header vogels

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Fuut

 
   
  De Fuut of Podiceps cristatus is een zwerf- en standvogel.
De slanke fuut, ongeveer zo groot als de wilde eend, is één van de grootste zoetwaterduikers die hier voorkomen. Ook op afstand is in elk jaargetijde de lange, witte hals een goed herkenningspunt. Het zomerkleed van beide geslachten is een zeer opvallende zwarte dubbele pluim en een oranjebruine wangkraag, afgezet met zwart. In de winter zijn kop en hals wit, de donkere kuif ligt bijna; in dit stadium kan hij verward worden met de roodhalsfuut, hoewel die een kortere, grijze nek en rug heeft. In de winter kan de fuut ook verwisseld worden met de veel grotere en massievere duikers, zoals de parelduiker en de roodkeelduiker. Deze wintergasten liggen echter dieper in het water en hun snavel is in de regel licht opgewipt. Het vliegbeeld van alle futen lijkt enigszins gebocheld door de hangende kop en de hangende poten. De witte ondervleugel met een dun bruin streepje in de lengte, kenmerkt de vlucht van de fuut.
De fuut is een in gans Europa voorkomende broedvogel. Een bij ons veel verbreide en lokaal veel voorkomende broedvogel in voedselrijke zoet- en brakwatergebieden. Overwintert binnen en zuidelijk van het broedgebied in meren en beschermende kustwateren. De vogels wijken vaak uit voor plaatselijke koude en wisselen, door voedselnood gedwongen, ook snel het overwinteringsgebied.
In maart al beginnen de eerste wintergroepen zich te splitsen en vormen zich paren. De balts duurt een aantal weken en is zeer opvallend. De partners zwemmen, vaak met gestrekte hals, op elkaar af, komen dan omhoog uit het water waarbij ze vaak nestmateriaal in de snavel houden. Ze schudden de kop en laten daarbij hun typische geluiden horen. Het nest wordt meestal in het riet aan de waterkant gebouwd, maar ook wel op drijvende bladeren of in het water liggende takken. Het nest drijft en kan bij hoog water in zekere mate meestijgen, maar is wel met de vegetatie verbonden.
De legtijd vindt plaats van april tot juni, bij storingen ook nog later. Er zijn één tot twee legsels, met twee tot zes wittige eieren, die door het nestmateriaal kunnen verkleuren tot bruin.
Het legsel wordt, zoals bij alle fuutachtigen, iedere keer met nestmateriaal afgedekt wanneer het nest verlaten wordt. Beide partners broeden zo'n 27 tot 29 dagen. De jongen, met zwart-witte lengtestrepen, kunnen meteen zwemmen en duiken, maar worden tot een week of drie door de ouders op de rug meegevoerd en tot elf weken gevoederd.
De fuut voedt zich met kleine vissen, waterinsecten, kikkervisjes en kikkers.
 
   

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009