|

1. Fysische geografie
Georgië
strekt zich naar het noorden toe uit tot de hoofdketen van de Grote
Kaukasus; Zuid-Georgië bestaat uit de lavaplateaus van de Kleine
Kaukasus met oude vulkaankegels. Het klimaat is subtropisch. De
gemiddelde januaritemperatuur van de door de hoofdketen beschermde
Colchisvlakte is +5 °C, de neerslag bedraagt er tussen de 1500 en de
1700 mm per jaar; de plateaus en hellingen van de Kleine Kaukasus zijn
droger en hebben een steppeklimaat.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking is als volgt samengesteld: 72% Georgiërs, 8% Armeniërs, 6%
Azerbajdzjanen (of Azeri), 6% Russen, 2% Adzjaren (overwegend moslims),
3% Osseten en 2% Abchaziërs. Etnische problemen (separatisme) zijn er
met de laatste twee bevolkingsgroepen in het noorden en noordwesten van
het land. De gemiddelde bevolkingsgroei bedraagt 0,4% per jaar.
2.2 Taal
Officiële taal is het Georgisch (zie Georgische talen). Verder heeft
vrijwel elk volk zijn eigen taal.
2.3 Religie
De Georgiërs werden al in de 4de eeuw vanuit Armenië gekerstend. De
meeste Georgiërs behoren tot de Georgisch-Orthodoxe Kerk, de Armeniërs
tot de (eveneens christelijke) Armeense Kerk. Adzjaren en Azerbajdzjanen
hangen in meerderheid de (soennitische) islam aan. De Abchaziërs zijn
deels (soennitische) moslims, deels christenen.
3. Bestuur
3.1 Staatsinrichting
In afwachting van een nieuwe grondwet, die vertraagd wordt door
onenigheid over de autonomiekwestie inzake Abchazië, Adzjarië en
Zuid-Ossetië, is nog de oude grondwet van de Sovjetrepubliek Georgië van
kracht, die niettemin op belangrijke punten is aangepast. Na de val van
president Gamsachoerdia in 1992 werd het Parlement ontbonden en een
Opperste Raad (in de plaats van de Opperste Sovjet) met wetgevende en
uitvoerende macht in het leven geroepen, waarvan de leden rechtstreeks
door het volk worden gekozen. De voorzitter hiervan is de president en
het staatshoofd van het land. Hij wordt in aparte verkiezingen eveneens
direct gekozen. De president benoemt de minister-president.
3.2 Administratieve indeling
Georgië is administratief ingedeeld in 65 landelijke gebieden, 62
gemeenten en 53 woongebieden met een stedelijk karakter.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Georgië is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS; pas
vanaf 1 maart 1994).
3.4 Politieke partijen
Sedert de invoering van het meerpartijenstelsel in 1990 zijn er meer dan
honderd politieke partijen opgericht. De belangrijkste zijn: de
Agrarische Partij van Georgië, de Burgervereniging van Georgië van
president Edoeard Sjevardnadze, het Georgische Volksfront, de Georgische
Sociaal-democratische Partij, de Groene Partij, de
Nationaal-democratische Partij, de Partij van Nationale
Onafhankelijkheid en de Arbeidersunie. De Communistische Partij, tot
1990 de enige partij, werd in 1991 verboden, een socialistische partij
werd in 1994 toegelaten.
4. Economie
In Colchis en
op de berghellingen langs de Zwarte Zee worden o.m. citrusvruchten,
moerbeibomen, thee, tabak en druiven (wijn) geteeld. De akkerbouw, die
verder o.m. granen, maïs, voedergewassen en etherische oliën produceert,
is intensief en sterk gemechaniseerd. De veehouderij maakt gebruik van
zomer- en winterweiden en omvat runder- (vooral in het westen), schapen-
en geiten- (oosten) en varkensteelt; ook pluimveeteelt.
De mijnbouw levert in de eerste plaats mangaan (bij Tsjiatoera), dat
grotendeels als erts wordt uitgevoerd, deels ook (te Zestafoni)
verwerkt. Steenkool wordt gewonnen bij Tkvartsjeli en Tkiboeli. Te
Roestavi is een groot metallurgisch complex. Voorts produceert de
industrie vrachtauto's, tractoren, machines, chemicaliën, bouwmaterialen
en levensmiddelen. Voor de energievoorziening wordt op grote schaal
gebruik gemaakt van waterkracht; daarnaast zijn er vele steenkool- en
aardgascentrales. De belangrijkste havens zijn Batoemi, Poti en
Soechoemi. Tbilisi heeft een luchthaven. Toeristisch is vooral de
Zwarte-Zeekust in trek en voorts kuuroorden als Tsjaltoebo, Borzjomi,
Abastoemani, Pasanaoeri en Bakoeriani, verscheidene wintersportplaatsen
en centra van oude cultuur, zoals de vroegere hoofdstad Mtskjeta bij
Tbilisi.
5. Geschiedenis
5.1 Oudheid en Middeleeuwen
Westelijk
Georgië was reeds bekend in de 7de eeuw v.C. als koninkrijk Colchis ,
terwijl in de 4de eeuw oostelijk Georgië als zelfstandige staat heeft
bestaan, namelijk het koninkrijk Iberia (Kartli), waar de oude culturele
hoofdstad Mtskjeta en de latere hoofdstad Tbilisi gelegen zijn. In 65
v.C. werd het hele gebied door Pompejus veroverd; beide koninkrijken
werden vazalstaten van de Romeinen. Na een aantal opstanden schijnen de
Georgische vorsten zich in de Romeinse heerschappij te hebben geschikt.
In 337 werd het christendom de officiële godsdienst van het land. In
westelijk Georgië was het christendom reeds eerder gepredikt door
missionarissen uit de Griekse kolonies langs de Zwarte Zee. Voor geheel
Georgië betekende deze religieuze keuze een duidelijke breuk met het
zoroastrische Perzië. De ligging van het land maakte Georgië tot een
bufferstaat tussen de Romeinse, later Byzantijnse, en de Perzische
machthebbers. Koning Vakhtang Gorgaslan (466-522) sloot een verbond met
keizer Zeno van Byzantium en aanvaardde ook het Henotikon (484). Zeno
erkende het hoofd van de christelijke Georgiërs als autocefaal patriarch
(katholikos). In de 6de eeuw volgden de Georgische christenen de
Byzantijnse Kerk, toen deze in verzoening met Rome het Concilie van
Chalcedon weer aanvaardde. Vanaf deze tijd is er een duidelijke
scheiding tussen Georgië en Armenië, dat het Concilie van Chalcedon
bleef verwerpen. Vanaf het midden van de 7de tot de 9de eeuw was
Georgië, evenals Armenië, een Arabische vazalstaat. In 813 kwam de macht
in handen van de Bagratieden-dynastie, die ook in Armenië aan de macht
gekomen was. In 888 werd in het oostelijk deel van Georgië (Iberia) het
koningschap hersteld, dat duizend jaar lang in handen van de
Bagratiedenfamilie bleef. In 978 werden Oost- en West-Georgië tot een
eenheid verenigd onder Bagrat III van Iberia en in 1008 ontstond het ene
koninkrijk Georgië; alleen de stad Tiflis (Tbilisi) bleef nog een eeuw
onder de macht van de islamieten.
5.2 Culturele ontwikkeling
In de 7de eeuw ontstond een eigen christelijke literatuur:
beschrijvingen van martelarenlevens, hymnen en heiligenlevens en vooral
eigen teksten op het terrein van de liturgie, waarin omstreeks deze tijd
de volkstaal werd ingevoerd. Grote invloed op de culturele ontwikkeling
werd uitgeoefend door de kloosters, zowel die in eigen land als
daarbuiten (in Palestina, op de Sinaï, nabij Antiochië, in
Constantinopel en op de Balkan en vooral de vestiging op de berg Athos,
het klooster Iviron). De gouden eeuw, begonnen met de hereniging van
geheel Georgië ca. 980, duurde tot het midden van de 13de eeuw. De grote
schepper van deze bloei was David III, de Bouwer (1089-1125), die o.a.
Tiflis op de islamieten heroverde. Zijn opvolgers Georg III (1154-1184)
en diens dochter Tamar (1184-1213) continueerden de ontwikkeling,
waarbij de christelijke inspiratie (de koningen noemden zich 'Dienaren
van de Messias') en het actieve contact met het Byzantijns christelijk
cultuurgebied van grote betekenis zijn geweest. De wereldlijke
literatuur kwam op en omvatte (onder Perzische invloed) vooral
heldendichten, zoals het bekende De man in de panterhuid van Sjota
Roestaveli (geb. ca. 1166).
5.3 Turkse, Perzische en Russische overheersing
Door de invallen van de Mongolen, vanaf 1220, kwam aan deze bloeiperiode
op wrede wijze een einde. Het land werd een ruïne, overgeleverd aan de
machtsstrijd van Turken en Perzen. De laatste koning van geheel Georgië
was Alexander I (1412-1443) en na hem werd het gebied verdeeld in kleine
vorstendommen, door rivaliteit vaak met elkaar in onmin levend. De val
van Constantinopel (1453) bracht Georgië in een nog sterker isolement.
Langzaam groeide echter de belangstelling voor deze streken in Rusland,
dat zich als waakster over de christelijke orthodoxie uitgenodigd voelde
beschermend binnen te treden in de Transkaukasische gebieden. De druk
van Perzen en Turken, die grote delen van het land vaak hard en
meedogenloos beheersten, deed de inwoners van Georgië op den duur
hoopvol uitzien naar hulp van het christelijke Rusland. Ten slotte
stelde koning Erekle (Heracles) II (1744-1798) zich in 1783 onder
protectoraat van Rusland en op 12 sept. 1801 lijfde tsaar Alexander I
Georgië bij zijn eigen rijk in. Het land werd een Russische provincie,
bestuurd door Russische ambtenaren, met de Russische taal in bestuur,
rechtspraak en onderwijs. Voor de Georgische Kerk betekende de annexatie
door Rusland, dat in 1811 het eigen patriarchaat werd opgeheven en de
Georgische christenen een deel gingen vormen van de Russische Kerk,
waarbij zij zelfs werden gedwongen de Slavische liturgie te accepteren.
Georgisch patriottisch verzet tegen Rusland bleef de gehele 19de eeuw
voortduren. Sinds de jaren 1890 kreeg de arbeidersbeweging vaste voet in
Georgië; zij ontwikkelde zich vooral in sociaal-democratische richting,
waarbij de mensjeviki de toon aangaven.
5.4 Sovjetrepubliek
De verwarring van het revolutiejaar 1917 leidde op 26 mei 1918 tot het
uitroepen van de Georgische onafhankelijkheid, die gehandhaafd bleef tot
februari 1921, toen Georgië door de Sovjet-Unie werd aangevallen en
ingelijfd. In 1923 ging het land samen met Armenië en Azerbajdzjan deel
uitmaken van de toen gestichte Federale Transkaukasische SSR. De SSR
Georgië kwam in 1936 tot stand, toen de Sovjet-Unie een nieuwe grondwet
kreeg. In de jaren 1917-1921 werd het eigen patriarchaat hersteld (zie
autocefale kerken) en in 1943 ontstonden opnieuw goede betrekkingen met
de Russische Kerk. Er is tot op heden ook een groot aantal met Rome
geünieerde Georgiërs.
Als gevolg van de door Sovjetleider
M. Gorbatsjov gevoerde politiek van glasnost en perestrojka werd aan
het eind van de jaren tachtig, net als in andere delen van de
Sovjet-Unie, de roep om een onafhankelijke republiek steeds luider. In
1988 werd de Nationale Democratische Partij van Georgië opgericht en
sindsdien kwam het herhaaldelijk tot demonstraties. Een massaal protest
in Tbilisi werd begin 1989 bloedig neergeslagen. Gelijktijdig maakte de
autonome Abchazische sovjetrepubliek kenbaar zich van de Georgische
republiek los te willen maken om een volwaardige sovjetrepubliek te
worden. De islamitische Abchaziërs voelden zich door de christelijke
Georgiërs in hun nationalistische bewustzijn gediscrimineerd. Begin 1990
verklaarde de Georgische Opperste Sovjet de verdragen van 1920-1921,
waarmee Georgië zich aansloot bij de Sovjet-Unie, onwettig. Aan de
parlementsverkiezingen van november 1990 werd behalve door de
communistische partij, door een groot aantal partijen deelgenomen,
waarvan de partijcombinatie Ronde Tafel-Vrij Georgië de meerderheid
kreeg.
5.5 Onafhankelijkheid
Georgië maakte zich in april 1991 los uit de Sovjet-Unie en wenste zich
niet aan te sluiten bij het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS).
De autocratische regeerstijl van president Zviad Gamsachoerdia riep veel
weerstand op en leidde tot een burgeroorlog tussen oppositie en
aanhangers van de president. Op 2 jan. 1992 nam de oppositie de macht
over. De voormalige sovjetminister van Buitenlandse Zaken en vroegere
partijleider van Georgië, Edoeard Sjevardnadze, werd in maart voorzitter
van de inmiddels gevormde Staatsraad, die voorlopig het bestuur overnam.
Gamsachoerdia, op 6 jan. gevlucht, zette vanuit de Tsjetsjeense
hoofdstad Grozny zijn acties voort. De acties van de
Gamsachoerdia-aanhangers vormden de directe aanleiding voor grootscheeps
militair ingrijpen van de Georgische Nationale Garde in de autonome
republiek Abchazië in aug. 1992. Onder auspiciën van de Russische
minister van Buitenlandse Zaken werd in aug. 1993 een derde
staakt-het-vuren bereikt tussen Georgië en Abchazië. Dit werd echter een
maand later door de Abchaziërs verbroken, waarna zij de Abchasische
hoofdstad Soechoemi op de Georgiërs veroverden. In de eindfase van de
strijd trachtte Gamsachoerdia nog tevergeefs samen met zijn aanhangers
de Abchaziërs tegen te houden. Vervolgens keerde hij zich weer tegen de
Georgische regering (maar pleegde op oudejaarsdag 1993, in het nauw
gebracht, zelfmoord). Mede vanwege de interne verdeeldheid en om hulp
van Rusland te verkrijgen besloot Georgië in okt. 1993 alsnog tot het
GOS toe te treden.
In de autonome republiek Zuid-Ossetië, waar al sinds 1989 werd
gevochten, kwam eveneens na Russische bemiddeling, in 1994, een eind aan
de strijd tussen Georgiërs en Zuid-Osseten.
Rusland zegde in maart 1995 toe de opbouw van de Georgische
strijdkrachten te ondersteunen en de herintegratie van Abchazië en
Zuid-Ossetië, die na bemiddeling van Rusland in 1994 de strijd met
Georgië hadden gestaakt, te bevorderen. In sept. 1996 kondigde Abchazië
echter parlementsverkiezingen aan voor november van dat jaar. Georgië
reageerde verontwaardigd, omdat de onderhandelingen over de toekomstige
status van Abchazië muurvast zaten. Ook in het conflict om Zuid-Ossetië
werden eerdere toenaderingspogingen tenietgedaan door
presidentsverkiezingen voor het Zuid-Ossetische parlement in november.
Ondanks deze geschillen liet de politieke en economische situatie in
1996 een zodanige stabilisering zien dat de economie, die in de jaren
daarvoor door gewapende strijd en politieke chaos deplorabel was,
aanzienlijk verbeterde.
Telefoongids Georgië
Postcodes
Georgië
|