Grootte
: 27-35 mm. Langgerekt-ovaal lichaam. Halsschild en dekschilden
afgezoomd met een overal even brede gele band. Ook de onderzijde van
het lichaam is geelbruin. Geslachten zijn totaal verschillend. Bij
het mannetje zijn de drie eerste geledingen van de voorpoten
verbreed en onderaan bezet met een grote, een kleine en ongeveer 160
minuscule zuignappen, die als grijporgaan dienst doen bij de paring.
Het oppervlak van de dekschilden is zwartgroen en glad, terwijl het
wijfje groenbruin is en gegroefde dekschilden heeft.
Verspreiding : talrijkste en meest verspreide soort van het geslacht
Dytiscus; bijna in heel Europa. Voorkeur voor stilstaand en langzaam
stromend water met veel waterplanten. Leeft ook in vennen en brak
water.
Geelgerande waterroofkevers kunnen zeer goed zwemmen en vliegen. Bij
het duiken regelen ze hun gewicht door water op te nemen in de
endeldarm. Daar verzamelen ze ook verteringsrest, die bij gevaar in
het water uitgescheiden worden.
Jeugdstadia : vroeg in de zomer komen de roofzuchtige larven uit.
Hun poten en laatste achterlijfsegmenten zijn bedekt met zwemharen.
Met hun manibels (tangachtige monddelen) grijpen ze hun prooi :
insectenlarven, waterpissebedden, dikkopjes en kleine vissen.
Afhankelijk van de temperatuur van het water ontwikkelen de larven
zich in vier tot twaalf weken tijd. In hun derde stadium zijn ze 60
tot 80 mm. lang. Om zich te verpoppen komen ze aan land, waar ze een
popwieg maken. Na ongeveer twee tot vier weken komt de jonge kever
uit de pop om te overwinteren.