| |
De
Fuut of Podiceps cristatus is een zwerf- en standvogel.
De slanke fuut, ongeveer zo groot als de wilde eend, is één van
de grootste zoetwaterduikers die hier voorkomen. Ook op afstand
is in elk jaargetijde de lange, witte hals een goed
herkenningspunt. Het zomerkleed van beide geslachten is een zeer
opvallende zwarte dubbele pluim en een oranjebruine wangkraag,
afgezet met zwart. In de winter zijn kop en hals wit, de donkere
kuif ligt bijna; in dit stadium kan hij verward worden met de
roodhalsfuut, hoewel die een kortere, grijze nek en rug heeft.
In de winter kan de fuut ook verwisseld worden met de veel
grotere en massievere duikers, zoals de parelduiker en de
roodkeelduiker. Deze wintergasten liggen echter dieper in het
water en hun snavel is in de regel licht opgewipt. Het
vliegbeeld van alle futen lijkt enigszins gebocheld door de
hangende kop en de hangende poten. De witte ondervleugel met een
dun bruin streepje in de lengte, kenmerkt de vlucht van de fuut.
De fuut is een in gans Europa voorkomende broedvogel. Een bij
ons veel verbreide en lokaal veel voorkomende broedvogel in
voedselrijke zoet- en brakwatergebieden. Overwintert binnen en
zuidelijk van het broedgebied in meren en beschermende
kustwateren. De vogels wijken vaak uit voor plaatselijke koude
en wisselen, door voedselnood gedwongen, ook snel het
overwinteringsgebied.
In maart al beginnen de eerste wintergroepen zich te splitsen en
vormen zich paren. De balts duurt een aantal weken en is zeer
opvallend. De partners zwemmen, vaak met gestrekte hals, op
elkaar af, komen dan omhoog uit het water waarbij ze vaak
nestmateriaal in de snavel houden. Ze schudden de kop en laten
daarbij hun typische geluiden horen. Het nest wordt meestal in
het riet aan de waterkant gebouwd, maar ook wel op drijvende
bladeren of in het water liggende takken. Het nest drijft en kan
bij hoog water in zekere mate meestijgen, maar is wel met de
vegetatie verbonden.
De legtijd vindt plaats van april tot juni, bij storingen ook
nog later. Er zijn één tot twee legsels, met twee tot zes
wittige eieren, die door het nestmateriaal kunnen verkleuren tot
bruin.
Het legsel wordt, zoals bij alle fuutachtigen, iedere keer met
nestmateriaal afgedekt wanneer het nest verlaten wordt. Beide
partners broeden zo'n 27 tot 29 dagen. De jongen, met
zwart-witte lengtestrepen, kunnen meteen zwemmen en duiken, maar
worden tot een week of drie door de ouders op de rug meegevoerd
en tot elf weken gevoederd.
De fuut voedt zich met kleine vissen, waterinsecten,
kikkervisjes en kikkers. |
|
|
|
|
|
|