| |
De
geelgors of emberiza citrinella
De geelgors vinden we in ons land langs de randen van de drogere
heidevelden en in open bosgebieden. Een halve eeuw geleden waren
ze veel algemener en leefden er duizenden op het platteland.
Door de intensievere landbouw zijn ze daar verdreven en ze komen
eigenlijk alleen nog in natuurgebieden voor. In de winter vormen
ze groepen die op zoek gaan naar zaden op de akkers.
Kenmerken
Het mannetje heeft een gele kop en borst, roodbruine strepen op
zijn buik en stuit en witte buitenste staartpennen. Het vrouwtje
en de jongen zijn veel minder geel. Lengte : 16 cm.
Voedsel
De volwassen geelgorzen eten voornamelijk zaden van grassen,
granen en onkruid. De jongen worden gevoerd met insecten en
andere kleine diertjes. Geelgorzen worden maar zelden in onze
tuinen gezien.
Wintervoedering
Strooi graankorrels op de grond.
Nest
Het nest wordt op of dicht boven de grond gebouwd in dichte
braamstruiken, heggen of jonge bosaanplant. Het wordt gemaakt
van gras, stengels en bladeren en gevoerd met fijne grassen en
wortels.
Broedgegevens
Maanden mei tot augustus - twee tot drie legsels - drie tot vijf
paarsachtige eieren met bruinrode kriebeltjes - broedtijd :
dertien dagen, door het vrouwtje - vliegvlug : na twaalf dagen;
zelfstandig na acht tot veertien dagen. |
|
|
|
|
|
|