|

|
De
wortels van het existentialisme liggen in het werk van Kierkegaard
(zie foto), in de eerste helft van de 19de eeuw. Hij
bekritiseerde het filosofisch systeem van Hegel, die het zijn
of het bestaan op een abstracte en onpersoonlijke manier analyseerde.
Kierkegaard hield zich bezig met de individuele, subjectieve ervaring van
het menselijk bestaan. De Duitse fenomenoloog Edmund Husserl
(1859-1938) deed ook zijn invloed gelden in de ontwikkeling van methoden die
later door existentialisten werden gebruikt. Een fenomenoloog is
geïnteresseerd in dingen zoals ze lijken in het bewustzijn, meer dan in de
dingen zelf, waarop Kant zich concentreerde. Deze nadruk op
het subjectieve bewustzijn van het individu werd in de 20ste eeuw verder
gezet, toen het existentialisme zich ontwikkelde.
Eén van Husserls studenten, Martin Heidegger (1889-1976) was
geïnteresseerd in de 'vraag naar het zijn'. Hij meende dat westerse
filosofie geobsedeerd was met het probleem van de kennis. Voor Heidegger
werd het individu als wezen-in-de-wereld gekarakteriseerd door actie en
verlangen : het besef dat de wereld niet de belangrijkste reden is dat we op
de aarde zijn. Zijn meest fundamentele vraag was : waarom moet er eigenlijk
een bestaan zijn, waarom is er gewoonweg niet niets ? Hoewel Heidegger
claimde geen existentialist te zijn, is zijn invloed op
Sartre en het
existentialisme onmiskenbaar.
Jean-Paul Sartre is de bekendste existentialist. Hij meende dat er geen
vaste menselijke natuur of essentie is; het individu kan zijn of haar
bestaan dus kiezen. Deze keuze brengt verantwoordelijkheden met zich mee.
Degenen die niet kiezen maar hun leven baseren op vooropgestelde moraal en
filosofische systemen, worden beticht van handen vanuit kwade trouw.
Het existentialisme in de 20ste eeuw weerspiegelt het verlies van zekerheden
in de postmoderne wereld. Als er geen heldere filosofische antwoorden zijn
op de vragen omtrent het bestaan, dan moet elk individu zijn of haar eigen
leven ontwerpen als het ware een project. |
|
|
|
|
|
|