|
1. Fysische geografie
De kustlijn is 535 km lang. Achter de strandwallen, opgeworpen door de
sterke branding, liggen vele lagunen. De kustvlakte met een breedte van
ca. 50 km is begroeid met mangroven en palmen. Verder naar het noorden
volgen eerst heuvelland met tropisch regenwoud en daarna savanne met
verspreide bomen, o.a. baobabs, en galerijbossen met borassuspalmen,
varens en bamboe. De dierenwereld is typisch die van West-Afrika, waarin
boselementen (talrijke soorten apen, enz.) overheersen. De
natuurbescherming is nog niet sterk ontwikkeld. De bodem bestaat voor
een groot gedeelte uit paleozoïsche zandsteen, die weinig delfstoffen
bevat en bij verwering weinig vruchtbare gronden geeft. In het noorden
en zuidwesten zijn granieten en andere gesteenten talrijk. Het land
behoort voor tweederde tot het bekken van de Volta en haar zijrivieren.
Deze zijn in het geheel niet of alleen nabij de monding bevaarbaar. Bij
de bouw van de stuwdam bij Akosombo in de Volta ontstond het
Voltastuwmeer (8480 km2).
Het klimaat is heet en vochtig. Het grootste deel van het jaar waait de
zuidwestmoesson; doordat de kustlijn ten oosten van kaap Three Points
naar het noordoosten ombuigt, waait daar de moesson meer langs het
kustland en brengt daar dan ook aanzienlijk minder regen dan ten westen
van de kaap (het zuidwesten heeft een regenval van 2000 mm per jaar;
Accra heeft slechts 700 mm). De savannen in het noorden van Ghana
ontvangen alleen regen in de zomermaanden; in de winter waait hier vaak
de harmattan.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking wordt etnisch vrijwel geheel tot de Soedannegers gerekend,
alleen in het noorden wonen hier en daar Hamitische groeperingen. Naar
herkomst zijn er meer dan honderd volkeren te onderscheiden; er zijn
echter minder onderlinge tegenstellingen dan in de meeste andere
Afrikaanse landen. Van de bevolking behoort 70% tot de Kwa-sprekenden,
waartoe Akan, die het Fanti en Ashanti spreken (ca. 45%), Ewe (in het
zuidoosten, ca. 15%), Ga en Guan behoren. De in het noorden wonende
groep van Gur-sprekenden maakt ca. 20% van de bevolking uit (o.a.
Mole-Dagbane, Gurma en Grusi). Relatief hoog is het aantal niet in Ghana
geboren Afrikanen (9%); vnl. rondtrekkende arbeiders uit Togo,
Boven-Volta en Nigeria. De kuststreken zijn het dichtstbevolkt, o.a.
vanwege de cacaocultuur, de mijnbouw en de havens. Het onvruchtbare
midden is dun bevolkt. Ruim 35% van de bevolking woont in de steden. De
bevolkingsgroei bedroeg in de periode 1980-1992 3,2% per jaar. De
levensverwachting bedraagt bij geboorte voor vrouwen 57 jaar, voor
mannen 55 jaar. 55% van de bevolking is jonger dan 21 jaar; slechts 4%
is ouder dan 50 jaar.
2.2 Taal
Engels is de officiële taal. Er worden meer dan vijftig andere talen
gesproken, o.a. Twi, Hanssa, Ewe, Fanti, Ga en Nsema.
2.3 Religie
De traditionele stamreligies domineren. Christenen (de helft van de
bevolking; van wie ruim een derde rooms-katholiek) zijn het sterkst
vertegenwoordigd in het zuiden; islamieten (ca. 15% van de bevolking)
het sterkst in het noorden.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
De nieuwe grondwet van 1993 proclameerde officieel de Vierde Republiek.
Volgens deze grondwet is Ghana een presidentiële republiek. De
president, die direct door het volk voor vier jaar wordt gekozen, is
staatshoofd en heeft grote executieve volmachten. De wetgevende macht
berust bij het parlement dat uit één Kamer bestaat, waarvan de 200
afgevaardigden voor vier jaar in directe verkiezingen worden gekozen.
3.2 Administratieve indeling
Ghana is bestuurlijk ingedeeld in 10 gewesten, die zijn onderverdeeld in
110 districten. De gemeenten hebben een grote zelfstandigheid, waarbij
verschillen in stamtradities gehandhaafd kunnen blijven.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Ghana is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), het
Gemenebest, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS),
het IMF, de Wereldbank en geassocieerd lid van de EU.
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
Sinds 1992 zijn politieke partijen weer toegelaten, maar de
regeringspartij, het National Democratic Congress (NDC), wist bij
verkiezingen steeds de absolute meerderheid te behouden, volgens de
oppositie wegens onregelmatigheden met de kiesregisters. De
belangrijkste oppositiepartij is de New Patriotic Party (NPP).
Overkoepelend orgaan van de vakbeweging is de Ghana Trade Union Congress
(TUC; opgericht in 1945), waarin bijna 50 vakbonden verenigd zijn.
4. Economie
4.1 Algemeen
De algemene economische situatie is weinig rooskleurig: de werkloosheid,
vooral in de steden, is hoog en er is een aanzienlijke inflatie (28% in
1994). De economie steunt vnl. op de landbouw, die tezamen met de
bosbouw en visserij ca. 45% van het bruto nationaal product (bnp)
vertegenwoordigt en 70% van de export. Het belangrijkste exportproduct
(na goud) is cacao, waarvan Ghana in de jaren zestig de grootste
producent ter wereld was, maar eind jaren tachtig was het naar de derde
plaats gezakt (achter Ivoorkust en Brazilië). Ook de productie van een
ander exportartikel, hout, is sterk gedaald. Naast de verhoging van de
cacaoproductie probeert de regering de diversiteit in de landbouw te
vergroten. Infrastructurele gebreken, m.n. slechte verkeersverbindingen
en kleine, nauwelijks ontwikkelde markten, hebben vergaande
industrialisatie van Ghana verhinderd.
De economische planning geschiedt op basis van meerjarenplannen. Het met
hulp van het IMF ontwikkelde economische herstelprogramma bracht echter
een reeks successen teweeg, o.a. op het terrein van de prijspolitiek, de
infrastructuur en de inflatie.
4.2 Agrarische sector, bosbouw en visserij
De landbouw wordt hoofdzakelijk bedreven door kleine boeren. De
cacao-opbrengst vertoont jaarlijks nogal sterke fluctuaties, afhankelijk
van de weersomstandigheden en de mate waarin nieuwe aanplant is
gerealiseerd. Voor eigen consumptie worden vooral maïs, cassave, yam,
gierst, rijst, katoen en de vruchten van de colaboom en de oliepalm
verbouwd. Er wordt onvoldoende voedsel geproduceerd om in eigen
behoeften te voorzien. Veehouderij (runderen, geiten, schapen, varkens
en kippen) vindt vnl. plaats in de noordelijke savannezone en verder op
de grasvlakte langs de kust. Ongeveer tweederde van het geconsumeerde
vlees wordt ingevoerd. Vis is de belangrijkste bron van dierlijke
eiwitten voor de bevolking. Een kwart van de geconsumeerde vis wordt van
Japan, Rusland en Frankrijk (voor de kust van Ghana gevangen vis)
gekocht. Met een aandeel van 10% in de export is hout na cacao en de
bodemschatten het belangrijkste exportproduct. Houttransport vindt
vooral plaats via de spoorwegen. De houthaven is Takoradi.
4.3 Mijnbouw
De mijnbouw is in het zuidwesten van het land geconcentreerd en levert
bijna 45% van de exportinkomsten. Hier wordt het goud gewonnen, waaraan
de vroegere naam Goudkust te danken is. Verder wordt diamant, mangaan en
bauxiet gedolven. (Met Kongo behoort Ghana tot de grootste diamantlanden
ter wereld.) Deze delfstoffen worden ook uitgevoerd. Ten slotte zijn er
geringe hoeveelheden zout, kwik, ijzererts, koper, zink, tin, chroom,
asbest en kalksteen. Aardolie is aangetroffen voor de kust, ook heeft
men aardgasvoorraden gevonden, maar met de winning van beide
energiebronnen is nog niet begonnen.
4.4 Energievoorziening
De twee grootste centrales zijn de hydro-elektriciteit leverende
Akosombo- en Kpong-centrale aan het Voltastuwmeer. Tweederde van de
stroom wordt door de Volta Aluminium Comp. (VALCO) verbruikt die
daarvoor in US-dollars betaalt.
4.5 Industrie
De industrialisatie bevindt zich nog in een aanvangsfase. De industrie
biedt aan 13% van alle werknemers werk; kleine bedrijven domineren.
Pogingen grote bedrijven in landelijke gebieden op te zetten zijn op
niets uitgelopen. Het grootste industriebedrijf is de Ghana Industrial
Holding Corp. De fabricage van textiel en schoenen heeft een grote
ontwikkeling doorgemaakt.
4.6 Handel
De handelsbalans is doorgaans negatief. Ingevoerd worden o.a.
voedingsmiddelen, aardolie, chemische producten, textiel, machines en
transportmiddelen. Het voornaamste uitvoerproduct is cacao (26% van de
exportwaarde) en verder hout (13,5%), goud (44,8%) en energie (5%).
Ghana's belangrijkste handelspartners zijn Groot-Brittannië, de
Verenigde Staten, Nigeria, Duitsland, Japan en Nederland.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
Ghana heeft vanaf het begin van de onafhankelijkheid omvangrijke hulp
van zowel het Westen als van landen met een geleide economie ontvangen.
Na de val van N'krumah nam de hulp van het Oostblok af. Vanaf het midden
van de jaren tachtig ontvangt Ghana verhoudingsgewijs krachtige
financiële hulp van het IMF en de Wereldbank.
4.8 Bankwezen
De centrale bank is sinds 1957 de Bank of Ghana. Er zijn diverse andere
banken voor handel en ontwikkeling, waaronder enkele buitenlandse.
4.9 Verkeer
Een 953 km lange spoorweg verbindt Accra met Kumasi en Takordi. Evenals
de spoorwegen is het wegennet (totale lengte ca. 36!700 km) in het kust-
en bosgebied in het zuiden geconcentreerd. De belangrijkste havens
Takoradi en Tema zijn beide kunstmatig aangelegd. Het ontstaan van het
Voltameer opent nieuwe interne transportmogelijkheden. De nationale
luchtvaartmaatschappij is Ghana Airways Corporation. Er zijn luchthavens
in Accra (het - enige - internationale vliegveld Kotoka), Takoradi,
Kumasi, Tamale en Sunyani.
5. Geschiedenis
Ghana ontstond als onafhankelijke staat, in de vorm van een
parlementaire monarchie binnen het Gemenebest, op 6 maart 1957 en
omvatte het gebied van de Britse kolonie Goudkust en het trustgebied van
Togo. Op 1 juli 1960 werd bij volksstemming de republiek uitgeroepen.
Premier Kwame N'krumah werd president. Hij trok internationaal sterk de
aandacht met zijn streven naar meer economische onafhankelijkheid en
naar versterking van de pan-Afrikaanse eenheid. Nadat N'krumah in de
loop van de tijd steeds meer de macht aan zich en zijn partij had
getrokken en de economische toestand verslechterd was door de sterke
daling van de cacaoprijs in 1965, werd hij in 1966 afgezet door leger en
politie. De economie bleef verslechteren, ook onder de militaire regimes
van generaal J.A. Ankrah en brigadegeneraal A. Afrifa. Afrifa werd in
1969 gedwongen de macht over te dragen aan een burgerregering, die onder
leiding stond van Kofi Busia. Zijn slechte economische beleid bracht de
militairen ertoe in te grijpen: in dec. 1971 brachten zij kolonel I.K.
Acheampong aan de macht. Acheampong, die zich evenals zijn voorgangers
schuldig maakte aan corruptie, stelde terugkeer naar een burgerregering
in het vooruitzicht. Toen bleek dat hij een burgerregering van nationale
eenheid zonder politieke partijen voorstond, werd hij op 5 juli 1978
afgezet. Zijn opvolger, luitenant-generaal F. Akuffo, kon niet
verhinderen dat de economische wanorde alleen maar groter werd, terwijl
de militaire leiders zich persoonlijk bleven verrijken. Na een mislukte
poging in mei 1979 lukte het een groep lagere officieren onder leiding
van de luitenant-vlieger J. Rawlings op 4 juni 1979 de macht te grijpen.
De afgezette staatshoofden Acheampong en Akuffo werden veroordeeld
wegens corruptie en terechtgesteld. Scherpe protesten uit het buitenland
leidden ertoe dat de zuivering wel werd doorgevoerd, maar minder
drastisch. Op 24 sept. droeg Rawlings, volgens afspraak, de macht over
aan de burger-president Hilla Limann van de People's National Party (PNP),
die bij de verkiezingen in juni 1979 71 van de 140 parlementszetels had
gewonnen en vervolgens ook de presidentsverkiezingen gewonnen had.
Op 31 dec. 1981 pleegde Rawlings opnieuw met succes een coup. Hij
probeerde nu, naar Libisch voorbeeld, aan het hoofd van een raad van
soldaten en burgers volgens basisdemocratische ideeën de corruptie te
bestrijden. Sinds 1983 wist hij echter zijn links-revolutionair
georiënteerde volgelingen uit te schakelen en vanaf dat moment voerde
hij, na onderhandelingen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF),
economische hervormingen naar voorstellen van de westelijke
industrielanden in. In mei 1992 werd het elf jaar oude verbod op
politieke partijen opgeheven. Bij de in november van dat jaar gehouden
presidentsverkiezingen werd Rawlings met 58% gekozen. De oppositie
betwistte de uitslag en boycotte de parlementsverkiezingen van dec.
1992.
In 1994 en 1995 was vooral het noorden van Ghana het toneel van ernstige
etnische onlusten, waarbij duizenden mensen naar het naburige Togo
vluchtten en de spanningen met dat land verder toenamen. Togo
beschuldigde Ghana al langere tijd van steun aan de Togolese oppositie.
Bij de presidentsverkiezingen van dec. 1996 werd Rawlings, die na een
links-populistische periode de weg naar economisch liberalisme was
ingeslagen, met ruime meerderheid herkozen. In de gelijktijdig gehouden
parlementsverkiezingen behaalde het National Democratic Congress van
Rawlings een tweederde meerderheid. De oppositie behaalde een
meerderheid in de meeste steden en in het Ashanti-gebied. Rawlings had
zijn machtsbasis vooral op het platteland.
Telefoongids Ghana
Postcodes Ghana
|