|
1. Fysische geografie
1.1 Geologie
Finland
behoort geheel tot het precambrische Baltische schild. De ouderdom van
de precambrische gesteenten, vnl. metamorfe en stollingsgesteenten, ligt
tussen 1650 en 1800 miljoen jaar. Tijdens de pleistocene
vergletsjeringen is Finland door het landijs bedekt geweest. Het
landschap draagt daarvan zeer duidelijk de sporen. In de eerste plaats
heeft het landijs sterk eroderend gewerkt op het vóór de vergletsjering
reeds grotendeels tot een schiervlakte gedenudeerde precambrische
schild. Een groot aantal bultrotsen getuigt van deze glaciale erosie,
terwijl ook de rijkdom aan meren ten dele uit deze erosie valt te
verklaren. De vóór de vergletsjeringen of tijdens de interglacialen
gevormde verweringslaag is door de erosie eveneens verdwenen; de sedert
het verdwijnen van het landijs gevormde verweringslaag (bodem) is
slechts zeer dun. De glaciale sedimenten bestaan vnl. uit de
grondmorene, uit eindmorenes, eskers en uit sandrs. Het landijs verdween
uit Finland ca. 6800 v.C. Sedert ongeveer 9500 v.C., toen het ijs zich
uit het uiterste zuiden van Finland begon terug te trekken, is het land
grotendeels door water overdekt geweest. Door de isostatische opheffing
is Finland daarna boven water gekomen; de opheffing gaat ook thans nog
door en bedraagt in het zuiden 2, in het noordwesten 9 mm per jaar.
1.2 Landschap
Als gevolg van de landijsbedekking (desintegratie van het rivierstelsel
door glaciale erosie en sedimentatie) bevat Finland een zeer groot
aantal meren (ca. 55!000; bijna 10% van het grondgebied), moerassen en
venen. Het grootste moeras is het 144 km2 grote Pelsonsuo (suo = moeras)
ten westen van het Oulumeer. De grootste meren zijn het
Saimaamerencomplex, het Päijänne- en het Inarimeer, elk ruim 1000 km2.
De lange, sterk gelede merenketens zijn onderling door waterengten en
afvoerwegen verbonden. De rivieren zijn niet lang, maar wel van
betekenis voor de houtvlotterij. De Kemijoki (joki = rivier), 425 km, is
de langste. Bergen vindt men slechts in het noorden; de hoogste top is
daar de Haltio- of Haltiatunturi (1324 m). De Finse kust is een typische
scherenkust, vooral in het zuidwesten. Scheren zijn door het ijs glad
geslepen rotseilanden, waarvan Finland er ca. 30.000 telt.
1.3 Klimaat
In verhouding tot zijn noordelijke ligging heeft Finland, mede door de
nabijheid der Noordelijke IJszee met de temperende invloed van de
Golfstroom, een tamelijk gunstig klimaat met warme zomers en strenge
winters. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt voor Zuid-Finland 5 tot
3 °C tegen 4 tot 1 °C in het binnenland en -1 tot 3 °C voor Lapland. In
juli kan het kwik boven 30 °C stijgen, maar in de winter onder -30 °C
dalen. Het aantal sneeuwdagen varieert van 100 in het zuiden tot 200 in
het noorden. De jaarlijkse regenval in de regenachtige delen bedraagt
600-700 mm, in Lapland minder dan 450 mm. Helsinki heeft de meeste
regenval (705 mm). De nazomer is de voornaamste regentijd. Omstreeks
midzomer schijnt de zon dag en nacht (de 'witte nachten').
1.4 Plantengroei
Plantengeografisch is Finland nagenoeg geheel gelegen in de noordelijke
zone van de naaldwouden. Slechts de zuidkust behoort tot de loofwoudzone,
met o.a. eiken, essen, esdoorns en taxusbomen. Na de Sovjet-Unie is
Finland het woudrijkste land van Europa (ca. 65% van het areaal), met
drie hoofdsoorten: den 53%, spar 28% en berk 19%, voorts esp en
jeneverbes. In het noordelijkste gebied groeien geen naaldbomen meer,
wel is Fins-Lapland het gebied van de lage berk (Betula tortuosa). In
Lapland bestaat de ondergroei van de bossen voor een groot deel uit
rendiermos. Van de staatsbossen is ruim 42.000 km2 beschermd.
1.5 Dierenwereld
Zoögeografisch vormt Finland een onderdeel van het palearctisch gebied
(zie Arctogaea), met een mengeling van westerse en oosterse elementen.
De noordelijke ligging is er de oorzaak van dat de fauna weinig soorten
telt. In het wild komen beren, wolven (in aantal sterk afgenomen),
lynxen, vossen en veelvraten (zeldzaam geworden) voor. De rendierkudden
zijn minder talrijk geworden. Karakteristiek voor Lapland is de lemming,
die op de tunturi's (hoge, vlakke bergen) boven de boomgrens leeft. De
(beschermde) eland huist vooral in de Zuidlaplandse woud- en
moerasgebieden. De wouden zijn vogelrijk, met o.a. korhoenders,
auerhoenders en arenden. In de moeras- en mosgebieden nestelt het
sneeuwhoen, aan de kusten de eidereend. In de talrijke meren komt een
rijke zoetwaterfauna voor.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ca.
94% van de bevolking zijn Finnen en ca. 6% Fins-Zweden. Beide groepen
zijn gelijkgerechtigd. Sinds 1900 liep het geboortecijfer terug, evenals
het sterftecijfer, maar sinds midden jaren tachtig stijgen deze iets
(1993: 12,9‰ tegen 9,9‰). De levensverwachting bij geboorte is voor
vrouwen 79 jaar, voor mannen 72 jaar. Tussen 1945 en 1978 emigreerden
ruim een half miljoen Finnen, van wie ca. 300!000 naar Zweden. De
schaarse en verspreide vestiging in het noorden is het opvallendst in
Fins-Lapland (het district Lapin heeft een bevolkingsdichtheid van
slechts 2,2 inw. per km2). In Noord-Finland wonen ca. 3000
Lapssprekenden. Thans woont ca. 60% van de bevolking in de steden. Van
de 46 steden liggen er 22 in de kuststreken.
2.2 Taal
Het land is officieel tweetalig: Fins, behorend tot de Fins-Oegrische
talen, en Zweeds.
2.3 Religie
Van de bevolking behoort 88% tot de Evangelisch Lutherse staatskerk; 1%
is grieks-orthodox; rooms-katholieken en joden vormen een zeer kleine
minderheid. De zgn. Vrije Kerken (baptisten, methodisten, adventisten)
hebben ook een zekere invloed. Ca. 9% van de bevolking is niet bij een
kerk aangesloten. De aartsbisschop van de Episcopale Lutherse Kerk
resideert in Turku. De bisschoppen worden door de predikanten en
vertegenwoordigers van de plaatselijke kerkeraden gekozen. Er zijn twee
theologische faculteiten: voor de Finssprekenden te Helsinki, voor de
Zweedssprekenden in Turku (Åbo). De Grieks-Orthodoxe Kerk van Finland
werd in 1949 als tweede nationale kerk erkend.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 1919 legde de grondslag voor een democratisch
staatsbestel. De wetgevende macht berust bij de president tezamen met
het 200 leden tellende parlement (Rijksdag) gekozen voor vier jaar
volgens algemeen kiesrecht en op basis van evenredige
vertegenwoordiging. Alle staatsburgers vanaf 18 jaar hebben actief en
passief kiesrecht. Finland was het eerste Europese land dat vrouwen (in
1906) kiesrecht gaf. De zgn. Grote Commissie (een soort Eerste Kamer),
bestaande uit 45 leden, heeft een adviserende taak en wordt gekozen door
en uit de Rijksdag. De uitvoerende macht ligt in handen van de president
en de Raad van State (het kabinet), gevormd door de minister-president
en de ministers. De president der republiek wordt sinds 1994 via directe
vrije verkiezingen (daarvoor door een college van 301 kiesmannen) voor
zes jaar gekozen. Herverkiezing is slechts één maal mogelijk. De
Ålandeilanden hebben zelfbestuur; het administratieve lichaam is een
Landsting met een eigen gekozen raad, terwijl een gouverneur (benoemd
door de president) de Finse regering vertegenwoordigt. Officiële taal is
alleen het Zweeds, de Ålandbewoners zijn niet dienstplichtig en sinds
1982 geven de eilanden eigen postzegels uit.
3.2 Administratieve indeling
Administratief is Finland ingedeeld in 12 provincies of districten (lääni).
Aan het hoofd van elk district staat een door de president benoemde
gouverneur of maaherra (Zweeds: landshövding). De kleinste bestuurlijke
eenheden zijn de gemeenten, die een grote mate van zelfbestuur hebben.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Finland is lid van de Verenigde Naties (en een aantal van haar
suborganisaties), de Europese Unie (sinds 1995) en de Noordse Raad (Åland
heeft in deze raad een eigen vertegenwoordiging). Daarnaast is Finland
sinds 1995 (sinds 1961 geassocieerd) lid van de Europese Vrijhandels
Associatie (EVA). Voorts is Finland lid van het Internationaal Monetair
Fonds, de Wereldbank, het GATT en de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Sociaal Democratische Partij
(SDP; opgericht in 1899 als Arbeiderspartij Finland, sinds 1903 werkzaam
onder de huidige naam, gematigd sociaal-democratisch programma), de
Nationale Coalitie Partij (KOK; opgericht in 1918; conservatief), de
Centrumpartij (KESK; in 1906 ontstaan als Agrarische Unie, politieke
middenpartij), de Linkse Alliantie (VAS; in 1990 opgericht als de
opvolger van de Finse Volksdemocratische Unie [SKDL] en de Finse
Communistische Partijeenheid [SKP-y; in 1986 van de SKP afgesplitst]) en
de Zweedse Volkspartij (SFP; opgericht in 1906; vertegenwoordigt de
belangen van het Zweedstalige bevolkingsdeel). In de vakbeweging werken
de sociaal-democraten en de volksdemocraten (communisten) sinds 1966
samen, wat geleid heeft tot een krachtige vakbeweging (SAK) die meer dan
1,5 miljoen leden telt. Behalve de SAK zijn er o.a. een verbond van
academici (AKAVA; ca. 280.000 leden) en een verbond van technici (STKK;
ca. 160.000 leden).
4. Economie
4.1 Algemeen
Finland heeft een vrijemarkteconomie, gebaseerd op particuliere
ondernemingen: meer dan 80% van de industriële productie en ongeveer 90%
van de dienstverlening in het bankwezen wordt door particulieren
geleverd. Met een bnp van $ 18.850 per capita (1994) behoort Finland tot
de rijkste landen ter wereld. Finland is veel langer dan de
Scandinavische buurlanden een overwegend agrarisch land gebleven. In de
naoorlogse jaren is het accent snel verschoven: terwijl in 1950 nog 36%
van de beroepsbevolking in de agrarische sector werkte, 28% in de
industrie en 25% in de dienstverlenende sector, waren de getallen in
1990 resp. 8%, 27% en 65%. Een belangrijke rol bij deze verschuiving
speelde het vredesverdrag met de toenmalige Sovjet-Unie en de daarmee
verbonden zware herstelbetalingen (in de vorm van o.a. machines en
schepen). Na de Tweede Wereldoorlog is de (gedwongen) economische
relatie met de Sovjet-Unie gepaard gegaan met samenwerking met het
Westen. Dit laatste heeft geleid tot een hoger niveau van technologie,
grotere specialisering en verschuiving van houtveredeling naar
metaalindustrie. De meeste economische (vooral industriële) activiteit
vindt plaats in Zuid-Finland. In Finland bedroeg de werkloosheid in 1995
17,2%. De hoge werkloosheid is evenals de sterke daling van het bnp (15%
begin jaren negentig) een direct gevolg van het instorten van de handel
met het oosten.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Het aandeel van de landbouw in het netto nationaal product is slechts 5%
(1994). De bedrijven zijn klein (1993: gemiddeld 9 ha) en het klimaat
leent zich niet bijzonder voor landbouw. De beste landbouwgebieden
liggen in het zuidwesten. Haver is het belangrijkste graan, gevolgd door
gerst, tarwe en rogge; andere producten zijn aardappelen en
suikerbieten. De landbouwcoöperaties nemen een belangrijke plaats in
binnen de agrarische sector. De overheid voert een actief beleid om
enerzijds de graanproductie in noordelijke richting uit te breiden
(nieuwe variëteiten) en anderzijds het landbouwareaal te vergroten door
ontginning. De veehouderij is belangrijker dan de landbouw. Het aantal
rendieren is sinds 1945 sterk gestegen. Voor zover de landbouw bijdraagt
aan de export is dit in de vorm van melk en zuivelproducten; het
binnenlands verbruik van deze producten is hoog. De bosbouw is nog
steeds een van de belangrijkste pijlers van de Finse economie. Tweederde
van het land is bedekt met bos. In de totale export nemen hout en
houtproducten ruim 36% voor hun rekening. De visserij kan de
binnenlandse behoefte niet dekken. De zoetwatervisserij (zalm, forel,
snoek, baars) wordt vooral bedreven als nevenwerkzaamheid.
4.3 Mijnbouw
De Finse bodem bevat kolen noch aardolie; turf daarentegen is in grote
hoeveelheden aanwezig en wordt gebruikt voor kleine
elektriciteitscentrales. De belangrijkste mijnen liggen bij Outokumpu in
het zuidoosten (vooral koper) en bij Otanmäki aan het Oulumeer in
Midden-Finland (ijzer). Uraan is in kleine hoeveelheden aangetoond. In
1996 was minder dan 0, 5% van de beroepsbevolking werkzaam in de
mijnbouw.
4.4 Energievoorziening
Het aandeel van de eigen energiebronnen (waterkracht, hout en turf) in
het totale energieverbruik daalde van ca. 45% in 1960 tot 30% in 1995.
Finland is voor zijn energievoorziening in hoge mate afhankelijk van
Rusland, zowel voor wat de aardolie betreft (in 1988 kwam 85% van de
ingevoerde ruwe olie uit de Russische Federatie) als voor wat het
aardgas betreft (3% van het totale energieverbruik). De vijf
kernenergiecentrales in Loviisa (drie) en Olkiluoto (twee) leveren ca.
20% van de totale elektriciteitsproductie (58% komt van conventionele
centrales en 22% van waterkrachtcentrales).
4.5 Industrie
Belangrijkste takken van industrie zijn de metaal- en
elektro-industrie, gevolgd door de houtverwerking (o.a. papier en
cellulose). Grote houtzagerijen komen voor bij o.a. Kotka, Pori, Oulu,
Kemi, Porvoo en Hamina. De meubelindustrie is vnl. gevestigd te
Helsinki, Turku en Lahti, houtpulp-, cellulose- en papierindustrie
vooral bij Kotka, Kuusankoski en Varkaus. Sterk uitgebreid is de
metaalindustrie (Helsinki, Pori, Vaasa, Turku en Tampere). De
textielindustrie fabriceert vnl. katoen en rayon en is gevestigd te
Tampere, Turku, Pori, Forssa en Vaasa. Beroemd om de grote technische
vaardigheid en artistieke kwaliteit is de Finse glas- en
aardewerkindustrie. Van betekenis is verder nog de
levensmiddelenindustrie.
4.6 Handel
De handelsbalans vertoont sinds 1984 een groot overschot.
Belangrijkste exportartikelen zijn papier, cellulose, celstofproducten,
hout en houtproducten (o.a. meubels), glas, keramiek, textiel, machines
en schepen. Ingevoerd worden o.a. machines, elektrische apparatuur,
auto's, chemische producten, olie, ijzer en staal. De belangrijkste
handelspartners zijn in volgorde van belangrijkheid Duitsland, Zweden,
Groot-Brittannië en Japan. Het Finse bedrijfsleven richt zich meer en
meer op de West-Europese markt (45% van de totale handel).
4.7 Economische planning
Een nationaal ontwikkelingsplan kent Finland niet; de staat
geeft richting aan de ontwikkeling via de banken, de staatsbedrijven en
deelneming in bedrijven.
4.8 Bank- en verzekeringswezen
Nationale bank is de Bank van Finland, die onder controle van het
parlement staat. Er zijn sinds de fusiegolf nog drie handelsbanken, een
groot aantal spaarbanken en boerenleenbanken en een postbank
(staatsbedrijf).
4.9 Verkeer
Het personen- en goederenverkeer gaat vnl. over zee of door de lucht; in
het noorden is echter een spoorwegverbinding met Zweden via Haparanda en
Tornio en in het zuidoosten met Rusland (Moskou-St.-Petersburg-Helsinki).
De totale lengte van het spoorwegnet is ca. 6000 km, waarvan bijna 1900
km hoofdspoor geëlektrificeerd is. Van het wegennet (totale lengte in
1994 77!500 km) is 62% verhard. Vorstschade maakt het wegenonderhoud
zeer kostbaar. Voor het goederenvervoer (vooral van hout) is de
binnenvaart niet onbelangrijk. De totale lengte van de vaarwegen
bedraagt ca. 9200 km. De Finse luchtvaartmaatschappij Finnair onderhoudt
lijndiensten op 25 binnenlandse bestemmingen en 34 steden in Europa, het
Midden-Oosten, Zuidoost-Azië en Noord-Amerika. Veerdiensten zorgen voor
verbindingen met Zweden, Denemarken, Duitsland, Polen, Engeland en
Frankrijk. De belangrijkste zeehavens zijn Helsinki, Kotka, Hanko, Turku
en Oulu. Met ijsbrekers worden enige havens aan de Botnische Golf 's
winters opengehouden.
5. Toeristische gegevens
Dé toeristische trekpleister van Finland vormen de tienduizenden meren
en eilanden, die men o.a. per boot kan bezoeken. Andere
bezienswaardigheden op natuurgebied zijn het scherenlandschap van de
archipel van Turku, de nationale parken, de heuvelkam Punkaharju in het
merengebied Saimaa en de Ålandeilanden in de Oostzee. Ook Lapland is bij
toeristen zeer in trek (rendiersafari's, natuurtrektochten); centrum is
de na 1945 door o.a. A. Aalto herbouwde stad Rovaniemi. De toeristisch
interessantste steden van Finland zijn Turku, Helsinki, Porvoo en
Tampere. Behalve in Turku zijn in Hämeenlinna en Savonlinna middeleeuwse
burchten te zien. Oude (14de-15de-eeuwse) stenen en houten kerken vindt
men in vele stadjes en dorpen in Zuid- en West-Finland, o.a. in Hattula,
Hollola en Naantali. De grootste houten kerk is die te Kerimäki. Finland
is beroemd om zijn moderne architectuur. Zeer gedurfde vormgeving hebben
vele nieuwe kerken (o.a. Imatra, Lauritsala, Tampere, Vaasa). Fraaie
staaltjes van moderne stedenbouw zijn Tapiola en de universiteitsstad
Otaniemi. De belangrijkste musea zijn die van Helsinki (o.a. het
Nationaal Museum van Finland en het kunstmuseum Ateneum). In Kuopio is
een museum betreffende de Fins-Orthodoxe Kerk. De cultuur van de Lappen
wordt getoond in het openluchtmuseum te Inari, hun grootste centrum. Een
sportcentrum is Lahti (schansspringen, alternatieve elfstedentochten
e.a.). Het platteland van Finland kent een oude en rijke boerencultuur.
Tal van oude volksgebruiken en -feesten worden nog in ere gehouden. Er
is vooral een rijke muziekcultuur, die tot uiting komt in o.a.
koorfestivals. Alle grote steden in Finland hebben hun eigen
zomerfestival. Het bekendst is het jaarlijks in aug.-sept. gehouden
Helsinki-festival. Daarnaast zijn belangrijk het Savonlinna Opera
Festival, Pori Jazz en het Volksmuziekfestival Kaustinen.
6. Geschiedenis
6.1 Tot 1917
Finnen
drongen in de eerste eeuwen van onze jaartelling vanuit het gebied ten
zuiden van de Finse Golf hun huidige woongebied binnen. In de 8ste eeuw
vormden zich drie stamstaatjes: Suomi, Tavastenland en Karelië. Aan de
wederzijdse plundertochten tussen Finnen en Zweden (die Finnen als
slaven plachten weg te voeren) kwam een eind door drie kruistochten van
de Zweden tussen ca. 1150 en 1300, waarna vestingen werden gebouwd, de
bevolking gekerstend en vooral de oostkust van de Botnische Golf werd
gekoloniseerd. Het gebied werd een Zweeds hertogdom, later
grootvorstendom. Zweden behandelde Finland niet als een veroverd land,
maar als een Zweedse provincie. Veel heeft het land met zijn open
oostgrens te lijden gehad van de aanvallen der Russen sedert Ivan III
(1440-1505), vooral in Karelië met Viborg (Viipuri).
Pas ca. 1750 ontstond er verzet tegen de Zweedse overheersing, dat
tijdens de Russisch-Zweedse oorlog (1788-1790) in een mislukte
samenzwering van officieren onder Sprengtporten de hulp van de Russische
erfvijand niet versmaadde. Een nieuwe oorlog (1808-1809) eindigde met de
inlijving van Finland door de Russen bij de vrede van Frederikshamn.
Reeds tevoren had tsaar Alexander I de bijeengeroepen Finse Landdag
beloofd de godsdienst, eigen wetten en rechten te eerbiedigen: het land
werd een afzonderlijk, constitutioneel geregeerd grootvorstendom, waarin
een gouverneur-generaal de tsaar-grootvorst vertegenwoordigde. In 1811
werd zelfs het door Peter de Grote in 1721 veroverde Karelië weer bij
het grootvorstendom gevoegd. In 1812 werd Helsinki in plaats van Åbo (Turku)
hoofdstad. De beweging tot emancipatie van het Fins (zie Fennomanen)
boekte een groot succes, toen in 1863 deze taal naast het Zweeds in
bestuur en rechtspraak werd toegelaten. In datzelfde jaar werd ook weer
voor het eerst sedert 1809 de Finse Landdag bijeengeroepen, hetgeen in
de toekomst tenminste iedere vijf jaar zou gebeuren. Dit was overigens
nog een standen-Landdag (adel, priesters, burgers en boeren).
In 1882 kreeg de Landdag initiatiefrecht voor wat betreft gewone
wetsvoorstellen. De grootvorst behield het initiatief waar het ging om
de grondwet. Ondanks deze successen voor het zelfstandigheidsstreven
bleef er een Russische dreiging bestaan. De pan-Russische beweging, weer
opgebloeid onder Alexander III (1881-1894), bewerkstelligde dat de Finse
posterijen bij die van Rusland werden ingelijfd (1890). Een poging tot
inlijving van het Finse leger (1899) strandde op een weigering van de
Landdag. Als tegenmaatregel reduceerde de grootvorst de Landdag tot
adviesorgaan in zaken die (naar zijn oordeel) ook Rusland aangingen.
Onder gouverneur-generaal Bobrikov werd de inlijving van het leger in
1901 toch een feit. Ook werd het Russisch de officiële taal. De
Russische nederlaag in de oorlog tegen Japan (1904-1905) en de
daaropvolgende binnenlandse onrust in Rusland deden de druk op Finland
verminderen. Een algemene staking leidde tot de instelling van een
moderne éénkamer-Rijksdag (1906), met algemeen en gelijk kiesrecht voor
zowel mannen als vrouwen (dit betekende nog niet de introductie van een
parlementair stelsel). Een nieuwe golf van russificatie volgde echter in
de jaren 1908-1910. Was in de tweede helft van de 19de eeuw het
belangrijkste conflict dat tussen de nationalistische krachten en het
staatshoofd geweest, rond 1900 kwam daar het conflict
bourgeoisie-arbeidersbeweging bij. Vanaf ca. 1880 traden de arbeiders
steeds meer naar voren als klasse. De in het defensief gedrongen
burgerlijke partijen hadden de steun van de grootvorst en konden zo
sociale hervormingen vertragen of tegenhouden. De aanhang van de
Arbeiderspartij groeide snel, en in 1916 werd de meerderheid in de
Rijksdag veroverd (103 van de 200 zetels).
6.2 1917-1944
Na de Februarirevolutie van 1917 in Rusland werd op initiatief van links
een onafhankelijkheidswet aangenomen. Hoewel Buitenlandse Zaken en
Defensie in Russische handen werden gelaten, ging deze wet Rusland te
ver: de regering-Kerenski ontbond de Finse Rijksdag. Nieuwe verkiezingen
gaven de burgerlijke partijen weer de meerderheid. Na de
Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland kondigde rechts echter, met steun
van het keizerlijke Duitsland, de - nu volledige - onafhankelijkheid af
(6 dec. 1917). Sovjet-Rusland erkende als eerste het nieuwe Finland.
Nadat door verdeeldheid in de Arbeiderspartij tijdens de algemene
staking in nov. 1917 niets gekomen was van een linkse machtsovername,
grepen de burgerlijke partijen, sterk door de Duitse steun, de kans om
links verder terug te dringen. Toen dan ook links alsnog de macht greep
in Helsinki, startte gelijktijdig de contra-revolutie in de noordelijke
prov. Österbotten (12 jan. 1918). Een bloedige burgeroorlog was het
gevolg. Met behulp van een Duits expeditiekorps behaalde generaal
Mannerheim voor de burgerlijke partijen ( 'de witten') na drie maanden
de overwinning op links ( 'de roden'). Tijdens wraakacties van de witten
werden 20.000 roden geliquideerd, 80.000 verhongerden er in
concentratiekampen. Een poging van rechts om vervolgens de monarchie in
te voeren mislukte echter. Wel koos de Rijksdag een koning (prins
Friedrich Karl von Hessen), maar van een troonsbestijging kwam niets
doordat Duitsland de oorlog verloor. De gebeurtenissen van 1917 hadden
de op Rusland georiënteerde economie volledig verstoord; er dreigde
hongersnood. De geallieerden stelden in 1918 als eis voor
voedselleveranties dat de witte regering aftrad. Nieuwe verkiezingen
leidden tot een republikeinse meerderheid in de Rijksdag. Daarmee was,
na een kort regentschap van Mannerheim, de republiek een feit (juli
1919). Eerste president werd Karl Juho Ståhlberg.
De tegenstellingen uit de burgeroorlog bereikten weer een hoogtepunt in
1929-1930. Na een stakingsgolf eiste de fascistisch getinte
Lappobeweging een verbod van alle communistische activiteiten. De
burgerlijke partijen gaven toe en namen tevens een wet aan die
stakingsbrekers beschermde. In de zomer van 1930 maakte de Lappobeweging
in feite de dienst uit. Een staatsgreep van een der Lappoleiders,
generaal Wallenius (maart 1932), werd echter in de kiem gesmoord, waarna
de beweging werd verboden. Doordat de grote burgerlijke partijen ernstig
verdeeld waren over de economische politiek, was de vorming van een
stabiele regering onmogelijk. Het land werd ten slotte weer op het
democratische pad gebracht door een minderheidsregering van de kleine
(liberale) partijen, met steun van de sociaal-democraten. In 1937 werd
de eerste zgn. rode aarde-regering gevormd, een coalitie van Agrarische
Partij en sociaal-democraten. Hiermee werd links voor het eerst in de
Finse politiek geaccepteerd als partner.
In sept. 1939 brak de Winteroorlog tussen de Sovjet-Unie en Finland uit.
De Sovjet-Unie was er niet in geslaagd de neutraliteit van de westelijke
buurlanden te bewerkstelligen. Daarop stelde Moskou territoriale eisen
aan Finland die (met steun van de geallieerden) afgewezen werden. In de
Winteroorlog was Finland echter kansloos en bij de vrede van Moskou (13
maart 1940) verwierf de Sovjet-Unie nog meer dan het geëiste. In juni
1941 viel Finland, samen met Duitsland, de Sovjet-Unie weer aan. In aug.
1944, toen de nederlaag van Duitsland aanstaande was, koos de Rijksdag
maarschalk Mannerheim tot president. Hij maakte, niet zonder zware
gevechten, Finland los van Duitsland en sloot een wapenstilstand met de
Sovjet-Unie (19 sept. 1944). Bij het vredesverdrag van 10 dec. 1947
moest Finland Petsamo aan de noordkust en de basis Porkkala bij Helsinki
afstaan, en kreeg het zware herstelbetalingen opgelegd.
6.3 1944-1991
Vanaf 1944 voert Finland een nieuwe politiek tegenover de Sovjet-Unie,
naar de initiator de Paasikivilijn genoemd. Juho Kusti Paasikivi, in
1944 premier geworden en in 1946 president, doorbrak de lijn die er op
gericht was nooit alleen te staan in de relatie tot de Sovjet-Unie.
Vanaf 1944 was het streven juist te voorkomen dat andere staten zich
mengden in de verhouding Finland-Sovjet-Unie. Als uitvloeisel van deze
politiek werd in 1948 een Verdrag van vriendschap, samenwerking en
wederzijdse bijstand gesloten met de Sovjet-Unie. Dit verdrag werd
vernieuwd in 1956 (waarbij Porkkala werd teruggegeven) en in 1970.
In 1945 kwamen de volksdemocraten (communisten) sterk uit de
verkiezingen. De volksdemocraat Pekkala werd premier. Na de coup in
Tsjechoslowakije (1948) verloren de communisten echter een groot deel
van hun aanhang. Minderheidsregeringen van sociaal-democraten (Fagerholm)
en agrariërs (Kekkonen) wisselden elkaar nu af, totdat in 1956 weer een
coalitie tot stand kwam. In 1966 vormde Rafael Paasio een
volksfrontregering van sociaaldemocraten, agrariërs (sinds 1965
Centrumpartij geheten) en communisten. De jaren zeventig werden
gekenmerkt door elkaar snel opvolgende kabinetten van wisselende
samenstelling (13 regeringen in 10 jaar). Alle regeringen worstelden met
grote tekorten op de handelsbalans en werkloosheid. Een deel van de
politieke onrust werd ook veroorzaakt door de rivaliteit tussen
sociaal-democraten en de (intern sterk verdeelde) communisten. Urho
Kekkonen, in 1956 tot president gekozen, trok de Paasikivilijn door.
Zijn positie was vrijwel onaantastbaar. Nadat hij in 1962 en 1968
herkozen was, werd door een uitzonderingswet zijn ambtstermijn na 1974
automatisch met vier jaar verlengd. In 1978 werd de 77-jarige president
zonder noemenswaardige strijd herkozen, omdat alle grote partijen zijn
kandidatuur steunden. Na Kekkonens herverkiezing vormde eerst K. Sorsa
(1978-1979), toen M.H. Koivisto (1979-1982), beide sociaal-democraten,
regeringen. Op 27 okt. 1981 trad Kekkonen om gezondheidsredenen af. Hij
werd opgevolgd door premier Mauno Henrik Koivisto, die eveneens de
Paasikivilijn voortzette. Op grond van deze politiek kon hij zowel
Fins-Sovjet-Russische geschilpunten oplossen als de handelspolitieke
belangen van Finland in West-Europa verder uitbouwen. Sorsa volgde
Koivisto (in 1988 als president herkozen) weer op als premier, maar bij
de verkiezingen van 1987 verkregen de burgerlijke en conservatieve
partijen een meerderheid in het parlement. Voor het eerst sinds de
Tweede Wereldoorlog kreeg Finland een conservatieve minister-president,
Harrí Holkeri. Hij vormde een regering uit zijn eigen Nationale
Coalitiepartij, de sociaal-democraten, de Zweedse Volkspartij en de
Finse Boerenpartij.
6.4 1991- heden
Na verkiezingen in maart 1991, die door de Centrumpartij werden
gewonnen, werd een coalitieregering gevormd, bestaande uit
vertegenwoordigers van de Centrumpartij, de Nationale Coalitie Partij,
de Zweedse Volkspartij en de Finse Christelijke Unie. Volgens het
regeringsprogramma zullen de overheidsuitgaven verminderd worden,
alsmede de uitgaven voor sociale voorzieningen en de
werkloosheidsuitkeringen. Het was voor het eerst in 25 jaar dat er geen
socialisten aan de regering deelnamen. In maart 1992 vroeg Finland het
EG-lidmaatschap aan. Eerder al, op 20 jan. 1992, sloot Finland een
vriendschapsverdrag met Rusland. Dit verdrag was een herziening van het
uit 1948 daterende verdrag tussen Finland en de Sovjet-Unie, dat voorzag
in een verplichting tot wederzijdse bijstand van de twee staten in geval
een van hen aangevallen werd. In het nieuwe verdrag verdween deze
verplichting.
In febr. 1994 volgde de sociaal-democraat Martti Ahtisaari president
Manno Koivisto op. Na een zeer diepe recessie, waarin het land na 1990
was terechtgekomen, zette het economisch herstel, dat al in 1993
aarzelend was begonnen, zich in 1994 voort. De conservatieve regering
zette haar liberaliseringsbeleid voort, ondanks vaak grote weerstand.
Ook de toenadering tot het Westen bleef een constante factor in de Finse
politiek, wat in jan. 1995 resulteerde in het lidmaatschap van de EU.
De parlementsverkiezingen van maart 1995 gaven een terugkeer te zien van
de sociaal-democratische partij (SDP) van Paavo Lipponen. Om een zo
groot mogelijk draagvlak te creëren voor het verdere herstel van de
economie formeerde hij een coalitie, bestaande uit vijf partijen die kon
rekenen op brede steun van de volksvertegenwoordiging. In okt. 1996
besloot de regering haar munt onder te brengen in het Europees Monetair
Stelsel (EMS).
Telefoongids Finland
Postcodes
Finland
|