header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

GeorgiŽ

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

GeorgiŽ (Georgisch: Sakartvelo, officieel: Sakartvelos Respublica), republiek in de Kaukasus, 69.700 km2, met (1994) 5,5 miljoen inw. (79 inw. per km2); hoofdstad: Tbilisi of Tiflis. Munteenheid is de lari, verdeeld in 100 tetri. Nationale feestdag is 26 mei, Onafhankelijkheidsdag (1918).

Kaart van GeorgiŽ

1. Fysische geografie
GeorgiŽ strekt zich naar het noorden toe uit tot de hoofdketen van de Grote Kaukasus; Zuid-GeorgiŽ bestaat uit de lavaplateaus van de Kleine Kaukasus met oude vulkaankegels. Het klimaat is subtropisch. De gemiddelde januaritemperatuur van de door de hoofdketen beschermde Colchisvlakte is +5 įC, de neerslag bedraagt er tussen de 1500 en de 1700 mm per jaar; de plateaus en hellingen van de Kleine Kaukasus zijn droger en hebben een steppeklimaat.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding

De bevolking is als volgt samengesteld: 72% GeorgiŽrs, 8% ArmeniŽrs, 6% Azerbajdzjanen (of Azeri), 6% Russen, 2% Adzjaren (overwegend moslims), 3% Osseten en 2% AbchaziŽrs. Etnische problemen (separatisme) zijn er met de laatste twee bevolkingsgroepen in het noorden en noordwesten van het land. De gemiddelde bevolkingsgroei bedraagt 0,4% per jaar.
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Georgisch (zie Georgische talen). Verder heeft vrijwel elk volk zijn eigen taal.
2.3 Religie
De GeorgiŽrs werden al in de 4de eeuw vanuit ArmeniŽ gekerstend. De meeste GeorgiŽrs behoren tot de Georgisch-Orthodoxe Kerk, de ArmeniŽrs tot de (eveneens christelijke) Armeense Kerk. Adzjaren en Azerbajdzjanen hangen in meerderheid de (soennitische) islam aan. De AbchaziŽrs zijn deels (soennitische) moslims, deels christenen.

3. Bestuur
3.1 Staatsinrichting
In afwachting van een nieuwe grondwet, die vertraagd wordt door onenigheid over de autonomiekwestie inzake AbchaziŽ, AdzjariŽ en Zuid-OssetiŽ, is nog de oude grondwet van de Sovjetrepubliek GeorgiŽ van kracht, die niettemin op belangrijke punten is aangepast. Na de val van president Gamsachoerdia in 1992 werd het Parlement ontbonden en een Opperste Raad (in de plaats van de Opperste Sovjet) met wetgevende en uitvoerende macht in het leven geroepen, waarvan de leden rechtstreeks door het volk worden gekozen. De voorzitter hiervan is de president en het staatshoofd van het land. Hij wordt in aparte verkiezingen eveneens direct gekozen. De president benoemt de minister-president.
3.2 Administratieve indeling
GeorgiŽ is administratief ingedeeld in 65 landelijke gebieden, 62 gemeenten en 53 woongebieden met een stedelijk karakter.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
GeorgiŽ is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS; pas vanaf 1 maart 1994).
3.4 Politieke partijen
Sedert de invoering van het meerpartijenstelsel in 1990 zijn er meer dan honderd politieke partijen opgericht. De belangrijkste zijn: de Agrarische Partij van GeorgiŽ, de Burgervereniging van GeorgiŽ van president Edoeard Sjevardnadze, het Georgische Volksfront, de Georgische Sociaal-democratische Partij, de Groene Partij, de Nationaal-democratische Partij, de Partij van Nationale Onafhankelijkheid en de Arbeidersunie. De Communistische Partij, tot 1990 de enige partij, werd in 1991 verboden, een socialistische partij werd in 1994 toegelaten.

4. Economie
In Colchis en op de berghellingen langs de Zwarte Zee worden o.m. citrusvruchten, moerbeibomen, thee, tabak en druiven (wijn) geteeld. De akkerbouw, die verder o.m. granen, maÔs, voedergewassen en etherische oliŽn produceert, is intensief en sterk gemechaniseerd. De veehouderij maakt gebruik van zomer- en winterweiden en omvat runder- (vooral in het westen), schapen- en geiten- (oosten) en varkensteelt; ook pluimveeteelt.
De mijnbouw levert in de eerste plaats mangaan (bij Tsjiatoera), dat grotendeels als erts wordt uitgevoerd, deels ook (te Zestafoni) verwerkt. Steenkool wordt gewonnen bij Tkvartsjeli en Tkiboeli. Te Roestavi is een groot metallurgisch complex. Voorts produceert de industrie vrachtauto's, tractoren, machines, chemicaliŽn, bouwmaterialen en levensmiddelen. Voor de energievoorziening wordt op grote schaal gebruik gemaakt van waterkracht; daarnaast zijn er vele steenkool- en aardgascentrales. De belangrijkste havens zijn Batoemi, Poti en Soechoemi. Tbilisi heeft een luchthaven. Toeristisch is vooral de Zwarte-Zeekust in trek en voorts kuuroorden als Tsjaltoebo, Borzjomi, Abastoemani, Pasanaoeri en Bakoeriani, verscheidene wintersportplaatsen en centra van oude cultuur, zoals de vroegere hoofdstad Mtskjeta bij Tbilisi.

5. Geschiedenis
5.1 Oudheid en Middeleeuwen
Westelijk GeorgiŽ was reeds bekend in de 7de eeuw v.C. als koninkrijk Colchis , terwijl in de 4de eeuw oostelijk GeorgiŽ als zelfstandige staat heeft bestaan, namelijk het koninkrijk Iberia (Kartli), waar de oude culturele hoofdstad Mtskjeta en de latere hoofdstad Tbilisi gelegen zijn. In 65 v.C. werd het hele gebied door Pompejus veroverd; beide koninkrijken werden vazalstaten van de Romeinen. Na een aantal opstanden schijnen de Georgische vorsten zich in de Romeinse heerschappij te hebben geschikt. In 337 werd het christendom de officiŽle godsdienst van het land. In westelijk GeorgiŽ was het christendom reeds eerder gepredikt door missionarissen uit de Griekse kolonies langs de Zwarte Zee. Voor geheel GeorgiŽ betekende deze religieuze keuze een duidelijke breuk met het zoroastrische PerziŽ. De ligging van het land maakte GeorgiŽ tot een bufferstaat tussen de Romeinse, later Byzantijnse, en de Perzische machthebbers. Koning Vakhtang Gorgaslan (466-522) sloot een verbond met keizer Zeno van Byzantium en aanvaardde ook het Henotikon (484). Zeno erkende het hoofd van de christelijke GeorgiŽrs als autocefaal patriarch (katholikos). In de 6de eeuw volgden de Georgische christenen de Byzantijnse Kerk, toen deze in verzoening met Rome het Concilie van Chalcedon weer aanvaardde. Vanaf deze tijd is er een duidelijke scheiding tussen GeorgiŽ en ArmeniŽ, dat het Concilie van Chalcedon bleef verwerpen. Vanaf het midden van de 7de tot de 9de eeuw was GeorgiŽ, evenals ArmeniŽ, een Arabische vazalstaat. In 813 kwam de macht in handen van de Bagratieden-dynastie, die ook in ArmeniŽ aan de macht gekomen was. In 888 werd in het oostelijk deel van GeorgiŽ (Iberia) het koningschap hersteld, dat duizend jaar lang in handen van de Bagratiedenfamilie bleef. In 978 werden Oost- en West-GeorgiŽ tot een eenheid verenigd onder Bagrat III van Iberia en in 1008 ontstond het ene koninkrijk GeorgiŽ; alleen de stad Tiflis (Tbilisi) bleef nog een eeuw onder de macht van de islamieten.
5.2 Culturele ontwikkeling
In de 7de eeuw ontstond een eigen christelijke literatuur: beschrijvingen van martelarenlevens, hymnen en heiligenlevens en vooral eigen teksten op het terrein van de liturgie, waarin omstreeks deze tijd de volkstaal werd ingevoerd. Grote invloed op de culturele ontwikkeling werd uitgeoefend door de kloosters, zowel die in eigen land als daarbuiten (in Palestina, op de SinaÔ, nabij AntiochiŽ, in Constantinopel en op de Balkan en vooral de vestiging op de berg Athos, het klooster Iviron). De gouden eeuw, begonnen met de hereniging van geheel GeorgiŽ ca. 980, duurde tot het midden van de 13de eeuw. De grote schepper van deze bloei was David III, de Bouwer (1089-1125), die o.a. Tiflis op de islamieten heroverde. Zijn opvolgers Georg III (1154-1184) en diens dochter Tamar (1184-1213) continueerden de ontwikkeling, waarbij de christelijke inspiratie (de koningen noemden zich 'Dienaren van de Messias') en het actieve contact met het Byzantijns christelijk cultuurgebied van grote betekenis zijn geweest. De wereldlijke literatuur kwam op en omvatte (onder Perzische invloed) vooral heldendichten, zoals het bekende De man in de panterhuid van Sjota Roestaveli (geb. ca. 1166).
5.3 Turkse, Perzische en Russische overheersing
Door de invallen van de Mongolen, vanaf 1220, kwam aan deze bloeiperiode op wrede wijze een einde. Het land werd een ruÔne, overgeleverd aan de machtsstrijd van Turken en Perzen. De laatste koning van geheel GeorgiŽ was Alexander I (1412-1443) en na hem werd het gebied verdeeld in kleine vorstendommen, door rivaliteit vaak met elkaar in onmin levend. De val van Constantinopel (1453) bracht GeorgiŽ in een nog sterker isolement. Langzaam groeide echter de belangstelling voor deze streken in Rusland, dat zich als waakster over de christelijke orthodoxie uitgenodigd voelde beschermend binnen te treden in de Transkaukasische gebieden. De druk van Perzen en Turken, die grote delen van het land vaak hard en meedogenloos beheersten, deed de inwoners van GeorgiŽ op den duur hoopvol uitzien naar hulp van het christelijke Rusland. Ten slotte stelde koning Erekle (Heracles) II (1744-1798) zich in 1783 onder protectoraat van Rusland en op 12 sept. 1801 lijfde tsaar Alexander I GeorgiŽ bij zijn eigen rijk in. Het land werd een Russische provincie, bestuurd door Russische ambtenaren, met de Russische taal in bestuur, rechtspraak en onderwijs. Voor de Georgische Kerk betekende de annexatie door Rusland, dat in 1811 het eigen patriarchaat werd opgeheven en de Georgische christenen een deel gingen vormen van de Russische Kerk, waarbij zij zelfs werden gedwongen de Slavische liturgie te accepteren. Georgisch patriottisch verzet tegen Rusland bleef de gehele 19de eeuw voortduren. Sinds de jaren 1890 kreeg de arbeidersbeweging vaste voet in GeorgiŽ; zij ontwikkelde zich vooral in sociaal-democratische richting, waarbij de mensjeviki de toon aangaven.
5.4 Sovjetrepubliek
De verwarring van het revolutiejaar 1917 leidde op 26 mei 1918 tot het uitroepen van de Georgische onafhankelijkheid, die gehandhaafd bleef tot februari 1921, toen GeorgiŽ door de Sovjet-Unie werd aangevallen en ingelijfd. In 1923 ging het land samen met ArmeniŽ en Azerbajdzjan deel uitmaken van de toen gestichte Federale Transkaukasische SSR. De SSR GeorgiŽ kwam in 1936 tot stand, toen de Sovjet-Unie een nieuwe grondwet kreeg. In de jaren 1917-1921 werd het eigen patriarchaat hersteld (zie autocefale kerken) en in 1943 ontstonden opnieuw goede betrekkingen met de Russische Kerk. Er is tot op heden ook een groot aantal met Rome geŁnieerde GeorgiŽrs.
Als gevolg van de door Sovjetleider M. Gorbatsjov gevoerde politiek van glasnost en perestrojka werd aan het eind van de jaren tachtig, net als in andere delen van de Sovjet-Unie, de roep om een onafhankelijke republiek steeds luider. In 1988 werd de Nationale Democratische Partij van GeorgiŽ opgericht en sindsdien kwam het herhaaldelijk tot demonstraties. Een massaal protest in Tbilisi werd begin 1989 bloedig neergeslagen. Gelijktijdig maakte de autonome Abchazische sovjetrepubliek kenbaar zich van de Georgische republiek los te willen maken om een volwaardige sovjetrepubliek te worden. De islamitische AbchaziŽrs voelden zich door de christelijke GeorgiŽrs in hun nationalistische bewustzijn gediscrimineerd. Begin 1990 verklaarde de Georgische Opperste Sovjet de verdragen van 1920-1921, waarmee GeorgiŽ zich aansloot bij de Sovjet-Unie, onwettig. Aan de parlementsverkiezingen van november 1990 werd behalve door de communistische partij, door een groot aantal partijen deelgenomen, waarvan de partijcombinatie Ronde Tafel-Vrij GeorgiŽ de meerderheid kreeg.
5.5 Onafhankelijkheid
GeorgiŽ maakte zich in april 1991 los uit de Sovjet-Unie en wenste zich niet aan te sluiten bij het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). De autocratische regeerstijl van president Zviad Gamsachoerdia riep veel weerstand op en leidde tot een burgeroorlog tussen oppositie en aanhangers van de president. Op 2 jan. 1992 nam de oppositie de macht over. De voormalige sovjetminister van Buitenlandse Zaken en vroegere partijleider van GeorgiŽ, Edoeard Sjevardnadze, werd in maart voorzitter van de inmiddels gevormde Staatsraad, die voorlopig het bestuur overnam. Gamsachoerdia, op 6 jan. gevlucht, zette vanuit de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny zijn acties voort. De acties van de Gamsachoerdia-aanhangers vormden de directe aanleiding voor grootscheeps militair ingrijpen van de Georgische Nationale Garde in de autonome republiek AbchaziŽ in aug. 1992. Onder auspiciŽn van de Russische minister van Buitenlandse Zaken werd in aug. 1993 een derde staakt-het-vuren bereikt tussen GeorgiŽ en AbchaziŽ. Dit werd echter een maand later door de AbchaziŽrs verbroken, waarna zij de Abchasische hoofdstad Soechoemi op de GeorgiŽrs veroverden. In de eindfase van de strijd trachtte Gamsachoerdia nog tevergeefs samen met zijn aanhangers de AbchaziŽrs tegen te houden. Vervolgens keerde hij zich weer tegen de Georgische regering (maar pleegde op oudejaarsdag 1993, in het nauw gebracht, zelfmoord). Mede vanwege de interne verdeeldheid en om hulp van Rusland te verkrijgen besloot GeorgiŽ in okt. 1993 alsnog tot het GOS toe te treden.
In de autonome republiek Zuid-OssetiŽ, waar al sinds 1989 werd gevochten, kwam eveneens na Russische bemiddeling, in 1994, een eind aan de strijd tussen GeorgiŽrs en Zuid-Osseten.
Rusland zegde in maart 1995 toe de opbouw van de Georgische strijdkrachten te ondersteunen en de herintegratie van AbchaziŽ en Zuid-OssetiŽ, die na bemiddeling van Rusland in 1994 de strijd met GeorgiŽ hadden gestaakt, te bevorderen. In sept. 1996 kondigde AbchaziŽ echter parlementsverkiezingen aan voor november van dat jaar. GeorgiŽ reageerde verontwaardigd, omdat de onderhandelingen over de toekomstige status van AbchaziŽ muurvast zaten. Ook in het conflict om Zuid-OssetiŽ werden eerdere toenaderingspogingen tenietgedaan door presidentsverkiezingen voor het Zuid-Ossetische parlement in november.
Ondanks deze geschillen liet de politieke en economische situatie in 1996 een zodanige stabilisering zien dat de economie, die in de jaren daarvoor door gewapende strijd en politieke chaos deplorabel was, aanzienlijk verbeterde.


Telefoongids GeorgiŽ
Postcodes GeorgiŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009