie. |
|
|
|
|
|
|