header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Frankrijk

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

Frankrijk (La France; officieel: République française), republiek in West-Europa, 543.965 km2, met (schatting 1995) 57,8 miljoen inw. (106 inw. per km2); hoofdstad: Parijs. De Franse staat omvat, naast Europees Frankrijk als integrerend deel, de overzeese departementen: Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique en La Réunion, de 'collectivités territoriales' Îles Saint-Pierre et Miquelon en Mayotte, en vier overzeese territoriën: Nieuw Caledonië, Nieuwe Hebriden, Frans Polynesië en Wallis-et-Futuna. Frankrijk maakt aanspraak op een deel van Antarctica: Adélieland.
Munteenheid is de franc (F), verdeeld in 100 centimes. Nationale feestdag is 14 juli, de dag waarop de bestorming van de Bastille in 1789 plaatsvond.

1. Fysische geografie
1.1 Geologie
Frankrijk bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden: het Cadomisch orogeen, het Variscisch orogeen, het alpine orogeen, het Bekken van Parijs en het Bekken van Aquitanië. Het Cadomisch orogeen is ontsloten in het Armorikaans Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden plaats tijdens het laatste gedeelte van het Precambrium; de plooiing is van vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten van het Variscisch orogeen vindt men op vele plaatsen in Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid tijdens de Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen, Vogezen, Bretagne, Massif Central (Centraal Massief), Pyreneeën en in de alpine centrale massieven als Mont Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont Pelvoux en Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste Variscische gesteenten uit kristallijne schisten en intrusieve granieten. Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche sedimenten komen betrekkelijk weinig voor, behalve in de Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van metamorfe en intrusieve gesteenten.
Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de West-Alpenboog; daarnaast vindt men alpine geplooide gesteenten aan de noordrand van de Pyreneeën. Ofschoon intensieve plooiing en regionale metamorfose eveneens in de Alpen voorkomen, is dit gebergte toch van geheel andere aard dan het Variscische. Men onderscheidt verscheidene zones in het Franse deel van de Alpen, en wel: a. de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum dat over de Trias anhydriet is afgeschoven (decollement); b. de Helvetische zone, die in tegenstelling tot deze zone in Zwitserland niet uit dekbladen, maar uit autochtone plooien bestaat, en c. de Penninische zone, die wel uit dekbladen bestaat en waar de meeste gesteenten in regionaal metamorfe toestand voorkomen. Variscische centrale massieven worden tot de Helvetische zone gerekend. Daarnaast bestaat het alpine gebergte in Frankrijk grotendeels uit mesozoïsche gesteenten. Gesteenten van dezelfde ouderdom vindt men in de Bekkens van Parijs en Aquitanië, waar zij evenwel vrijwel ongeplooid zijn. Deze bekkens vormen de epicontinentale bedekking van het Variscisch grondgebergte, waarop zij dus discordant liggen. In de Alpen is het Variscisch gebergte gedeeltelijk meegeplooid tijdens de alpine orogenese.
1.2 Geomorfologie
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen. Noord- en West-Frankrijk, die deel uitmaken van de West-Europese laagvlakte, worden gekenmerkt door een gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien, grote sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen, evenals oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid- en Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen, variërend van oude massieven met min of meer sterk uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens.
Tussen deze hoge reliëfvormen komen belangrijke, in de meeste gevallen noord-zuidgerichte depressies voor.
De oude massieven: a. het Armorikaans Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), 'Bocage normand' (tot 417 m hoog) en de 'Gâtine vendienne' (tot 295 m hoog), bestaande uit harde kristallijne gesteenten. b. De Vogezen zijn aanzienlijk hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge kristallijne gebergten. c. Het Massif Central (gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt gebergte met een algemene helling van oost naar west. De kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica en de kustmassieven van Maures en Estérel werden door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een vrij chaotisch reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte Cinto, 2710 m) zelfs alpine allures aanneemt. e. De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een klein deel van Noordoost-Frankrijk.
De jonge gebergten: a. de Pyreneeën vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m (Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer beperkt zijn. Het gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde kristallijne massieven. De valleien zijn alle loodrecht op de keten. b. Het Franse deel der Alpen vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen. De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m). Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c. De Jura bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250 km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt. Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het westen brede kalkplateaus.
De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken van Parijs strekt zich uit over een derde deel van Frankrijk. Het werd opgebouwd door een reeks sedimentaire lagen van wisselende hardheid die aanleiding gaf tot plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes) en vlakten. Van het centrum naar de rand toe onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit de Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne, Berry, Campagne de Caen) en, in het oosten, de plateaus uit de Triastijd (Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië omvat, naast de kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord en Quercy ten noorden van de Garonne, de grote door rivieren versneden puinkegel, die zich waaiervormig aan de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan, Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes.
1.3 Hydrografie
De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral in Massif Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en hoogland van Normandië. Afgezien van een aantal kustrivieren behoort het Franse grondgebied tot zeven grote stroombekkens: die van de Loire, Seine, Garonne, Rhône, Maas, Rijn en Schelde. Men kan drie zones onderscheiden: 1. de Atlantische zone, die het gehele lage gebied tussen Vlaanderen en Aquitanië omvat; de rivieren worden er vooral gevoed door de neerslag en hebben een vrij regelmatig regime; 2. de bergzone, gekenmerkt door een onregelmatig regime met vrij beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich door tot in de zomer, ten gevolge van het smelten der gletsjers; 3. de Middellandse-Zeezone, gekenmerkt door een zeer onregelmatig regime (groot debiet in de winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij aanhoudend onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale overstromingen. Door een reeks regularisatiewerken tracht men dit gevaar thans te beperken.
1.4 Klimaat
Frankrijk vertoont sterke variaties in klimatologische omstandigheden, die samenhangen met de naar het oosten afnemende invloed van de Atlantische Oceaan, de invloed van de Middellandse Zee in het zuidoosten en de aanwezigheid van gebergten.
Ten gevolge van de langzame verwarming in het voorjaar en de langzame afkoeling in het najaar van het zeewater is nabij de kust de temperatuur in het najaar vaak belangrijk hoger dan in het voorjaar. Hoewel het grootste deel van Frankrijk een gematigd klimaat heeft - Cfb volgens Köppen (geen droog seizoen en meer dan vier maanden met een temperatuur tussen 10 en 22 °C) - liggen de waargenomen temperatuurextremen toch ver uiteen: Parijs met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C en een absoluut minimum van -16 °C.
De meeste neerslag valt langs de westkust, op vele plaatsen meer dan 1000 mm per jaar, met een maximum in het najaar. De minste neerslag valt in het zuidoosten: Avignon en Marseille, met 600 mm per jaar, waarbij zich zowel in het voor- als in het najaar een maximum vertoont naast een scherp minimum in juli. Overigens wordt de hoeveelheid neerslag voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van gebergten: Biarritz aan de voet van de Pyreneeën met bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de Alpen met bijna 1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend in het gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m hoogte gedurende ruim 200 dagen per jaar een sneeuwdek.
Het zonneschijnpercentage neemt in het algemeen naar de Middellandse-Zeekust toe, vooral gedurende de zomermaanden.
De windrichting is overwegend westelijk met echter daarnaast een voorkeur voor noordelijke richtingen. Tijdens noordelijke wind komt in het Rhônedal de mistral tot ontwikkeling. Andere lokale winden zijn de föhnachtige autan en de koude noordelijke bise.
1.5 Plantengroei
De rijke en afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere planten) en vegetatie van Frankrijk kunnen in vier hoofdgebieden worden verdeeld: Atlantisch, Midden-Europees, alpine en mediterraan; vooral de eerste twee gaan zeer geleidelijk in elkaar over. Beneden de boomgrens (in de Pyreneeën op 2500 m, Franse Alpen 1900 m, Auvergne 1500 m, Vogezen 1100 m) was Frankrijk oorspronkelijk vrijwel geheel met bos bedekt, thans voor ca. een vierde; grote wouden vindt men nog in het Bekken van Parijs (Fontainebleau, Compiègne), in Normandië, en bij Orléans. In vlakte en heuvelland van het Atlantische en Midden-Europese gebied bestaat het woud uit loofbos: eikenberkenbos op armere gronden, eikenhaagbeukenbos op voedselrijke gronden, beukenbos in de opgaande oude domaniale wouden, elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos meer is, vallen in het Atlantische gebied vooral de heiden op, waarin gaspeldoornsoorten en rode dopheide overwegen. De duinen met hun karakteristieke plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden, op Cotentin, in Charente-Maritime en in Les Landes (daar veelal bebost met zeeden). Beroemd zijn de orchideeënrijke kalkhellinggraslanden, door geheel Frankrijk verspreid. In de gebergten vindt men, van laag naar hoog: gordels van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud (eventueel met lork) en de alpine zone.
De mediterrane flora en vegetatie in het uiterste zuiden heeft een geheel eigen karakter. Het oorspronkelijke steeneikenbos is nagenoeg verdwenen en vervangen door maquis (altijdgroen doornstruweel), garrigue (een heideachtige vegetatie met o.a. dwergeik, lavendel en rozemarijn), olijfbossen, wijngaarden en cultures van vijg en amandel, aan de Côte d'Azur van sinaasappelen en citroenen.
1.6 Dierenwereld
De dierenwereld van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en Pyreneeën; de kusten van Atlantische Oceaan en Middellandse Zee hebben totaal verschillende fauna's, vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in zee. Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men een aantal verschillende elementen onder de dierenwereld aan. De genetkat bereikt in Frankrijk zijn noordgrens; de broedplaatsen van de flamingo in de Camargue (Rhônedelta) zijn de noordelijkste in Europa en het Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle mogelijke soorten van wild en vogels heeft bijgedragen tot de verarming van de fauna; nationale parken en reservaten zijn nog te gering in aantal om het voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te waarborgen.

ChateauAlleuseRodin BourgouisiePuyGriouLouvre

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer langzaam toe. Tussen de beide wereldoorlogen kende men zelfs jaren met een duidelijke bevolkingsvermindering. Na 1945 nam de bevolking weer sterk toe, mede dankzij een krachtige demografische politiek, de vooruitgang in de gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale voorzieningen. Vanaf het midden van de jaren zestig nam de bevolkingsgroei sterk af. Sinds 1977 is er sprake van een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer 13‰ en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij geboorte was voor vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73 jaar. Naast de natuurlijke bevolkingstoename is een aanzienlijk deel van de toename toe te schrijven aan de immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen, Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990 6,3% van de totale bevolking uit; de meesten (85%) wonen in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op Corsica.
Regionaal was de demografische groei zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk vertoont traditioneel een veel sterkere natuurlijke groei dan Zuid-Frankrijk. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106 inw. per km2, maar de bevolking is zeer ongelijk verspreid. Naast dunbevolkte, meestal centraal gelegen gebieden, zoals het Massif Central, de plateaus van het Parijse Bekken, Les Landes en het hooggebergte, zijn er dichtbevolkte gebieden, die vrij periferisch gelegen zijn, zoals de departementen Ville de Paris, Nord, Rhône, Val de Marne en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones met intensieve landbouw, hetzij, en vooral, industriële en stedelijke zones. Driekwart van de bevolking woont in de stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het overwicht van Parijs heeft een grote weerslag op de economie. Door de vorming van 'métropoles d'équilibre' (Nantes, Lille, Nancy, Strasbourg, Marseille, Bordeaux, Toulouse en Lyon) heeft men getracht het evenwicht in Frankrijk te herstellen en de groei van Parijs af te remmen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden Bretons gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in de westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen), Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon), Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica). Zie voorts Franse taal.
2.3 Religie
De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek, voor 4,5% islamitisch (overwegend soennitisch), voor 1,5% protestant, voor 1,3% joods en voor 0,3% Armeens-christelijk. Sinds de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme staatsgodsdienst. Sinds de scheiding van kerk en staat in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome benoemd (alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens hun aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud concordaat). De Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen.
Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de kracht van het protestantisme in Frankrijk gebroken (zie hugenoten). Door de wet van 1802 werden de protestantse kerken erkend. De voornaamste zijn: de Église Réformée de France, de Église de la Confession d'Augsburg d'Alsace et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en de Église réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen, baptisten, methodisten, vrije kerken): de Fédération protestante de France. Protestantse theologische faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele faculteiten. De invloed van de protestanten in Frankrijk is relatief groot.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in 1962) is Frankrijk een parlementaire republiek waarvan de door het volk bij algemeen stemrecht rechtstreeks voor zeven jaar gekozen president uitgebreide volmachten bezit. Hij vaardigt de door het parlement of door het volk (in geval van referendum) aangenomen wetten uit, tekent de besluiten van de ministerraad, die hij voorzit, benoemt de eerste-minister en kan in geval van nood het geheel van de wetgevende en uitvoerende macht tot zich trekken en de ontbinding der Nationale Vergadering uitspreken. De regering, aangevoerd door de eerste-minister, wordt op diens voorstel benoemd door de president. Zij bepaalt en geeft uitvoering aan de algemene politiek van de natie. Zij is verantwoording verschuldigd aan de Nationale Vergadering.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het parlement, dat uit twee kamers bestaat: de rechtstreeks voor vijf jaar gekozen Nationale Vergadering (Assemblée nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet rechtstreeks (in hoofdzaak door de leden van de conseils généraux - de departementale raden - en de gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden beklede senaat, die 321 leden telt (12 vertegenwoordigers van de Fransen in het buitenland en 13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt de senaat voor een derde vernieuwd. Stemrecht hebben alle Franse staatsburgers vanaf 18 jaar. Om gekozen te worden voor de Nationale Vergadering moet men minimaal 23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook Politieke organisatie.
3.2 Administratieve indeling
De Franse staat telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen. Het land kent verder: vier overzeese departementen, de 'Départements d'Outre-Mer' (DOM): Frans Guyana, Guadeloupe, Martinique en Réunion; drie overzeese gebiedsdelen, de 'Territoires d'Outre-Mer' (TOM): Frans Polynesië, de Wallis- en Futuna-eilanden en Nieuw Caledonië; de twee overzeese 'collectivités territoriales' Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon en enkele gebieden op de zuidpool, 'Les Terres Australes et Antarctiques Françaises (TAAF). De prefet, die aan het hoofd van iedere regio en ieder departement staat, is de vertegenwoordiger van de regering en van iedere afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld in arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet; de arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en deze op hun beurt in 36!433 gemeenten (90% van de gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De arrondissementen en kantons hebben slechts administratieve betekenis.
Frankrijk heeft vanouds een sterk gecentraliseerde bestuursvorm. Om het bestuur beter te doen functioneren zijn tussen 1982 en 1988 verschillende decentralisatiewetten ingevoerd teneinde een herverdeling van taken en bevoegdheden te bewerkstelligen. De regio's hebben een kwaliteit van 'collectivité territoriale' gekregen: publiekrechtelijke rechtspersonen met een uitgebreid pakket eigen rechten en verplichtingen. Verder voorziet de wet in de overdracht van executieve bevoegdheden van de prefet de la région en de prefet aan de voorzitters van resp. plaatselijk gekozen regionale raden (conseils régionaux) en departementale raden (conseils généraux). De regio Corsica heeft sinds 1981 een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties (het hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de Verenigde Naties, UNESCO, is in Parijs gevestigd), de EU, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; hoofdkwartier in Parijs), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en de NAVO. In 1966 heeft Frankrijk de beschikbaarstelling van zijn strijdkrachten aan het geallieerd NAVO-commando beëindigd; wel bleef Frankrijk politiek lid van de NAVO. Na de Koude Oorlog kwamen gesprekken tussen Frankrijk en de NAVO op gang en werd afgesproken dat het land betrokken zou worden in besprekingen over de nieuwe doelstellingen van de NAVO.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer de kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de stemmen in zijn kiesdistrict op zich weet te verenigen, is hij direct gekozen. Slaagt hij daarin niet, dan volgt een tweede ronde waarin een enkelvoudige meerderheid voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen alleen twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald tijdens de eerste ronde, meedoen aan de tweede ronde. Voorwaarde bij de parlementsverkiezingen is dat de kandidaat in de eerste ronde ten minste 12,5% van de stemmen heeft behaald.
De invoering van rechtstreekse presidentsverkiezingen heeft een hergroepering van de grote politieke formaties en een polarisatie van de politieke strijd tot gevolg gehad.
Van de talrijke partijen en bewegingen zijn de belangrijkste ter linkerzijde de Parti Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF) en de Mouvement des Radicaux (MRG).
De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van verschillende socialistische partijen, staat een gematigd socialisme voor. Haar ontwikkeling loopt voor een belangrijk deel samen met die van oud-president Mitterrand.
De PCF, opgericht in 1920, kende haar bloeitijd tussen 1968, toen zij zich van 'Moskou' afkeerde ten gunste van het zgn. 'eurocommunisme', en 1984 toen er door een breuk met de PS een einde kwam aan haar regeringsverantwoordelijkheid. In 1986 was 75% van haar kiezers jonger dan 30 jaar. In 1987 ontstond een splitsing binnen de partij tussen de 'traditionalisten' (onder leiding van Georges Marchais) en degenen die modernisering van de partij voorstonden (onder leiding van Pierre Juquin). Na de val van de communistische regimes in Oost-Europa in 1989 kwam de partij onder grote druk te staan.
De MRG, in 1972 onder de naam Mouvement de la Gauche Radicale-Socialiste afgesplitst van de Parti Républicain Radical et Radical-Socialiste, hecht aan een humanistisch socialisme.
De belangrijkste partijen ter rechterzijde zijn de Rassemblement pour la République (RPR), de Parti Républicain (PR) en het Centre des Démocrates Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door Jacques René Chirac opgerichte opvolgster van de gaullistische UDR en steunt vooral op de oudere conservatieve kiezers. De PR (tot 1977 Républicains Indépendants) werd opgericht door Valéry Giscard d'Estaing in 1966 en volgt een gematigder, meer pragmatische koers dan de RPR. De CDS, ontstaan in 1976 uit een fusie van het Centre Démocrate en het Centre Démocratie et Progrès, draagt als bijnaam de 'Unie van het midden'.
De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union pour la Démocratie Française (UDF), samengesteld uit de PR, het CDS en een deel van de Parti Radicale Socialiste (PRS). Het Front National (FN) van Jean-Marie Le Pen, opgericht in 1972, is een extreem-rechtse politieke partij, die vooral sedert het midden van de jaren tachtig een belangrijke politieke machtsfactor is geworden. Zij behaalde 15% van de stemmen bij de parlementsverkiezingen van 1995. Les Verts (De Groenen), in 1984 ontstaan uit het samengaan van de Confédération Écologiste en de Parti Écologiste, staan een politiek voor die ecologie als uitgangspunt heeft.
Slechts 10% van het werkende deel van de bevolking is aangesloten bij een vakbond. De grootste vakbond is de Confédération Générale du Travail (CGT) met 855!000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in 1947 af van de CGT. Haar leden (ca. 1 miljoen) zijn vnl. socialisten en links-radicalen. De Force Ouvrière is de meest gematigde van de grote vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération Française Démocratique du Travail (CFDT), de sinds 1964 geseculariseerde voortzetting van de Confédération Française des Travailleurs Chrétiens (CFTC; opgericht in 1919), met 558.000 leden. Als kleinere verenigingen moeten nog de Fédération de l'Éducation nationale met 395.000 leden worden genoemd (Vereniging van leraren) en de christelijke kern van de zelfstandig voortbestaande CFTC met 260.000 leden. Ook boeren en leidinggevende functionarissen beschikken over eigen organisaties.

4. Economie
4.1 Inleiding
De industriële ontwikkeling kwam in Frankrijk pas laat op gang en tot de Tweede Wereldoorlog waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de landbouw. Een belangrijke wijziging in de economische politiek na 1945 vormde de instelling van een algemeen planbureau, waardoor de invloed van de overheid sterk toenam. De door het planbureau opgestelde plannen moeten door het parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo werd in 1945 de nationalisatie van de energiesector, de vier grote bankinstellingen, de grote verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het openbaar vervoer. De relatief geringe schade tijdens de Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de Marshallhulp, snel overwonnen. De Franse staat voerde een krachtige expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende inflatie en devaluatie van de franc. De integratie in Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de planpolitiek waarin overheid, particulier bedrijfsleven en vakbeweging nauw samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de industrie (m.n. de mijnbouw, metaalverwerking, elektronica en petrochemische industrie); de bedrijven, voor zover niet genationaliseerd, bereikten door concentraties Europees formaat. Sinds 1945 is de industriële productie snel gestegen. Tussen 1970 en 1980 was er, ondanks de teruggang in 1975 als gevolg van de internationale recessie, sprake van een productiestijging van 33%. In de jaren 1980-1982 stagneerde de groei. Evenals de meeste industrielanden had Frankrijk in de jaren tachtig te kampen met hoge inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra, Saint-Gobain en Bull) moesten Frankrijk de middelen verschaffen om een coherent industriebeleid te voeren en om machtsconcentraties te beperken. Sinds 1983 schommelde de productiestijging tussen 1 en 2%, maar in 1988 vertoonde de industrieproductie een stijging van 4,5%. Een vijfjarenplan, opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren. Met de verkoop van staatsbedrijven hoopte men de staatsschuld te verminderen. Zowel stagnatie in de industrie als herstructurering van genationaliseerde bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid (in 1994: 12,3%). Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling op, veroorzaakt door een goede financieringspolitiek, dalende olieprijzen en belastingverlichting. De economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%, in 1995 2,8% en de inflatie daalde in die periode tot 2,9%, in 1996 tot 1,6%.
De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische sectoren (1994) is: landbouw: 5%; industrie: 27% en dienstensector: 68%. Vrouwen maken (1987) 43, 3% van de beroepsbevolking uit, buitenlandse werknemers 6,3%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Frankrijk bezit met 320.000 km2 cultuurgrond (ca. 60% van de totale landoppervlakte) het grootste landbouwareaal in de EU (eenderde van alle landbouwgrond in de EU). Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend grasland en bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit, olijven, wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van de bedrijfsgrootte (o.a. door herverkaveling en coöperaties) en mechanisatie vormen een belangrijke bijdrage tot de productiestijging per ha. Het streven is de gemiddelde bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren door uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er 924.000 boerenbedrijven, 600.000 minder dan in 1970). Ruim de helft van alle agrarische bedrijven wordt in eigendom bewerkt.
De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op de leemplateaus van het Bekken van Parijs en in het noorden (tarwe, suikerbieten, koolzaad, vlas). Ook de Elzas, de grote riviervalleien en de geïrrigeerde zones van het zuiden zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt vooral in de Elzas en in Frans-Vlaanderen geteeld. Cultuur van haver en gerst is meer verspreid; behalve in de hierboven genoemde gebieden is zij ook elders in Noord-Frankrijk belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne). Maïs wordt verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst (sterk teruggelopen in de jaren zeventig) in de Camargue. Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral gelokaliseerd in de valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor rond Parijs, in de kuststreken van Bretagne, in de Elzas en Frans-Vlaanderen. De Franse wijnverbouw omvat hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk neemt een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van producenten van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker (zesde) en wijn (eerste).
Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in Europa. Veehouderij is verspreid over het hele land. Runderen vindt men vooral in de Atlantische zone: Normandië, Bretagne, Picardië en Frans-Vlaanderen. Ook de randgebieden van het Massif Central zijn belangrijke rundveestreken. De schapenhouderij, die vooral in het Massif Central, rond de Rhônemonding en in de Pyreneeën beoefend wordt, is belangrijk èn voor het vlees èn voor de kaas.
Algemeen is er ook in de veehouderij een sterke tendens tot mechanisatie, uitbreiding der landbouwcoöperaties en herverkaveling, terwijl grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc, Basse Durance, Rhônevallei) de landbouw van het mediterrane gebied hervormen.
Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van woeste gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in 1995 27% van het totale landoppervlak. Tevens wordt het bestaande bosbestand verbeterd. Ca. B van het bos bestaat uit loofbomen. De aanplant van naaldbomen wordt snel uitgebreid wegens het hoger rendement. Een derde van de beboste grond staat onder toezicht van de staat; de rest is in handen van particulieren en is als gevolg van verspreide ligging niet geschikt voor exploitatie. Er werken 550!000 mensen in de bosbouw en de houtindustrie.
Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen belangrijke sector van de economie. Europese richtlijnen (vangstquota) verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan 0, 1% van de totale beroepsbevolking werk. Zij omvat naast kustvisvangst ook, maar in steeds mindere mate, diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor Bretagne: Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor de Golf van Biskaje: La Rochelle, Bayonne; voor de Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen kennen een sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan, Bouzigues. Mosselen in o.a. de Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De kolenmijnen zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd door het Bekken van Lotharingen, ca. een kwart door de kleine bekkens in Zuid- en Midden-Frankrijk (vooral rond het Massif Central) en de rest door het Bekken van het Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de ontwikkelingen op het gebied van kernenergie wordt de productie geleidelijk afgebouwd (in 1976 nog 22 miljoen ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1990 geschat op 11 miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen ton ingevoerd.
De (kleine) aardolieproductie is grotendeels afkomstig van de velden van Parentis-en-Born in Les Landes, voorts uit het Bekken van Parijs. De productie van aardgas (Lacq) stagneert na een jarenlange sterke stijging. Een daling wordt voorzien, indien op korte termijn geen nieuwe gasbellen worden ontdekt. Het gas wordt vnl. verdeeld in Zuidwest-Frankrijk.
Frankrijk is lange tijd de belangrijkste ijzerproducent van Europa geweest, vooral dankzij de ijzerertsformaties in Lotharingen. De productie is echter sterk gedaald (1970: ca. 56 miljoen ton, 1993: 3,6 miljoen ton) als gevolg van een tekort aan afzetmarkten en concurrentie van veel rijkere ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in Zweden. Naast een geringe productie van zinkerts en looderts (Pyreneeën, Alpen), uraanerts (Massif Central en Bretagne) en andere minder belangrijke grondstoffen heeft Frankrijk een belangrijke productie van aluminiumerts in de Provence (Frankrijk is na Duitsland de belangrijkste producent van aluminium in de EEG), kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen, Franche-Comté).
Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk gestegen. Nog maar 10% van de elektrische energie is afkomstig van thermische centrales, ca. 20% van waterkrachtcentrales en ruim 70% van kerncentrales. Voor de levering van aardolie is Frankrijk sterk afhankelijk van het Midden-Oosten, voor aardgas van Algerije (36%) en Nederland (14%), voor kolen van Duitsland, Polen en Zuid-Afrika. Om in de toekomst zoveel mogelijk zelfstandig in zijn energiebehoefte te kunnen voorzien heeft Frankrijk de ontwikkeling van kernenergie een hoge prioriteit gegeven en is door een versneld uitgevoerd energieprogramma het gebruik van kernenergie snel toegenomen.
4.4 Industrie
Na een fase van exceptionele groei in de jaren zestig (verdubbeling van de productie) kreeg de industrie, evenals andere sectoren van de economie, te lijden van de crisis. Niettemin steeg de industriële productie mede door de sterk gepropageerde schaalvergroting. De belangrijkste industriegebieden liggen in het noordoosten, ten oosten van de lijn Le Havre-Marseille. Het Parijse stadsgewest is een groot centrum van de verwerkende industrie (auto's, elektrisch en elektronisch materiaal, farmaceutische en fotografische producten). Naast de researchlaboratoria, de 'haute couture', de 'articles de Paris' (sieraden, juwelen, parfums) en de uitgeverijen zijn ook de voedingsmiddelen- en de verwerkende metaal- en de meubelindustrie er bijzonder goed vertegenwoordigd. De industriegebieden van het noorden en noordoosten (Elzas-Lotharingen) zijn de belangrijkste centra van zware metallurgie, tevens van chemische industrie. De textielindustrie heeft er een oude traditie.
Als derde groot Frans industriegebied fungeert rond Lyon het gebied van Rhône en Alpen. Het oude textielgebied rond Lyon en de oude steenkool- en metallurgiekernen van St-Étienne en Le Creusot kennen een nieuwe ontwikkeling dankzij uitbreiding van de metaalconstructie en (organische) chemische industrie en vooral de goedkope waterkrachtenergie, die in de Alpen de stoot gaf tot moderne elektrochemische en elektrometallurgische bedrijven.
Secundaire industriezones zijn die aan de Middellandse-Zeekust, waar zoutpannen, bauxietmijnen, het aardoliecomplex van Berre en de oude vetstofverwerkende industrie de basis vormen voor een moderne chemische en aluminiumindustrie; er is voorts metaalconstructie, scheepsbouw en meststofproductie. Zuidwest-Aquitanië is een groeiend industriegebied dankzij de elektrochemische en metallurgische bedrijven in de Pyreneeën, de chemische bedrijven van Lacq en de vliegtuigbouw van Toulouse. In Bretagne zijn naast de oude voedingsnijverheid en scheepsbouw ook de auto-industrie en de elektronische constructie sterk uitgebreid. De Franse regering tracht de decentralisatie te bevorderen.
In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse industrie afgekondigd. Dit plan voorziet o.a. in subsidiemaatregelen voor bedrijven die zich in stimuleringsgebieden vestigen en arbeidsplaatsen creëren.
Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het noorden is het belangrijkste centrum voor de wol- en vlasweefsels, maar is ook een belangrijke katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de streek van de Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral gespecialiseerd in katoen. Lyon is het grote productiegebied van de synthetische en kunstmatige vezelverwerking. In de Languedoc is Mazamet een gespecialiseerde producent van wollen weefsels. De textielindustrie is overigens in de jaren zeventig verder achteruitgegaan. Confectie is naast Parijs en het noorden verspreid over alle grote centra en vormt een belangrijk uitvoerproduct. De uiterst gediversifieerde metaalconstructie omvat vooral productie van auto's (Parijs c.a., Bretagne, Lyon, Noord-Jura en sinds de jaren tachtig, in het kader van de industriële herstructurering, in het noorden en in Lotharingen om zodoende nieuwe arbeidsplaatsen te creëren na het verval van de ertswinning), scheepsbouw (St-Nazaire, Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving Marseille), vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch materiaal, o.m. Compagnie Générale d'Électricité (te Parijs [60%], Lyon, Grenoble). Le Creusot is het centrum van de belangrijke wapenindustrie. Voedingsmiddelenindustrie is sterk verspreid; naast de conservenfabrieken van Bretagne en de biscuiterieën van Nantes is Parijs het belangrijkste centrum.
4.5 Handel
Frankrijk is na Duitsland de grootste exporteur van West-Europa (4de op de wereldranglijst). Handelsbetrekkingen worden hoofdzakelijk met de andere EG-landen onderhouden (ruim 50% van de uitvoer en ruim 49% van de invoer in 1988), alsmede met de geassocieerde staten. De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland, België en Luxemburg, Italië, Nederland en de Verenigde Staten.
De export bestaat vooral uit agrarische producten (wijn, graan, boter en kaas), halffabrikaten, machines, apparaten en auto's. De auto-industrie ondervindt echter sterke concurrentie van de Japanse auto-industrie. Belangrijke importgoederen zijn grondstoffen en energiebronnen, halffabrikaten, industriegoederen en agrarische producten (vooral tropische producten, katoen en wol). Frankrijk kampte tot 1992 met een tekort op de handelsbalans, vnl. door de slechte concurrentiepositie die de industrie van het land inneemt ten opzichte van die in andere, westerse landen. Het overschot op de handelsbalans bedraagt de laatste jaren zo'n $ 5 miljard.
4.6 Bankwezen
De centrale bank is de Banque de France, opgericht in 1800. Meer dan in enig ander land heeft deze zich ontwikkeld tot 'bank der banken', in die zin dat door het overige bankwezen in belangrijke mate beroep op de herdiscontofaciliteiten wordt gedaan. Frankrijk is de bakermat van de 'Crédit mobilier' (opgericht in 1852). Door het verstrekken van lange-termijnleningen en ook kapitaaldeelneming werd de financiering van de industrie vergemakkelijkt. Ofschoon de Crédit mobilier ten slotte van het toneel verdwenen is, heeft het principe echter ook bij andere nadien opgerichte grote banken een belangrijke rol gespeeld.
In 1945 werden, naast de Banque de France, ook de vier belangrijkste depositobanken genationaliseerd (Crédit Lyonais, Société Général, Comptoir National d'Escompte de Paris en Banque Nationale pour le Commerce et l'Industrie). De beide laatste banken fuseerden in 1966 onder de naam Banque Nationale de Paris tot de grootste depositobank van het land. De belangrijkste kredietinstelling is de onder het ministerie van Landbouw vallende Crédit agricole, die vnl. de financiering van landbouw en regionale economie regelt. In 1982 werden nog eens 32 banken genationaliseerd, wat 95% van alle deposito's onder staatstoezicht bracht. Tussen 1986 en 1988 werd een aantal grote banken (o.a. de Société Générale en de Crédit agricole) geprivatiseerd. Voor het algemene toezicht is de Commission de Contrôle des Banques, onder leiding van de minister van Financiën en de gouverneurs van de Banque de France, verantwoordelijk. Het kredietbeleid - belangrijk bij staatsinvesteringen - wordt door de Conseil National du Crédit bepaald.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
De Franse ontwikkelingssamenwerking is grotendeels gericht op de voormalige koloniën en op de overzeese gebiedsdelen en departementen. De particuliere hulpverlening is traditioneel gericht op de Afrikaanse landen van de franc-zone. De hulp vindt plaats in de vorm van giften, leningen en het verstrekken van technici en onderwijskundigen.
4.8 Verkeer en toerisme
Frankrijk bezit een goed uitgebouwd verkeersnet, dat wat spoorwegen en wegen betreft radiaal naar Parijs gericht is. Het wegennet omvat 829.000 km, waarvan ca. 7400 km autosnelweg en 29.000 km hoofd- en nationale wegen. Het spoorwegnet omvat ca. 35.000 km spoor en is vooral in Noord-Frankrijk vrij dicht. Meer dan 80% van de lijnen is geëlektrificeerd. Sinds 1981 rijdt de supersnelle TGV-trein (Train à Grande Vitesse) die steden als Lyon, Bordeaux en Nice, maar ook Brussel en Amsterdam op korte afstand van Parijs brengt. Er zijn uitbreidingen voorzien via Straatsburg naar Duitsland en naar Spanje en Italië. De binnenvaart beschikt over een net van 8600 km waterwegen. Het grootste deel van dit net is echter slechts geschikt voor schepen met kleine tonnemaat en is praktisch buiten gebruik. Een druk verkeer en vervoer kennen echter de Seine, de gekanaliseerde Rijn en de Moezel, de meeste kanalen van Noordoost-Frankrijk en het in 1988 gerealiseerde Rhône-Rijnkanaal, dat Rotterdam met de Middellandse Zee verbindt. Verschillende nieuwe waterwegen zijn in aanbouw, o.a. Seine-Noord-Oost, die Parijs met Lille en de Moezel moet verbinden, en Middellandse Zee-Rijn, die een hoge prioriteit heeft. De belangrijkste binnenhavens zijn Parijs, Rouen en Straatsburg. De handelsvloot is voor een belangrijk deel staatsbezit. Van de vele zeehavens zijn Le Havre, Marseille, Duinkerken en Nantes-St.-Nazaire de belangrijkste. Luchtverkeer. Air France, voor 70% staatseigendom, is de grootste luchtvaartmaatschappij. UTA richt de meeste van zijn vluchten op Afrika en Air Inter verzorgt het binnenlands vliegverkeer. De belangrijkste luchthavens zijn: Charles de Gaulle, Orly en Le Bourget (gesloten voor internationaal verkeer) bij Parijs en de luchthavens van Nice, Lyon en Marseille.
Toerisme vormt een belangrijke factor in de economie. Ieder jaar bezoeken ca. 61 miljoen buitenlanders Frankrijk. Na Duitsers maken Belgen, Nederlanders en Engelsen het grootste deel van het totale aantal toeristen uit.

5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie
De oudste sporen van de mens vormen enkele groepen pebble tools uit het begin van het Pleistoceen, te dateren tussen 1 miljoen en 400.000 jaar geleden. De oudste menselijke schedel is die van Tautavel/Arago (Aude), ongeveer 400.000 jaar oud. Frankrijk is bijzonder rijk aan overblijfselen uit het paleolithicum en is de bakermat van de studie van die periode. De klassieke opeenvolging van culturen is als volgt: na de pebble tools komen de vuistbijlculturen (Abbevillien, Acheuléen en Moustérien) met hun diverse facies. De vondsten stammen uit rivierterrassen en de onderste lagen van grotvullingen. Van de laat-paleolithische klingenculturen (resp. Aurignacien/Perigordien, Solutréen en Magdalénien) zijn naast de afvallagen in grotten en abris ook kampplaatsen in de openlucht teruggevonden. De rijkdom aan grotschilderingen en graveringen en de vele, vaak kunstig gesneden, benen werktuigen (vooral in Dordogne) geven het Franse laat-paleolithicum een unieke plaats in de geschiedenis van de mens. Deze artistieke bloeiperiode ging tijdens het Azilien (8500 v.C.) verloren.
Na de gelijktijdige mesolithische culturen Sauveterrien (Zuid-Frankrijk) en Tardenoisien (Noord-Frankrijk), gekenmerkt door het algemeen voorkomen van microlithen, volgt de introductie van akkerbouw en veeteelt langs twee wegen. Ten eerste omstreeks 5500 v.C. via processen van geleidelijke cultuuroverdracht langs de Middellandse-Zeekust (o.a. Cardiumcultuur) en voorts omstreeks 4800 v.C. vermoedelijk als kolonisatie vanuit het Rijnland, via het Moezeldal naar het Bekken van Parijs (bandkeramiek). Het neolithicum kende een groot aantal kleine, regionale groepen, met alleen het Chasséen als grote, vrijwel het gehele land omvattende eenheid, tussen 4200 en 3200 v.C. Megalieten werden vooral langs de Atlantische kust gebouwd, m.n. in Bretagne, waar de oudste ca. 4800 v.C. zijn gedateerd. Naast de dolmens en allées couvertes zijn er tal van menhirs bekend en enkele enorme, veelvoudige rijen van dergelijke stenen (alignements) in de omgeving van Carnac.
In de bronstijd ontstond in Bretagne een centrum van bronsindustrie en -handel. De urnenveldencultuur breidde zich in de late bronstijd geleidelijk vanuit het Rijnland over geheel Frankrijk uit. De ijzertijd omvat de Hallstatt- (750-450 v.C.) en de La Tène-cultuur (450-50 v.C.). Van groot belang in deze periode was de stichting van de Griekse kolonie Massilia (Marseille), welke het Rhônedal in (handels)contact bracht met de klassieke wereld. In de hoogteversterking van Mont-Lassois en vooral het rijke vrouwengraf van Vix (bij Châtillon-sur-Seine) demonstreren Attisch import-aardewerk en bronzen tafelgerei deze betrekkingen. De ontwikkeling van de La Tène-kunst en de steensculptuur in Zuid-Frankrijk is mede op deze contacten terug te voeren. In de La Tène-periode kwam in Noord-Frankrijk de Marne-cultuur tot bloei. Een groot aantal zgn. vorstengraven in het Bekken van Parijs en Lotharingen wordt gekenmerkt door de bijgifte van bronzen vaatwerk (wijnkannen uit Etrurië) en zelfs complete (pronk)wagens. Deze rijke graven wijzen op het bestaan van een sociale elite in een maatschappij met feodale trekken. Met de Gallische oorlogen van Caesar (58-51 v.C.) en zijn inlijving van Gallia bij het Romeinse Rijk eindigt de prehistorie.
5.2 Middeleeuwen
Besloeg het grondgebied van het huidige Frankrijk in de oudheid de Romeinse provincie Gallia, later maakte het deel uit van het Frankische Rijk. Na het Verdrag van Verdun (843) kwam het gebied ten westen van Schelde, Maas, Saône en Rhône onder Karel de Kale (840-877). Binnen dit gebied maakten diverse territoriale vorsten zich los van het weinig effectieve koninklijke gezag van diens opvolgers. Onder Karel III de Dikke (884-888) werd tijdelijk het Frankische eenheidsrijk hersteld, maar in 887 werd Karel afgezet en evolueerden het West- en het Oost-Frankischee rijk definitief tot wat Frankrijk en Duitsland mogen worden genoemd.
Nadat Odo (888-898) het rijk krachtig tegen de Noormannen had verdedigd, sloot Karel III de Eenvoudige (898-929) een akkoord te St-Clair-sur-Epte (911) met hun leider Rollo, waardoor deze zich tot Normandië zou beperken. Robert I (922-923), Rudolf van Bourgondië (923-936) en Lodewijk IV (936-954) dienden al hun energie te besteden aan de strijd tegen de grote vazallen. Op het einde van de 9de en het begin van de 10de eeuw ontstonden als gevolg van het feodale stelsel een aantal territoriale vorstendommen, waaronder Vlaanderen en Normandië. Pogingen van Lotharius (954-986) om het koninklijk domein met Lotharingen uit te breiden mislukten (978). Met Lodewijk V (986-987) stierf het Karolingische Huis uit. Dank zij Duitse steun werd toen Hugo Capet (987-996) tot koning gekozen en ving de dynastie der Capetingenaan.
De grootste verdienste van Hugo Capet en zijn opvolgers ligt in het feit dat zij de monarchie vrijwel erfelijk wisten te maken. Ten zuiden van de Loire was hun gezag echter geheel afwezig en ten noorden ervan steunde het grotendeels op de trouw van enkele bisschoppen. Onder de eerste grote Capetinger Lodewijk VI de Dikke (1108-1137) kon de koning voor het eerst de grote vazallen tot de orde roepen en zelfs in hun interne aangelegenheden tussenbeide komen. Hij wist met succes de territoriale vorsten in te zetten tegen een invasie van de Duitse keizer (1124). Zijn zoon Lodewijk VII (1137-1180) slaagde erin, na zijn huwelijk met Eleonora van Aquitanië, zijn invloed tot de Pyreneeën uit te breiden. In 1152 liet hij zich van Eleonora scheiden; deze huwde spoedig de machtige Hendrik Plantagenet, die aldus Zuid-Frankrijk kon toevoegen aan zijn machtssfeer, die reeds Normandië, Anjou, Maine en Touraine omvatte. In 1154 werd Hendrik koning van Engeland (Hendrik II): zo ontstond een rijk dat een sterke bedreiging vormde voor de uitbouw van het Franse koninkrijk. Filips II August (1180-1223) breidde het kroondomein aanzienlijk uit, o.m. met Anjou, Artesië, Maine, Normandië, Poitou, Touraine en Vermandois. Filips' overwinning te Bouvines (1214) op de Engels-Duits-Vlaamse coalitie bevestigde zijn prestige op binnen- en buitenlands gebied. Voortaan achtte de koning het niet meer nodig zijn opvolger reeds vóór zijn dood te laten kronen. Na de korte regering van Lodewijk VIII (1223-1226) nam zijn kordate weduwe Blanche van Castilië het regentschap waar voor haar minderjarige zoon Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) en verwierf in 1229 een deel van Languedoc. Lodewijk IX voltooide de bestuurlijke organisatie van Filips met het kader van baljuws en seneschalken. Onder Filips III (1270-1285) werd het kroondomein nog met Toulouse (1271) uitgebreid. Met Filips IV de Schone (1285-1314) nam het koningschap een absolutistisch karakter aan. Ondanks optreden tegen de Engelse koning bleef Guyenne aan Engeland. Het langdurige conflict met Rome liep uit op de benoeming van een aan de koning onderworpen paus, Clemens V (1305), die zich in Avignon vestigde. Drie zonen van Filips IV hebben hun vader achtereenvolgens opgevolgd: Lodewijk X (1314-1316), Filips V (1316-1322) en Karel IV (1322-1328), de laatste uit de rechtstreekse linie der Capetingen.
Aan de macht kwam Filips VI, zoon van Karel van Valois (1328-1350). Ook de Engelse koning, Eduard III, maakte aanspraken op de Franse kroon. Dit leidde tot een lang Frans-Engels conflict: de Honderdjarige Oorlog. Veel successen behaalden Filips VI en zijn opvolger Jan II (1350-1364) in die strijd niet. Franse nederlagen volgden elkaar op en interne moeilijkheden putten de Franse reserves uit. Karel, zoon van Jan II (de latere Karel V), sloot, als regent voor zijn gevangen vader, de Vrede van Brétigny (1360), waardoor Aquitanië, Ponthieu en Calais aan de Engelse vorst in volle soevereiniteit werden afgestaan. Daarentegen werd Bourgondië verworven (1361). Onder Karel V (1364-1380) wist Frankrijk zich ten dele te herstellen. Toen Karel VI (1380-1422) in 1392 krankzinnig werd, werd hem een regentenraad toegevoegd, waarin o.m. de hertogen van Bourgondië, Anjou en Orléans zitting hadden. De rivaliteit spitste zich toe tussen Jan zonder Vrees en Lodewijk van Orléans (de Bourgondiërs en de Armagnacs). De Engelse koning maakte van deze tweespalt gebruik om Frankrijk binnen te vallen en te verslaan bij Azincourt (1415). De Bourgondiërs schaarden zich na de moord op Jan zonder Vrees (1419) trouwens aan de zijde van de Engelsen. Een ommekeer in de strijd bracht het succesvol optreden van Jeanne d'Arc, die echter onvoldoende steun ontving van de apathische koning Karel VII (1422-1461). De machtsverhoudingen veranderden, toen in 1435 de Bourgondiër Filips de Goede opnieuw de Franse zijde koos. Uiteindelijk slaagde Karel VII erin Normandië (1449-1450) en Guyenne (1451-1453) definitief aan de Engelsen te ontnemen, hetgeen een eind maakte aan de Honderdjarige Oorlog.
Absolutistische trekken werden duidelijk onder Lodewijk XI (1461-1483), ondanks de dreiging van adelsopstanden (de Guerre du Bien Public, 1465), gesteund door de Bourgondische hertog, Karel de Stoute (1433-1477), die zelfs de Engelse vorst tegen de Franse in het gelid wist te brengen. Uiteindelijk won de sluwe Lodewijk XI het pleit door geheime steun en uitkoping van Karels tegenstanders in Luik en Zwitserland. Na Karels dood werden diens landen Bourgondië en Picardië aan de kroon getrokken, in 1481 ook Anjou, door het uitsterven van dat vorstenhuis. Karel VIII (1483-1498) verwierf Bretagne als gevolg van zijn huwelijk met Anna van Bretagne (1491).
5.3 De 16de eeuw
De tegenstelling Valois-Bourgondië, uitgegroeid tot een strijd tussen Valois en Habsburg, woedde niet slechts in de Nederlanden, maar sinds 1494 ook in Italië om Napels en Milaan. De Italiaanse oorlogen waren slechts de inzet en een onderdeel van de strijd die vooral door Frans I (1515-1547) werd geleverd tegen de Habsburgse omsingeling. Bij de Vrede van Cateau-Cambrésis (1559) gaf Frankrijk Italië, Vlaanderen en Artesië prijs, maar het lijfde Metz, Toul en Verdun, alsmede Calais in. Sinds 1562 werd het land verscheurd door de religieuze en politieke partijstrijd tussen de hugenoten, geleid door de Bourbons, en de katholieken onder de Guises, waartussen de zwakke kroon trachtte te schipperen. Na de moorden op hertog Hendrik de Guise (1588) en op koning Hendrik III (1589) kwam de troon toe aan de Bourbonse hugenoot, Hendrik van Navarra. Door zijn overgang tot het katholicisme nam deze als Hendrik IV (1589-1610) de katholieke Liga de wind uit de zeilen en in 1598 (Verdrag van Vervins) wist hij met Spanje, dat openlijk zijn tegenstanders had gesteund, vrede te sluiten. Hetzelfde jaar verleende hij godsdienstvrijheid aan de hugenoten (Edict van Nantes) en ging zich, bijgestaan door minister Sully, toeleggen op het economisch herstel van het land.
5.4 De absolute monarchie
Aan de hof- en adelsintriges tijdens het regentschap van Maria de Médicis (1610-1617) en de eerste jaren van het persoonlijk bewind van Lodewijk XIII (1610-1643) maakte het krachtdadig beleid van minister Richelieu (1624-1642) een einde. De hugenoten werden in 1628 als politieke macht uitgeschakeld; de adel en de parlementen verloren hun invloed en na 1614 kwamen de Staten-Generaal niet meer bijeen. Om de Habsburgers te vernederen, aarzelde de kardinaal-minister niet in de Dertigjarige Oorlog in te grijpen aan de zijde van de protestantse mogendheden. Zijn opvolger Mazarin (1642-1661) kon daardoor bij de Vrede van Westfalen (1648) de Franse oostgrens afronden met een goed deel van de Elzas. Het neerslaan van het heftig verzet van de adel en de parlementen, de zgn. Frondes van 1648 tot 1653, opende definitief de weg voor de absolute monarchie. De strijd tegen de Spaanse Habsburgers kon daarna met kracht worden doorgevoerd. Door de Vrede van de Pyreneeën (1659) moesten zij Artesië, een strook van Henegouwen en Roussillon afstaan. Het Spaanse huwelijk van Lodewijk XIV (1643-1715) opende zelfs vooruitzichten op de troon van Spanje. Frankrijk scheen meester van Europa en de koning was meester in Frankrijk. De eens zo rumoerige adel verdrong zich aan het schitterende hof van de Zonnekoning te Versailles of diende in het door Le Tellier en Louvois gereorganiseerde leger. Minister Colbert (1662-1683) bevorderde krachtig de industrie, de handel en de overzeese kolonisatie, en in het bijzonder de opbouw van een krachtige zeemacht, maar zijn mercantilisme verwaarloosde de landbouw. De herroeping van het Edict van Nantes (1685) had, door de massale emigratie van de hugenoten die erop volgde, de economie (met name de industrie) een zware slag toegebracht. De Devolutie-oorlog (1665-1669) en de Hollandse Oorlog (1672-1678) verschaften Lodewijk, ten koste van Spanje, Franche-Comté en talrijke grenssteden in de Zuidelijke Nederlanden. In vredestijd liet hij, ten dele op grond van de interpretatie van de vredesverdragen door zijn eigen Chambres de Réunion, de rest van de Elzas en Luxemburg bezetten. De Europese coalities, georganiseerd door de Hollandse stadhouder Willem III, sinds 1688 ook koning van Engeland, hebben in de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successie-oorlog (1701-1714) Lodewijks plannen gedwarsboomd en het Europese evenwicht gehandhaafd.
Het lichtzinnig beleid van de regent, Filips van Orléans (1715-1723), en van Lodewijk XV (1715-1774) zelf heeft het regime diep geschokt. Het gedeeltelijk staatsbankroet (1720) ten gevolge van de financiële manipulaties van Law droeg daar veel toe bij. Na de dood van minister Fleury (1743) regeerde Lodewijk XV persoonlijk, maar liet zich leiden door gunstelingen of vrouwen (Madame de Pompadour). De militaire successen in de Oostenrijkse Successie-oorlog (1740-1748) wierpen geen vruchten af. In de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), die Frankrijk aan de zijde van zijn oude vijand Oostenrijk voerde, ging de suprematie ter zee en in de koloniale wereld voorgoed op Engeland over. Het Bourbonse familieverdrag met Spanje, Napels en Parma (1761), door minister Choiseul in het leven geroepen, kon niet verhinderen dat Canada, Louisiana en de Franse invloed in Voor-Indië verloren gingen. Choiseul kon niettemin nog Lotharingen inlijven (1766) en Corsica aankopen (1768). Onder de regering van de zwakke Lodewijk XVI (1774-1792) werd een aantal financiële hervormingen doorgevoerd door de ministers Turgot (1774-1776) en Necker (1776-1781). In hun halfslachtigheid voldeden zij echter de burgerij niet meer. De deelname aan de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1778-1783) verbeterde wel het Franse internationale prestige, maar verscherpte het staatsdeficit. De financiële nood dwong de regering uiteindelijk tot het samenroepen van de Staten-Generaal, voor het eerst sinds 1614.
5.5 De revoluties
Door gebrek aan initiatief bij de zwakke regering kon de derde stand zichzelf uitroepen tot Nationale Vergadering (17 juni 1789). Deze schafte de feodale rechten en standenprivileges af en proclameerde de rechten van de mens en van de burger (4 en 27 aug. 1789). De koning zag zich verplicht in 1791 de afgekondigde grondwet te erkennen. Door het gebruik van zijn veto ter bescherming van de uitgeweken edelen en de onbeëdigde priesters verbitterde hij de massa. De oproerige Parijse gemeenteraad en een nieuwe Nationale Conventie besloten daarop tot de uitroeping van de republiek (21-25 sept. 1792). Twee partijen betwistten elkaar de macht in de schoot van de Conventie: de Girondijnen, gematigde republikeinen, en de radicale Montagnards, met Danton, Robespierre, Hébert en Marat. Niet zodra hadden deze laatsten door een bloedig schrikbewind hun tegenstanders uitgeschakeld, of er brak in hun gelederen tweedracht uit tussen de meer gematigde aanhangers van Danton en de geëxalteerde extremisten en atheïsten rond Hébert. Robespierre bracht ze allen ten val, maar viel door zijn onverzettelijkheid zelf als slachtoffer van de terreur op 28 juli 1794. Met hem namen de tweede en radicale revolutie en de terreur een einde. Uit de reactie en de verwarring die volgden, werd de grondwet van het jaar III en het Directoire (17 okt. 1796 - 10 nov. 1799) geboren. Deze in zichzelf verdeelde oligarchie had af te rekenen met een revolte van de Parijse burgerij, door Bonaparte in bloed gesmoord, met de steeds voortdurende katholieke en koningsgezinde opstand in de Vendée, de socialistische drijverijen van Babeuf en met zware financiële moeilijkheden. De staatsgreep van 18 Brumaire (9 nov. 1799) voerde de grondwet van het jaar VIII door en richtte het Consulaat (11 nov. 1799 - 18 mei 1804) in, waarvan generaal Napoleon Bonaparte de sterke man was. (Zie ook Franse Revolutie.)
De republiek had zich, ondanks binnenlandse chaos en veel voorkomend verraad, met succes tegen haar buitenlandse vijanden weten te verdedigen (zie coalitieoorlogen). Lazare Carnot werd de organisator van deze overwinning. Dank zij hem was bij het einde van 1793 het grondgebied gezuiverd van vijanden en kon men zelfs offensief gaan optreden om de revolutiebeginselen over Europa uit te dragen. Ter zee had anderzijds het ontslag van de koningsgezinde officieren de vloot goeddeels van haar leiding beroofd, wat door het revolutionaire elan niet kon worden gecompenseerd. De wens van Danton aan de republiek de natuurlijke grenzen te geven die de monarchie voor zich had gedroomd, werd bij de Vrede van Campo-Formio (17 okt. 1797) verwezenlijkt. Het Directoire had, door de gevierde Napoleon Bonaparte naar Egypte te sturen, zich wel niet van de ambitieuze generaal kunnen ontdoen, maar had daarmee de Franse koloniale politiek in Noord-Afrika ingeluid.
5.6 Consulaat en Keizerrijk
Bij zijn machtsoverneming zag Napoleon zich gesteld voor de onmogelijke opgave het bestaan en de veroveringen van de revolutie door Europa te doen aanvaarden. Zo werd hij meegesleurd in een reeks zegevierende oorlogen tegen de zich steeds hernieuwende coalities, waarvan Engeland telkens de ziel was. Het continentale imperium dat hij zich daarbij had opgebouwd, zou uiteindelijk ineenstorten door het Engelse overwicht ter zee, het onbreekbaar verzet in Spanje en het nationalisme in Europa, door de Franse Revolutie zelf in het leven geroepen. Op binnenlands terrein streefde Napoleon naar stabilisatie. De administratie, het gerecht en het onderwijs werden hervormd en gecentraliseerd. De Code Civil en de andere wetboeken werden uitgevaardigd. De betrekkingen met de kerk werden hersteld en de economie gesaneerd. Dit en zijn krijgsroem lieten hem toe zich tot consul voor het leven (1802) en tot keizer (1804) te laten uitroepen. Zijn grote heerszucht en militarisme deden hem echter het vertrouwen van de natie verliezen. De nederlaag ter zee bij Trafalgar (1805) dwong hem tot een soort tegenblokkade (het zgn. Continentale stelsel) en daarmee tot de noodlottige veldtocht in Rusland (1812). In de Slag van Leipzig (1813) bezegelde de zesde coalitie zijn ondergang. De zegevierende terugkeer uit zijn verbanning op Elba duurde slechts honderd dagen. De nederlaag te Waterloo (18 juni 1815) was het onafwendbaar eindpunt van het episch intermezzo, beginpunt tevens van de restauratie.
5.7 De restauratie
Het gecentraliseerd bestuur en de wetgeving van de republiek en van het Keizerrijk bleven behouden, maar de adel en de geestelijkheid herwonnen hun politiek overwicht ten nadele van de burgerij. De buitenlandse politiek, in het spoor van de Heilige Alliantie, verwekte verzet. De inzet van een nieuwe koloniale expansie door de verovering van Algiers (1830) kon daaraan niets verhelpen. De autoritaire machtsgreep van Karel X (1824-1830) beantwoordden de liberalen onmiddellijk met de Julirevolutie van 1830.
5.8 De Juli-monarchie
De burgerlijk denkende Louis-Philippe van Orléans (1830-1848) aanvaardde het, te regeren met een grondwet die de politieke macht in de handen van de bezittende klasse legde. Sinds de economische depressie van 1846 won de republikeinse en socialistische agitatie gedurig veld. Toen de conservatief Guizot zich in febr. 1848 met geweld wilde verzetten tegen het gevraagde algemeen stemrecht, kwam het volk in beweging. De socialist Louis Blanc en de republikeinen vormden een voorlopig bewind. Ondanks de volksoproeren van mei en juni, het laatste door generaal Cavaignac onderdrukt, hielden de burgerlijke republikeinen de bovenhand.
5.9 Het Tweede Keizerrijk
De roep om een sterke man bracht echter niet Cavaignac, door de werklieden gehaat, maar Lodewijk Napoleon in de presidentszetel. Behalve aan zijn klinkende naam dankte hij dit aan de steun van de katholieken, die van hem de bevoordeling van de godsdienst verwachtten. Bij een conflict met de Wetgevende Kamer over de kieswet ontbond hij deze (2 dec. 1851). Door een volksraadpleging liet hij zich met de grondwetsherziening belasten. Een jaar later (2 dec. 1852) werd het Keizerrijk heropgericht. Napoleon III regeerde als een absolute vorst met een machteloze volksvertegenwoordiging. De krijgsroem, behaald in de Krimoorlog (1854) en in de Italiaanse veldtocht (1859), die Savoye en Nice aan Frankrijk bracht, en het hernieuwde internationale prestige streelden aanvankelijk de nationale trots. Grote openbare werken bevorderden handel en nijverheid. De dubbelzinnige houding tegenover de paus in de Italiaanse vrijheidsoorlog vervreemdde echter de katholieken, zodat de keizer sinds 1859 verplicht was minder autocratisch te regeren. De vrijhandelsverdragen met Engeland (1860) en met andere landen lokten kritiek uit. Het treurig einde van het Mexicaanse avontuur (1862-1867) kon niet worden uitgewist door de uitbreiding van de koloniën in Algerije en Senegambië en door de verwerving van Cochin-China en Cambodja (1858-1867). Het niet tijdig ingrijpen in het conflict tussen Pruisen en Oostenrijk (1866) droeg er veel toe bij om zijn aanzien te verminderen. De reorganisatie van het leger door maarschalk Niel en de grondwetswijziging in parlementaire zin (6 sept. 1869) waren late pogingen om aan de moeilijkheden het hoofd te bieden. Naar aanleiding van de Hohenzollern-kandidatuur voor de Spaanse troon brak de Frans-Duitse Oorlog uit.
5.10 De Derde Republiek
De nederlaag bij Sedan (1 sept. 1870) leidde te Parijs tot de uitroeping van de republiek (4 sept. 1870). Deze sloot met het nieuwe Duitse keizerrijk het Verdrag van Frankfurt (10 mei 1871), waarbij zij de Elzas en een goed deel van Lotharingen afstond. Ondertussen was Parijs in de greep van de socialistische en radicale Commune (18 maart - 28 mei 1871), die door maarschalk Mac-Mahon bloedig werd onderdrukt. Onenigheid onder de monarchistische meerderheid in de in 1871 gekozen Nationale Vergadering had tot gevolg dat in 1875 de republiek grondwettelijk werd ingericht. De royalistische president Mac-Mahon had sinds 1876 te kampen met een republikeinse meerderheid geleid door Gambetta en nam ontslag. Opnieuw dook met de nationalistische generaal Boulanger de royalistische gedachte op, maar voor een machtsgreep schrikte hij terug (1889). De onvastheid van de ministeries en de politieke schandalen bemoeilijkten het regeringswerk. Het schandaal van de handel in ridderorden onder Grévy (1887) en de Panamakanaalzwendel (1892-1893) werden nog in de schaduw gesteld door de Dreyfus-affaire (1894-1906). In haar geheel is de binnenlandse politiek sterk antikatholiek geweest. In 1905 werd opnieuw de scheiding van kerk en staat uitgeroepen. De sociale wetgeving, die vooral sinds 1884 vorm kreeg, bleef ondanks de actie van Jaurès en de socialisten aarzelend.
Ferry spande zich in voor de uitbreiding van het koloniale rijk. In 1881 werd Tunis bezet. De Franse interventies in Egypte (1882) en de vestiging van een feitelijk protectoraat over Madagaskar (1884) hadden Engeland ontstemd. Dit en de oorlog met China, waardoor Tonkin (1884) bij de uitgebreide Franse invloedssfeer in Achter-Indië werd gevoegd, leidden tot toenadering tot Duitsland. Deze kwam ook tot uiting in de samenwerking bij de regeling der Afrikaanse kwesties. Na het Siamees geschil (1893) bereikte de Frans-Engelse naijver in het Boven-Nigergebied en in het Boven-Nijldal een hoogtepunt in het Fasjoda-incident (1898). Frankrijk boog het hoofd, waardoor de toenadering tot Engeland begon. Sinds 1891 tekende een samengaan van Frankrijk met Rusland, gegriefd door de brutale houding van Wilhelm II, zich af; dit resulteerde in een tweevoudig verbond (1892-1894). Minister Delcassé wist de internationale positie van Frankrijk nog aanzienlijk te verbeteren. De regeling van hun respectieve belangen in Noord-Afrika bracht Italië en Frankrijk dichter bij elkaar (1898-1900). Met Engeland werden alle nog resterende koloniale geschillen geregeld in een Entente Cordiale (1904), terwijl de banden met Rusland nauwer werden aangehaald. De zo ontstane Triple Entente gaf Frankrijk een sterke positie tegenover Duitsland in het Marokkaanse geschil (1905-1911).
Het conflict tussen Rusland en Duitsland over de Servische kwestie sleepte Frankrijk, dat zijn bondgenoot niet in de steek wilde laten, mee in de Eerste Wereldoorlog. Tot 1917 was de krijgskans de Franse legers niet bijzonder gunstig, ondanks de door Joffre en Gallieni gewonnen Slag aan de Marne. In nov. 1917 werd de regering toevertrouwd aan Clemenceau. Dictatoriaal en heftig ging hij elk defaitisme tegen en reorganiseerde hij de verdediging. Een jaar later had Frankrijk de overwinning behaald. Op de vredesconferentie te Versailles (1919) was Clemenceau de dominerende figuur, maar zijn plannen om Duitsland volledig te ontkrachten vonden geen instemming bij de geallieerden. Niettemin kreeg Frankrijk Elzas-Lotharingen terug.
Na de oorlog was de wederopbouw van het door zware demografische en economische verliezen onttakelde Frankrijk een eerste vereiste. Het politieke leven werd voorts beheerst door de verhouding tot Duitsland. Het land werd voorlopig geregeerd door een rechts georiënteerde Nationale Unie, die al direct met een stakingsgolf werd geconfronteerd. Briand poogde door toenadering tot het gematigde Britse standpunt de kwestie van de herstelbetalingen te regelen (Conferentie van Cannes, jan. 1922), maar werd door de nationalistische Poincaré ten val gebracht. Deze trachtte met geweld, door de eenzijdige bezetting van het Ruhr-gebied (jan. 1923), een oplossing te forceren. De verkoeling van de betrekkingen met Groot-Brittannië werd nog sterker, toen in de Grieks-Turkse Oorlog Frankrijk Turkije steunde, terwijl Groot-Brittannië achter Griekenland stond. Ondertussen had Frankrijk zich een reeks continentale bondgenoten gezocht: België (1921), Polen (1924) en de Kleine Entente (Tsjechoslowakije, Joegoslavië en Roemenië). De verkiezingsoverwinning van het radicaal-socialistisch kartel in 1924 verloochende de Ruhr-politiek van Poincaré, zocht toenadering tot Groot-Brittannië en aanvaardde het Dawes-plan voor de herstelbetalingen. Briand verhoogde het internationale prestige door het Verdrag van Locarno (1925) en het Briand-Kellogg-pact (1928). De financiële moeilijkheden en de inflatie namen dreigende vormen aan tot Poincaré er in 1928 in slaagde de franc op een vijfde van zijn vroegere waarde te stabiliseren. Ook had men te kampen met opstanden in Marokko en Syrië. Vóór de verkiezingen van 1928 viel de Nationale Unie uiteen. Tardieus strenge politiek tegen Duitsland (1932) ondervond Britse kritiek en verbitterde Duitsland. Zo was Frankrijk weer op zijn continentale bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginot-linie) aangewezen.
De verkiezingen van 1932 brachten opnieuw een linkse overwinning, maar de financiële moeilijkheden, de economische achteruitgang en de kritiek op het parlementaire stelsel maakten een stabiele regering onmogelijk. Parijs zelf was het toneel van straatgevechten, waarbij zowel royalistische en fascistische als communistische groepen betrokken waren. Doumergue vormde daarop een kabinet van nationale concentratie met Pétain en Barthou (febr. 1934). Deze laatste spande zich in om het Franse alliantiesysteem te verstevigen. Met de Kleine Entente, de Sovjet-Unie die hij in de Volkenbond bracht, en wellicht ook met Italië hoopte hij Hitler-Duitsland te isoleren, vooral daar Polen zijn pro-Franse politiek had opgegeven. Bij zijn poging tot verzoening van Joegoslavië en Italië werd hij vermoord (9 okt. 1934). In de daaropvolgende maand nam premier Doumergue ontslag, daar zijn grondwetsherziening ter versteviging van het uitvoerend gezag verworpen werd. De deflatiepolitiek van zijn opvolger Laval was bij de massa uiterst onpopulair. Op 14 juli 1935 vormde zich een eenheidsfront van communisten, socialisten en radicalen, die zich ook in demonstraties keerden tegen de sterke fascistische stromingen. De val van Laval (22 jan. 1936) was echter ook te wijten aan de voortzetting van de buitenlandse politiek van Barthou. Reeds als minister van Buitenlandse Zaken had hij met Mussolini het Verdrag van Rome (jan. 1935) gesloten. In febr. 1936 werd het reeds in mei 1935 gesloten Frans-Russisch Verdrag ondertekend. De daaropvolgende bezetting van het Rijnland door de Duitse troepen (7 maart 1936) en de opzegging van de Locarno-verdragen moesten onbeantwoord blijven bij gebrek aan Engelse steun.
De Volksfront-regering van Leon Blum, in juni 1936 aan de macht gekomen, voerde sociale verbeteringen door die echter een enorme kapitaalvlucht en een sterke inflatie tot gevolg hadden. Geheel in de lijn van haar programma stelde de regering de Banque de France en de wapenindustrie onder toezicht en trad op tegen de fascistische groeperingen. Uit vrees voor een wereldoorlog voerde Blum echter, gesteund door Engeland, een politiek van non-interventie in de Spaanse Burgeroorlog. Het radicale kabinet-Daladier (10 april 1938) sloeg zelfs een tegengestelde richting in. De scherpe deflatiepolitiek lokte stakingen uit, maar verbeterde de economische toestand.
In de internationale politiek liet men zich verder door Groot-Brittannië leiden. De oude Franse bondgenoot Tsjechoslowakije werd te München (sept. 1938) prijsgegeven. Tegen de aanspraken van Mussolini in de Middellandse Zee zette Daladier zich echter schrap en erkende zelfs de regering van Franco in dat verband. Na de flagrante schending van het akkoord van München gaven beide landen garanties aan de Balkanstaten en Polen. Pogingen het Frans-Russisch Verdrag te verstevigen stuitten op het tot stand komen van het Duits-Russisch non-agressiepact (aug. 1939).
5.11 Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse inval in Polen verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk op 3 sept. 1939 de oorlog aan Duitsland. Op 10 mei 1940 trokken de Duitse troepen Frankrijk binnen. Het Franse leger en zijn ten onrechte op de Maginot-linie vertrouwende leiders bleken niet opgewassen tegen deze macht. Binnen enkele weken stortte de defensie volledig ineen. Op 22 juni sloot de regering, waarin Reynaud op 20 maart 1940 Daladier als premier was opgevolgd en al op 16 juni plaats had moeten maken voor de oude maarschalk Pétain, een wapenstilstand met Duitsland. Het grootste deel van het land, met Parijs en de hele Atlantische en Kanaalkust, werd door de Duitsers bezet. Twee dagen later volgde een wapenstilstand met Italië, dat op 10 juni Frankrijk binnengevallen was. De regering-Pétain vestigde zich in Vichy in het onbezette deel van Frankrijk. Na de geallieerde landing in Noord-Afrika (nov. 1942) breidden de Duitsers hun bezetting over het hele land uit. In de regering te Vichy had de naar samenwerking met Duitsland strevende ex-premier Laval inmiddels de feitelijke leiding gekregen (maart 1942). Pétains plaatsvervanger, admiraal Darlan, sloot zich in nov. 1942 bij de geallieerden aan. Ondanks de vernieuwing van de nationale identiteit die Pétain en de zijnen in l'État Français (de officiële naam van de republiek van Vichy) probeerden door te voeren - o.a. door een nieuw devies: travail, famille, patrie - collaboreerde Pétain in feite met de Duitsers. Aangezien het collaboratie was op het hoogste politieke niveau, vormt 'Vichy' een nog niet verwerkt hoofdstuk uit het Franse oorlogsverleden.
Buiten Frankrijk zette de naar Engeland uitgeweken generaal Charles De Gaulle met een kleine groep 'vrije Fransen' de strijd tegen de Duitsers voort. In Frankrijk zelf ontstonden verscheidene verzetsbewegingen, die vanaf mei 1943 samenwerkten in het Conseil National de la Résistance. De Gaulle werd in 1943 hoofd van een Frans nationaal bevrijdingscomité en keerde bij de bevrijding in aug. 1944 terug als hoofd van een voorlopige regering. Deze regering steunde op de progressieve katholieke MRP (Mouvement Républicain Populaire), de socialisten en de communisten. De Fransen die met de Duitsers hadden samengewerkt, werden gestraft. Pétain werd ter dood veroordeeld (wat door De Gaulle in levenslang werd gewijzigd), Laval werd gefusilleerd. In jan. 1946 trok De Gaulle zich uit de regering terug.
5.12 De Vierde Republiek
In okt. 1946 werd bij een volksstemming de nieuwe grondwet goedgekeurd. De socialist Vincent Auriol werd in jan. 1947 de eerste president van de Vierde Republiek. Dit tijdperk werd gekenmerkt door politieke instabiliteit. De economische toestand ontwikkelde zich ondanks devaluaties en talloze stakingen gunstig. Een groot aantal kabinetten volgde elkaar in snel tempo op. De belangrijkste politieke figuren waren: Georges Bidault (MRP), premier in 1946 en minister van Buitenlandse Zaken in verscheidene kabinetten, Robert Schuman (MRP), premier in 1947/1948 en minister van Buitenlandse Zaken van 1948 tot 1953, voorvechter van de Europese samenwerking, de conservatief Antoine Pinay, premier in 1952, wiens financiële politiek tegen de geldontwaarding was gericht, en de radicaal Mendès-France, die ten slotte de beslissing tot een wapenstilstand nam in de oorlog in Indo-China.
Nadat de rechtse partijen korte tijd hun aantrekkingskracht hadden verloren, herstelden de conservatieven zich na de oorlog al snel. Begin jaren vijftig organiseerde Henri Poujade de ontevreden middenstand en ambachtslieden, waarmee het georganiseerde rechtse volksprotest zijn herintrede deed in de Franse politiek.
De Gaulle, die zich tegen de nieuwe grondwet had gekant wegens de zijns inziens te zwakke positie van de uitvoerende macht tegenover het parlement, richtte in 1947 een eigen partij op, de Rassemblement du Peuple Français. De dekolonisatie bracht ten slotte de ondergang van de Vierde Republiek. In Algerije was in 1954 verzet tegen het Franse bewind ontstaan. Uit vrees voor mogelijke onderhandelingen met de Algerijnse nationalisten vormden Fransen in Algerije met steun van het leger op 13 mei 1958 een revolutionair 'comité de salut public', dat een regering onder De Gaulle bepleitte. Om een burgeroorlog te voorkomen gaf president Coty (die in 1954 Auriol was opgevolgd) een opdracht tot kabinetsformatie aan De Gaulle, die behalve van de rechtse partijen ook steun kreeg van de MRP en een deel van de radicalen en de socialisten (1 juni 1958).
Al mocht de Vierde Republiek uiteindelijk aan haar eigen instabiliteit ten onder gaan, op het Europese vlak initieerde zij vele integratieplannen (Kolen- en Staalgemeenschap, Defensiegemeenschap) die de stabiliteit in Europa moesten bevorderen. Deze plannen kunnen echter niet los gezien worden van de naoorlogse Duitslandpolitiek, waarmee Frankrijk poogde om de Bondsrepubliek Duitsland onder controle te krijgen door het te integreren in West-Europa.
5.13 De Vijfde Republiek
Met volmachten bekleed, kon De Gaulle zijn plannen voor staatkundige hervormingen doorzetten. Meer dan 80% van de kiezers sprak zich op 28 sept. 1958 uit voor een nieuwe grondwet, die de invloed van het parlement beknotte en veel gezag in handen legde van de president. De nieuwe gaullistische partij, de Union pour la Nouvelle République (UNR), kreeg dankzij het districtenstelsel de grootste fractie in de Nationale Vergadering. De Gaulle werd op 8 jan. 1959 als president geïnstalleerd, premier werd zijn volgeling M. Debré, die in april 1962 plaats moest maken voor de ex-bankier Pompidou.
Toen ook De Gaulle voor het Algerijnse probleem geen andere uitweg zag dan onafhankelijkheid, kwamen de rechtse politici en militairen, die hem aan de macht hadden geholpen, in opstand. Hun staatsgreep (onder leiding van generaal Salan) te Algiers (22 april 1961) werd echter onderdrukt; hun organisatie van het geheime leger (OAS) bloedde geleidelijk dood. Het gezag van De Gaulle werd versterkt doordat bij referendums over omstreden zaken een ruime meerderheid zich voor zijn politiek uitsprak. Zo sprak op 8 april 1962 90,7% van de kiezers zich uit voor de Algerijnse onafhankelijkheid. Met een wijziging van de grondwet, waardoor de president voortaan rechtstreeks werd gekozen, verklaarde op 28 okt. 1962 61,7% van het electoraat zich akkoord. In maart 1967 behielden de gaullisten samen met hun onafhankelijk-republikeinse bondgenoten ternauwernood de meerderheid. Intussen was de ambtstermijn van De Gaulle in dec. 1965 met zeven jaar verlengd.
Met de machtsoverneming door De Gaulle werd een geheel nieuwe koers ingeslagen, gericht op herstel van de onafhankelijke en invloedrijke positie tussen de grote machten. Het dekolonisatieproces werd bespoedigd. De Gaulle wenste de EEG dienstbaar te maken aan een 'Europa der Vaderlanden', een Europa dat zich zou moeten uitstrekken van de Atlantische Oceaan tot aan de Oeral. Daartoe moest de invloed van de Verenigde Staten worden teruggedrongen. Frankrijk onttrok zijn troepen in 1966 geheel aan het NATO-gezag; NATO-bases moesten worden ontruimd. Het land streefde naar de opbouw van een onafhankelijke kernmacht (febr. 1960: eerste atoombom; aug. 1968: eerste waterstofbom; geen ondertekening van het non-proliferatieverdrag). Groot-Brittannië werd tot tweemaal toe (resp. in jan. 1963 en in dec. 1967) door een Frans veto uit de EEG geweerd. De betrekkingen met de Bondsrepubliek Duitsland werden nauwer aangehaald door een vriendschapsverdrag (22 jan. 1963). Ook werden de betrekkingen met de Sovjet-Unie en de andere Oost-Europese landen verbeterd, waarbij De Gaulle er tegelijkertijd naar streefde de dominerende positie van de Sovjet-Unie in Oost-Europa af te zwakken. Met de Arabische landen werden goede relaties opgebouwd, wat op de betrekkingen met Israël zijn weerslag had. Het paternalistische regime van De Gaulle werd in 1968 geconfronteerd met de mei-revolte, die begon in de universitaire wereld van Parijs en oversloeg op vrijwel de gehele Franse arbeidersklasse, waarmee de studenten zich solidair hadden verklaard. De opstand verliep, nadat aanzienlijke loonsverhogingen en vernieuwingen, o.a. op onderwijsgebied, waren toegezegd. Bij in juni gehouden verkiezingen sprak een groot deel van het Franse volk zich uit voor de bestaande verhoudingen. De gaullisten, die met de onafhankelijke republikeinen en andere onafhankelijken een breed front tegen de linkerzijde vormden onder de naam Union pour la Défense de la République, boekten grote winst en behaalden de absolute meerderheid in de Nationale Vergadering. Premier Pompidou werd vervangen door Couve de Murville.
5.14 De jaren zeventig en tachtig
In april 1969 trad De Gaulle af, daar zijn voorstellen met betrekking tot een hervorming van de Senaat en een nieuwe regionale indeling in die maand waren verworpen. De presidentsverkiezingen brachten een overwinning voor Georges Pompidou. Op binnenlands terrein streefde Pompidou naar een snelle industrialisatie, in de buitenlandse politiek volgde hij de lijn-De Gaulle, hoewel minder star (bijv. medewerking aan Engelands toetreding tot de EEG, positiever deelname aan NATO-vergaderingen). Bij de parlementsverkiezingen van maart 1973 boekten de samenwerkende socialisten en communisten winst, maar de regeringspartijen behielden de meerderheid. Links werkte ook samen bij de door de dood van Pompidou (2 april 1974) noodzakelijk geworden presidentsverkiezingen. Deze werden in mei 1974 gewonnen door de minister van Financiën en Economie, de onafhankelijke republikein V. Giscard d'Estaing. Hij versloeg met zeer gering verschil de socialistische leider F. Mitterrand. Nadien traden socialisten en communisten niet meer als blok bij de verkiezingen op: in 1977 ontstond een breuk tussen de partijen.
Onder Giscard werd het door zijn directe voorgangers gevoerde beleid in grote lijnen voortgezet. In de buitenlandse politiek bleef het streven naar een sterk, door Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland beheerst Europa, onafhankelijk van de Verenigde Staten, gehandhaafd, evenals de pro-Arabische houding in het Midden-Oosten. In voormalig Frans-Afrika bleef Frankrijk vertegenwoordigd door de aanwezigheid van militaire troepen en adviseurs, terwijl de financieel-economische invloed nog werd vergroot. Giscards bewind had o.m. te kampen met separatistische bewegingen op Corsica en in Bretagne. Mei 1981 werd Giscard verslagen door de presidentskandidaat van links, Mitterrand. Na de parlementsverkiezingen in juni kwam er een regering van socialisten (PS) en communisten (PCF) onder P. Mauroy. Geheel volgens het verkiezingsprogramma probeerde men via nationalisaties de Franse economie te verbeteren. Door tegenvallende resultaten werd men in juni 1982 al gedwongen om het progressieve economische beleid af te zwakken. Onder L. Fabius maakten de communisten niet langer deel uit van de regering. Nadat UDF-RPR onder aanvoering van J. Chirac (RPR) in maart 1986 de parlementsverkiezingen hadden gewonnen werd de Vijfde Republiek geconfronteerd met een in haar geschiedenis onbekende staatkundige variant, de cohabitation: een premier en een president van verschillende politieke kleur. Nadat Mitterrand in mei 1988 opnieuw de presidentsverkiezingen had gewonnen (van Chirac) kwam er na de parlementsverkiezingen van juni 1988 opnieuw een socialistische regering onder leiding van M. Rocard. In de jaren tachtig vielen vooral op: het kleiner worden van de electorale basis van de communistische partij en haar politieke invloed, de opkomst van extreem-rechts in de vorm van het Front National van J.-M. Le Pen en de opkomst van de Groenen (Les Verts, sinds juni 1989 vertegenwoordigd in het Europees Parlement).
5.15 De jaren negentig
Met de benoeming van Edith Cresson, op 15 mei 1991, werd voor het eerst een vrouw premier van Frankrijk. Doordat zij premie- en belastingverhogingen voorstelde en een harder optreden tegen illegalen voorstond, liep haar populariteit snel terug. Zij werd in april 1992 opgevolgd door Pierre Bérégovoy. Deze trad als premier terug na de socialistische nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd opgevolgd door E. Balladur. In mei pleegde de teleurgestelde Bérégovoy zelfmoord, mede naar aanleiding van het mislukken van zijn economisch programma. De slechte economische situatie leidde in juli 1993 tot aanvallen door speculanten op de Franse franc. Het gevolg was dat de Franse franc de facto het Europees Monetair Stelsel moest verlaten.
De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden dwongen. Fel verzet ontmoette de regering toen zij, in een poging het islamitische volksdeel tot assimilatie te dwingen, een verbod instelde op het dragen van een hoofddoek voor meisjes op scholen.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques René Chirac, leider van de gaullistische RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn door schandalen achtervolgde partijgenoot Balladur achter zich om in de tweede ronde ook van de socialistische kandidaat Lionel Jospin te winnen. Jean-Marie Le Pen van het extreem-rechtse Front National verwierf 15% van de stemmen. Na aanvankelijk enige van Chiracs verkiezingsbeloften te hebben ingelost, daalde de populariteit van premier Juppé, die een straf bezuinigingsbeleid voorstond, snel. Een golf van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam. In okt. en nov. 1996 kwam het tot massale stakingen bij de spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere overheidsdiensten. Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot blokkades ter verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam. Intussen daalde de economische groei en bereikte de werkloosheid een naoorlogs record.
In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische organisatie GIA. Op Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal bomaanslagen plaats die het werk waren van verschillende nationalistische bewegingen.
Begin jan. 1996 overleed oud-president François Mitterand. Bij gemeenteraadsverkiezingen in febr. 1997 in het Zuid-Franse stadje Vitrolles behaalde het Front National een absolute overwinning, waarmee de vierde Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen. Peilingen gaven aan dat 30% van de Fransen de ideeën van het Front National onderschreef. In het voorjaar van 1997 schreef president Chirac vervroegde verkiezingen uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de socialisten onder leiding van Jospin en hun bondgenoten op 1 juni een grote overwinning en kwamen met 282 van de 577 zetels in de Nationale Vergadering.
In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Moruroa in de Stille Zuidzee felle internationale protesten uit, vooral van Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996 het Verdrag van Rarotonga voor een kernwapenvrije zone in de Stille Zuidzee. In juni 1996 maakte minister van Defensie Millon op een halfjaarlijkse vergadering van zijn NAVO-collega's in Brussel bekend dat Frankrijk wilde meewerken aan een 'nieuwe' NAVO met een aparte Europese defensie-identiteit.
In EU-verband pleitte Frankrijk voor een streng gemeenschappelijk drugsbeleid. President Chirac had zich herhaaldelijk gekeerd tegen het liberale Nederlandse drugsbeleid.
In de aanloop naar de Europese top in Dublin van dec. 1996 ontstond onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het stabiliteitspact, dat na inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij de deelnemende landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid: ruimere marges en minder autonomie voor de Europese centrale bank.
5.16 Kolonisatie en dekolonisatie
Frankrijk verkreeg zijn meeste koloniën in de 19de eeuw; de vroeger gekoloniseerde gebieden op het Amerikaanse continent (o.m. Canada en Louisiana) moesten na de Zevenjarige Oorlog in 1763 aan Engeland worden afgestaan. Met de verovering van Algiers in 1830 begon de ontwikkeling van het Franse koloniale rijk in Afrika, dat ten slotte grote gebieden in Noord-, West- en Centraal-Afrika omvatte. In 1881 kwam Tunesië en in 1912 Marokko onder Frans gezag. In de tweede helft van de 19de eeuw werd Indo-China geleidelijk gekoloniseerd. Tussen de beide wereldoorlogen bereikte de Franse invloed zijn grootste uitbreiding. Syrië en Libanon, die als mandaatgebieden aan Frankrijk waren toegewezen, werden in 1941 door de geallieerden onafhankelijk verklaard. Op een conferentie van de vrije Fransen te Brazzaville (Kongo) in 1944 werd de basis gelegd voor een nieuwe verhouding tussen Frankrijk en zijn overzeese gebieden na de oorlog. Als uitvloeisel hiervan werd bij de grondwet van 1946 de Franse Unie in het leven geroepen, waarin de delen een verschillende graad van zelfbestuur konden krijgen. De nationalistische bewegingen in Indo-China dwongen Frankrijk in 1949 Cambodja, Laos en Vietnam de onafhankelijkheid te verlenen binnen de Franse Unie. De nederlaag bij Dien Bien Phu tegen de communistische Viet-Minh-opstandelingen leidde in 1954 tot de deling van Vietnam: Zuid-Vietnam bleef tot 1956 in de Franse Unie, Noord-Vietnam werd onafhankelijk. Ook Laos en Cambodja werden nu geheel onafhankelijk. Tunesië en Marokko kregen in 1956 onafhankelijkheid.
Na de machtsovername door generaal De Gaulle werd de Franse Unie in 1958 omgezet in de Franse Gemeenschap, welke was samengesteld uit de Franse Republiek en veertien voormalige koloniale Afrikaanse gebieden. Frans Guinea verwierp bij een referendum als enige de grondwet van 1958 en verbrak daarmee alle banden met Frankrijk. De overige gebieden kregen intern zelfbestuur, maar werden in 1960 eveneens onafhankelijk verklaard. Met Tsjaad had Frankrijk rond 1980 nog een conflict omtrent de troepenstationering in dat land. In 1984 werden de laatste Franse legereenheden uit Tsjaad teruggetrokken. De zwaarste strijd werd echter gestreden in Algerije, waar ca. 13 miljoen Europese kolonisten woonachtig waren en dat als departement van Frankrijk werd bestuurd. Hier brak in 1954 onder de Arabische bevolking een opstand uit - met verstrekkende gevolgen voor de Franse binnenlandse politiek - welke in 1962 leidde tot de onafhankelijkheid. Van de resterende overzeese bezittingen bleef Afar- en Issaland (vroeger Frans Somaliland) zijn autonome status behouden tot 1977. In dat jaar werd het onafhankelijk onder de naam Djibouti. Over de huidige structuur van de Franse Gemeenschap bestaat ontevredenheid in de overzeese gebiedsdelen. Halverwege de jaren tachtig kwam het tot grote ongeregeldheden op Nieuw-Caledonië, waar de Kanaken meer zelfstandigheid wilden ten koste van de allochtonen, die vreesden voor hun economische positie. Voorjaar 1988 wist Frankrijk door militair ingrijpen de orde te herstellen.
Het assimilatiebeleid. Het militaire element heeft in het Franse kolonialisme altijd een vooraanstaande rol gespeeld, maar in Noord-Afrika werd vanuit het moederland geprobeerd om d.m.v. assimilatie te komen tot een vreedzaam bestuur over dit gebied. Deze politiek van assimilatie had tot doel om (vooral door onderwijs) de Noord-Afrikaan op te voeden in de Franse cultuur, op den duur uitmondend in een volwaardig Frans staatsburgerschap: de Franse natie aan beide zijden van de Middellandse Zee. Het islamitisch verzet tegen deze 'gallificatie' bleek echter te sterk. Slechts een smalle laag assimileerde de Franse cultuur werkelijk. De assimilatiepolitiek heeft haar grote doel niet bereikt. Zij is echter niet helemaal zonder gevolgen gebleven voor Noord- en West-Afrikaanse landen. Vele van de voormalige overzeese gebiedsdelen maken met de nog bestaande overzeese gebiedsdelen deel uit van de Franstalige wereld.


Telefoongids Frankrijk
Postcodes Frankrijk

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009