|

|
De grenzen van het
filosofische bewijs. De 18de eeuwse Verlichting was de tijd van het
rationalisme. Eén van de verreikende consequenties van deze filosofie was de
ondermijning van het christelijk geloof onder de klasse die onderwijs had
genoten. Dit was een onbedoeld effect, want het project van de Verlichting
was om het bestaan van God te bewijzen door middel van de rede.
Descartes bijvoorbeeld
en Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) waren ervan overtuigd
dat door middel van de rede aangetoond kon worden dat God effectief bestond.
Filosofen van de late 18de eeuw zetten deze worsteling voort door het geloof
in God te rechtvaardigen in termen van de menselijke rede. Maar in de 19de
eeuw begonnen schrijvers te beweren dat logische oordelen geen hulp boden in
het debat over het bestaan van God. De Deense filosoof Soren
Kierkegaard (1813-1855) en
Nietzsche namen
tegenovergestelde posities in. Kierkegaard studeerde theologie, en hoewel
hij tegen het georganiseerde christendom was, was hij een toegewijde
religieuze denker. Hij beweerde dat mensen God zouden moeten omhelzen, zelfs
als het rationeel gezien absurd leek Nietzsche was een uitgesproken vijand
van het christendom en verkondigde dat het tijd was voor de mensen om een
nieuwe manier van 'zijn' te creëren, met menselijke creativiteit in plaats
van God in het centrum.
Voor Feuerbach en
Marx was religie een projectie van de menselijke essentie naar een
ideaalbeeld : zij stelden dat, in plaats van de ontwerper van de mens, God
de eigen creatie van de mens is - niet meer dan een verzinsel van de
menselijke geest. Marx meende dat de religie onderdeel uitmaakt van een
ideologie die de onderdrukten 'helpt' hun lot te accepteren. Hij schreef :
'Religie is de zucht van de onderdrukte, het sentiment van een harteloze
wereld, en de ziel van zielloze condities. Het is opium voor het volk'.
|
|
|
|
|
|
|