|
1. Fysische geografie
1.1 Geologie
Frankrijk
bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden: het Cadomisch orogeen,
het Variscisch orogeen, het alpine orogeen, het Bekken van Parijs en het
Bekken van Aquitanië. Het Cadomisch orogeen is ontsloten in het
Armorikaans Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden plaats tijdens
het laatste gedeelte van het Precambrium; de plooiing is van
vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten van het Variscisch orogeen vindt
men op vele plaatsen in Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid
tijdens de Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen, Vogezen,
Bretagne, Massif Central (Centraal Massief), Pyreneeën en in de alpine
centrale massieven als Mont Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont
Pelvoux en Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste Variscische
gesteenten uit kristallijne schisten en intrusieve granieten.
Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche sedimenten komen betrekkelijk weinig
voor, behalve in de Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de
ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van metamorfe en
intrusieve gesteenten.
Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de West-Alpenboog; daarnaast
vindt men alpine geplooide gesteenten aan de noordrand van de Pyreneeën.
Ofschoon intensieve plooiing en regionale metamorfose eveneens in de
Alpen voorkomen, is dit gebergte toch van geheel andere aard dan het
Variscische. Men onderscheidt verscheidene zones in het Franse deel van
de Alpen, en wel: a. de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum dat over
de Trias anhydriet is afgeschoven (decollement); b. de Helvetische zone,
die in tegenstelling tot deze zone in Zwitserland niet uit dekbladen,
maar uit autochtone plooien bestaat, en c. de Penninische zone, die wel
uit dekbladen bestaat en waar de meeste gesteenten in regionaal
metamorfe toestand voorkomen. Variscische centrale massieven worden tot
de Helvetische zone gerekend. Daarnaast bestaat het alpine gebergte in
Frankrijk grotendeels uit mesozoïsche gesteenten. Gesteenten van
dezelfde ouderdom vindt men in de Bekkens van Parijs en Aquitanië, waar
zij evenwel vrijwel ongeplooid zijn. Deze bekkens vormen de
epicontinentale bedekking van het Variscisch grondgebergte, waarop zij
dus discordant liggen. In de Alpen is het Variscisch gebergte
gedeeltelijk meegeplooid tijdens de alpine orogenese.
1.2 Geomorfologie
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen. Noord- en
West-Frankrijk, die deel uitmaken van de West-Europese laagvlakte,
worden gekenmerkt door een gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien,
grote sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen, evenals
oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid- en Oost-Frankrijk
worden getypeerd door hoge reliëfvormen, variërend van oude massieven
met min of meer sterk uitgesproken reliëfvormen tot jonge
gebergteketens.
Tussen deze hoge reliëfvormen komen belangrijke, in de meeste gevallen
noord-zuidgerichte depressies voor.
De oude massieven: a. het Armorikaans Gebergte omvat naast de aan de
randen gelegen massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), 'Bocage
normand' (tot 417 m hoog) en de 'Gâtine vendienne' (tot 295 m hoog),
bestaande uit harde kristallijne gesteenten. b. De Vogezen zijn
aanzienlijk hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge kristallijne
gebergten. c. Het Massif Central (gemiddeld 715 m hoog) is een oud
Variscisch vervlakt gebergte met een algemene helling van oost naar
west. De kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts du
Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des Puys) en
basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica en de kustmassieven van
Maures en Estérel werden door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en
sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een vrij chaotisch
reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte Cinto, 2710 m) zelfs alpine
allures aanneemt. e. De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een
klein deel van Noordoost-Frankrijk.
De jonge gebergten: a. de Pyreneeën vormen een massieve rechtlijnige
keten van 450 km lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m
(Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer beperkt zijn. Het
gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde kristallijne massieven. De
valleien zijn alle loodrecht op de keten. b. Het Franse deel der Alpen
vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen. De
noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door gletsjers beïnvloede
morfologie (Mont Blanc, 4807 m). Zij zijn vochtig en hebben sterke
sneeuwval in de winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder
door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer onrustig reliëf; zij
zijn veel droger. c. De Jura bestaat uit een lagere (meer dan 500 m,
maximaal 1723 m hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250
km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de Grande Chartreuse
tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt. Naast de oostelijke geplooide
ketens omvat zij in het westen brede kalkplateaus.
De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken van Parijs strekt zich uit over
een derde deel van Frankrijk. Het werd opgebouwd door een reeks
sedimentaire lagen van wisselende hardheid die aanleiding gaf tot
plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes) en vlakten. Van het centrum naar de
rand toe onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit de
Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die uit de Jura (Lorraine,
Basse Bourgogne, Berry, Campagne de Caen) en, in het oosten, de plateaus
uit de Triastijd (Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië omvat, naast de
kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord en Quercy ten noorden van de
Garonne, de grote door rivieren versneden puinkegel, die zich
waaiervormig aan de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan,
Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes.
1.3 Hydrografie
De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral in Massif
Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en hoogland van Normandië. Afgezien
van een aantal kustrivieren behoort het Franse grondgebied tot zeven
grote stroombekkens: die van de Loire, Seine, Garonne, Rhône, Maas, Rijn
en Schelde. Men kan drie zones onderscheiden: 1. de Atlantische zone,
die het gehele lage gebied tussen Vlaanderen en Aquitanië omvat; de
rivieren worden er vooral gevoed door de neerslag en hebben een vrij
regelmatig regime; 2. de bergzone, gekenmerkt door een onregelmatig
regime met vrij beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de
lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich door tot in de
zomer, ten gevolge van het smelten der gletsjers; 3. de
Middellandse-Zeezone, gekenmerkt door een zeer onregelmatig regime
(groot debiet in de winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij
aanhoudend onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale overstromingen.
Door een reeks regularisatiewerken tracht men dit gevaar thans te
beperken.
1.4 Klimaat
Frankrijk vertoont sterke variaties in klimatologische omstandigheden,
die samenhangen met de naar het oosten afnemende invloed van de
Atlantische Oceaan, de invloed van de Middellandse Zee in het zuidoosten
en de aanwezigheid van gebergten.
Ten gevolge van de langzame verwarming in het voorjaar en de langzame
afkoeling in het najaar van het zeewater is nabij de kust de temperatuur
in het najaar vaak belangrijk hoger dan in het voorjaar. Hoewel het
grootste deel van Frankrijk een gematigd klimaat heeft - Cfb volgens
Köppen (geen droog seizoen en meer dan vier maanden met een temperatuur
tussen 10 en 22 °C) - liggen de waargenomen temperatuurextremen toch ver
uiteen: Parijs met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C en een absoluut
minimum van -16 °C.
De meeste neerslag valt langs de westkust, op vele plaatsen meer dan
1000 mm per jaar, met een maximum in het najaar. De minste neerslag valt
in het zuidoosten: Avignon en Marseille, met 600 mm per jaar, waarbij
zich zowel in het voor- als in het najaar een maximum vertoont naast een
scherp minimum in juli. Overigens wordt de hoeveelheid neerslag voor een
belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van gebergten: Biarritz aan
de voet van de Pyreneeën met bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de
Alpen met bijna 1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend in het
gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m hoogte gedurende ruim 200
dagen per jaar een sneeuwdek.
Het zonneschijnpercentage neemt in het algemeen naar de
Middellandse-Zeekust toe, vooral gedurende de zomermaanden.
De windrichting is overwegend westelijk met echter daarnaast een
voorkeur voor noordelijke richtingen. Tijdens noordelijke wind komt in
het Rhônedal de mistral tot ontwikkeling. Andere lokale winden zijn de
föhnachtige autan en de koude noordelijke bise.
1.5 Plantengroei
De rijke en afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere planten) en
vegetatie van Frankrijk kunnen in vier hoofdgebieden worden verdeeld:
Atlantisch, Midden-Europees, alpine en mediterraan; vooral de eerste
twee gaan zeer geleidelijk in elkaar over. Beneden de boomgrens (in de
Pyreneeën op 2500 m, Franse Alpen 1900 m, Auvergne 1500 m, Vogezen 1100
m) was Frankrijk oorspronkelijk vrijwel geheel met bos bedekt, thans
voor ca. een vierde; grote wouden vindt men nog in het Bekken van Parijs
(Fontainebleau, Compiègne), in Normandië, en bij Orléans. In vlakte en
heuvelland van het Atlantische en Midden-Europese gebied bestaat het
woud uit loofbos: eikenberkenbos op armere gronden, eikenhaagbeukenbos
op voedselrijke gronden, beukenbos in de opgaande oude domaniale wouden,
elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos meer is, vallen
in het Atlantische gebied vooral de heiden op, waarin gaspeldoornsoorten
en rode dopheide overwegen. De duinen met hun karakteristieke
plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden, op Cotentin, in
Charente-Maritime en in Les Landes (daar veelal bebost met zeeden).
Beroemd zijn de orchideeënrijke kalkhellinggraslanden, door geheel
Frankrijk verspreid. In de gebergten vindt men, van laag naar hoog:
gordels van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud (eventueel
met lork) en de alpine zone.
De mediterrane flora en vegetatie in het uiterste zuiden heeft een
geheel eigen karakter. Het oorspronkelijke steeneikenbos is nagenoeg
verdwenen en vervangen door maquis (altijdgroen doornstruweel), garrigue
(een heideachtige vegetatie met o.a. dwergeik, lavendel en rozemarijn),
olijfbossen, wijngaarden en cultures van vijg en amandel, aan de Côte
d'Azur van sinaasappelen en citroenen.
1.6 Dierenwereld
De dierenwereld van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en
Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en Pyreneeën; de
kusten van Atlantische Oceaan en Middellandse Zee hebben totaal
verschillende fauna's, vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in
zee. Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men een aantal
verschillende elementen onder de dierenwereld aan. De genetkat bereikt
in Frankrijk zijn noordgrens; de broedplaatsen van de flamingo in de
Camargue (Rhônedelta) zijn de noordelijkste in Europa en het
Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle mogelijke
soorten van wild en vogels heeft bijgedragen tot de verarming van de
fauna; nationale parken en reservaten zijn nog te gering in aantal om
het voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te waarborgen.
   
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer langzaam toe.
Tussen de beide wereldoorlogen kende men zelfs jaren met een duidelijke
bevolkingsvermindering. Na 1945 nam de bevolking weer sterk toe, mede
dankzij een krachtige demografische politiek, de vooruitgang in de
gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale voorzieningen. Vanaf
het midden van de jaren zestig nam de bevolkingsgroei sterk af. Sinds
1977 is er sprake van een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer
13‰ en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij geboorte was voor
vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73 jaar. Naast de natuurlijke
bevolkingstoename is een aanzienlijk deel van de toename toe te
schrijven aan de immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen,
Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit Frans-Afrika en
Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990 6,3% van de totale bevolking uit;
de meesten (85%) wonen in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes
en op Corsica.
Regionaal was de demografische groei zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk
vertoont traditioneel een veel sterkere natuurlijke groei dan
Zuid-Frankrijk. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106
inw. per km2, maar de bevolking is zeer ongelijk verspreid. Naast
dunbevolkte, meestal centraal gelegen gebieden, zoals het Massif
Central, de plateaus van het Parijse Bekken, Les Landes en het
hooggebergte, zijn er dichtbevolkte gebieden, die vrij periferisch
gelegen zijn, zoals de departementen Ville de Paris, Nord, Rhône, Val de
Marne en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones met intensieve
landbouw, hetzij, en vooral, industriële en stedelijke zones. Driekwart
van de bevolking woont in de stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het
overwicht van Parijs heeft een grote weerslag op de economie. Door de
vorming van 'métropoles d'équilibre' (Nantes, Lille, Nancy, Strasbourg,
Marseille, Bordeaux, Toulouse en Lyon) heeft men getracht het evenwicht
in Frankrijk te herstellen en de groei van Parijs af te remmen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden Bretons
gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in de westelijke
Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen), Nederlands (Frans Vlaanderen),
Catalaans (Roussillon), Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica).
Zie voorts Franse taal.
2.3 Religie
De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek, voor 4,5% islamitisch
(overwegend soennitisch), voor 1,5% protestant, voor 1,3% joods en voor
0,3% Armeens-christelijk. Sinds de herroeping van het Edict van Nantes
in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme staatsgodsdienst. Sinds
de scheiding van kerk en staat in 1905 heeft de staat geen enkele
bemoeienis meer met de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome
benoemd (alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens hun
aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud concordaat). De
Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk achttien kerkprovincies en in
totaal 95 bisdommen.
Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de kracht van het
protestantisme in Frankrijk gebroken (zie hugenoten). Door de wet van
1802 werden de protestantse kerken erkend. De voornaamste zijn: de
Église Réformée de France, de Église de la Confession d'Augsburg
d'Alsace et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en de Église
réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van
protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen, baptisten, methodisten,
vrije kerken): de Fédération protestante de France. Protestantse
theologische faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn
gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en Straatsburg; de
laatste twee zijn interconfessionele faculteiten. De invloed van de
protestanten in Frankrijk is relatief groot.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in 1962) is
Frankrijk een parlementaire republiek waarvan de door het volk bij
algemeen stemrecht rechtstreeks voor zeven jaar gekozen president
uitgebreide volmachten bezit. Hij vaardigt de door het parlement of door
het volk (in geval van referendum) aangenomen wetten uit, tekent de
besluiten van de ministerraad, die hij voorzit, benoemt de
eerste-minister en kan in geval van nood het geheel van de wetgevende en
uitvoerende macht tot zich trekken en de ontbinding der Nationale
Vergadering uitspreken. De regering, aangevoerd door de eerste-minister,
wordt op diens voorstel benoemd door de president. Zij bepaalt en geeft
uitvoering aan de algemene politiek van de natie. Zij is verantwoording
verschuldigd aan de Nationale Vergadering.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het parlement, dat uit twee
kamers bestaat: de rechtstreeks voor vijf jaar gekozen Nationale
Vergadering (Assemblée nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de
overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet rechtstreeks (in
hoofdzaak door de leden van de conseils généraux - de departementale
raden - en de gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden beklede
senaat, die 321 leden telt (12 vertegenwoordigers van de Fransen in het
buitenland en 13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de
leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt de senaat voor
een derde vernieuwd. Stemrecht hebben alle Franse staatsburgers vanaf 18
jaar. Om gekozen te worden voor de Nationale Vergadering moet men
minimaal 23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook Politieke
organisatie.
3.2 Administratieve indeling
De Franse staat telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen.
Het land kent verder: vier overzeese departementen, de 'Départements
d'Outre-Mer' (DOM): Frans Guyana, Guadeloupe, Martinique en Réunion;
drie overzeese gebiedsdelen, de 'Territoires d'Outre-Mer' (TOM): Frans
Polynesië, de Wallis- en Futuna-eilanden en Nieuw Caledonië; de twee
overzeese 'collectivités territoriales' Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon
en enkele gebieden op de zuidpool, 'Les Terres Australes et Antarctiques
Françaises (TAAF). De prefet, die aan het hoofd van iedere regio en
ieder departement staat, is de vertegenwoordiger van de regering en van
iedere afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld in
arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet; de
arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en deze op hun beurt in
36!433 gemeenten (90% van de gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De
arrondissementen en kantons hebben slechts administratieve betekenis.
Frankrijk heeft vanouds een sterk gecentraliseerde bestuursvorm. Om het
bestuur beter te doen functioneren zijn tussen 1982 en 1988
verschillende decentralisatiewetten ingevoerd teneinde een herverdeling
van taken en bevoegdheden te bewerkstelligen. De regio's hebben een
kwaliteit van 'collectivité territoriale' gekregen: publiekrechtelijke
rechtspersonen met een uitgebreid pakket eigen rechten en
verplichtingen. Verder voorziet de wet in de overdracht van executieve
bevoegdheden van de prefet de la région en de prefet aan de voorzitters
van resp. plaatselijk gekozen regionale raden (conseils régionaux) en
departementale raden (conseils généraux). De regio Corsica heeft sinds
1981 een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de
Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties (het
hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de Verenigde Naties,
UNESCO, is in Parijs gevestigd), de EU, de Raad van Europa, de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO;
hoofdkwartier in Parijs), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en
Handel (GATT) en de NAVO. In 1966 heeft Frankrijk de beschikbaarstelling
van zijn strijdkrachten aan het geallieerd NAVO-commando beëindigd; wel
bleef Frankrijk politiek lid van de NAVO. Na de Koude Oorlog kwamen
gesprekken tussen Frankrijk en de NAVO op gang en werd afgesproken dat
het land betrokken zou worden in besprekingen over de nieuwe
doelstellingen van de NAVO.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer
de kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de stemmen in zijn
kiesdistrict op zich weet te verenigen, is hij direct gekozen. Slaagt
hij daarin niet, dan volgt een tweede ronde waarin een enkelvoudige
meerderheid voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen alleen
twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald tijdens de eerste
ronde, meedoen aan de tweede ronde. Voorwaarde bij de
parlementsverkiezingen is dat de kandidaat in de eerste ronde ten minste
12,5% van de stemmen heeft behaald.
De invoering van rechtstreekse presidentsverkiezingen heeft een
hergroepering van de grote politieke formaties en een polarisatie van de
politieke strijd tot gevolg gehad.
Van de talrijke partijen en bewegingen zijn de belangrijkste ter
linkerzijde de Parti Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF)
en de Mouvement des Radicaux (MRG).
De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van verschillende
socialistische partijen, staat een gematigd socialisme voor. Haar
ontwikkeling loopt voor een belangrijk deel samen met die van
oud-president Mitterrand.
De PCF, opgericht in 1920, kende haar bloeitijd tussen 1968, toen zij
zich van 'Moskou' afkeerde ten gunste van het zgn. 'eurocommunisme', en
1984 toen er door een breuk met de PS een einde kwam aan haar
regeringsverantwoordelijkheid. In 1986 was 75% van haar kiezers jonger
dan 30 jaar. In 1987 ontstond een splitsing binnen de partij tussen de
'traditionalisten' (onder leiding van Georges Marchais) en degenen die
modernisering van de partij voorstonden (onder leiding van Pierre Juquin).
Na de val van de communistische regimes in Oost-Europa in 1989 kwam de
partij onder grote druk te staan.
De MRG, in 1972 onder de naam Mouvement de la Gauche Radicale-Socialiste
afgesplitst van de Parti Républicain Radical et Radical-Socialiste,
hecht aan een humanistisch socialisme.
De belangrijkste partijen ter rechterzijde zijn de Rassemblement pour la
République (RPR), de Parti Républicain (PR) en het Centre des Démocrates
Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door Jacques René Chirac
opgerichte opvolgster van de gaullistische UDR en steunt vooral op de
oudere conservatieve kiezers. De PR (tot 1977 Républicains Indépendants)
werd opgericht door Valéry Giscard d'Estaing in 1966 en volgt een
gematigder, meer pragmatische koers dan de RPR. De CDS, ontstaan in 1976
uit een fusie van het Centre Démocrate en het Centre Démocratie et
Progrès, draagt als bijnaam de 'Unie van het midden'.
De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union pour la Démocratie
Française (UDF), samengesteld uit de PR, het CDS en een deel van de
Parti Radicale Socialiste (PRS). Het Front National (FN) van Jean-Marie
Le Pen, opgericht in 1972, is een extreem-rechtse politieke partij, die
vooral sedert het midden van de jaren tachtig een belangrijke politieke
machtsfactor is geworden. Zij behaalde 15% van de stemmen bij de
parlementsverkiezingen van 1995. Les Verts (De Groenen), in 1984
ontstaan uit het samengaan van de Confédération Écologiste en de Parti
Écologiste, staan een politiek voor die ecologie als uitgangspunt heeft.
Slechts 10% van het werkende deel van de bevolking is aangesloten bij
een vakbond. De grootste vakbond is de Confédération Générale du Travail
(CGT) met 855!000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in 1947 af van
de CGT. Haar leden (ca. 1 miljoen) zijn vnl. socialisten en
links-radicalen. De Force Ouvrière is de meest gematigde van de grote
vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération Française
Démocratique du Travail (CFDT), de sinds 1964 geseculariseerde
voortzetting van de Confédération Française des Travailleurs Chrétiens (CFTC;
opgericht in 1919), met 558.000 leden. Als kleinere verenigingen moeten
nog de Fédération de l'Éducation nationale met 395.000 leden worden
genoemd (Vereniging van leraren) en de christelijke kern van de
zelfstandig voortbestaande CFTC met 260.000 leden. Ook boeren en
leidinggevende functionarissen beschikken over eigen organisaties.
4. Economie
4.1 Inleiding
De industriële ontwikkeling kwam in Frankrijk pas laat op gang en tot de
Tweede Wereldoorlog waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de
landbouw. Een belangrijke wijziging in de economische politiek na 1945
vormde de instelling van een algemeen planbureau, waardoor de invloed
van de overheid sterk toenam. De door het planbureau opgestelde plannen
moeten door het parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader
voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo werd in 1945 de
nationalisatie van de energiesector, de vier grote bankinstellingen, de
grote verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault
doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het openbaar vervoer.
De relatief geringe schade tijdens de Tweede Wereldoorlog werd, mede
dankzij de Marshallhulp, snel overwonnen. De Franse staat voerde een
krachtige expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende
inflatie en devaluatie van de franc. De integratie in Europa (EGKS 1951,
EEG 1957), de planpolitiek waarin overheid, particulier bedrijfsleven en
vakbeweging nauw samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen
aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de industrie (m.n.
de mijnbouw, metaalverwerking, elektronica en petrochemische industrie);
de bedrijven, voor zover niet genationaliseerd, bereikten door
concentraties Europees formaat. Sinds 1945 is de industriële productie
snel gestegen. Tussen 1970 en 1980 was er, ondanks de teruggang in 1975
als gevolg van de internationale recessie, sprake van een
productiestijging van 33%. In de jaren 1980-1982 stagneerde de groei.
Evenals de meeste industrielanden had Frankrijk in de jaren tachtig te
kampen met hoge inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende
vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra, Saint-Gobain en Bull)
moesten Frankrijk de middelen verschaffen om een coherent
industriebeleid te voeren en om machtsconcentraties te beperken. Sinds
1983 schommelde de productiestijging tussen 1 en 2%, maar in 1988
vertoonde de industrieproductie een stijging van 4,5%. Een
vijfjarenplan, opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder
in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren. Met de verkoop van
staatsbedrijven hoopte men de staatsschuld te verminderen. Zowel
stagnatie in de industrie als herstructurering van genationaliseerde
bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid (in 1994: 12,3%).
Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een onverwacht gunstige
conjunctuurontwikkeling op, veroorzaakt door een goede
financieringspolitiek, dalende olieprijzen en belastingverlichting. De
economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%, in 1995 2,8% en de
inflatie daalde in die periode tot 2,9%, in 1996 tot 1,6%.
De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische
sectoren (1994) is: landbouw: 5%; industrie: 27% en dienstensector: 68%.
Vrouwen maken (1987) 43, 3% van de beroepsbevolking uit, buitenlandse
werknemers 6,3%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Frankrijk bezit met 320.000 km2 cultuurgrond (ca. 60% van de totale
landoppervlakte) het grootste landbouwareaal in de EU (eenderde van alle
landbouwgrond in de EU). Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend
grasland en bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit, olijven,
wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van de bedrijfsgrootte (o.a.
door herverkaveling en coöperaties) en mechanisatie vormen een
belangrijke bijdrage tot de productiestijging per ha. Het streven is de
gemiddelde bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren door
uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er 924.000 boerenbedrijven,
600.000 minder dan in 1970). Ruim de helft van alle agrarische bedrijven
wordt in eigendom bewerkt.
De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op de leemplateaus van het
Bekken van Parijs en in het noorden (tarwe, suikerbieten, koolzaad,
vlas). Ook de Elzas, de grote riviervalleien en de geïrrigeerde zones
van het zuiden zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt vooral in de Elzas
en in Frans-Vlaanderen geteeld. Cultuur van haver en gerst is meer
verspreid; behalve in de hierboven genoemde gebieden is zij ook elders
in Noord-Frankrijk belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne). Maïs wordt
verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst (sterk teruggelopen in de
jaren zeventig) in de Camargue. Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral
gelokaliseerd in de valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de
Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor rond Parijs, in
de kuststreken van Bretagne, in de Elzas en Frans-Vlaanderen. De Franse
wijnverbouw omvat hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk
neemt een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van producenten
van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker (zesde) en wijn (eerste).
Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in
Europa. Veehouderij is verspreid over het hele land. Runderen vindt men
vooral in de Atlantische zone: Normandië, Bretagne, Picardië en
Frans-Vlaanderen. Ook de randgebieden van het Massif Central zijn
belangrijke rundveestreken. De schapenhouderij, die vooral in het Massif
Central, rond de Rhônemonding en in de Pyreneeën beoefend wordt, is
belangrijk èn voor het vlees èn voor de kaas.
Algemeen is er ook in de veehouderij een sterke tendens tot
mechanisatie, uitbreiding der landbouwcoöperaties en herverkaveling,
terwijl grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc, Basse Durance,
Rhônevallei) de landbouw van het mediterrane gebied hervormen.
Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van
woeste gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in 1995 27%
van het totale landoppervlak. Tevens wordt het bestaande bosbestand
verbeterd. Ca. B van het bos bestaat uit loofbomen. De aanplant van
naaldbomen wordt snel uitgebreid wegens het hoger rendement. Een derde
van de beboste grond staat onder toezicht van de staat; de rest is in
handen van particulieren en is als gevolg van verspreide ligging niet
geschikt voor exploitatie. Er werken 550!000 mensen in de bosbouw en de
houtindustrie.
Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen
belangrijke sector van de economie. Europese richtlijnen (vangstquota)
verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan 0, 1% van de
totale beroepsbevolking werk. Zij omvat naast kustvisvangst ook, maar in
steeds mindere mate, diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de
Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor Bretagne:
Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor de Golf van Biskaje: La
Rochelle, Bayonne; voor de Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen
kennen een sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan,
Bouzigues. Mosselen in o.a. de Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De kolenmijnen zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk
gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd door het Bekken
van Lotharingen, ca. een kwart door de kleine bekkens in Zuid- en
Midden-Frankrijk (vooral rond het Massif Central) en de rest door het
Bekken van het Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste
bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de ontwikkelingen
op het gebied van kernenergie wordt de productie geleidelijk afgebouwd
(in 1976 nog 22 miljoen ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1990 geschat
op 11 miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen ton
ingevoerd.
De (kleine) aardolieproductie is grotendeels afkomstig van de velden van
Parentis-en-Born in Les Landes, voorts uit het Bekken van Parijs. De
productie van aardgas (Lacq) stagneert na een jarenlange sterke
stijging. Een daling wordt voorzien, indien op korte termijn geen nieuwe
gasbellen worden ontdekt. Het gas wordt vnl. verdeeld in
Zuidwest-Frankrijk.
Frankrijk is lange tijd de belangrijkste ijzerproducent van Europa
geweest, vooral dankzij de ijzerertsformaties in Lotharingen. De
productie is echter sterk gedaald (1970: ca. 56 miljoen ton, 1993: 3,6
miljoen ton) als gevolg van een tekort aan afzetmarkten en concurrentie
van veel rijkere ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in Zweden.
Naast een geringe productie van zinkerts en looderts (Pyreneeën, Alpen),
uraanerts (Massif Central en Bretagne) en andere minder belangrijke
grondstoffen heeft Frankrijk een belangrijke productie van aluminiumerts
in de Provence (Frankrijk is na Duitsland de belangrijkste producent van
aluminium in de EEG), kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen,
Franche-Comté).
Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk gestegen. Nog
maar 10% van de elektrische energie is afkomstig van thermische
centrales, ca. 20% van waterkrachtcentrales en ruim 70% van
kerncentrales. Voor de levering van aardolie is Frankrijk sterk
afhankelijk van het Midden-Oosten, voor aardgas van Algerije (36%) en
Nederland (14%), voor kolen van Duitsland, Polen en Zuid-Afrika. Om in
de toekomst zoveel mogelijk zelfstandig in zijn energiebehoefte te
kunnen voorzien heeft Frankrijk de ontwikkeling van kernenergie een hoge
prioriteit gegeven en is door een versneld uitgevoerd energieprogramma
het gebruik van kernenergie snel toegenomen.
4.4 Industrie
Na een fase van exceptionele groei in de jaren zestig (verdubbeling van
de productie) kreeg de industrie, evenals andere sectoren van de
economie, te lijden van de crisis. Niettemin steeg de industriële
productie mede door de sterk gepropageerde schaalvergroting. De
belangrijkste industriegebieden liggen in het noordoosten, ten oosten
van de lijn Le Havre-Marseille. Het Parijse stadsgewest is een groot
centrum van de verwerkende industrie (auto's, elektrisch en elektronisch
materiaal, farmaceutische en fotografische producten). Naast de
researchlaboratoria, de 'haute couture', de 'articles de Paris'
(sieraden, juwelen, parfums) en de uitgeverijen zijn ook de
voedingsmiddelen- en de verwerkende metaal- en de meubelindustrie er
bijzonder goed vertegenwoordigd. De industriegebieden van het noorden en
noordoosten (Elzas-Lotharingen) zijn de belangrijkste centra van zware
metallurgie, tevens van chemische industrie. De textielindustrie heeft
er een oude traditie.
Als derde groot Frans industriegebied fungeert rond Lyon het gebied van
Rhône en Alpen. Het oude textielgebied rond Lyon en de oude steenkool-
en metallurgiekernen van St-Étienne en Le Creusot kennen een nieuwe
ontwikkeling dankzij uitbreiding van de metaalconstructie en
(organische) chemische industrie en vooral de goedkope
waterkrachtenergie, die in de Alpen de stoot gaf tot moderne
elektrochemische en elektrometallurgische bedrijven.
Secundaire industriezones zijn die aan de Middellandse-Zeekust, waar
zoutpannen, bauxietmijnen, het aardoliecomplex van Berre en de oude
vetstofverwerkende industrie de basis vormen voor een moderne chemische
en aluminiumindustrie; er is voorts metaalconstructie, scheepsbouw en
meststofproductie. Zuidwest-Aquitanië is een groeiend industriegebied
dankzij de elektrochemische en metallurgische bedrijven in de Pyreneeën,
de chemische bedrijven van Lacq en de vliegtuigbouw van Toulouse. In
Bretagne zijn naast de oude voedingsnijverheid en scheepsbouw ook de
auto-industrie en de elektronische constructie sterk uitgebreid. De
Franse regering tracht de decentralisatie te bevorderen.
In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse industrie afgekondigd. Dit
plan voorziet o.a. in subsidiemaatregelen voor bedrijven die zich in
stimuleringsgebieden vestigen en arbeidsplaatsen creëren.
Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het noorden is het
belangrijkste centrum voor de wol- en vlasweefsels, maar is ook een
belangrijke katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de streek van de
Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral gespecialiseerd in katoen. Lyon is het
grote productiegebied van de synthetische en kunstmatige
vezelverwerking. In de Languedoc is Mazamet een gespecialiseerde
producent van wollen weefsels. De textielindustrie is overigens in de
jaren zeventig verder achteruitgegaan. Confectie is naast Parijs en het
noorden verspreid over alle grote centra en vormt een belangrijk
uitvoerproduct. De uiterst gediversifieerde metaalconstructie omvat
vooral productie van auto's (Parijs c.a., Bretagne, Lyon, Noord-Jura en
sinds de jaren tachtig, in het kader van de industriële
herstructurering, in het noorden en in Lotharingen om zodoende nieuwe
arbeidsplaatsen te creëren na het verval van de ertswinning),
scheepsbouw (St-Nazaire, Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving
Marseille), vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch
materiaal, o.m. Compagnie Générale d'Électricité (te Parijs [60%], Lyon,
Grenoble). Le Creusot is het centrum van de belangrijke wapenindustrie.
Voedingsmiddelenindustrie is sterk verspreid; naast de
conservenfabrieken van Bretagne en de biscuiterieën van Nantes is Parijs
het belangrijkste centrum.
4.5 Handel
Frankrijk is na Duitsland de grootste exporteur van West-Europa (4de op
de wereldranglijst). Handelsbetrekkingen worden hoofdzakelijk met de
andere EG-landen onderhouden (ruim 50% van de uitvoer en ruim 49% van de
invoer in 1988), alsmede met de geassocieerde staten. De belangrijkste
handelspartners zijn Duitsland, België en Luxemburg, Italië, Nederland
en de Verenigde Staten.
De export bestaat vooral uit agrarische producten (wijn, graan, boter en
kaas), halffabrikaten, machines, apparaten en auto's. De auto-industrie
ondervindt echter sterke concurrentie van de Japanse auto-industrie.
Belangrijke importgoederen zijn grondstoffen en energiebronnen,
halffabrikaten, industriegoederen en agrarische producten (vooral
tropische producten, katoen en wol). Frankrijk kampte tot 1992 met een
tekort op de handelsbalans, vnl. door de slechte concurrentiepositie die
de industrie van het land inneemt ten opzichte van die in andere,
westerse landen. Het overschot op de handelsbalans bedraagt de laatste
jaren zo'n $ 5 miljard.
4.6 Bankwezen
De centrale bank is de Banque de France, opgericht in 1800. Meer dan in
enig ander land heeft deze zich ontwikkeld tot 'bank der banken', in die
zin dat door het overige bankwezen in belangrijke mate beroep op de
herdiscontofaciliteiten wordt gedaan. Frankrijk is de bakermat van de
'Crédit mobilier' (opgericht in 1852). Door het verstrekken van
lange-termijnleningen en ook kapitaaldeelneming werd de financiering van
de industrie vergemakkelijkt. Ofschoon de Crédit mobilier ten slotte van
het toneel verdwenen is, heeft het principe echter ook bij andere nadien
opgerichte grote banken een belangrijke rol gespeeld.
In 1945 werden, naast de Banque de France, ook de vier belangrijkste
depositobanken genationaliseerd (Crédit Lyonais, Société Général,
Comptoir National d'Escompte de Paris en Banque Nationale pour le
Commerce et l'Industrie). De beide laatste banken fuseerden in 1966
onder de naam Banque Nationale de Paris tot de grootste depositobank van
het land. De belangrijkste kredietinstelling is de onder het ministerie
van Landbouw vallende Crédit agricole, die vnl. de financiering van
landbouw en regionale economie regelt. In 1982 werden nog eens 32 banken
genationaliseerd, wat 95% van alle deposito's onder staatstoezicht
bracht. Tussen 1986 en 1988 werd een aantal grote banken (o.a. de
Société Générale en de Crédit agricole) geprivatiseerd. Voor het
algemene toezicht is de Commission de Contrôle des Banques, onder
leiding van de minister van Financiën en de gouverneurs van de Banque de
France, verantwoordelijk. Het kredietbeleid - belangrijk bij
staatsinvesteringen - wordt door de Conseil National du Crédit bepaald.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
De Franse ontwikkelingssamenwerking is grotendeels gericht op de
voormalige koloniën en op de overzeese gebiedsdelen en departementen. De
particuliere hulpverlening is traditioneel gericht op de Afrikaanse
landen van de franc-zone. De hulp vindt plaats in de vorm van giften,
leningen en het verstrekken van technici en onderwijskundigen.
4.8 Verkeer en toerisme
Frankrijk bezit een goed uitgebouwd verkeersnet, dat wat spoorwegen en
wegen betreft radiaal naar Parijs gericht is. Het wegennet omvat 829.000
km, waarvan ca. 7400 km autosnelweg en 29.000 km hoofd- en nationale
wegen. Het spoorwegnet omvat ca. 35.000 km spoor en is vooral in
Noord-Frankrijk vrij dicht. Meer dan 80% van de lijnen is
geëlektrificeerd. Sinds 1981 rijdt de supersnelle TGV-trein (Train à
Grande Vitesse) die steden als Lyon, Bordeaux en Nice, maar ook Brussel
en Amsterdam op korte afstand van Parijs brengt. Er zijn uitbreidingen
voorzien via Straatsburg naar Duitsland en naar Spanje en Italië. De
binnenvaart beschikt over een net van 8600 km waterwegen. Het grootste
deel van dit net is echter slechts geschikt voor schepen met kleine
tonnemaat en is praktisch buiten gebruik. Een druk verkeer en vervoer
kennen echter de Seine, de gekanaliseerde Rijn en de Moezel, de meeste
kanalen van Noordoost-Frankrijk en het in 1988 gerealiseerde
Rhône-Rijnkanaal, dat Rotterdam met de Middellandse Zee verbindt.
Verschillende nieuwe waterwegen zijn in aanbouw, o.a. Seine-Noord-Oost,
die Parijs met Lille en de Moezel moet verbinden, en Middellandse
Zee-Rijn, die een hoge prioriteit heeft. De belangrijkste binnenhavens
zijn Parijs, Rouen en Straatsburg. De handelsvloot is voor een
belangrijk deel staatsbezit. Van de vele zeehavens zijn Le Havre,
Marseille, Duinkerken en Nantes-St.-Nazaire de belangrijkste.
Luchtverkeer. Air France, voor 70% staatseigendom, is de grootste
luchtvaartmaatschappij. UTA richt de meeste van zijn vluchten op Afrika
en Air Inter verzorgt het binnenlands vliegverkeer. De belangrijkste
luchthavens zijn: Charles de Gaulle, Orly en Le Bourget (gesloten voor
internationaal verkeer) bij Parijs en de luchthavens van Nice, Lyon en
Marseille.
Toerisme vormt een belangrijke factor in de economie. Ieder jaar
bezoeken ca. 61 miljoen buitenlanders Frankrijk. Na Duitsers maken
Belgen, Nederlanders en Engelsen het grootste deel van het totale aantal
toeristen uit.
5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie
De oudste sporen van de mens vormen enkele groepen pebble tools uit het
begin van het Pleistoceen, te dateren tussen 1 miljoen en 400.000 jaar
geleden. De oudste menselijke schedel is die van Tautavel/Arago (Aude),
ongeveer 400.000 jaar oud. Frankrijk is bijzonder rijk aan
overblijfselen uit het paleolithicum en is de bakermat van de studie van
die periode. De klassieke opeenvolging van culturen is als volgt: na de
pebble tools komen de vuistbijlculturen (Abbevillien, Acheuléen en
Moustérien) met hun diverse facies. De vondsten stammen uit
rivierterrassen en de onderste lagen van grotvullingen. Van de
laat-paleolithische klingenculturen (resp. Aurignacien/Perigordien,
Solutréen en Magdalénien) zijn naast de afvallagen in grotten en abris
ook kampplaatsen in de openlucht teruggevonden. De rijkdom aan
grotschilderingen en graveringen en de vele, vaak kunstig gesneden,
benen werktuigen (vooral in Dordogne) geven het Franse
laat-paleolithicum een unieke plaats in de geschiedenis van de mens.
Deze artistieke bloeiperiode ging tijdens het Azilien (8500 v.C.)
verloren.
Na de gelijktijdige mesolithische culturen Sauveterrien (Zuid-Frankrijk)
en Tardenoisien (Noord-Frankrijk), gekenmerkt door het algemeen
voorkomen van microlithen, volgt de introductie van akkerbouw en
veeteelt langs twee wegen. Ten eerste omstreeks 5500 v.C. via processen
van geleidelijke cultuuroverdracht langs de Middellandse-Zeekust (o.a.
Cardiumcultuur) en voorts omstreeks 4800 v.C. vermoedelijk als
kolonisatie vanuit het Rijnland, via het Moezeldal naar het Bekken van
Parijs (bandkeramiek). Het neolithicum kende een groot aantal kleine,
regionale groepen, met alleen het Chasséen als grote, vrijwel het gehele
land omvattende eenheid, tussen 4200 en 3200 v.C. Megalieten werden
vooral langs de Atlantische kust gebouwd, m.n. in Bretagne, waar de
oudste ca. 4800 v.C. zijn gedateerd. Naast de dolmens en allées
couvertes zijn er tal van menhirs bekend en enkele enorme, veelvoudige
rijen van dergelijke stenen (alignements) in de omgeving van Carnac.
In de bronstijd ontstond in Bretagne een centrum van bronsindustrie en
-handel. De urnenveldencultuur breidde zich in de late bronstijd
geleidelijk vanuit het Rijnland over geheel Frankrijk uit. De ijzertijd
omvat de Hallstatt- (750-450 v.C.) en de La Tène-cultuur (450-50 v.C.).
Van groot belang in deze periode was de stichting van de Griekse kolonie
Massilia (Marseille), welke het Rhônedal in (handels)contact bracht met
de klassieke wereld. In de hoogteversterking van Mont-Lassois en vooral
het rijke vrouwengraf van Vix (bij Châtillon-sur-Seine) demonstreren
Attisch import-aardewerk en bronzen tafelgerei deze betrekkingen. De
ontwikkeling van de La Tène-kunst en de steensculptuur in Zuid-Frankrijk
is mede op deze contacten terug te voeren. In de La Tène-periode kwam in
Noord-Frankrijk de Marne-cultuur tot bloei. Een groot aantal zgn.
vorstengraven in het Bekken van Parijs en Lotharingen wordt gekenmerkt
door de bijgifte van bronzen vaatwerk (wijnkannen uit Etrurië) en zelfs
complete (pronk)wagens. Deze rijke graven wijzen op het bestaan van een
sociale elite in een maatschappij met feodale trekken. Met de Gallische
oorlogen van Caesar (58-51 v.C.) en zijn inlijving van Gallia bij het
Romeinse Rijk eindigt de prehistorie.
5.2 Middeleeuwen
Besloeg het grondgebied van het huidige Frankrijk in de oudheid de
Romeinse provincie Gallia, later maakte het deel uit van het Frankische
Rijk. Na het Verdrag van Verdun (843) kwam het gebied ten westen van
Schelde, Maas, Saône en Rhône onder Karel de Kale (840-877). Binnen dit
gebied maakten diverse territoriale vorsten zich los van het weinig
effectieve koninklijke gezag van diens opvolgers. Onder Karel III de
Dikke (884-888) werd tijdelijk het Frankische eenheidsrijk hersteld,
maar in 887 werd Karel afgezet en evolueerden het West- en het
Oost-Frankischee rijk definitief tot wat Frankrijk en Duitsland mogen
worden genoemd.
Nadat Odo (888-898) het rijk krachtig tegen de Noormannen had verdedigd,
sloot Karel III de Eenvoudige (898-929) een akkoord te St-Clair-sur-Epte
(911) met hun leider Rollo, waardoor deze zich tot Normandië zou
beperken. Robert I (922-923), Rudolf van Bourgondië (923-936) en
Lodewijk IV (936-954) dienden al hun energie te besteden aan de strijd
tegen de grote vazallen. Op het einde van de 9de en het begin van de
10de eeuw ontstonden als gevolg van het feodale stelsel een aantal
territoriale vorstendommen, waaronder Vlaanderen en Normandië. Pogingen
van Lotharius (954-986) om het koninklijk domein met Lotharingen uit te
breiden mislukten (978). Met Lodewijk V (986-987) stierf het
Karolingische Huis uit. Dank zij Duitse steun werd toen Hugo Capet
(987-996) tot koning gekozen en ving de dynastie der Capetingenaan.
De grootste verdienste van Hugo Capet en zijn opvolgers ligt in het feit
dat zij de monarchie vrijwel erfelijk wisten te maken. Ten zuiden van de
Loire was hun gezag echter geheel afwezig en ten noorden ervan steunde
het grotendeels op de trouw van enkele bisschoppen. Onder de eerste
grote Capetinger Lodewijk VI de Dikke (1108-1137) kon de koning voor het
eerst de grote vazallen tot de orde roepen en zelfs in hun interne
aangelegenheden tussenbeide komen. Hij wist met succes de territoriale
vorsten in te zetten tegen een invasie van de Duitse keizer (1124). Zijn
zoon Lodewijk VII (1137-1180) slaagde erin, na zijn huwelijk met
Eleonora van Aquitanië, zijn invloed tot de Pyreneeën uit te breiden. In
1152 liet hij zich van Eleonora scheiden; deze huwde spoedig de machtige
Hendrik Plantagenet, die aldus Zuid-Frankrijk kon toevoegen aan zijn
machtssfeer, die reeds Normandië, Anjou, Maine en Touraine omvatte. In
1154 werd Hendrik koning van Engeland (Hendrik II): zo ontstond een rijk
dat een sterke bedreiging vormde voor de uitbouw van het Franse
koninkrijk. Filips II August (1180-1223) breidde het kroondomein
aanzienlijk uit, o.m. met Anjou, Artesië, Maine, Normandië, Poitou,
Touraine en Vermandois. Filips' overwinning te Bouvines (1214) op de
Engels-Duits-Vlaamse coalitie bevestigde zijn prestige op binnen- en
buitenlands gebied. Voortaan achtte de koning het niet meer nodig zijn
opvolger reeds vóór zijn dood te laten kronen. Na de korte regering van
Lodewijk VIII (1223-1226) nam zijn kordate weduwe Blanche van Castilië
het regentschap waar voor haar minderjarige zoon Lodewijk IX de Heilige
(1226-1270) en verwierf in 1229 een deel van Languedoc. Lodewijk IX
voltooide de bestuurlijke organisatie van Filips met het kader van
baljuws en seneschalken. Onder Filips III (1270-1285) werd het
kroondomein nog met Toulouse (1271) uitgebreid. Met Filips IV de Schone
(1285-1314) nam het koningschap een absolutistisch karakter aan. Ondanks
optreden tegen de Engelse koning bleef Guyenne aan Engeland. Het
langdurige conflict met Rome liep uit op de benoeming van een aan de
koning onderworpen paus, Clemens V (1305), die zich in Avignon vestigde.
Drie zonen van Filips IV hebben hun vader achtereenvolgens opgevolgd:
Lodewijk X (1314-1316), Filips V (1316-1322) en Karel IV (1322-1328), de
laatste uit de rechtstreekse linie der Capetingen.
Aan de macht kwam Filips VI, zoon van Karel van Valois (1328-1350). Ook
de Engelse koning, Eduard III, maakte aanspraken op de Franse kroon. Dit
leidde tot een lang Frans-Engels conflict: de Honderdjarige Oorlog. Veel
successen behaalden Filips VI en zijn opvolger Jan II (1350-1364) in die
strijd niet. Franse nederlagen volgden elkaar op en interne
moeilijkheden putten de Franse reserves uit. Karel, zoon van Jan II (de
latere Karel V), sloot, als regent voor zijn gevangen vader, de Vrede
van Brétigny (1360), waardoor Aquitanië, Ponthieu en Calais aan de
Engelse vorst in volle soevereiniteit werden afgestaan. Daarentegen werd
Bourgondië verworven (1361). Onder Karel V (1364-1380) wist Frankrijk
zich ten dele te herstellen. Toen Karel VI (1380-1422) in 1392
krankzinnig werd, werd hem een regentenraad toegevoegd, waarin o.m. de
hertogen van Bourgondië, Anjou en Orléans zitting hadden. De rivaliteit
spitste zich toe tussen Jan zonder Vrees en Lodewijk van Orléans (de
Bourgondiërs en de Armagnacs). De Engelse koning maakte van deze
tweespalt gebruik om Frankrijk binnen te vallen en te verslaan bij
Azincourt (1415). De Bourgondiërs schaarden zich na de moord op Jan
zonder Vrees (1419) trouwens aan de zijde van de Engelsen. Een ommekeer
in de strijd bracht het succesvol optreden van Jeanne d'Arc, die echter
onvoldoende steun ontving van de apathische koning Karel VII
(1422-1461). De machtsverhoudingen veranderden, toen in 1435 de
Bourgondiër Filips de Goede opnieuw de Franse zijde koos. Uiteindelijk
slaagde Karel VII erin Normandië (1449-1450) en Guyenne (1451-1453)
definitief aan de Engelsen te ontnemen, hetgeen een eind maakte aan de
Honderdjarige Oorlog.
Absolutistische trekken werden duidelijk onder Lodewijk XI (1461-1483),
ondanks de dreiging van adelsopstanden (de Guerre du Bien Public, 1465),
gesteund door de Bourgondische hertog, Karel de Stoute (1433-1477), die
zelfs de Engelse vorst tegen de Franse in het gelid wist te brengen.
Uiteindelijk won de sluwe Lodewijk XI het pleit door geheime steun en
uitkoping van Karels tegenstanders in Luik en Zwitserland. Na Karels
dood werden diens landen Bourgondië en Picardië aan de kroon getrokken,
in 1481 ook Anjou, door het uitsterven van dat vorstenhuis. Karel VIII
(1483-1498) verwierf Bretagne als gevolg van zijn huwelijk met Anna van
Bretagne (1491).
5.3 De 16de eeuw
De tegenstelling Valois-Bourgondië, uitgegroeid tot een strijd tussen
Valois en Habsburg, woedde niet slechts in de Nederlanden, maar sinds
1494 ook in Italië om Napels en Milaan. De Italiaanse oorlogen waren
slechts de inzet en een onderdeel van de strijd die vooral door Frans I
(1515-1547) werd geleverd tegen de Habsburgse omsingeling. Bij de Vrede
van Cateau-Cambrésis (1559) gaf Frankrijk Italië, Vlaanderen en Artesië
prijs, maar het lijfde Metz, Toul en Verdun, alsmede Calais in. Sinds
1562 werd het land verscheurd door de religieuze en politieke
partijstrijd tussen de hugenoten, geleid door de Bourbons, en de
katholieken onder de Guises, waartussen de zwakke kroon trachtte te
schipperen. Na de moorden op hertog Hendrik de Guise (1588) en op koning
Hendrik III (1589) kwam de troon toe aan de Bourbonse hugenoot, Hendrik
van Navarra. Door zijn overgang tot het katholicisme nam deze als
Hendrik IV (1589-1610) de katholieke Liga de wind uit de zeilen en in
1598 (Verdrag van Vervins) wist hij met Spanje, dat openlijk zijn
tegenstanders had gesteund, vrede te sluiten. Hetzelfde jaar verleende
hij godsdienstvrijheid aan de hugenoten (Edict van Nantes) en ging zich,
bijgestaan door minister Sully, toeleggen op het economisch herstel van
het land.
5.4 De absolute monarchie
Aan de hof- en adelsintriges tijdens het regentschap van Maria de
Médicis (1610-1617) en de eerste jaren van het persoonlijk bewind van
Lodewijk XIII (1610-1643) maakte het krachtdadig beleid van minister
Richelieu (1624-1642) een einde. De hugenoten werden in 1628 als
politieke macht uitgeschakeld; de adel en de parlementen verloren hun
invloed en na 1614 kwamen de Staten-Generaal niet meer bijeen. Om de
Habsburgers te vernederen, aarzelde de kardinaal-minister niet in de
Dertigjarige Oorlog in te grijpen aan de zijde van de protestantse
mogendheden. Zijn opvolger Mazarin (1642-1661) kon daardoor bij de Vrede
van Westfalen (1648) de Franse oostgrens afronden met een goed deel van
de Elzas. Het neerslaan van het heftig verzet van de adel en de
parlementen, de zgn. Frondes van 1648 tot 1653, opende definitief de weg
voor de absolute monarchie. De strijd tegen de Spaanse Habsburgers kon
daarna met kracht worden doorgevoerd. Door de Vrede van de Pyreneeën
(1659) moesten zij Artesië, een strook van Henegouwen en Roussillon
afstaan. Het Spaanse huwelijk van
Lodewijk XIV (1643-1715) opende zelfs vooruitzichten op de troon van
Spanje. Frankrijk scheen meester van Europa en de koning was meester in
Frankrijk. De eens zo rumoerige adel verdrong zich aan het schitterende
hof van de Zonnekoning te Versailles of diende in het door Le Tellier en
Louvois gereorganiseerde leger. Minister Colbert (1662-1683) bevorderde
krachtig de industrie, de handel en de overzeese kolonisatie, en in het
bijzonder de opbouw van een krachtige zeemacht, maar zijn mercantilisme
verwaarloosde de landbouw. De herroeping van het Edict van Nantes (1685)
had, door de massale emigratie van de hugenoten die erop volgde, de
economie (met name de industrie) een zware slag toegebracht. De
Devolutie-oorlog (1665-1669) en de Hollandse Oorlog (1672-1678)
verschaften Lodewijk, ten koste van Spanje, Franche-Comté en talrijke
grenssteden in de Zuidelijke Nederlanden. In vredestijd liet hij, ten
dele op grond van de interpretatie van de vredesverdragen door zijn
eigen Chambres de Réunion, de rest van de Elzas en Luxemburg bezetten.
De Europese coalities, georganiseerd door de Hollandse stadhouder Willem
III, sinds 1688 ook koning van Engeland, hebben in de Negenjarige Oorlog
(1688-1697) en de Spaanse Successie-oorlog (1701-1714) Lodewijks plannen
gedwarsboomd en het Europese evenwicht gehandhaafd.
Het lichtzinnig beleid van de regent, Filips van Orléans (1715-1723), en
van
Lodewijk XV (1715-1774) zelf heeft het regime diep geschokt. Het
gedeeltelijk staatsbankroet (1720) ten gevolge van de financiële
manipulaties van Law droeg daar veel toe bij. Na de dood van minister
Fleury (1743) regeerde Lodewijk XV persoonlijk, maar liet zich leiden
door gunstelingen of vrouwen (Madame de Pompadour). De militaire
successen in de Oostenrijkse Successie-oorlog (1740-1748) wierpen geen
vruchten af. In de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), die Frankrijk aan de
zijde van zijn oude vijand Oostenrijk voerde, ging de suprematie ter zee
en in de koloniale wereld voorgoed op Engeland over. Het Bourbonse
familieverdrag met Spanje, Napels en Parma (1761), door minister
Choiseul in het leven geroepen, kon niet verhinderen dat Canada,
Louisiana en de Franse invloed in Voor-Indië verloren gingen. Choiseul
kon niettemin nog Lotharingen inlijven (1766) en Corsica aankopen
(1768). Onder de regering van de zwakke Lodewijk XVI (1774-1792) werd
een aantal financiële hervormingen doorgevoerd door de ministers Turgot
(1774-1776) en Necker (1776-1781). In hun halfslachtigheid voldeden zij
echter de burgerij niet meer. De deelname aan de Amerikaanse
Vrijheidsoorlog (1778-1783) verbeterde wel het Franse internationale
prestige, maar verscherpte het staatsdeficit. De financiële nood dwong
de regering uiteindelijk tot het samenroepen van de Staten-Generaal,
voor het eerst sinds 1614.
5.5 De revoluties
Door gebrek aan initiatief bij de zwakke regering kon de derde stand
zichzelf uitroepen tot Nationale Vergadering (17 juni 1789). Deze
schafte de feodale rechten en standenprivileges af en proclameerde de
rechten van de mens en van de burger (4 en 27 aug. 1789). De koning zag
zich verplicht in 1791 de afgekondigde grondwet te erkennen. Door het
gebruik van zijn veto ter bescherming van de uitgeweken edelen en de
onbeëdigde priesters verbitterde hij de massa. De oproerige Parijse
gemeenteraad en een nieuwe Nationale Conventie besloten daarop tot de
uitroeping van de republiek (21-25 sept. 1792). Twee partijen betwistten
elkaar de macht in de schoot van de Conventie: de Girondijnen, gematigde
republikeinen, en de radicale Montagnards, met Danton,
Robespierre, Hébert en Marat. Niet zodra hadden deze laatsten door
een bloedig schrikbewind hun tegenstanders uitgeschakeld, of er brak in
hun gelederen tweedracht uit tussen de meer gematigde aanhangers van
Danton en de geëxalteerde extremisten en atheïsten rond Hébert.
Robespierre bracht ze allen ten val, maar viel door zijn
onverzettelijkheid zelf als slachtoffer van de terreur op 28 juli 1794.
Met hem namen de tweede en radicale revolutie en de terreur een einde.
Uit de reactie en de verwarring die volgden, werd de grondwet van het
jaar III en het Directoire (17 okt. 1796 - 10 nov. 1799) geboren. Deze
in zichzelf verdeelde oligarchie had af te rekenen met een revolte van
de Parijse burgerij, door Bonaparte in bloed gesmoord, met de steeds
voortdurende katholieke en koningsgezinde opstand in de Vendée, de
socialistische drijverijen van Babeuf en met zware financiële
moeilijkheden. De staatsgreep van 18 Brumaire (9 nov. 1799) voerde de
grondwet van het jaar VIII door en richtte het Consulaat (11 nov. 1799 -
18 mei 1804) in, waarvan generaal Napoleon Bonaparte de sterke man was.
(Zie ook Franse Revolutie.)
De republiek had zich, ondanks binnenlandse chaos en veel voorkomend
verraad, met succes tegen haar buitenlandse vijanden weten te verdedigen
(zie coalitieoorlogen). Lazare Carnot werd de organisator van deze
overwinning. Dank zij hem was bij het einde van 1793 het grondgebied
gezuiverd van vijanden en kon men zelfs offensief gaan optreden om de
revolutiebeginselen over Europa uit te dragen. Ter zee had anderzijds
het ontslag van de koningsgezinde officieren de vloot goeddeels van haar
leiding beroofd, wat door het revolutionaire elan niet kon worden
gecompenseerd. De wens van Danton aan de republiek de natuurlijke
grenzen te geven die de monarchie voor zich had gedroomd, werd bij de
Vrede van Campo-Formio (17 okt. 1797) verwezenlijkt. Het Directoire had,
door de gevierde Napoleon Bonaparte naar Egypte te sturen, zich wel niet
van de ambitieuze generaal kunnen ontdoen, maar had daarmee de Franse
koloniale politiek in Noord-Afrika ingeluid.
5.6 Consulaat en Keizerrijk
Bij zijn machtsoverneming zag Napoleon zich gesteld voor de onmogelijke
opgave het bestaan en de veroveringen van de revolutie door Europa te
doen aanvaarden. Zo werd hij meegesleurd in een reeks zegevierende
oorlogen tegen de zich steeds hernieuwende coalities, waarvan Engeland
telkens de ziel was. Het continentale imperium dat hij zich daarbij had
opgebouwd, zou uiteindelijk ineenstorten door het Engelse overwicht ter
zee, het onbreekbaar verzet in Spanje en het nationalisme in Europa,
door de Franse Revolutie zelf in het leven geroepen. Op binnenlands
terrein streefde Napoleon naar stabilisatie. De administratie, het
gerecht en het onderwijs werden hervormd en gecentraliseerd. De Code
Civil en de andere wetboeken werden uitgevaardigd. De betrekkingen met
de kerk werden hersteld en de economie gesaneerd. Dit en zijn krijgsroem
lieten hem toe zich tot consul voor het leven (1802) en tot keizer
(1804) te laten uitroepen. Zijn grote heerszucht en militarisme deden
hem echter het vertrouwen van de natie verliezen. De nederlaag ter zee
bij Trafalgar (1805) dwong hem tot een soort tegenblokkade (het zgn.
Continentale stelsel) en daarmee tot de noodlottige veldtocht in Rusland
(1812). In de Slag van Leipzig (1813) bezegelde de zesde coalitie zijn
ondergang. De zegevierende terugkeer uit zijn verbanning op Elba duurde
slechts honderd dagen. De nederlaag te Waterloo (18 juni 1815) was het
onafwendbaar eindpunt van het episch intermezzo, beginpunt tevens van de
restauratie.
5.7 De restauratie
Het gecentraliseerd bestuur en de wetgeving van de republiek en
van het Keizerrijk bleven behouden, maar de adel en de geestelijkheid
herwonnen hun politiek overwicht ten nadele van de burgerij. De
buitenlandse politiek, in het spoor van de Heilige Alliantie, verwekte
verzet. De inzet van een nieuwe koloniale expansie door de verovering
van Algiers (1830) kon daaraan niets verhelpen. De autoritaire
machtsgreep van Karel X (1824-1830) beantwoordden de liberalen
onmiddellijk met de Julirevolutie van 1830.
5.8 De Juli-monarchie
De burgerlijk denkende Louis-Philippe van Orléans (1830-1848)
aanvaardde het, te regeren met een grondwet die de politieke macht in de
handen van de bezittende klasse legde. Sinds de economische depressie
van 1846 won de republikeinse en socialistische agitatie gedurig veld.
Toen de conservatief Guizot zich in febr. 1848 met geweld wilde
verzetten tegen het gevraagde algemeen stemrecht, kwam het volk in
beweging. De socialist Louis Blanc en de republikeinen vormden een
voorlopig bewind. Ondanks de volksoproeren van mei en juni, het laatste
door generaal Cavaignac onderdrukt, hielden de burgerlijke republikeinen
de bovenhand.
5.9 Het Tweede Keizerrijk
De roep om een sterke man bracht echter niet Cavaignac, door de
werklieden gehaat, maar Lodewijk Napoleon in de presidentszetel. Behalve
aan zijn klinkende naam dankte hij dit aan de steun van de katholieken,
die van hem de bevoordeling van de godsdienst verwachtten. Bij een
conflict met de Wetgevende Kamer over de kieswet ontbond hij deze (2
dec. 1851). Door een volksraadpleging liet hij zich met de
grondwetsherziening belasten. Een jaar later (2 dec. 1852) werd het
Keizerrijk heropgericht. Napoleon III regeerde als een absolute vorst
met een machteloze volksvertegenwoordiging. De krijgsroem, behaald in de
Krimoorlog (1854) en in de Italiaanse veldtocht (1859), die Savoye en
Nice aan Frankrijk bracht, en het hernieuwde internationale prestige
streelden aanvankelijk de nationale trots. Grote openbare werken
bevorderden handel en nijverheid. De dubbelzinnige houding tegenover de
paus in de Italiaanse vrijheidsoorlog vervreemdde echter de katholieken,
zodat de keizer sinds 1859 verplicht was minder autocratisch te regeren.
De vrijhandelsverdragen met Engeland (1860) en met andere landen lokten
kritiek uit. Het treurig einde van het Mexicaanse avontuur (1862-1867)
kon niet worden uitgewist door de uitbreiding van de koloniën in
Algerije en Senegambië en door de verwerving van Cochin-China en
Cambodja (1858-1867). Het niet tijdig ingrijpen in het conflict tussen
Pruisen en Oostenrijk (1866) droeg er veel toe bij om zijn aanzien te
verminderen. De reorganisatie van het leger door maarschalk Niel en de
grondwetswijziging in parlementaire zin (6 sept. 1869) waren late
pogingen om aan de moeilijkheden het hoofd te bieden. Naar aanleiding
van de Hohenzollern-kandidatuur voor de Spaanse troon brak de
Frans-Duitse Oorlog uit.
5.10 De Derde Republiek
De nederlaag bij Sedan (1 sept. 1870) leidde te Parijs tot de uitroeping
van de republiek (4 sept. 1870). Deze sloot met het nieuwe Duitse
keizerrijk het Verdrag van Frankfurt (10 mei 1871), waarbij zij de Elzas
en een goed deel van Lotharingen afstond. Ondertussen was Parijs in de
greep van de socialistische en radicale Commune (18 maart - 28 mei
1871), die door maarschalk Mac-Mahon bloedig werd onderdrukt. Onenigheid
onder de monarchistische meerderheid in de in 1871 gekozen Nationale
Vergadering had tot gevolg dat in 1875 de republiek grondwettelijk werd
ingericht. De royalistische president Mac-Mahon had sinds 1876 te kampen
met een republikeinse meerderheid geleid door Gambetta en nam ontslag.
Opnieuw dook met de nationalistische generaal Boulanger de royalistische
gedachte op, maar voor een machtsgreep schrikte hij terug (1889). De
onvastheid van de ministeries en de politieke schandalen bemoeilijkten
het regeringswerk. Het schandaal van de handel in ridderorden onder
Grévy (1887) en de Panamakanaalzwendel (1892-1893) werden nog in de
schaduw gesteld door de Dreyfus-affaire (1894-1906). In haar geheel is
de binnenlandse politiek sterk antikatholiek geweest. In 1905 werd
opnieuw de scheiding van kerk en staat uitgeroepen. De sociale
wetgeving, die vooral sinds 1884 vorm kreeg, bleef ondanks de actie van
Jaurès en de socialisten aarzelend.
Ferry spande zich in voor de uitbreiding van het koloniale rijk. In 1881
werd Tunis bezet. De Franse interventies in Egypte (1882) en de
vestiging van een feitelijk protectoraat over Madagaskar (1884) hadden
Engeland ontstemd. Dit en de oorlog met China, waardoor Tonkin (1884)
bij de uitgebreide Franse invloedssfeer in Achter-Indië werd gevoegd,
leidden tot toenadering tot Duitsland. Deze kwam ook tot uiting in de
samenwerking bij de regeling der Afrikaanse kwesties. Na het Siamees
geschil (1893) bereikte de Frans-Engelse naijver in het
Boven-Nigergebied en in het Boven-Nijldal een hoogtepunt in het
Fasjoda-incident (1898). Frankrijk boog het hoofd, waardoor de
toenadering tot Engeland begon. Sinds 1891 tekende een samengaan van
Frankrijk met Rusland, gegriefd door de brutale houding van Wilhelm II,
zich af; dit resulteerde in een tweevoudig verbond (1892-1894). Minister
Delcassé wist de internationale positie van Frankrijk nog aanzienlijk te
verbeteren. De regeling van hun respectieve belangen in Noord-Afrika
bracht Italië en Frankrijk dichter bij elkaar (1898-1900). Met Engeland
werden alle nog resterende koloniale geschillen geregeld in een Entente
Cordiale (1904), terwijl de banden met Rusland nauwer werden aangehaald.
De zo ontstane Triple Entente gaf Frankrijk een sterke positie tegenover
Duitsland in het Marokkaanse geschil (1905-1911).
Het conflict tussen Rusland en Duitsland over de Servische kwestie
sleepte Frankrijk, dat zijn bondgenoot niet in de steek wilde laten, mee
in de Eerste Wereldoorlog. Tot 1917 was de krijgskans de Franse legers
niet bijzonder gunstig, ondanks de door Joffre en Gallieni gewonnen Slag
aan de Marne. In nov. 1917 werd de regering toevertrouwd aan Clemenceau.
Dictatoriaal en heftig ging hij elk defaitisme tegen en reorganiseerde
hij de verdediging. Een jaar later had Frankrijk de overwinning behaald.
Op de vredesconferentie te Versailles (1919) was Clemenceau de
dominerende figuur, maar zijn plannen om Duitsland volledig te
ontkrachten vonden geen instemming bij de geallieerden. Niettemin kreeg
Frankrijk Elzas-Lotharingen terug.
Na de oorlog was de wederopbouw van het door zware demografische en
economische verliezen onttakelde Frankrijk een eerste vereiste. Het
politieke leven werd voorts beheerst door de verhouding tot Duitsland.
Het land werd voorlopig geregeerd door een rechts georiënteerde
Nationale Unie, die al direct met een stakingsgolf werd geconfronteerd.
Briand poogde door toenadering tot het gematigde Britse standpunt de
kwestie van de herstelbetalingen te regelen (Conferentie van Cannes,
jan. 1922), maar werd door de nationalistische Poincaré ten val
gebracht. Deze trachtte met geweld, door de eenzijdige bezetting van het
Ruhr-gebied (jan. 1923), een oplossing te forceren. De verkoeling van de
betrekkingen met Groot-Brittannië werd nog sterker, toen in de
Grieks-Turkse Oorlog Frankrijk Turkije steunde, terwijl Groot-Brittannië
achter Griekenland stond. Ondertussen had Frankrijk zich een reeks
continentale bondgenoten gezocht: België (1921), Polen (1924) en de
Kleine Entente (Tsjechoslowakije, Joegoslavië en Roemenië). De
verkiezingsoverwinning van het radicaal-socialistisch kartel in 1924
verloochende de Ruhr-politiek van Poincaré, zocht toenadering tot
Groot-Brittannië en aanvaardde het Dawes-plan voor de herstelbetalingen.
Briand verhoogde het internationale prestige door het Verdrag van
Locarno (1925) en het Briand-Kellogg-pact (1928). De financiële
moeilijkheden en de inflatie namen dreigende vormen aan tot Poincaré er
in 1928 in slaagde de franc op een vijfde van zijn vroegere waarde te
stabiliseren. Ook had men te kampen met opstanden in Marokko en Syrië.
Vóór de verkiezingen van 1928 viel de Nationale Unie uiteen. Tardieus
strenge politiek tegen Duitsland (1932) ondervond Britse kritiek en
verbitterde Duitsland. Zo was Frankrijk weer op zijn continentale
bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginot-linie)
aangewezen.
De verkiezingen van 1932 brachten opnieuw een linkse overwinning, maar
de financiële moeilijkheden, de economische achteruitgang en de kritiek
op het parlementaire stelsel maakten een stabiele regering onmogelijk.
Parijs zelf was het toneel van straatgevechten, waarbij zowel
royalistische en fascistische als communistische groepen betrokken
waren. Doumergue vormde daarop een kabinet van nationale concentratie
met Pétain en Barthou (febr. 1934). Deze laatste spande zich in om het
Franse alliantiesysteem te verstevigen. Met de Kleine Entente, de
Sovjet-Unie die hij in de Volkenbond bracht, en wellicht ook met Italië
hoopte hij
Hitler-Duitsland te isoleren, vooral daar Polen zijn pro-Franse
politiek had opgegeven. Bij zijn poging tot verzoening van Joegoslavië
en Italië werd hij vermoord (9 okt. 1934). In de daaropvolgende maand
nam premier Doumergue ontslag, daar zijn grondwetsherziening ter
versteviging van het uitvoerend gezag verworpen werd. De
deflatiepolitiek van zijn opvolger Laval was bij de massa uiterst
onpopulair. Op 14 juli 1935 vormde zich een eenheidsfront van
communisten, socialisten en radicalen, die zich ook in demonstraties
keerden tegen de sterke fascistische stromingen. De val van Laval (22
jan. 1936) was echter ook te wijten aan de voortzetting van de
buitenlandse politiek van Barthou. Reeds als minister van Buitenlandse
Zaken had hij met Mussolini het Verdrag van Rome (jan. 1935) gesloten.
In febr. 1936 werd het reeds in mei 1935 gesloten Frans-Russisch Verdrag
ondertekend. De daaropvolgende bezetting van het Rijnland door de Duitse
troepen (7 maart 1936) en de opzegging van de Locarno-verdragen moesten
onbeantwoord blijven bij gebrek aan Engelse steun.
De Volksfront-regering van Leon Blum, in juni 1936 aan de macht gekomen,
voerde sociale verbeteringen door die echter een enorme kapitaalvlucht
en een sterke inflatie tot gevolg hadden. Geheel in de lijn van haar
programma stelde de regering de Banque de France en de wapenindustrie
onder toezicht en trad op tegen de fascistische groeperingen. Uit vrees
voor een wereldoorlog voerde Blum echter, gesteund door Engeland, een
politiek van non-interventie in de Spaanse Burgeroorlog. Het radicale
kabinet-Daladier (10 april 1938) sloeg zelfs een tegengestelde richting
in. De scherpe deflatiepolitiek lokte stakingen uit, maar verbeterde de
economische toestand.
In de internationale politiek liet men zich verder door Groot-Brittannië
leiden. De oude Franse bondgenoot Tsjechoslowakije werd te München (sept.
1938) prijsgegeven. Tegen de aanspraken van
Mussolini in de Middellandse Zee zette Daladier zich echter schrap
en erkende zelfs de regering van Franco in dat verband. Na de flagrante
schending van het akkoord van München gaven beide landen garanties aan
de Balkanstaten en Polen. Pogingen het Frans-Russisch Verdrag te
verstevigen stuitten op het tot stand komen van het Duits-Russisch
non-agressiepact (aug. 1939).
5.11 Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse inval in Polen verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk op
3 sept. 1939 de oorlog aan Duitsland. Op 10 mei 1940 trokken de Duitse
troepen Frankrijk binnen. Het Franse leger en zijn ten onrechte op de
Maginot-linie vertrouwende leiders bleken niet opgewassen tegen deze
macht. Binnen enkele weken stortte de defensie volledig ineen. Op 22
juni sloot de regering, waarin Reynaud op 20 maart 1940 Daladier als
premier was opgevolgd en al op 16 juni plaats had moeten maken voor de
oude maarschalk Pétain, een wapenstilstand met Duitsland. Het grootste
deel van het land, met Parijs en de hele Atlantische en Kanaalkust, werd
door de Duitsers bezet. Twee dagen later volgde een wapenstilstand met
Italië, dat op 10 juni Frankrijk binnengevallen was. De regering-Pétain
vestigde zich in Vichy in het onbezette deel van Frankrijk. Na de
geallieerde landing in Noord-Afrika (nov. 1942) breidden de Duitsers hun
bezetting over het hele land uit. In de regering te Vichy had de naar
samenwerking met Duitsland strevende ex-premier Laval inmiddels de
feitelijke leiding gekregen (maart 1942). Pétains plaatsvervanger,
admiraal Darlan, sloot zich in nov. 1942 bij de geallieerden aan.
Ondanks de vernieuwing van de nationale identiteit die Pétain en de
zijnen in l'État Français (de officiële naam van de republiek van Vichy)
probeerden door te voeren - o.a. door een nieuw devies: travail, famille,
patrie - collaboreerde Pétain in feite met de Duitsers. Aangezien het
collaboratie was op het hoogste politieke niveau, vormt 'Vichy' een nog
niet verwerkt hoofdstuk uit het Franse oorlogsverleden.
Buiten Frankrijk zette de naar Engeland uitgeweken generaal Charles De
Gaulle met een kleine groep 'vrije Fransen' de strijd tegen de Duitsers
voort. In Frankrijk zelf ontstonden verscheidene verzetsbewegingen, die
vanaf mei 1943 samenwerkten in het Conseil National de la Résistance. De
Gaulle werd in 1943 hoofd van een Frans nationaal bevrijdingscomité en
keerde bij de bevrijding in aug. 1944 terug als hoofd van een voorlopige
regering. Deze regering steunde op de progressieve katholieke MRP
(Mouvement Républicain Populaire), de socialisten en de communisten. De
Fransen die met de Duitsers hadden samengewerkt, werden gestraft. Pétain
werd ter dood veroordeeld (wat door De Gaulle in levenslang werd
gewijzigd), Laval werd gefusilleerd. In jan. 1946 trok De Gaulle zich
uit de regering terug.
5.12 De Vierde Republiek
In okt. 1946 werd bij een volksstemming de nieuwe grondwet goedgekeurd.
De socialist Vincent Auriol werd in jan. 1947 de eerste president van de
Vierde Republiek. Dit tijdperk werd gekenmerkt door politieke
instabiliteit. De economische toestand ontwikkelde zich ondanks
devaluaties en talloze stakingen gunstig. Een groot aantal kabinetten
volgde elkaar in snel tempo op. De belangrijkste politieke figuren
waren: Georges Bidault (MRP), premier in 1946 en minister van
Buitenlandse Zaken in verscheidene kabinetten, Robert Schuman (MRP),
premier in 1947/1948 en minister van Buitenlandse Zaken van 1948 tot
1953, voorvechter van de Europese samenwerking, de conservatief Antoine
Pinay, premier in 1952, wiens financiële politiek tegen de
geldontwaarding was gericht, en de radicaal Mendès-France, die ten
slotte de beslissing tot een wapenstilstand nam in de oorlog in
Indo-China.
Nadat de rechtse partijen korte tijd hun aantrekkingskracht hadden
verloren, herstelden de conservatieven zich na de oorlog al snel. Begin
jaren vijftig organiseerde Henri Poujade de ontevreden middenstand en
ambachtslieden, waarmee het georganiseerde rechtse volksprotest zijn
herintrede deed in de Franse politiek.
De Gaulle, die zich tegen de nieuwe grondwet had gekant wegens de zijns
inziens te zwakke positie van de uitvoerende macht tegenover het
parlement, richtte in 1947 een eigen partij op, de Rassemblement du
Peuple Français. De dekolonisatie bracht ten slotte de ondergang van de
Vierde Republiek. In Algerije was in 1954 verzet tegen het Franse bewind
ontstaan. Uit vrees voor mogelijke onderhandelingen met de Algerijnse
nationalisten vormden Fransen in Algerije met steun van het leger op 13
mei 1958 een revolutionair 'comité de salut public', dat een regering
onder
De Gaulle bepleitte. Om een burgeroorlog te voorkomen gaf president
Coty (die in 1954 Auriol was opgevolgd) een opdracht tot
kabinetsformatie aan De Gaulle, die behalve van de rechtse partijen ook
steun kreeg van de MRP en een deel van de radicalen en de socialisten (1
juni 1958).
Al mocht de Vierde Republiek uiteindelijk aan haar eigen instabiliteit
ten onder gaan, op het Europese vlak initieerde zij vele
integratieplannen (Kolen- en Staalgemeenschap, Defensiegemeenschap) die
de stabiliteit in Europa moesten bevorderen. Deze plannen kunnen echter
niet los gezien worden van de naoorlogse Duitslandpolitiek, waarmee
Frankrijk poogde om de Bondsrepubliek Duitsland onder controle te
krijgen door het te integreren in West-Europa.
5.13 De Vijfde Republiek
Met volmachten bekleed, kon De Gaulle zijn plannen voor staatkundige
hervormingen doorzetten. Meer dan 80% van de kiezers sprak zich op 28
sept. 1958 uit voor een nieuwe grondwet, die de invloed van het
parlement beknotte en veel gezag in handen legde van de president. De
nieuwe gaullistische partij, de Union pour la Nouvelle République (UNR),
kreeg dankzij het districtenstelsel de grootste fractie in de Nationale
Vergadering. De Gaulle werd op 8 jan. 1959 als president geïnstalleerd,
premier werd zijn volgeling M. Debré, die in april 1962 plaats moest
maken voor de ex-bankier
Pompidou.
Toen ook De Gaulle voor het Algerijnse probleem geen andere uitweg zag
dan onafhankelijkheid, kwamen de rechtse politici en militairen, die hem
aan de macht hadden geholpen, in opstand. Hun staatsgreep (onder leiding
van generaal Salan) te Algiers (22 april 1961) werd echter onderdrukt;
hun organisatie van het geheime leger (OAS) bloedde geleidelijk dood.
Het gezag van De Gaulle werd versterkt doordat bij referendums over
omstreden zaken een ruime meerderheid zich voor zijn politiek uitsprak.
Zo sprak op 8 april 1962 90,7% van de kiezers zich uit voor de
Algerijnse onafhankelijkheid. Met een wijziging van de grondwet,
waardoor de president voortaan rechtstreeks werd gekozen, verklaarde op
28 okt. 1962 61,7% van het electoraat zich akkoord. In maart 1967
behielden de gaullisten samen met hun onafhankelijk-republikeinse
bondgenoten ternauwernood de meerderheid. Intussen was de ambtstermijn
van De Gaulle in dec. 1965 met zeven jaar verlengd.
Met de machtsoverneming door De Gaulle werd een geheel nieuwe koers
ingeslagen, gericht op herstel van de onafhankelijke en invloedrijke
positie tussen de grote machten. Het dekolonisatieproces werd
bespoedigd. De Gaulle wenste de EEG dienstbaar te maken aan een 'Europa
der Vaderlanden', een Europa dat zich zou moeten uitstrekken van de
Atlantische Oceaan tot aan de Oeral. Daartoe moest de invloed van de
Verenigde Staten worden teruggedrongen. Frankrijk onttrok zijn troepen
in 1966 geheel aan het NATO-gezag; NATO-bases moesten worden ontruimd.
Het land streefde naar de opbouw van een onafhankelijke kernmacht (febr.
1960: eerste atoombom; aug. 1968: eerste waterstofbom; geen
ondertekening van het non-proliferatieverdrag). Groot-Brittannië werd
tot tweemaal toe (resp. in jan. 1963 en in dec. 1967) door een Frans
veto uit de EEG geweerd. De betrekkingen met de Bondsrepubliek Duitsland
werden nauwer aangehaald door een vriendschapsverdrag (22 jan. 1963).
Ook werden de betrekkingen met de Sovjet-Unie en de andere Oost-Europese
landen verbeterd, waarbij De Gaulle er tegelijkertijd naar streefde de
dominerende positie van de Sovjet-Unie in Oost-Europa af te zwakken. Met
de Arabische landen werden goede relaties opgebouwd, wat op de
betrekkingen met Israël zijn weerslag had. Het paternalistische regime
van De Gaulle werd in 1968 geconfronteerd met de mei-revolte, die begon
in de universitaire wereld van Parijs en oversloeg op vrijwel de gehele
Franse arbeidersklasse, waarmee de studenten zich solidair hadden
verklaard. De opstand verliep, nadat aanzienlijke loonsverhogingen en
vernieuwingen, o.a. op onderwijsgebied, waren toegezegd. Bij in juni
gehouden verkiezingen sprak een groot deel van het Franse volk zich uit
voor de bestaande verhoudingen. De gaullisten, die met de onafhankelijke
republikeinen en andere onafhankelijken een breed front tegen de
linkerzijde vormden onder de naam Union pour la Défense de la République,
boekten grote winst en behaalden de absolute meerderheid in de Nationale
Vergadering. Premier Pompidou werd vervangen door Couve de Murville.
5.14 De jaren zeventig en tachtig
In april 1969 trad De Gaulle af, daar zijn voorstellen met betrekking
tot een hervorming van de Senaat en een nieuwe regionale indeling in die
maand waren verworpen. De presidentsverkiezingen brachten een
overwinning voor Georges Pompidou. Op binnenlands terrein streefde
Pompidou naar een snelle industrialisatie, in de buitenlandse politiek
volgde hij de lijn-De Gaulle, hoewel minder star (bijv. medewerking aan
Engelands toetreding tot de EEG, positiever deelname aan
NATO-vergaderingen). Bij de parlementsverkiezingen van maart 1973
boekten de samenwerkende socialisten en communisten winst, maar de
regeringspartijen behielden de meerderheid. Links werkte ook samen bij
de door de dood van Pompidou (2 april 1974) noodzakelijk geworden
presidentsverkiezingen. Deze werden in mei 1974 gewonnen door de
minister van Financiën en Economie, de onafhankelijke republikein
V. Giscard d'Estaing. Hij versloeg met zeer gering verschil de
socialistische leider
F. Mitterrand. Nadien traden socialisten en communisten niet meer
als blok bij de verkiezingen op: in 1977 ontstond een breuk tussen de
partijen.
Onder Giscard werd het door zijn directe voorgangers gevoerde beleid in
grote lijnen voortgezet. In de buitenlandse politiek bleef het streven
naar een sterk, door Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland beheerst
Europa, onafhankelijk van de Verenigde Staten, gehandhaafd, evenals de
pro-Arabische houding in het Midden-Oosten. In voormalig Frans-Afrika
bleef Frankrijk vertegenwoordigd door de aanwezigheid van militaire
troepen en adviseurs, terwijl de financieel-economische invloed nog werd
vergroot. Giscards bewind had o.m. te kampen met separatistische
bewegingen op Corsica en in Bretagne. Mei 1981 werd Giscard verslagen
door de presidentskandidaat van links, Mitterrand. Na de
parlementsverkiezingen in juni kwam er een regering van socialisten (PS)
en communisten (PCF) onder P. Mauroy. Geheel volgens het
verkiezingsprogramma probeerde men via nationalisaties de Franse
economie te verbeteren. Door tegenvallende resultaten werd men in juni
1982 al gedwongen om het progressieve economische beleid af te zwakken.
Onder L. Fabius maakten de communisten niet langer deel uit van de
regering. Nadat UDF-RPR onder aanvoering van J. Chirac (RPR) in maart
1986 de parlementsverkiezingen hadden gewonnen werd de Vijfde Republiek
geconfronteerd met een in haar geschiedenis onbekende staatkundige
variant, de cohabitation: een premier en een president van verschillende
politieke kleur. Nadat Mitterrand in mei 1988 opnieuw de
presidentsverkiezingen had gewonnen (van Chirac) kwam er na de
parlementsverkiezingen van juni 1988 opnieuw een socialistische regering
onder leiding van M. Rocard. In de jaren tachtig vielen vooral op: het
kleiner worden van de electorale basis van de communistische partij en
haar politieke invloed, de opkomst van extreem-rechts in de vorm van het
Front National van J.-M. Le Pen en de opkomst van de Groenen (Les Verts,
sinds juni 1989 vertegenwoordigd in het Europees Parlement).
5.15 De jaren negentig
Met de benoeming van Edith Cresson, op 15 mei 1991, werd voor het eerst
een vrouw premier van Frankrijk. Doordat zij premie- en
belastingverhogingen voorstelde en een harder optreden tegen illegalen
voorstond, liep haar populariteit snel terug. Zij werd in april 1992
opgevolgd door Pierre Bérégovoy. Deze trad als premier terug na de
socialistische nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd
opgevolgd door E. Balladur. In mei pleegde de teleurgestelde Bérégovoy
zelfmoord, mede naar aanleiding van het mislukken van zijn economisch
programma. De slechte economische situatie leidde in juli 1993 tot
aanvallen door speculanten op de Franse franc. Het gevolg was dat de
Franse franc de facto het Europees Monetair Stelsel moest verlaten.
De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke
corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden dwongen. Fel
verzet ontmoette de regering toen zij, in een poging het islamitische
volksdeel tot assimilatie te dwingen, een verbod instelde op het dragen
van een hoofddoek voor meisjes op scholen.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques René Chirac,
leider van de gaullistische RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn
door schandalen achtervolgde partijgenoot Balladur achter zich om in de
tweede ronde ook van de socialistische kandidaat Lionel Jospin te
winnen. Jean-Marie Le Pen van het extreem-rechtse Front National
verwierf 15% van de stemmen. Na aanvankelijk enige van Chiracs
verkiezingsbeloften te hebben ingelost, daalde de populariteit van
premier Juppé, die een straf bezuinigingsbeleid voorstond, snel. Een
golf van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam. In okt. en
nov. 1996 kwam het tot massale stakingen bij de spoorwegen, in de
luchtvaart, het onderwijs en andere overheidsdiensten.
Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot blokkades ter verbetering van hun
arbeidsvoorwaarden, aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam.
Intussen daalde de economische groei en bereikte de werkloosheid een
naoorlogs record.
In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen
van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische organisatie GIA. Op
Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal bomaanslagen plaats die
het werk waren van verschillende nationalistische bewegingen.
Begin jan. 1996 overleed oud-president François Mitterand. Bij
gemeenteraadsverkiezingen in febr. 1997 in het Zuid-Franse stadje
Vitrolles behaalde het Front National een absolute overwinning, waarmee
de vierde Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl
Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen. Peilingen gaven
aan dat 30% van de Fransen de ideeën van het Front National
onderschreef. In het voorjaar van 1997 schreef president Chirac
vervroegde verkiezingen uit in de hoop de positie van de regering-Juppé
te versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de socialisten onder
leiding van Jospin en hun bondgenoten op 1 juni een grote overwinning en
kwamen met 282 van de 577 zetels in de Nationale Vergadering.
In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Moruroa in de Stille
Zuidzee felle internationale protesten uit, vooral van Australië,
Nieuw-Zeeland en Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996
het Verdrag van Rarotonga voor een kernwapenvrije zone in de Stille
Zuidzee. In juni 1996 maakte minister van Defensie Millon op een
halfjaarlijkse vergadering van zijn NAVO-collega's in Brussel bekend dat
Frankrijk wilde meewerken aan een 'nieuwe' NAVO met een aparte Europese
defensie-identiteit.
In EU-verband pleitte Frankrijk voor een streng gemeenschappelijk
drugsbeleid. President Chirac had zich herhaaldelijk gekeerd tegen het
liberale Nederlandse drugsbeleid.
In de aanloop naar de Europese top in Dublin van dec. 1996 ontstond
onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het stabiliteitspact, dat
na inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij
de deelnemende landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid:
ruimere marges en minder autonomie voor de Europese centrale bank.
5.16 Kolonisatie en dekolonisatie
Frankrijk verkreeg zijn meeste koloniën in de 19de eeuw; de vroeger
gekoloniseerde gebieden op het Amerikaanse continent (o.m. Canada en
Louisiana) moesten na de Zevenjarige Oorlog in 1763 aan Engeland worden
afgestaan. Met de verovering van Algiers in 1830 begon de ontwikkeling
van het Franse koloniale rijk in Afrika, dat ten slotte grote gebieden
in Noord-, West- en Centraal-Afrika omvatte. In 1881 kwam Tunesië en in
1912 Marokko onder Frans gezag. In de tweede helft van de 19de eeuw werd
Indo-China geleidelijk gekoloniseerd. Tussen de beide wereldoorlogen
bereikte de Franse invloed zijn grootste uitbreiding. Syrië en Libanon,
die als mandaatgebieden aan Frankrijk waren toegewezen, werden in 1941
door de geallieerden onafhankelijk verklaard. Op een conferentie van de
vrije Fransen te Brazzaville (Kongo) in 1944 werd de basis gelegd voor
een nieuwe verhouding tussen Frankrijk en zijn overzeese gebieden na de
oorlog. Als uitvloeisel hiervan werd bij de grondwet van 1946 de Franse
Unie in het leven geroepen, waarin de delen een verschillende graad van
zelfbestuur konden krijgen. De nationalistische bewegingen in Indo-China
dwongen Frankrijk in 1949 Cambodja, Laos en Vietnam de onafhankelijkheid
te verlenen binnen de Franse Unie. De nederlaag bij Dien Bien Phu tegen
de communistische Viet-Minh-opstandelingen leidde in 1954 tot de deling
van Vietnam: Zuid-Vietnam bleef tot 1956 in de Franse Unie,
Noord-Vietnam werd onafhankelijk. Ook Laos en Cambodja werden nu geheel
onafhankelijk. Tunesië en Marokko kregen in 1956 onafhankelijkheid.
Na de machtsovername door generaal De Gaulle werd de Franse Unie in 1958
omgezet in de Franse Gemeenschap, welke was samengesteld uit de Franse
Republiek en veertien voormalige koloniale Afrikaanse gebieden. Frans
Guinea verwierp bij een referendum als enige de grondwet van 1958 en
verbrak daarmee alle banden met Frankrijk. De overige gebieden kregen
intern zelfbestuur, maar werden in 1960 eveneens onafhankelijk
verklaard. Met Tsjaad had Frankrijk rond 1980 nog een conflict omtrent
de troepenstationering in dat land. In 1984 werden de laatste Franse
legereenheden uit Tsjaad teruggetrokken. De zwaarste strijd werd echter
gestreden in Algerije, waar ca. 13 miljoen Europese kolonisten
woonachtig waren en dat als departement van Frankrijk werd bestuurd.
Hier brak in 1954 onder de Arabische bevolking een opstand uit - met
verstrekkende gevolgen voor de Franse binnenlandse politiek - welke in
1962 leidde tot de onafhankelijkheid. Van de resterende overzeese
bezittingen bleef Afar- en Issaland (vroeger Frans Somaliland) zijn
autonome status behouden tot 1977. In dat jaar werd het onafhankelijk
onder de naam Djibouti. Over de huidige structuur van de Franse
Gemeenschap bestaat ontevredenheid in de overzeese gebiedsdelen.
Halverwege de jaren tachtig kwam het tot grote ongeregeldheden op
Nieuw-Caledonië, waar de Kanaken meer zelfstandigheid wilden ten koste
van de allochtonen, die vreesden voor |