header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Finland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

 

Finland (Fins: Suomi; ook Suomenmaa [= lett.: Suomiland]; officieel [Fins]: Suomen Tasavalta; [Zweeds]: Republiken Finland), republiek in Noord-Europa, 338.139 km2, waarvan 33.553 km2 water, met (schatting 1995) 5.083.000 inw. (15 per km2); hoofdstad: Helsinki (Zweeds: Helsingfors). Tot Finland behoren ook de Ahvenanmaa (Ňlandeilanden; 1528 km2, met 25.102 inw.; hoofdstad: Mariehamm). Munteenheid is de Markka of Finmark, verdeeld in 100 penni. Nationale feestdag is 6 december, de dag waarop het land in 1917 onafhankelijk werd van de Sovjet-Unie.

1. Fysische geografie
1.1 Geologie
Finland behoort geheel tot het precambrische Baltische schild. De ouderdom van de precambrische gesteenten, vnl. metamorfe en stollingsgesteenten, ligt tussen 1650 en 1800 miljoen jaar. Tijdens de pleistocene vergletsjeringen is Finland door het landijs bedekt geweest. Het landschap draagt daarvan zeer duidelijk de sporen. In de eerste plaats heeft het landijs sterk eroderend gewerkt op het vůůr de vergletsjering reeds grotendeels tot een schiervlakte gedenudeerde precambrische schild. Een groot aantal bultrotsen getuigt van deze glaciale erosie, terwijl ook de rijkdom aan meren ten dele uit deze erosie valt te verklaren. De vůůr de vergletsjeringen of tijdens de interglacialen gevormde verweringslaag is door de erosie eveneens verdwenen; de sedert het verdwijnen van het landijs gevormde verweringslaag (bodem) is slechts zeer dun. De glaciale sedimenten bestaan vnl. uit de grondmorene, uit eindmorenes, eskers en uit sandrs. Het landijs verdween uit Finland ca. 6800 v.C. Sedert ongeveer 9500 v.C., toen het ijs zich uit het uiterste zuiden van Finland begon terug te trekken, is het land grotendeels door water overdekt geweest. Door de isostatische opheffing is Finland daarna boven water gekomen; de opheffing gaat ook thans nog door en bedraagt in het zuiden 2, in het noordwesten 9 mm per jaar.
1.2 Landschap
Als gevolg van de landijsbedekking (desintegratie van het rivierstelsel door glaciale erosie en sedimentatie) bevat Finland een zeer groot aantal meren (ca. 55!000; bijna 10% van het grondgebied), moerassen en venen. Het grootste moeras is het 144 km2 grote Pelsonsuo (suo = moeras) ten westen van het Oulumeer. De grootste meren zijn het Saimaamerencomplex, het Pšijšnne- en het Inarimeer, elk ruim 1000 km2. De lange, sterk gelede merenketens zijn onderling door waterengten en afvoerwegen verbonden. De rivieren zijn niet lang, maar wel van betekenis voor de houtvlotterij. De Kemijoki (joki = rivier), 425 km, is de langste. Bergen vindt men slechts in het noorden; de hoogste top is daar de Haltio- of Haltiatunturi (1324 m). De Finse kust is een typische scherenkust, vooral in het zuidwesten. Scheren zijn door het ijs glad geslepen rotseilanden, waarvan Finland er ca. 30.000 telt.
1.3 Klimaat
In verhouding tot zijn noordelijke ligging heeft Finland, mede door de nabijheid der Noordelijke IJszee met de temperende invloed van de Golfstroom, een tamelijk gunstig klimaat met warme zomers en strenge winters. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt voor Zuid-Finland 5 tot 3 įC tegen 4 tot 1 įC in het binnenland en -1 tot 3 įC voor Lapland. In juli kan het kwik boven 30 įC stijgen, maar in de winter onder -30 įC dalen. Het aantal sneeuwdagen varieert van 100 in het zuiden tot 200 in het noorden. De jaarlijkse regenval in de regenachtige delen bedraagt 600-700 mm, in Lapland minder dan 450 mm. Helsinki heeft de meeste regenval (705 mm). De nazomer is de voornaamste regentijd. Omstreeks midzomer schijnt de zon dag en nacht (de 'witte nachten').
1.4 Plantengroei
Plantengeografisch is Finland nagenoeg geheel gelegen in de noordelijke zone van de naaldwouden. Slechts de zuidkust behoort tot de loofwoudzone, met o.a. eiken, essen, esdoorns en taxusbomen. Na de Sovjet-Unie is Finland het woudrijkste land van Europa (ca. 65% van het areaal), met drie hoofdsoorten: den 53%, spar 28% en berk 19%, voorts esp en jeneverbes. In het noordelijkste gebied groeien geen naaldbomen meer, wel is Fins-Lapland het gebied van de lage berk (Betula tortuosa). In Lapland bestaat de ondergroei van de bossen voor een groot deel uit rendiermos. Van de staatsbossen is ruim 42.000 km2 beschermd.
1.5 Dierenwereld
ZoŲgeografisch vormt Finland een onderdeel van het palearctisch gebied (zie Arctogaea), met een mengeling van westerse en oosterse elementen. De noordelijke ligging is er de oorzaak van dat de fauna weinig soorten telt. In het wild komen beren, wolven (in aantal sterk afgenomen), lynxen, vossen en veelvraten (zeldzaam geworden) voor. De rendierkudden zijn minder talrijk geworden. Karakteristiek voor Lapland is de lemming, die op de tunturi's (hoge, vlakke bergen) boven de boomgrens leeft. De (beschermde) eland huist vooral in de Zuidlaplandse woud- en moerasgebieden. De wouden zijn vogelrijk, met o.a. korhoenders, auerhoenders en arenden. In de moeras- en mosgebieden nestelt het sneeuwhoen, aan de kusten de eidereend. In de talrijke meren komt een rijke zoetwaterfauna voor.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ca. 94% van de bevolking zijn Finnen en ca. 6% Fins-Zweden. Beide groepen zijn gelijkgerechtigd. Sinds 1900 liep het geboortecijfer terug, evenals het sterftecijfer, maar sinds midden jaren tachtig stijgen deze iets (1993: 12,9Č tegen 9,9Č). De levensverwachting bij geboorte is voor vrouwen 79 jaar, voor mannen 72 jaar. Tussen 1945 en 1978 emigreerden ruim een half miljoen Finnen, van wie ca. 300!000 naar Zweden. De schaarse en verspreide vestiging in het noorden is het opvallendst in Fins-Lapland (het district Lapin heeft een bevolkingsdichtheid van slechts 2,2 inw. per km2). In Noord-Finland wonen ca. 3000 Lapssprekenden. Thans woont ca. 60% van de bevolking in de steden. Van de 46 steden liggen er 22 in de kuststreken.
2.2 Taal
Het land is officieel tweetalig: Fins, behorend tot de Fins-Oegrische talen, en Zweeds.
2.3 Religie
Van de bevolking behoort 88% tot de Evangelisch Lutherse staatskerk; 1% is grieks-orthodox; rooms-katholieken en joden vormen een zeer kleine minderheid. De zgn. Vrije Kerken (baptisten, methodisten, adventisten) hebben ook een zekere invloed. Ca. 9% van de bevolking is niet bij een kerk aangesloten. De aartsbisschop van de Episcopale Lutherse Kerk resideert in Turku. De bisschoppen worden door de predikanten en vertegenwoordigers van de plaatselijke kerkeraden gekozen. Er zijn twee theologische faculteiten: voor de Finssprekenden te Helsinki, voor de Zweedssprekenden in Turku (Ňbo). De Grieks-Orthodoxe Kerk van Finland werd in 1949 als tweede nationale kerk erkend.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 1919 legde de grondslag voor een democratisch staatsbestel. De wetgevende macht berust bij de president tezamen met het 200 leden tellende parlement (Rijksdag) gekozen voor vier jaar volgens algemeen kiesrecht en op basis van evenredige vertegenwoordiging. Alle staatsburgers vanaf 18 jaar hebben actief en passief kiesrecht. Finland was het eerste Europese land dat vrouwen (in 1906) kiesrecht gaf. De zgn. Grote Commissie (een soort Eerste Kamer), bestaande uit 45 leden, heeft een adviserende taak en wordt gekozen door en uit de Rijksdag. De uitvoerende macht ligt in handen van de president en de Raad van State (het kabinet), gevormd door de minister-president en de ministers. De president der republiek wordt sinds 1994 via directe vrije verkiezingen (daarvoor door een college van 301 kiesmannen) voor zes jaar gekozen. Herverkiezing is slechts ťťn maal mogelijk. De Ňlandeilanden hebben zelfbestuur; het administratieve lichaam is een Landsting met een eigen gekozen raad, terwijl een gouverneur (benoemd door de president) de Finse regering vertegenwoordigt. OfficiŽle taal is alleen het Zweeds, de Ňlandbewoners zijn niet dienstplichtig en sinds 1982 geven de eilanden eigen postzegels uit.
3.2 Administratieve indeling
Administratief is Finland ingedeeld in 12 provincies of districten (lššni). Aan het hoofd van elk district staat een door de president benoemde gouverneur of maaherra (Zweeds: landshŲvding). De kleinste bestuurlijke eenheden zijn de gemeenten, die een grote mate van zelfbestuur hebben.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Finland is lid van de Verenigde Naties (en een aantal van haar suborganisaties), de Europese Unie (sinds 1995) en de Noordse Raad (Ňland heeft in deze raad een eigen vertegenwoordiging). Daarnaast is Finland sinds 1995 (sinds 1961 geassocieerd) lid van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA). Voorts is Finland lid van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank, het GATT en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Sociaal Democratische Partij (SDP; opgericht in 1899 als Arbeiderspartij Finland, sinds 1903 werkzaam onder de huidige naam, gematigd sociaal-democratisch programma), de Nationale Coalitie Partij (KOK; opgericht in 1918; conservatief), de Centrumpartij (KESK; in 1906 ontstaan als Agrarische Unie, politieke middenpartij), de Linkse Alliantie (VAS; in 1990 opgericht als de opvolger van de Finse Volksdemocratische Unie [SKDL] en de Finse Communistische Partijeenheid [SKP-y; in 1986 van de SKP afgesplitst]) en de Zweedse Volkspartij (SFP; opgericht in 1906; vertegenwoordigt de belangen van het Zweedstalige bevolkingsdeel). In de vakbeweging werken de sociaal-democraten en de volksdemocraten (communisten) sinds 1966 samen, wat geleid heeft tot een krachtige vakbeweging (SAK) die meer dan 1,5 miljoen leden telt. Behalve de SAK zijn er o.a. een verbond van academici (AKAVA; ca. 280.000 leden) en een verbond van technici (STKK; ca. 160.000 leden).

4. Economie
4.1 Algemeen
Finland heeft een vrijemarkteconomie, gebaseerd op particuliere ondernemingen: meer dan 80% van de industriŽle productie en ongeveer 90% van de dienstverlening in het bankwezen wordt door particulieren geleverd. Met een bnp van $ 18.850 per capita (1994) behoort Finland tot de rijkste landen ter wereld. Finland is veel langer dan de Scandinavische buurlanden een overwegend agrarisch land gebleven. In de naoorlogse jaren is het accent snel verschoven: terwijl in 1950 nog 36% van de beroepsbevolking in de agrarische sector werkte, 28% in de industrie en 25% in de dienstverlenende sector, waren de getallen in 1990 resp. 8%, 27% en 65%. Een belangrijke rol bij deze verschuiving speelde het vredesverdrag met de toenmalige Sovjet-Unie en de daarmee verbonden zware herstelbetalingen (in de vorm van o.a. machines en schepen). Na de Tweede Wereldoorlog is de (gedwongen) economische relatie met de Sovjet-Unie gepaard gegaan met samenwerking met het Westen. Dit laatste heeft geleid tot een hoger niveau van technologie, grotere specialisering en verschuiving van houtveredeling naar metaalindustrie. De meeste economische (vooral industriŽle) activiteit vindt plaats in Zuid-Finland. In Finland bedroeg de werkloosheid in 1995 17,2%. De hoge werkloosheid is evenals de sterke daling van het bnp (15% begin jaren negentig) een direct gevolg van het instorten van de handel met het oosten.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Het aandeel van de landbouw in het netto nationaal product is slechts 5% (1994). De bedrijven zijn klein (1993: gemiddeld 9 ha) en het klimaat leent zich niet bijzonder voor landbouw. De beste landbouwgebieden liggen in het zuidwesten. Haver is het belangrijkste graan, gevolgd door gerst, tarwe en rogge; andere producten zijn aardappelen en suikerbieten. De landbouwcoŲperaties nemen een belangrijke plaats in binnen de agrarische sector. De overheid voert een actief beleid om enerzijds de graanproductie in noordelijke richting uit te breiden (nieuwe variŽteiten) en anderzijds het landbouwareaal te vergroten door ontginning. De veehouderij is belangrijker dan de landbouw. Het aantal rendieren is sinds 1945 sterk gestegen. Voor zover de landbouw bijdraagt aan de export is dit in de vorm van melk en zuivelproducten; het binnenlands verbruik van deze producten is hoog. De bosbouw is nog steeds een van de belangrijkste pijlers van de Finse economie. Tweederde van het land is bedekt met bos. In de totale export nemen hout en houtproducten ruim 36% voor hun rekening. De visserij kan de binnenlandse behoefte niet dekken. De zoetwatervisserij (zalm, forel, snoek, baars) wordt vooral bedreven als nevenwerkzaamheid.
4.3 Mijnbouw
De Finse bodem bevat kolen noch aardolie; turf daarentegen is in grote hoeveelheden aanwezig en wordt gebruikt voor kleine elektriciteitscentrales. De belangrijkste mijnen liggen bij Outokumpu in het zuidoosten (vooral koper) en bij Otanmški aan het Oulumeer in Midden-Finland (ijzer). Uraan is in kleine hoeveelheden aangetoond. In 1996 was minder dan 0, 5% van de beroepsbevolking werkzaam in de mijnbouw.
4.4 Energievoorziening
Het aandeel van de eigen energiebronnen (waterkracht, hout en turf) in het totale energieverbruik daalde van ca. 45% in 1960 tot 30% in 1995. Finland is voor zijn energievoorziening in hoge mate afhankelijk van Rusland, zowel voor wat de aardolie betreft (in 1988 kwam 85% van de ingevoerde ruwe olie uit de Russische Federatie) als voor wat het aardgas betreft (3% van het totale energieverbruik). De vijf kernenergiecentrales in Loviisa (drie) en Olkiluoto (twee) leveren ca. 20% van de totale elektriciteitsproductie (58% komt van conventionele centrales en 22% van waterkrachtcentrales).
4.5 Industrie
Belangrijkste takken van industrie zijn de metaal- en elektro-industrie, gevolgd door de houtverwerking (o.a. papier en cellulose). Grote houtzagerijen komen voor bij o.a. Kotka, Pori, Oulu, Kemi, Porvoo en Hamina. De meubelindustrie is vnl. gevestigd te Helsinki, Turku en Lahti, houtpulp-, cellulose- en papierindustrie vooral bij Kotka, Kuusankoski en Varkaus. Sterk uitgebreid is de metaalindustrie (Helsinki, Pori, Vaasa, Turku en Tampere). De textielindustrie fabriceert vnl. katoen en rayon en is gevestigd te Tampere, Turku, Pori, Forssa en Vaasa. Beroemd om de grote technische vaardigheid en artistieke kwaliteit is de Finse glas- en aardewerkindustrie. Van betekenis is verder nog de levensmiddelenindustrie.
4.6 Handel
De handelsbalans vertoont sinds 1984 een groot overschot. Belangrijkste exportartikelen zijn papier, cellulose, celstofproducten, hout en houtproducten (o.a. meubels), glas, keramiek, textiel, machines en schepen. Ingevoerd worden o.a. machines, elektrische apparatuur, auto's, chemische producten, olie, ijzer en staal. De belangrijkste handelspartners zijn in volgorde van belangrijkheid Duitsland, Zweden, Groot-BrittanniŽ en Japan. Het Finse bedrijfsleven richt zich meer en meer op de West-Europese markt (45% van de totale handel).
4.7 Economische planning
Een nationaal ontwikkelingsplan kent Finland niet; de staat geeft richting aan de ontwikkeling via de banken, de staatsbedrijven en deelneming in bedrijven.
4.8 Bank- en verzekeringswezen
Nationale bank is de Bank van Finland, die onder controle van het parlement staat. Er zijn sinds de fusiegolf nog drie handelsbanken, een groot aantal spaarbanken en boerenleenbanken en een postbank (staatsbedrijf).
4.9 Verkeer
Het personen- en goederenverkeer gaat vnl. over zee of door de lucht; in het noorden is echter een spoorwegverbinding met Zweden via Haparanda en Tornio en in het zuidoosten met Rusland (Moskou-St.-Petersburg-Helsinki). De totale lengte van het spoorwegnet is ca. 6000 km, waarvan bijna 1900 km hoofdspoor geŽlektrificeerd is. Van het wegennet (totale lengte in 1994 77!500 km) is 62% verhard. Vorstschade maakt het wegenonderhoud zeer kostbaar. Voor het goederenvervoer (vooral van hout) is de binnenvaart niet onbelangrijk. De totale lengte van de vaarwegen bedraagt ca. 9200 km. De Finse luchtvaartmaatschappij Finnair onderhoudt lijndiensten op 25 binnenlandse bestemmingen en 34 steden in Europa, het Midden-Oosten, Zuidoost-AziŽ en Noord-Amerika. Veerdiensten zorgen voor verbindingen met Zweden, Denemarken, Duitsland, Polen, Engeland en Frankrijk. De belangrijkste zeehavens zijn Helsinki, Kotka, Hanko, Turku en Oulu. Met ijsbrekers worden enige havens aan de Botnische Golf 's winters opengehouden.

5. Toeristische gegevens
Dť toeristische trekpleister van Finland vormen de tienduizenden meren en eilanden, die men o.a. per boot kan bezoeken. Andere bezienswaardigheden op natuurgebied zijn het scherenlandschap van de archipel van Turku, de nationale parken, de heuvelkam Punkaharju in het merengebied Saimaa en de Ňlandeilanden in de Oostzee. Ook Lapland is bij toeristen zeer in trek (rendiersafari's, natuurtrektochten); centrum is de na 1945 door o.a. A. Aalto herbouwde stad Rovaniemi. De toeristisch interessantste steden van Finland zijn Turku, Helsinki, Porvoo en Tampere. Behalve in Turku zijn in Hšmeenlinna en Savonlinna middeleeuwse burchten te zien. Oude (14de-15de-eeuwse) stenen en houten kerken vindt men in vele stadjes en dorpen in Zuid- en West-Finland, o.a. in Hattula, Hollola en Naantali. De grootste houten kerk is die te Kerimški. Finland is beroemd om zijn moderne architectuur. Zeer gedurfde vormgeving hebben vele nieuwe kerken (o.a. Imatra, Lauritsala, Tampere, Vaasa). Fraaie staaltjes van moderne stedenbouw zijn Tapiola en de universiteitsstad Otaniemi. De belangrijkste musea zijn die van Helsinki (o.a. het Nationaal Museum van Finland en het kunstmuseum Ateneum). In Kuopio is een museum betreffende de Fins-Orthodoxe Kerk. De cultuur van de Lappen wordt getoond in het openluchtmuseum te Inari, hun grootste centrum. Een sportcentrum is Lahti (schansspringen, alternatieve elfstedentochten e.a.). Het platteland van Finland kent een oude en rijke boerencultuur. Tal van oude volksgebruiken en -feesten worden nog in ere gehouden. Er is vooral een rijke muziekcultuur, die tot uiting komt in o.a. koorfestivals. Alle grote steden in Finland hebben hun eigen zomerfestival. Het bekendst is het jaarlijks in aug.-sept. gehouden Helsinki-festival. Daarnaast zijn belangrijk het Savonlinna Opera Festival, Pori Jazz en het Volksmuziekfestival Kaustinen.

6. Geschiedenis
6.1 Tot 1917
Finnen drongen in de eerste eeuwen van onze jaartelling vanuit het gebied ten zuiden van de Finse Golf hun huidige woongebied binnen. In de 8ste eeuw vormden zich drie stamstaatjes: Suomi, Tavastenland en KareliŽ. Aan de wederzijdse plundertochten tussen Finnen en Zweden (die Finnen als slaven plachten weg te voeren) kwam een eind door drie kruistochten van de Zweden tussen ca. 1150 en 1300, waarna vestingen werden gebouwd, de bevolking gekerstend en vooral de oostkust van de Botnische Golf werd gekoloniseerd. Het gebied werd een Zweeds hertogdom, later grootvorstendom. Zweden behandelde Finland niet als een veroverd land, maar als een Zweedse provincie. Veel heeft het land met zijn open oostgrens te lijden gehad van de aanvallen der Russen sedert Ivan III (1440-1505), vooral in KareliŽ met Viborg (Viipuri).
Pas ca. 1750 ontstond er verzet tegen de Zweedse overheersing, dat tijdens de Russisch-Zweedse oorlog (1788-1790) in een mislukte samenzwering van officieren onder Sprengtporten de hulp van de Russische erfvijand niet versmaadde. Een nieuwe oorlog (1808-1809) eindigde met de inlijving van Finland door de Russen bij de vrede van Frederikshamn. Reeds tevoren had tsaar Alexander I de bijeengeroepen Finse Landdag beloofd de godsdienst, eigen wetten en rechten te eerbiedigen: het land werd een afzonderlijk, constitutioneel geregeerd grootvorstendom, waarin een gouverneur-generaal de tsaar-grootvorst vertegenwoordigde. In 1811 werd zelfs het door Peter de Grote in 1721 veroverde KareliŽ weer bij het grootvorstendom gevoegd. In 1812 werd Helsinki in plaats van Ňbo (Turku) hoofdstad. De beweging tot emancipatie van het Fins (zie Fennomanen) boekte een groot succes, toen in 1863 deze taal naast het Zweeds in bestuur en rechtspraak werd toegelaten. In datzelfde jaar werd ook weer voor het eerst sedert 1809 de Finse Landdag bijeengeroepen, hetgeen in de toekomst tenminste iedere vijf jaar zou gebeuren. Dit was overigens nog een standen-Landdag (adel, priesters, burgers en boeren).
In 1882 kreeg de Landdag initiatiefrecht voor wat betreft gewone wetsvoorstellen. De grootvorst behield het initiatief waar het ging om de grondwet. Ondanks deze successen voor het zelfstandigheidsstreven bleef er een Russische dreiging bestaan. De pan-Russische beweging, weer opgebloeid onder Alexander III (1881-1894), bewerkstelligde dat de Finse posterijen bij die van Rusland werden ingelijfd (1890). Een poging tot inlijving van het Finse leger (1899) strandde op een weigering van de Landdag. Als tegenmaatregel reduceerde de grootvorst de Landdag tot adviesorgaan in zaken die (naar zijn oordeel) ook Rusland aangingen. Onder gouverneur-generaal Bobrikov werd de inlijving van het leger in 1901 toch een feit. Ook werd het Russisch de officiŽle taal. De Russische nederlaag in de oorlog tegen Japan (1904-1905) en de daaropvolgende binnenlandse onrust in Rusland deden de druk op Finland verminderen. Een algemene staking leidde tot de instelling van een moderne ťťnkamer-Rijksdag (1906), met algemeen en gelijk kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen (dit betekende nog niet de introductie van een parlementair stelsel). Een nieuwe golf van russificatie volgde echter in de jaren 1908-1910. Was in de tweede helft van de 19de eeuw het belangrijkste conflict dat tussen de nationalistische krachten en het staatshoofd geweest, rond 1900 kwam daar het conflict bourgeoisie-arbeidersbeweging bij. Vanaf ca. 1880 traden de arbeiders steeds meer naar voren als klasse. De in het defensief gedrongen burgerlijke partijen hadden de steun van de grootvorst en konden zo sociale hervormingen vertragen of tegenhouden. De aanhang van de Arbeiderspartij groeide snel, en in 1916 werd de meerderheid in de Rijksdag veroverd (103 van de 200 zetels).
6.2 1917-1944
Na de Februarirevolutie van 1917 in Rusland werd op initiatief van links een onafhankelijkheidswet aangenomen. Hoewel Buitenlandse Zaken en Defensie in Russische handen werden gelaten, ging deze wet Rusland te ver: de regering-Kerenski ontbond de Finse Rijksdag. Nieuwe verkiezingen gaven de burgerlijke partijen weer de meerderheid. Na de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland kondigde rechts echter, met steun van het keizerlijke Duitsland, de - nu volledige - onafhankelijkheid af (6 dec. 1917). Sovjet-Rusland erkende als eerste het nieuwe Finland.
Nadat door verdeeldheid in de Arbeiderspartij tijdens de algemene staking in nov. 1917 niets gekomen was van een linkse machtsovername, grepen de burgerlijke partijen, sterk door de Duitse steun, de kans om links verder terug te dringen. Toen dan ook links alsnog de macht greep in Helsinki, startte gelijktijdig de contra-revolutie in de noordelijke prov. ÷sterbotten (12 jan. 1918). Een bloedige burgeroorlog was het gevolg. Met behulp van een Duits expeditiekorps behaalde generaal Mannerheim voor de burgerlijke partijen ( 'de witten') na drie maanden de overwinning op links ( 'de roden'). Tijdens wraakacties van de witten werden 20.000 roden geliquideerd, 80.000 verhongerden er in concentratiekampen. Een poging van rechts om vervolgens de monarchie in te voeren mislukte echter. Wel koos de Rijksdag een koning (prins Friedrich Karl von Hessen), maar van een troonsbestijging kwam niets doordat Duitsland de oorlog verloor. De gebeurtenissen van 1917 hadden de op Rusland georiŽnteerde economie volledig verstoord; er dreigde hongersnood. De geallieerden stelden in 1918 als eis voor voedselleveranties dat de witte regering aftrad. Nieuwe verkiezingen leidden tot een republikeinse meerderheid in de Rijksdag. Daarmee was, na een kort regentschap van Mannerheim, de republiek een feit (juli 1919). Eerste president werd Karl Juho StŚhlberg.
De tegenstellingen uit de burgeroorlog bereikten weer een hoogtepunt in 1929-1930. Na een stakingsgolf eiste de fascistisch getinte Lappobeweging een verbod van alle communistische activiteiten. De burgerlijke partijen gaven toe en namen tevens een wet aan die stakingsbrekers beschermde. In de zomer van 1930 maakte de Lappobeweging in feite de dienst uit. Een staatsgreep van een der Lappoleiders, generaal Wallenius (maart 1932), werd echter in de kiem gesmoord, waarna de beweging werd verboden. Doordat de grote burgerlijke partijen ernstig verdeeld waren over de economische politiek, was de vorming van een stabiele regering onmogelijk. Het land werd ten slotte weer op het democratische pad gebracht door een minderheidsregering van de kleine (liberale) partijen, met steun van de sociaal-democraten. In 1937 werd de eerste zgn. rode aarde-regering gevormd, een coalitie van Agrarische Partij en sociaal-democraten. Hiermee werd links voor het eerst in de Finse politiek geaccepteerd als partner.
In sept. 1939 brak de Winteroorlog tussen de Sovjet-Unie en Finland uit. De Sovjet-Unie was er niet in geslaagd de neutraliteit van de westelijke buurlanden te bewerkstelligen. Daarop stelde Moskou territoriale eisen aan Finland die (met steun van de geallieerden) afgewezen werden. In de Winteroorlog was Finland echter kansloos en bij de vrede van Moskou (13 maart 1940) verwierf de Sovjet-Unie nog meer dan het geŽiste. In juni 1941 viel Finland, samen met Duitsland, de Sovjet-Unie weer aan. In aug. 1944, toen de nederlaag van Duitsland aanstaande was, koos de Rijksdag maarschalk Mannerheim tot president. Hij maakte, niet zonder zware gevechten, Finland los van Duitsland en sloot een wapenstilstand met de Sovjet-Unie (19 sept. 1944). Bij het vredesverdrag van 10 dec. 1947 moest Finland Petsamo aan de noordkust en de basis Porkkala bij Helsinki afstaan, en kreeg het zware herstelbetalingen opgelegd.
6.3 1944-1991
Vanaf 1944 voert Finland een nieuwe politiek tegenover de Sovjet-Unie, naar de initiator de Paasikivilijn genoemd. Juho Kusti Paasikivi, in 1944 premier geworden en in 1946 president, doorbrak de lijn die er op gericht was nooit alleen te staan in de relatie tot de Sovjet-Unie. Vanaf 1944 was het streven juist te voorkomen dat andere staten zich mengden in de verhouding Finland-Sovjet-Unie. Als uitvloeisel van deze politiek werd in 1948 een Verdrag van vriendschap, samenwerking en wederzijdse bijstand gesloten met de Sovjet-Unie. Dit verdrag werd vernieuwd in 1956 (waarbij Porkkala werd teruggegeven) en in 1970.
In 1945 kwamen de volksdemocraten (communisten) sterk uit de verkiezingen. De volksdemocraat Pekkala werd premier. Na de coup in Tsjechoslowakije (1948) verloren de communisten echter een groot deel van hun aanhang. Minderheidsregeringen van sociaal-democraten (Fagerholm) en agrariŽrs (Kekkonen) wisselden elkaar nu af, totdat in 1956 weer een coalitie tot stand kwam. In 1966 vormde Rafael Paasio een volksfrontregering van sociaaldemocraten, agrariŽrs (sinds 1965 Centrumpartij geheten) en communisten. De jaren zeventig werden gekenmerkt door elkaar snel opvolgende kabinetten van wisselende samenstelling (13 regeringen in 10 jaar). Alle regeringen worstelden met grote tekorten op de handelsbalans en werkloosheid. Een deel van de politieke onrust werd ook veroorzaakt door de rivaliteit tussen sociaal-democraten en de (intern sterk verdeelde) communisten. Urho Kekkonen, in 1956 tot president gekozen, trok de Paasikivilijn door. Zijn positie was vrijwel onaantastbaar. Nadat hij in 1962 en 1968 herkozen was, werd door een uitzonderingswet zijn ambtstermijn na 1974 automatisch met vier jaar verlengd. In 1978 werd de 77-jarige president zonder noemenswaardige strijd herkozen, omdat alle grote partijen zijn kandidatuur steunden. Na Kekkonens herverkiezing vormde eerst K. Sorsa (1978-1979), toen M.H. Koivisto (1979-1982), beide sociaal-democraten, regeringen. Op 27 okt. 1981 trad Kekkonen om gezondheidsredenen af. Hij werd opgevolgd door premier Mauno Henrik Koivisto, die eveneens de Paasikivilijn voortzette. Op grond van deze politiek kon hij zowel Fins-Sovjet-Russische geschilpunten oplossen als de handelspolitieke belangen van Finland in West-Europa verder uitbouwen. Sorsa volgde Koivisto (in 1988 als president herkozen) weer op als premier, maar bij de verkiezingen van 1987 verkregen de burgerlijke en conservatieve partijen een meerderheid in het parlement. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog kreeg Finland een conservatieve minister-president, HarrŪ Holkeri. Hij vormde een regering uit zijn eigen Nationale Coalitiepartij, de sociaal-democraten, de Zweedse Volkspartij en de Finse Boerenpartij.
6.4 1991- heden
Na verkiezingen in maart 1991, die door de Centrumpartij werden gewonnen, werd een coalitieregering gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van de Centrumpartij, de Nationale Coalitie Partij, de Zweedse Volkspartij en de Finse Christelijke Unie. Volgens het regeringsprogramma zullen de overheidsuitgaven verminderd worden, alsmede de uitgaven voor sociale voorzieningen en de werkloosheidsuitkeringen. Het was voor het eerst in 25 jaar dat er geen socialisten aan de regering deelnamen. In maart 1992 vroeg Finland het EG-lidmaatschap aan. Eerder al, op 20 jan. 1992, sloot Finland een vriendschapsverdrag met Rusland. Dit verdrag was een herziening van het uit 1948 daterende verdrag tussen Finland en de Sovjet-Unie, dat voorzag in een verplichting tot wederzijdse bijstand van de twee staten in geval een van hen aangevallen werd. In het nieuwe verdrag verdween deze verplichting.
In febr. 1994 volgde de sociaal-democraat Martti Ahtisaari president Manno Koivisto op. Na een zeer diepe recessie, waarin het land na 1990 was terechtgekomen, zette het economisch herstel, dat al in 1993 aarzelend was begonnen, zich in 1994 voort. De conservatieve regering zette haar liberaliseringsbeleid voort, ondanks vaak grote weerstand. Ook de toenadering tot het Westen bleef een constante factor in de Finse politiek, wat in jan. 1995 resulteerde in het lidmaatschap van de EU.
De parlementsverkiezingen van maart 1995 gaven een terugkeer te zien van de sociaal-democratische partij (SDP) van Paavo Lipponen. Om een zo groot mogelijk draagvlak te creŽren voor het verdere herstel van de economie formeerde hij een coalitie, bestaande uit vijf partijen die kon rekenen op brede steun van de volksvertegenwoordiging. In okt. 1996 besloot de regering haar munt onder te brengen in het Europees Monetair Stelsel (EMS).


Telefoongids Finland
Postcodes Finland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009