|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De
eilanden zijn sterk vulkanisch; de hoogste berg, Mount Apo (2953 m),
behoort tot de nog werkende vulkanen; zware aardbevingen zijn talrijk.
In de pleistocene ijstijd kwam een groot deel van de zeebodem boven
water en vormden de tegenwoordige eilanden een deel van het continentale
gebied van het huidige Sundaplat. De veelal korte, snelstromende
rivieren zijn meest onbevaarbaar; de langste is de Cagayan op Luzon. De
kusten zijn grotendeels omzoomd door koraalriffen. De laatste
transgressie deed vele baaien ontstaan. Ruim 9 miljoen ha van de bodem
is onderhevig aan bodemerosie, het sterkst op Cebu en Luzon. Aan
bestrijding ervan wordt weinig of niets gedaan. De kustvlakten zijn
meestal smal.
1.2 Klimaat
De Filippijnen hebben een tropisch regenwoudklimaat (Af) met in
het binnenland van de grote eilanden en in het gebergte plaatselijke
afwijkingen. De gemiddelde temperatuur van Manila is 26, 4 °C (hoogste
in mei 29,3 °C, laagste in jan. 24,5 °C). Noord-Luzon kent in januari 'cold
waves' en tyfoons vooral in augustus. Van mei tot oktober waait de
zuidwestmoesson, van oktober tot mei de noordoostmoesson, waardoor de
regenval bepaald wordt. De oostkant van de gebergten heeft gedurende de
noordoostpassaat zware regens, de westkant gedurende de zuidwestmoesson.
Het droogst is de vallei van de Cagayan (890 mm), het hoogste
regencijfer heeft Catanduanes voor de zuidkust van Luzon (5461 mm);
Manila komt tot 2083 mm. De vulkanische gronden zijn meest zeer
vruchtbaar, de tertiaire afzettingen minder.
1.3 Plantengroei en dierenwereld
Achter de door palmen omzoomde stranden, met hier en daar mangrove- en
nipamoerassen, ligt weelderig tropisch bos, dat geleidelijk overgaat van
regenwoud (met o.a. Dipterocarpaceae) in gemengd woud van altijdgroene
bomen (eiken en dennen). De dierenwereld is rijk en gevarieerd, van
apen, wilde zwijnen, herten en vleermuizen tot dwergbuffels ( 'tamarau')
en dwergherten ( 'chevrotain'), krokodillen, pythons en hagedissen. Er
zijn meer dan 700 soorten vogels, waaronder de apenarend. Talrijke
soorten zijn in hun verspreiding beperkt tot de Filippijnen.
Flora en fauna worden zeer bedreigd door kaalslag van het oerwoud,
ongebreidelde jacht en sociale onrust.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
Filippino's, 80% van de bevolking, behoren tot het Maleise ras. Zij zijn
in enkele volksverhuizingen de archipel binnengekomen. De belangrijkste
Filippinogroepen zijn de Tagalog (25%) en de Visaya's. De islamitische
Moro's vormen 5% van de bevolking en wonen op Mindanao, de Sulu-eilanden
en Palawan. Chinezen maken 1% van de bevolking uit. Er zijn nog enkele
duizenden Aëta, een dwergvolk, vnl. woonachtig op Luzon. Het dichtst
bevolkt zijn Centraal-Luzon en de Visaya's (verzamelnaam voor de
eilanden tussen Luzon en Mindanao); van overheidswege wordt migratie van
het overbevolkte Luzon naar Mindanao aangemoedigd. Na Manila (1995 samen
met Quezon City, Pasay en Caloocan de National Capital Region uitmakend;
7,9 miljoen inw.), zijn Davoa (850.000), Cebu (610.000) en Zamboanga
(442.000) de grootste steden. De Filippijnen hebben een relatief jonge
bevolking; ruim 37% van de bevolking is jonger dan 15 jaar, 48% is
jonger dan 20 jaar. De bevolkingsgroei bedraagt gemiddeld 2,1% per jaar.
De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedraagt 65 jaar. Ca. 44%
van de bevolking woont in stedelijke gebieden.
2.2 Taal
Van de meer dan zeventig talen worden twee officieel erkend: het
Filippino, sinds 1946 de nationale taal, en het Engels (ook
handelstaal). Het Spaans wordt weinig meer gebruikt. Zie voorts
Filippijnse talen.
2.3 Religie
Ca. 83% van de bevolking is rooms-katholiek; een kleine minderheid
behoort tot het protestantisme (5, 4%). Onder invloed van het
nationalisme ontstond in 1899 de Onafhankelijke Filippijnse Kerk van
pater Aglipay die los van het Vaticaan staat, maar de rooms-katholieke
liturgie handhaaft (2,6%). Er is een belangrijke moslimminderheid op de
zuidelijke eilanden (in totaal 4,6%). Er zijn veel sekten en
plaatselijke culten.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 1935, geamendeerd in 1946, werd in 1972 opgeschort. Een
nieuwe grondwet, die een terugkeer naar Amerikaans model behelst, werd
per referendum in 1987 bekrachtigd. Daarin is vastgelegd dat de
president na een ambtstermijn van zes jaar niet herkozen kan worden.
Verder kan een noodtoestand slechts 60 dagen duren en heeft de
president, die ook regeringsleider is, niet het recht het parlement naar
huis te sturen. Het parlement bestaat uit twee Kamers: een Senaat
waarvan de 24 leden voor zes jaar gekozen worden (elke drie jaar de
helft), en een Huis van Afgevaardigden waarvan 204 leden in directe
verkiezingen gekozen worden en 50 leden, die maatschappelijke groepen
vertegenwoordigen, worden benoemd.
3.2 Administratieve indeling
Het land is bestuurlijk verdeeld in 75 provincies, met aan het hoofd een
direct gekozen gouverneur, een National Capital Region (Manila) en een
Cordilleras Autonomous Region, een autonome regio voor de moslims op
Mindanao en enkele steden die bestuurlijk buiten de provincies vallen (
'highly urbanised cities'). Er is een 70-tal 'chartered cities',
rechtstreeks onder gezag van de centrale regering.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
De Filippijnen zijn lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel
(GATT), het Colombo-Plan en van het Verbond van Zuidoost-Aziatische
Naties (ASEAN).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De Filippijnse partijen zijn voor het overgrote deel geen
programmapartijen, maar zijn sterk op de persoon gericht. Dit heeft tot
gevolg dat er voortdurend coalitie- en lijstverbindingswisselingen
plaatsvinden alsook talrijke partijsplitsingen. Sinds 1995 regeert de
'Regenboogcoalitie' van president Ramos (Lakas-NUCD-UMDP). De partij van
voormalig president Aquino, de Macht van Democratische Filippijnen (LDP),
sloot zich in 1994 hierbij aan, maar verliet de coalitie weer twee jaar
later. Grootste vakbond is het Trade Union Congress of the Philippines (KMP-TUCP)
met 1,5 miljoen leden.
4. Economie
4.1 Algemeen
De
Filippijnse economie is een vrijemarkteconomie, waarin de agrarische
sector nog een belangrijke rol speelt. Met een bruto nationaal product
(bnp) van $ 960 (1994) per hoofd van de bevolking behoort het land tot
de armere landen. De Filippijnse economie was en is uiterst gevoelig
voor crisis door de grote afhankelijkheid van het buitenland.
Aanwezigheid van buitenlandse beleggers neemt toe, enerzijds door de
goedkope arbeidskrachten, anderzijds door het ontbreken van restricties
voor het beleid van multinationale ondernemingen. Het merendeel van de
bevolking is werkzaam in de agrarische sector, maar zowel de industrie
als de dienstensector levert een grotere bijdrage aan het bnp. Verder is
export van arbeid naar o.a. Arabische landen één van de belangrijkste
inkomstenbronnen. Er is sprake van grote verborgen werkloosheid, vooral
op het platteland. Bovendien heeft zeker eenvierde van de
beroepsbevolking geen permanent werk.
4.2 Landbouw; bosbouw
Bijna de helft van het totale bodemoppervlak bestaat uit cultuurgrond en
een evenredig deel is met bos bedekt. Verantwoordelijk voor de geringe
productiviteit van de landbouw zijn o.a. de te kleine bedrijven, het
probleem van het grootgrondbezit (tweederde van de boeren bezit geen
land) en verouderde landbouwmethoden. Zo wordt het zgn. caingin (ladang)
nog steeds toegepast. De belangrijkste landbouwproducten zijn
voedselgewassen (rijst, ananas, kokosnoten en maïs). Voorts is er
verbouw van suikerriet, kopra, abaca (manilahennep) en tabak. Na de
invoering van nieuwe rijstvariëteiten werden de Filippijnen, op
bescheiden schaal, rijstexporterend. Zowel droge als natte rijstbouw (sawa-bouw
op Luzon) komt voor. Filippijnse boeren moeten veelal het veld ruimen
voor enorme plantages voor suikerriet, ananas en kokosnoten die eigendom
zijn van buitenlandse ondernemingen. De Filippijnen zijn een van de
grootste houtproducenten ter wereld. De roofbouw op de natuurlike bossen
wordt afgeremd; er is meer aandacht voor herbebossing.
4.3 Mijnbouw
Het toegenomen belang van de mijnbouw is het gevolg van Amerikaanse
kapitaalsinvesteringen. De exploitatie van natuurlijke hulpbronnen wordt
bij de grondwet beperkt tot burgers en rechtspersonen van Filippijnse
nationaliteit of tot ondernemingen met ten minste 60% Filippijns
kapitaal: Amerikaanse burgers en ondernemingen zijn van deze bepaling
vrijgesteld. De voornaamste delfstoffen zijn koper (meer dan 75% van de
totale mijnbouwproductie), goud, nikkel, chroom, zilver, kobalt, lood,
mangaan, zink en ijzer.
4.4 Energievoorziening
Van het totale energieverbruik neemt Manila en omgeving ca. 70% voor
zijn rekening. Voor de levering van aardolie waren de Filippijnen
vrijwel geheel aangewezen op de Arabische landen. Om deze
afhankelijkheid te verminderen, wordt gestreefd naar uitbreiding van de
productie van geothermische en waterkrachtenergie. Ook werkt men aan de
ontwikkeling van niet-conventionele energiebronnen zoals biogas. Kolen
(van slechte kwaliteit) en aardgas komen slechts in geringe hoeveelheden
voor.
4.5 Industrie
De industrie is nog van weinig betekenis en vnl. geconcentreerd in
Manila en omgeving. De nadruk ligt op de voedingsmiddelenindustrie en de
fabricage van verbruiksgoederen uit geïmporteerde halffabrikaten:
suiker- en tabaksverwerkende fabrieken, rijstpellerijen, olieperserijen,
cement- en houtindustrie. De meeste bedrijven zijn geheel of
gedeeltelijk in bezit van buitenlandse ondernemingen die niet of
nauwelijks belasting betalen.
4.6 Handel
De handelsbalans is vrijwel steeds negatief. De uitvoer bestaat voor 85%
uit grondstoffen: hout, kopra, suiker, koperertsconcentraat; de invoer
uit transport- en voedingsmiddelen, kapitaalsgoederen en olie. De
voornaamste handelspartners zijn de Verenigde Staten en Japan. De schuld
aan het buitenland (4 miljard dollar in 1975) is in 1994 opgelopen tot $
39 miljard.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
De economische planning berust bij de National Economical Development
Authority (NEDA). Naast het meer algemene doel om de levensstandaard van
de grote massa van de bevolking te verbeteren, beoogden vijfjarenplannen
o.a. ook een meer evenwichtige regionale ontwikkeling en
industrialisatie en een verbetering van de infrastructuur. Aan de nieuwe
regering van Ramos is extra financiële hulp verleend en in samenwerking
met het Internationaal Monetair Fonds is er een nieuw
financieringsprogramma uitgewerkt. Het leeuwendeel van de hulpverlening,
zowel economisch als militair, wordt door de Verenigde Staten verstrekt.
Andere donorlanden zijn Japan, Duitsland en Australië.
4.8 Bankwezen
De centrale bank is de Central Bank of the Philippines (1948). Een
aanzienlijk deel van het bankkapitaal is in handen van grote
buitenlandse ondernemingen. Voorts zijn er talrijke handelsbanken,
landbouwbanken en particuliere ontwikkelingsbanken.
4.9 Verkeer
Het belangrijkst is het interinsulaire vervoer en de kustvaart, met als
centra Cebu en Manila. Er bestaan een noord-zuidspoorlijn op Luzon (San
Fernando-Manila-Legaspi) en enkele lijnen op Panay en Cebu (totale
spoorlengte 805 km). Het wegennet (ruim 160!000 km), doorgaans van
matige kwaliteit, is het dichtst op Luzon. Er zijn drie
luchtvaartmaatschappijen, waarvan Philippine Air Lines (PAL) de grootste
is. Manila International Airport is de voornaamste luchthaven. Er is een
groot aantal binnenlandse luchtverbindingen met een snel stijgend aantal
passagiers.
5. Geschiedenis
5.1 Spaanse overheersing (tot 1898)
Over
de oudste geschiedenis is weinig bekend. Er vonden met tamelijke
regelmaat migraties van Maleise of aanverwante volken plaats en er waren
na ca. 800 contacten met het Indonesische handelsrijk Sjriwidjaja en met
Chinese en Arabische handelaars; de laatsten brachten de islam, die m.n.
in de zuidelijke eilanden vaste voet kreeg. Er ontstonden grote en
kleinere staatjes.
De eerste Europeaan die de Filippijnen bereikte, was Fernão de Magalhães,
die er in 1521 sneuvelde. Na hem arriveerden verscheidene Spaanse
expedities, als belangrijkste die van Legazpi, die in 1565 een eerste
traktaat sloot met de Filippino's. Geleidelijk aan veroverden de
Spanjaarden de gehele archipel, met uitzondering van het sultanaat Sulu.
Dit ging gepaard met heftige strijd tegen de Filippino's, maar ook soms
tegen Europese concurrenten als Engeland, Portugal en Nederland.
Economisch werd het land ondergeschikt gemaakt aan het moederland, een
situatie die tot de onafhankelijkheid van Mexico in het begin van de
19de eeuw bleef bestaan. Er was een streng handelsmonopolie, dat tot
1837 werd gehandhaafd. Nationalistische tendenties deden zich in de
tweede helft van de 19de eeuw voor. Een eerste opstand, in 1872,
georganiseerd vanuit de Filippino-intelligentsia, werd onderdrukt; de
tweede, eerst geleid door Bonifacio, later door Aguinaldo, werd
doorkruist door de Spaans-Amerikaanse Oorlog van 1898. Tijdens die
opstand fusilleerden de Spanjaarden de belangrijkste wegbereider van het
nationale sentiment, de arts en schrijver Jose Rizal.
5.2 Amerikaanse invloed
In 1898 namen de Verenigde Staten de eilanden van Spanje over. Zij
onderdrukten de opstand van Aguinaldo, maar stelden tegelijkertijd de
onafhankelijkheid in het vooruitzicht en begonnen in snel tempo de
Filippino's daarop voor te bereiden. In 1916 kregen de eilanden een
grote mate van autonomie, die in 1934 werd uitgebreid. De Filippijnen
kregen in 1935 een eigen regering: Manuel Quezon werd president. In 1942
veroverde Japan de Filippijnen. Het stelde een in naam onafhankelijke
regering in, die bij het volk weinig aanhang vond: tegen Japan
ontwikkelde zich een harde guerrilla, geleid door de links-georiënteerde
Hukbalahaps. Na de herovering van de eilanden door de Amerikanen in
1944-1945 keerden de Hukbalahaps zich tegen de Verenigde Staten en tegen
de Filippijnse elitegroepen die de dienst uitmaakten en dat ook bleven
doen nadat het land op 4 juli 1946 onafhankelijk was geworden. De
Verenigde Staten behielden in de Filippijnen een belangrijke economische
en militair-strategische invloed. In 1947 werden tussen beide
mogendheden verdragen gesloten die voorzien in Amerikaanse steun voor de
opbouw van de strijdkrachten en in de vestiging van Amerikaanse marine-
en luchtmachtbases. In 1951 volgde een verdrag van wederzijdse militaire
bijstand.
5.3 Binnenlandse onlusten
Sinds 1946 waren er twee partijen, de Nacionalistas en de Liberalen, die
weinig van elkaar verschillen (in 1972 verboden). Voor de boeren kwamen
de Hukbalahaps op, maar die werden in 1954 door een combinatie van
militaire maatregelen en beloften van agrarische hervormingen verslagen:
de leiders werden gevangen genomen. Het uitblijven van werkelijke
hervormingen op het platteland deed in de jaren zestig de agrarische
onrust wederom opleven: op Luzon breidden zich de activiteiten uit van
het New People's Army, de gewapende arm van de communistische partij. In
ongeveer dezelfde tijd begon een opstandbeweging van moslims (Moro
Nationaal Bevrijdingsfront, MNLF) in de zuidelijke eilanden, deels uit
religieuze overwegingen, maar in belangrijker mate uit ontevredenheid
over de achteruitzetting van hun gebieden vergeleken bij Luzon.
5.4 Bewind Marcos (1965-1986)
In 1965 werd Ferdinand Marcos president: hij werd in 1969 herkozen. In
1972, een jaar voor hij had moeten aftreden, kondigde hij de staat van
beleg af, waardoor de grondwettelijke rechten werden opgeschort en het
land in feite dictatoriaal werd bestuurd. In 1981 schafte Marcos de
staat van beleg formeel af. Zijn autoritaire bewind bleef ongewijzigd.
Na de moord op oppositieleider Benigno Aquino op 21 aug. 1983 verenigde
de oppositie tegen de autoritaire president Ferdinand Marcos zich. De
acties die ontstonden nadat Marcos de presidentsverkiezingen in 1986 had
gefraudeerd, leidden tot de vlucht van Marcos naar Hawaï en de erkenning
van Corazon Aquino als de nieuwe president.
5.5 Periode na 1986
Zij begon met het vrijlaten van alle politieke gevangenen en startte
onderhandelingen met islamitische en communistische guerrillabewegingen,
die echter nagenoeg niets hebben opgeleverd. Voortdurend vonden er
couppogingen om het regime van Aquino omver te werpen plaats. Een nieuwe
grondwet, die een terugkeer naar Amerikaans model behelst, werd per
referendum in 1987 bekrachtigd.
President
Aquino werd in juni 1992 opgevolgd door Fidel Ramos, een neef van de
vroegere president Marcos.
In hetzelfde jaar werd het verbod op de communistische partij
ingetrokken. Met het vertrek van de laatste Amerikaanse troepen van de
marinebasis Subic Bay kwam een einde aan de bijna honderdjarige
aanwezigheid van Amerikaanse troepen in de Filippijnen. In 1993 keurde
de Senaat de herinvoering van de doodstraf goed.
Het liberaliseringsbeleid leidde in 1993 nog niet tot economische groei
van betekenis, maar in de jaren daarna werden wel successen geboekt.
Voor de landbouw, die werd geconfronteerd met goedkope, agrarische
importen, was de liberalisering nadelig.
De positie van president Ramos werd in 1995 versterkt door de
overwinning van de door hem gevormde gelegenheidscoalitie van zijn eigen
NUCD-partij en de voormalige oppositiepartij LDP, die echter een jaar
later alweer uiteenviel. Van Ramos' belofte het corrupte politieapparaat
te hervormen en de belastingontduiking aan te pakken kwam weinig
terecht. In sept. 1996 werd de vrede getekend tussen Ramos en de
separatistische moslimbeweging MNLF, waarmee een eind kwam aan bijna een
kwart eeuw strijd op het zuidelijke eiland Mindanao die aan ten minste
50.000 mensen het leven had gekost. Een overgangsbestuur moet de
voorbereidingen treffen voor een autonoom regionaal bestuur. (foto
: Gloria Macapagal-Arroyo - huidige president van de Filippijnen)
Telefoongids Filippijnen
Postcodes
Filippijnen
|