header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Griekenland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

Griekenland (officieel: Elliniki Dimokratia = Helleense Republiek, of HellŠs), republiek in Zuid-Europa, in het zuiden van het Balkanschiereiland, 131.957 km2, met (schatting 1995) 10.451.000 inw. (79 inw. per km2); hoofdstad: Athene (Athinai). Munteenheid is de drachme, verdeeld in 100 lepta. Nationale feestdag is 25 maart, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Bijna 18% van het landoppervlak wordt ingenomen door ruim 2000 vaak ver uit elkaar liggende eilanden, waarvan sommige (ca. 150) te klein zijn voor bewoning. Het vasteland is overwegend bergachtig. In het noordwesten vormt het ongeveer noord-zuid verlopende Pindhosgebergte een voortzetting van het met de Dinarische Alpen beginnende bergsysteem langs de Adriatische kust van het Balkanschiereiland, dat in de Pindhos hoogten bereikt boven 2500 m (Smolikas, 2637 m). Het vindt voortzetting in het Taygetosgebergte (tot 2409 m) van de Peloponnesos en in de naar het oosten afbuigende eilandenboog van Kreta, Karpathos en Rhodos. Deze overwegend uit kalksteen, voorts uit zandsteen en kleisteen bestaande keten is het resultaat van een jonge gebergtevorming, de alpine plooiing. In sommige gedeelten komen de onderliggende kristallijne gesteenten aan het oppervlak. Deze jonge gebergten zijn sterk verbrokkeld; door verzakkingen zijn zowel evenwijdig aan de bergketens als dwars daarop bekkenlandschappen en diepe baaien gevormd, waaronder de 127 km lange Golf van Korinthe die het schiereiland Peloponnesos scheidt van het vasteland. Het jonge bergland wordt in het westen geflankeerd door de eveneens voornamelijk uit kalksteen bestaande Ionische Eilanden. Oostelijk van het Pindhosgebergte ligt ThessaliŽ, waarvan het zuidelijke gedeelte wordt ingenomen door vlakten met landbouw en veeteelt; in het bergachtige noordelijke deel ligt de hoogste top van Griekenland, de Olympus (2911 m). Deze maakt deel uit van de oude massieven in het oosten en noordoosten van Griekenland, resten van reeds tijdens het Carboon gevormde gebergten. Ook de Cycladen, de eilandengroep in de EgeÔsche Zee, behoren tot deze oude massieven die overwegend zijn opgebouwd uit kristallijne gesteenten.
De rivieren van Griekenland zijn voor de scheepvaart van geen enkele betekenis; ook veel grote rivieren liggen 's zomers droog. Veel kleine rivieren hebben alleen water na hevige regenbuien. De belangrijkste rivier is de Achelůos, die op de Pindhos ontspringt, met de zijrivier de Inachus. Aan de oostzijde van de Pindhos ontspringt de Peneios, die vele zijrivieren heeft, waaronder de Enipeus en de Europos. De hoofdrivier van BoeotiŽ in Midden-Griekenland is de Kephisos. Van de Peloponnesische rivieren heeft de Roephias het grootste stroomgebied; de belangrijkste rivier van LaconiŽ is de Evrotas. Van de Stroema, de Vardar en de Mesta ligt alleen de benedenloop in Griekenland; de Maritza (of Evros) is grensrivier.
1.2 Klimaat
De kuststreken vertonen in het algemeen typisch mediterrane klimaatstrekken, nl. een hete droge zomer en een zachte winter, waarbij de neerslag vooral in het winterhalfjaar valt. Daar deze neerslag meest door westelijke winden wordt aangevoerd, krijgt de westkant van Griekenland daarvan veel meer dan de oostkant. In MacedoniŽ en in het binnenland gaat de continentale invloed duidelijk meespreken, hetgeen tot uitdrukking komt in de lagere wintertemperaturen en in een grotere spreiding van de neerslag over het gehele jaar. Gewoonlijk valt de neerslag in heftige buien en is daardoor beperkt tot een gering aantal dagen. De jaarlijkse hoeveelheden vertonen grote schommelingen.
1.3 Plantengroei
In vroeger tijden was Griekenland een bosrijk land, maar ten gevolge van eeuwenlange begrazing door geiten en schapen plus overmatige kap in de 19de eeuw zijn er nu alleen nog restanten van de eens uitgestrekte wouden. De minder toegankelijke berghellingen zijn nog steeds bedekt met Griekse zilversparren, beuken en Corsicaanse dennen, vooral in het Pindhosgebergte, waar de grootste overgebleven bossen van Griekenland worden aangetroffen. Onder de 1200 m komen vooral loofverliezende eiken, kastanjebomen en Aleppodennen voor, met hier en daar ook altijdgroene eiken en haagbeuken, langs de rivieren platanen en populieren. In lagere gebieden vindt men de altijdgroene eik samen met het dichte maquis, struikgewas dat beneden de 500 m tezamen met wingerd en olijfboom wordt aangetroffen. Op droge kalksteenhellingen en op veel van de eilanden degenereert het maquis tot phrygana, een wirwar van aromatische planten. In Noord-Griekenland, met evenredig over de seizoenen verdeelde regenval, komt de kermeseik voor op de steilere berghellingen, samen met de beuk en de jeneverbes.
1.4 Dierenwereld
Mede als gevolg van het sterk verkleinde bosareaal zijn er slechts weinig grote zoogdieren. Het edelhert is vrijwel uitgeroeid; de ree komt nog voor, evenals de gems, voorts een wilde geit op enkele eilanden en het wilde zwijn. In het noordwesten komen nog wolven voor, de jakhals is algemener. Ook wilde kat, steenmarter, otter, das en wezel worden nog aangetroffen, evenals, langs de kust, de monniksrob. Vermeldenswaard zijn de Griekse landschildpad, de Moorse landschildpad en de alleen in Griekenland voorkomende landschildpad Testudo marginata; zij nemen sterk in aantal af. Tot de zeebewoners behoren makreel, tonijn en sardine, kreeften, inktvissen, schelpdieren en sponzen. Er zijn drie nationale parken (ca. 52!000 ha) en op enkele eilanden natuurreservaten.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Van de ruim 10 miljoen inw. is 95% Griek. Belangrijke minderheden vormen de MacedoniŽrs, de Turken, die in ThraciŽ wonen en de Islam aanhangen, en (illegale) Albanezen. De overige minderheden, Aromoenen in Epiros, zigeuners en ArmeniŽrs, ondergaan een sterke assimilatie. De trek naar de steden, m.n. naar Athene, is nog steeds aanzienlijk: tussen 1961 en 1981 nam de bevolking van de hoofdstad toe met 63%, tussen 1981 en 1992 met 22% (voor Thessaloniki 85% resp. 37%). In 1994 woonde ruim 65% van de bevolking in de steden. De grootste steden zijn Athene (Athinai), Thessaloniki (ThessalonŪke), Piraeus (Peiraiťvs), Patra (PŠtrai), Volos (Bolůs), Larissa (LŠrissa) en Iraklion (HerŠklion). Naast verstedelijking is er ook sprake van emigratie: ca. 3, 5 miljoen Grieken wonen in het buitenland. Sinds de jaren zestig overschaduwde de migratie naar West-Europa die naar de traditionele emigratielanden de Verenigde Staten en AustraliŽ. Aan het eind van de jaren zeventig nam de emigratie sterk af. De bevolkingstoename bedroeg jaarlijks in de periode tussen 1990 en 1995 0,4%. Het aantal oudere Grieken neemt toe; in 1971 was nog ruim 25% jonger dan 15 jaar, in 1990 nog maar 21%; het aandeel der 65-plussers steeg in dezelfde periode van 11% tot 13,5%.
2.2 Taal
De officiŽle taal is het Nieuw-Grieks
2.3 Religie
Van de bevolking behoort 98% tot de Grieks-Orthodoxe Kerk, die geen staatskerk is, maar vanwege haar historische betekenis een geprivilegieerde positie inneemt. Kleine godsdienstige minderheden vormen de islamieten, rooms-katholieken, protestanten, Armeense christenen en joden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet dateert van 1975. Belangrijke amendementen daarop werden in 1986 doorgevoerd. De wetgevende macht ligt bij het parlement (de 'Vouli'), dat uit ťťn kamer bestaat en waarvan de 300 leden eens in de vier jaar volgens een 'versterkt recht van evenredige verkiezing' gekozen worden. Het systeem begunstigt de sterkste parij om een voor regeren voldoende meerderheid te bereiken, wat echter een tweepartijensysteem in de hand werkt. Staatshoofd is de president, die door het parlement voor een periode van vijf jaar gekozen wordt en eenmaal herkiesbaar is. Zijn functie is grotendeels ceremonieel. Er bestaat algemeen kiesrecht voor alle Grieken vanaf 18 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Griekenland is ingedeeld in 10 provincies, onderverdeeld in 51 prefecturen. Groot-Athene heeft een aparte status, evenals Athos, dat een hoge graad van zelfbestuur kent.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Griekenland is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, van de NAVO, de EU, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Raad van Europa en de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT).
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de 'Nea Demokratia' (Nieuwe Democratie, ND), in 1974 opgericht door Konstantin Karamanlis, die als gematigd conservatief geldt en zich een verdergaande politieke, economische en sociale democratisering van het land ten doel stelt, en de 'Panhellinion Socialistiko Kinima' (Panhelleense Socialistische Beweging, PASOK), in 1974 opgericht door Andreas Papandreou, en die voortkomt uit de Panhelleense bevrijdingsbeweging (PAK) tegen de militaire dictatuur. De grootste vakbond is de 'Geniki Synomospondia Ergaton Ellados' (Algemene Griekse Bond van Arbeidscorporaties, GSEE), waarbij 82 federaties zijn aangesloten met ongeveer 700!000 leden. Kenmerkend is, dat de verschillende politieke richtingen in de GSEE zgn. 'fracties' vormen, als gevolg van de vele banden met de politieke partijen. Stakingen komen veelvuldig voor in Griekenland.

4. Economie
4.1 Inleiding

In Griekenland, vanouds een agrarisch land, hebben de industriŽle en dienstverlenende sectoren sinds 1965 sterk aan betekenis gewonnen. Het percentage van de beroepsbevolking dat werkzaam is in de landbouw, blijft ondanks een sterke daling (1965: 47%, 1993: 22%) zeer hoog ten opzichte van de rest van de EU-landen (1996: 7%). De grotere industrieŽn (vooral zware industrie) zijn vaak in overheidshanden. Kleinere bedrijven domineren de economie. Ondanks aanzienlijke inkomsten uit de koopvaardij, toerisme en de deviezen die in het buitenland werkende Grieken naar huis overmaken, bleef de betalingsbalans sterk negatief. De toenemende industrialisatie en investeringen in m.n. de exportindustrie hebben hieraan nog niets veranderd. De inflatie bedroeg in de periode van 1985 tot 1994 15,5% gemiddeld per jaar. In 1997 bedroeg deze ruim 6%.
4.2 Landbouw; veehouderij; bosbouw en visserij
Slechts 30% van de totale bodemoppervlakte is in cultuur gebracht. Een derde hiervan is geÔrrigeerd. Ca. 95% van de landbouwbedrijven bestaat uit familiebedrijfjes van minder dan 10 ha grootte. Grootgrondbezit komt niet meer voor. De urbanisatie heeft een vergrijzing van het platteland tot gevolg: tweederde van de agrariŽrs is ouder dan 45 jaar. De meeste landbouwproducten zijn bestemd voor de export. De belangrijkste zijn: tabak (MacedoniŽ, ThraciŽ en de vlakte van Argos), katoen (MacedoniŽ, ThessaliŽ en Midden-Griekenland), rozijnen en krenten (de zuidelijke Ionische Eilanden, de Peloponnesos en Kreta), citrusvruchten (de Peloponnesos, Kreta, Chios en de vlakten van Arta en van Argos). Olijven (Kreta, de Peloponnesos, de noordelijke Ionische Eilanden en Centraal-Griekenland) worden voor het overgrote deel verwerkt tot olijfolie. De productie van tarwe, rijst, katoen en katoenzaad nam tussen 1985 en 1997 nog steeds toe.
Verreweg het grootste gedeelte van de Griekse veestapel bestaat uit schapen (9, 6 miljoen) en geiten (5,8 miljoen). Ca. 10% van de schapen en geiten wordt nog door boeren gehouden die in transhumance leven (vnl. op de Peloponnesos en in Noord-Griekenland).
Bosbouw is nauwelijks van belang vanwege de slechte kwaliteit van de bossen door bosbranden, erosie en de roofbouw die in het verleden is gepleegd: ca. 90% van al het benodigde hout moet worden ingevoerd.
De werkgelegenheid in de visserij neemt geleidelijk af (1968: 16!450 actieve vissers; 1986: 14.000). Het meest verbreid is de kustvisserij. Van dalend belang is de sponzenvisserij: de opbrengsten wisselen sterk door o.m. de watervervuiling en jarenlange overbevissing en synthetische producten hebben voor een belangrijk deel het natuurproduct vervangen.
4.3 Mijnbouw
Aardolie en aardgas komen voor in het noordelijke deel van de EgeÔsche Zee en in Zuid-Kavala. Van de productie wordt de helft geŽxporteerd. Meer aardolievondsten worden in de nabije toekomst verwacht. In MacedoniŽ (bij PtolemaÔs en Amżntaion) wordt bruinkool gevonden dat in elektriciteitscentrales wordt gebruikt. De Griekse mijnbouw neemt in de EU aan betekenis toe vanwege het in de andere EU-landen niet voorkomende bauxiet, nikkel, magnesium en uranium (bij Parenisti). Langs de kusten en op enkele eilanden wordt zeezout gewonnen.
4.4 Energievoorziening
Griekenland kan voor bijna de helft in de eigen energiebehoefte voorzien met behulp van de bruinkool uit eigen bodem, waterkracht en alternatieve energiebronnen. Op het gebied van de actieve opwekking van zonne-, aardwarmte- en windenergie neemt Griekenland zelfs een leidende positie in.
4.5 Industrie
De meeste industrie is geconcentreerd rond Athene en ThessalonŪki. Het kleinbedrijf domineert: 85% van alle bedrijven heeft minder dan vijf werknemers. Samenhangend hiermee is het investeringsniveau laag; in de periode 1965-1987 werd gemiddeld per hoofd van de bevolking jaarlijks $ 5, 5 in de industrie geÔnvesteerd (het gemiddelde van de OESO-landen: $ 43). De voornaamste industrieproducten zijn: geconserveerde levensmiddelen, textiel, metaalproducten, huishoudelijke apparaten en schepen. Er zijn enkele grote fabrieken voor de productie van kunstmest, cement, staal en aluminium. Van de vier aardolieraffinaderijen zijn er twee in overheidshanden.
Veel aftrek bij toeristen vinden voortbrengselen van oude volkskunst, zoals grove tapijten, versierd met op- of ingeweven geometrische motieven, hoofddoeken, geborduurd linnengoed, aardewerk, houtsnijwerk, artikelen van leer en voorwerpen van goudsmeedkunst.
4.6 Handel
De handelsbalans vertoont een chronisch tekort en bedroeg in 1994 $ 8, 8 miljard (import $ 12 miljard, export $ 3,2 miljard). De schuld aan het buitenland bedroeg in 1995 $ 48 miljard. Naast de EU (m.n. Duitsland, ItaliŽ, Frankrijk en Nederland), goed voor 58% van de import en 55% van de export in 1994, neemt Amerika een prominente plaats in (vooral export). De Arabische landen blijven belangrijk vanwege de aardolie-import. Belangrijke importgoederen zijn machines, personen- en vrachtauto's, aardolie en luxeartikelen. Uitgevoerd worden vooral agrarische producten, grondstoffen, kleding, schoeisel en aardolieproducten. Het aandeel van de industrie in de export is gestegen tot 51% (1965: 13%).
4.7 Economische planning
Het belangrijkste element in de buitenlandse economische politiek in de jaren zeventig vormde de toenadering tot en integratie in de EG in 1981. Verregaande hervormingen, inherent aan de integratie in de gemeenschappelijke markt, werden in enkele jaren doorgevoerd. Tarieven, kwantitatieve controles en de landbouwpolitiek werden in overeenstemming gebracht met de regelingen die de andere lidstaten al eerder waren overeengekomen. De Griekse economie blijft echter een van de minst ontwikkelde binnen de EG. Ter bevordering van de ontwikkeling en diversificatie van m.n. de landbouw ontvangt Griekenland dan ook grote bedragen uit de regionale ontwikkelingsfondsen (tussen 1985 en 1991 $ 2,5 miljard in het kader van een GeÔntegreerd Plan voor het Middellandse-Zeegebied). Betalingsbalanshulp is echter gebonden aan strikte economische condities. In het binnenland wordt de nadruk gelegd op de ontwikkeling van de middelgrote steden (o.a. Patras, Volos en in het noorden Xanthi, Kavalla en Alexandroupolis). Hiermee wordt o.a. beoogd de verdere groei van Athene te beperken. In dit kader past ook het verbod nog meer industrieŽn te vestigen in het bekken van Attica. Bij de industriŽle ontwikkeling wordt nadruk gelegd op de productie van halffabrikaten.
4.8 Bankwezen
Centrale bank is de in 1928 opgerichte Bank van Griekenland. Daarnaast zijn er handelsbanken en een groeiend aantal vestigingen van buitenlandse bankinstellingen.
4.9 Verkeer en toerisme
Het bergachtige landschap bemoeilijkt de verbetering van de infrastructuur. Het spoorwegnet (lengte in 1995: 2479 km) is slechts gedeeltelijk geŽlektrificeerd. Het wegennet (lengte in 1988: 155!717 km) is voor ca. 80% geasfalteerd. De scheepvaart levert een aanzienlijk deel van alle deviezen op. Piraeus is de belangrijkste haven, gevolgd door Volos (ferry-verbindingen met Syrische havensteden) en Patras. Door de isthmus van Korinthe loopt een 61 km lang en slechts 8 m diep kanaal (geopend 1893). Athene heeft twee internationale luchthavens (Ellinikon East- en West-Terminal; een nieuwe luchthaven ten oosten van Athene is in voorbereiding) en is tevens centrum voor het nationale luchtverkeer. Van toeristisch belang zijn verder de vliegvelden op Kreta (Chania en Iraklion), Rhodos en Korfoe. Olympic Airways onderhoudt naast het binnenlandse luchtverkeer verbindingen met de belangrijkste steden in Europa, het Midden-Oosten en de Verenigde Staten.
Griekenland is vanouds een belangrijk vakantieland. De inkomsten uit het toerisme bedroegen in 1994 bijna 80% van de totale exportverdiensten. In totaal bezochten in 1994 11 miljoen toeristen Griekenland (in 1955: 33.000). Het zonnige klimaat, de natuurlijke schoonheid van het land (waaronder de honderden eilanden) en de overblijfselen van de oude Griekse cultuur zijn de belangrijkste trekpleisters.

5. Geschiedenis
5.1 De Byzantijnse periode (330-1204)
Hoewel de Griekse taal en cultuur aan de Byzantijnse beschaving een vitale basis verschaften, was Griekenland administratief gezien in het Byzantijnse Rijk slechts ťťn provincie onder vele en speelde het evenmin als in de Romeinse keizertijd nog een zelfstandige politieke rol. In het raam van de buitenlandse politiek van het rijk was vooral de Donaugrens voor Griekenland belangrijk, zoals reeds uit de Visigotische bezetting van het land kort vůůr 400 was gebleken. Daar vandaan immers richtten in de 6de/7de eeuw Slavische invallers in MacedoniŽ, ThessaliŽ en Epirus grote verwoestingen aan, eer zij zich op het land vestigden en in de 8ste eeuw de door pest en emigratie ontvolkte Peloponnesos koloniseerden. Militaire tochten van de Byzantijnse keizers en voortschrijdende kerstening bewerkten echter dat in de 10de eeuw de Griekse Sclaviniae grotendeels door het rijk waren geassimileerd. Anderzijds werd het Bulgaarse rijk bezuiden de Donau in de 9de eeuw wel een Byzantijnse cultuurprovincie, maar het lijfde in de 10de eeuw en opnieuw ca. 1200 MacedoniŽ in, waar de Bulgaars-Slavische indringers niet in de Griekse wereld opgingen. In de 10de-12de eeuw voegden zich daarenboven in ThessaliŽ, AcarnaniŽ en AetoliŽ de Walachen als derde vreemdstammig element in Griekenland in. Tot de 12de eeuw kenden de Grieks gebleven kuststeden niettemin een gezonde economische toestand dankzij de zijde-industrie en door het vrachtvervoer in de oostelijke Middellandse Zee en de Zwarte Zee, dat echter in de 9de-10de eeuw fel door de Saraceense zeeroverij vanuit Kreta gehinderd werd. Zware belastingen alsmede feodale misstanden in het land zelf brachten Griekenland ca. 1200 op de rand van algehele uitputting, temeer daar VenetiŽ, in ruil voor zijn hulp tegen de NormandiŽrs van Zuid-ItaliŽ (in de 11de-12de eeuw in Griekenland binnengedrongen van DŁrres tot Korinthe toe), van Constantinopel het handelsmonopolie in de EgeÔsche Zee en de Zwarte Zee afdwong.
5.2 De Latijnse periode en de Turkse opmars (1204-ca. 1460)
Ten gevolge van de Vierde Kruistocht die in 1204 het Byzantijnse Rijk neersloeg, viel Griekenland op feodale basis territoriaal uiteen. Het Latijnse keizerrijk Romania (1204-1261); aan weerszijden van de Propontis, werd in 1261 heroverd door het Griekse keizerrijk Nicea-Byzantium (1204-1453), dat reeds in 1246 op het despotaat Epirus (1204-1336) van de Angeli-Comnenen (1204-1318) het koninkrijk SalonŪki (1204-1223, in 1204 toegewezen aan Bonifatius van Montferrat) had teruggewonnen, met uitzondering evenwel van het Thessalische hertogdom Neopatras (1246-1318). Onder de Palaeologen van Constantinopel werd (in 1262) de Peloponnesos opnieuw bezet, in 1318 ThessaliŽ, in 1336 het westelijke Epirus dat in 1318 aan het Italiaanse Huis Orsini was toegevallen, maar in 1349 opnieuw voor Byzantium verloren ging, ditmaal aan ServiŽ. De Turken staken naar Europa over vanaf 1354, braken de Bulgaarse (1371) en Servische macht (1389) en bezetten in 1393 ThessaliŽ, zodat het Byzantijnse Rijk ca. 1400 buiten zijn hoofdstad Constantinopel nog slechts het gebied van SalonŪki en de Peloponnesos bezat. Het hertogdom Athene (1205-1460) van de BourgondiŽr Othon de la Roche (1205) werd in 1311 door Catalaanse huurlingen veroverd; in 1388 kwam de Florentijnse bankiersfamilie Acciaiuoli er aan de macht, tot aan de Turkse verovering, 1456-1460. Het Peloponnesische prinsdom Achaia-Moreia (1205-1432) van Geoffroy de Villehardouin (1205) kwam in 1278 in handen van de Anjous van Napels, in 1383 viel het aan Navarra toe, om in 1432 door Byzantium te worden bezet; het moest echter in 1461 aan de Turken worden prijsgegeven, die van toen af Griekenland vrijwel volledig beheersten.
Wat de Griekse eilanden betreft, een graafschap Cephalonia (1194-1482) kwam tot stand in de Ionische Zee onder de macht van de Orsini die van 1318 tot 1336 zich ook in West-Epirus vastzetten; Cephalonia zelf kwam in 1324 aan de Anjous van Achaia, in 1357 aan het Beneventijnse Huis Tocco, in 1479 aan de Turken, die er echter in 1482 door VenetiŽ werden verjaagd. In de EgeÔsche Zee werden de Cycladen (Dodekanesos) als hertogdom Archipelagus (1207-1566) van 1207 tot 1383 door de Venetiaanse familie Sanudo beheerst onder achtereenvolgens Byzantijnse, AchaÔsche en Napolitaanse suzereiniteit; in 1383 aan het Lombardische Huis Crispo toegevallen, stond het tot aan de Turkse verovering van 1566-1579 onder Venetiaanse controle. Sedert 1204 beheerste VenetiŽ trouwens door handelsnederzettingen en inplanting van Venetiaanse heersersfamilies de zeeroutes van de Griekse kusten en de EgeÔsche eilanden (vooral Peloponnesische kust, Kreta, Euboea; 1204-1797). Sinds 1261 moest het vooral aan de mededinging van Genua het hoofd bieden, dat op zijn beurt insulaire steunpunten (o.a. Thasos, Lemnos, Chios) met eigen prinselijke families bezette (1261-1566), tot het in 1566 van Chios uit door de Turken uit de EgeÔsche Zee werd verdreven. Rhodos ten slotte werd, na een eeuw bezetting door Italiaanse gelukzoekers, in 1309 ingenomen door de van Cyprus vertrokken johannieterridders (1309-1522), die het in 1522 aan de Turken verloren. De Frankisch-Italiaanse overheersing in Griekenland kreeg bijna nergens een sterke greep op volk, cultuur en orthodox christendom en liet er alleen haar feodale burchten na.
In 1361 hadden de Turken in ThraciŽ hun nieuwe hoofdstad Adrianopel gevestigd. Zij rukten verder op in zuidwestelijke richting, versloegen in 1371 en 1389 de ServiŽrs, Bulgaren, Walachen en Albanezen, bereikten de Donau in 1390 en veroverden eind 14de, begin 15de eeuw een voor een de Latijnse brokkelstaten van het Griekse vasteland: MacedoniŽ in 1380 (stad SalonŪki 1430), ThessaliŽ en Neopatras in 1393, Epirus in 1449, Athene van 1456 tot 1460, Peloponnesos in 1461. Na de val van de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel in 1453 kende Griekenland opnieuw, nu onder de Turken vanuit Sofia, een centralistisch staatsbestel. Het zou nog tot 1566 duren voor en aleer de eilanden in de EgeÔsche Zee veroverd waren (Kreta zelfs pas in 1669).
5.3 De Turkse overheersing
Het Turkse bewind strekte zich niet tot het gehele door Grieken bewoonde gebied uit. Kreta en andere eilanden behoorden korter of langer tot VenetiŽ, dat tijdelijk ook de Peloponnesos bezette (1699-1715). Er vonden verschillende opstanden plaats, meer nog gericht tegen de willekeur en afpersingsmethoden van individuele Turkse gouverneurs dan tegen de heerschappij van de sultan als zodanig, die de Grieken een grote mate van zelfstandigheid liet: met name de positie van de kerk werd niet aangetast. In sommige bergstreken kon het Turkse gezag nooit doordringen; zij werden beheerst door de 'kleften', half bandieten, half patriotten. De verzwakking van het Osmaanse Rijk schiep een essentiŽle voorwaarde voor het ontstaan van een nationale beweging, die tot ontwikkeling kwam in nauwe binding met de politiek van de onderling naijverige grote mogendheden inzake de 'Oosterse kwestie'.
5.4 De vrijheidsoorlog
De Franse Revolutie stimuleerde ook in Griekenland de opkomst van een nationaal besef; Grieken traden in dienst der Napoleontische legers. Belangrijk was de invloed van Capodistrias, die in dienst van tsaar Alexander I de zaak van de Grieken bepleitte. In 1814 werd in Odessa de HetairŪa, een nationaal geheim genootschap, heropgericht. Alexander onttrok zijn steun (politiek van de legitimistische Heilige Alliantie). In 1821 was op de Peloponnesos een opstand uitgebroken, het begin van de onafhankelijkheidsoorlog, die met wisselende krijgskans werd uitgevochten. De sultan vond in Mehemed Ali, de vrijwel onafhankelijke heerser van Egypte, een sterke bondgenoot. Engeland steunde de Grieken, die op den duur militaire hulp kregen van Rusland, Engeland en Frankrijk. Een gecombineerde vloot versloeg de Turkse in de Baai van Navarino (1827). Bij het verdrag van Adrianopel (1829) moest Turkije de onafhankelijkheid van Griekenland erkennen. Over de grenzen van de nieuwe staat werd men het eerst in 1832 eens. In maart 1833 verliet het Turkse garnizoen de Acropolis te Athene, dat - nauwelijks meer dan een dorp - de hoofdstad werd. Griekenland omvatte minder dan de helft van het huidige territorium; het gehele noorden en de meeste eilanden (o.a. Kreta) bleven onder Turks bewind.
5.5 Het onafhankelijke Griekenland
De nieuwe staat, van welks stichting de Filhellenen de wederopstanding van het oude Hellas hadden gehoopt, was economisch zwak en politiek verdeeld. Een Engelse, een Franse en een Russische 'partij' streden om de voorrang. De droom van een herstel van Byzantijns Griekenland (met inbegrip van Constantinopel en Klein-AziŽ) beheerste het beleid van de meeste van de snel wisselende regeringen. In 1827 was Capodistrias voor zeven jaar tot 'president' benoemd, maar hij werd in 1831 vermoord. Engeland gaf de voorkeur aan een Europese prins als koning, om een tegenwicht te vormen tegen Russische invloeden. Reeds in 1825 werd Leopold van Saksen-Coburg (de latere koning der Belgen) aangezocht, maar hij bedankte in 1830. In mei 1832 aanvaardde koning Lodewijk I van Beieren de Griekse kroon voor zijn 17-jarige zoon Otto, die in het daarop volgende jaar de Griekse bodem betrad.
Otto I (1833-1862) joeg een deel van de geestelijken en de aristocratie, die onder de Turken op regionaal niveau veel macht hadden bezeten, tegen zich in het harnas door zijn centralisatiemaatregelen. Een rebellie (1843) - doorgevoerd door de 'Russische Partij' - dwong hem om aan Griekenland een constitutie te beloven. Deze werd in 1844 door de volksvertegenwoordiging aangenomen en door de koning aanvaard; ministers werden Mavrokordato (Engelse partij), die aan hervormingen boven expansionistische avonturen de voorkeur gaf, en zijn rivaal Kolettis (Franse partij), die veroveringen primair stelde en de sympathie verkreeg van de koning en vooral van de energieke koningin Amalia. Tijdens de Krimoorlog leed Griekenland een echec; toen het opstanden in het nog Turkse Epirus en ThessaliŽ wilde steunen, bezette een Engels-Frans vlooteskader Athenes haven, Piraeus (1854-1857).
In okt. 1862 werd koning Otto door een opstand tot aftreden genoopt. De volksvertegenwoordiging bood onder invloed van Engeland de kroon aan aan de zwager van de prins van Wales, de Deense prins Willem van Denemarken. Hij werd koning onder de naam George I en aanvaardde de regering op 31 okt. 1863 en regeerde tot zijn gewelddadige dood in 1913. Engeland beloonde deze keuze door de Ionische Eilanden aan Griekenland af te staan (1864). In 1866 stonden de Kretenzers tegen de Turken op; zij ontvingen steun van Griekenland, dat de gelegenheid te baat trachtte te nemen om ook Epirus en ThessaliŽ te verwerven. De grote mogendheden verijdelden deze aspiraties in 1869. Eerst in 1881 werd een succes geboekt: in het kielzog van de bepalingen van het verdrag van Berlijn (1878) werden nu aan Griekenland het grootste deel van ThessaliŽ en een stukje van Zuid-Epirus toegewezen. In 1896 brak opnieuw een opstand op Kreta uit; Griekenland stuurde troepen naar MacedoniŽ, wat tot een Turkse oorlogsverklaring (1897) leidde. De Grieken werden verslagen en de grote mogendheden legden een regeling op: Turkije verkreeg in het noorden grenscorrecties, maar Kreta werd autonoom, met een zoon van de Griekse koning als gouverneur. Opstanden leidden ertoe dat deze in 1906 aftrad en dat de grote mogendheden over het lot van het eiland beschikten (1909). Deze vernedering veroorzaakte in Griekenland een nationale reactie, waardoor in 1910 Venizelos minister-president werd. De Balkanoorlogen brachten Griekenland een grote gebiedsuitbreiding: MacedoniŽ, een deel van Zuid-Epirus en een aantal EgeÔsche eilanden, waaronder Kreta.
Na de gewelddadige dood van George I (1913), onder wiens regering de bevolking van Griekenland was verdrievoudigd, de economie door betere communicatiemiddelen was gestimuleerd, maar de politieke corruptie niet blijvend was uitgeroeid, zag zijn zoon Constantijn I zich weldra geconfronteerd met de Eerste Wereldoorlog. Onmiddellijk openbaarde zich een diepe kloof tussen de koning en Venizelos. De laatste koos de zijde van de Entente, de koning, een zwager van keizer Wilhelm II, bepleitte neutraliteit. In 1915 stond Venizelos onder zeer verwarde omstandigheden (hij had de verkiezingen gewonnen, maar was door de koning ontslagen) de landing van Franse troepen te SalonŪki toe, waar hij in 1916 een tegenregering oprichtte. De Entente blokkeerde de kust van het aan Constantijn trouw gebleven midden en zuiden van het Griekse vasteland. In juni 1917 werd Constantijn tot aftreden gedwongen; hij abdiceerde ten gunste van zijn tweede zoon, Alexander; de Fransen bezetten Athene. Venizelos, die nu zijn gezag in het gehele land vestigde, verklaarde de oorlog aan de Centralen (juni 1917). Griekenland nam deel aan het offensief dat in de herfst van 1918 tot de capitulatie van Bulgarije en de ondertekening van een wapenstilstand door Turkije (30 okt. 1918) leidde.
Griekenland verwierf bij het verdrag van Neuilly (nov. 1919) westelijk ThraciŽ van Bulgarije. Het vredesverdrag van SŤvres (1920) met Turkije werd nooit geratificeerd; het bepaalde dat Griekenland Europees Turkije (zonder Constantinopel) en Smyrna in Klein-AziŽ zou verkrijgen. De Turkse revolutie, die Kemal Pasja aan de macht bracht, weigerde de Griekse eisen te honoreren. Binnenslands werd na de dood van koning Alexander (okt. 1920) Constantijn teruggeroepen, nadat Venizelos opzij geschoven was. Gebrek aan steun van de zijde van de geallieerden (alleen Lloyd George steunde de Grieken) droeg bij tot een verpletterende nederlaag: de Turken veroverden Smyrna (sept. 1922) en de droom van een Griekse expansie in Klein-AziŽ was vervlogen. De koning abdiceerde ten gunste van zijn zoon George II, die echter in 1923 werd afgezet. Bij de vrede van Lausanne (1923) werd tot een grootscheepse Grieks-Turkse bevolkingsruil besloten en moest Griekenland berusten in de annexatie van de Dodekanesos door ItaliŽ (in 1912 door dat land op Turkije veroverd); Adrianopel en Smyrna moesten aan Turkije worden teruggegeven.
In de jaren na 1923 absorbeerde Griekenland - met financiŽle hulp van de Volkenbond - een miljoen vluchtelingen. Politiek bleef het land ten prooi aan grote tegenstellingen. In 1924 werd het officieel een republiek. Admiraal Koundouriůtis werd president. Van januari tot augustus 1926 was er een kortstondige militaire dictatuur onder leiding van generaal PŠngulos. De verkiezingen van 1928 brachten Venizelos aan het bewind die tot 1932 de macht uitoefende. Hij streefde met succes naar verzoening met Turkije. Overigens werd de ene regering na de andere ten val gebracht, waarbij generaals een grote rol speelden, die evenwel niet eensgezind waren. Tegenover de republikein Plastiras stonden de royalist Metaxas en de tot royalist bekeerde Kondylis, die in een kabinet-Tsaldaris als de sterke mannen fungeerden. Bij plebisciet werd koning George II uit zijn ballingschap teruggeroepen (1935). Weldra wierp generaal Metaxas zich tot dictator op (gest. jan. 1941).
5.6 Tweede Wereldoorlog en burgeroorlog
Metaxas, die in sommige opzichten Mussolini en Hitler imiteerde en een politiek van sociale hervormingen en bewapening bedreef, streefde ernaar, ondanks de toegenomen economische afhankelijkheid van Duitsland als afnemer van de voornaamste handelsproducten (tabak en krenten), de goede relaties met Engeland te behouden. Bij het verdrag van SalonŪki (1938) wist hij Bulgarije voor een (nooit bijzonder hechte) samenwerking te winnen. De onuitgelokte aanval van ItaliŽ in okt. 1940 stuitte op zeer krachtige Griekse tegenstand. Generaal Papagos bezette zelfs een deel van AlbaniŽ. In april 1941 echter veroverden de Duitsers, die de Italianen te hulp kwamen, in enkele weken ook Griekenland. Kreta werd in mei door Duitse luchtlandingstroepen veroverd. Het grootste deel van het land kwam als bezettingszone aan ItaliŽ, een kleiner deel werd door Bulgarije geannexeerd; de Duitsers bezetten o.m. SalonŪki en Piraeus. De koning en de regering namen de wijk. Aanvankelijk bleef het bestuur in het bezette land intact. Generaal Tsolakoglou, die de wapenstilstand had gesloten, werd als minister-president aangewezen. In 1942 werd Logothetopoulos zijn opvolger, in 1943 Rallis - beiden stromannen van de Duitsers. Sinds de zomer van 1942 nam de verzetsbeweging een grote vlucht. De eerste nationale organisatie, de EAM (Nationale Bevrijdingsbeweging) werd in sept. 1941 door de Communistische Partij opgericht (in samenwerking met enkele kleine groeperingen, die geen invloed van betekenis hadden). In 1942 organiseerde de EAM het Nationale Volksbevrijdingsleger (ELAS). De belangrijkste concurrerende organisatie was de Nationale Republikeinse Griekse Liga (EDES), onder bevel van kolonel (later generaal) Zervas; zij werkte aanvankelijk nauw samen met de Britten, maar moest tegelijkertijd aanvallen van de ELAS afweren. In 1944 ging zij in Athene tegen de wil van Zervas met de bezetters collaboreren.
De positie van de geŽmigreerde koning en diens regering was dubieus geworden, daar zij elke greep op het land verloren hadden. Onderhandelingen in 1944 onder auspiciŽn van de geallieerden leidden in sept. tot de vorming van een 'regering van nationale eenheid' (minister-president Papandreou) en in dezelfde maand landden Britse troepen in Griekenland. Op 18 okt. installeerde zich de regering-Papandreou in Athene. Generaal Scobie, de Britse opperbevelhebber, beval de ontbinding van de guerrilla-eenheden, hetgeen door de EAM werd geweigerd. De communisten traden nu uit de regering (dec. 1944). De ELAS maakte zich meester van het grootste deel van het Griekse vasteland, doch werd nog voor het einde van het jaar door de Britse troepen bedwongen. Papandreou trad af, de koning verklaarde slechts te zullen terugkeren indien bij plebisciet het volk daarom vroeg, en de aartsbisschop van Athene, Damaskinos, werd tot regent uitgeroepen. Onderhandelingen met de ELAS leidden tot een staking van de strijd (jan.-febr. 1945). Weldra werden - in een verwarde politieke situatie - de communisten vanuit de bergen in het noorden opnieuw militair actief; zij werden door de communistische buurlanden gesteund. In maart 1946 werden verkiezingen gehouden (die door de EAM-volgelingen werden geboycot); een plebisciet (sept. 1946) leidde tot terugroeping van de koning. Bij de Vrede van Parijs (1946) verkreeg Griekenland de Dodekanesos, teruggave van de door Bulgarije geannexeerde gebieden en het recht op financiŽle schadeloosstelling door ItaliŽ. Belangrijker dan deze laatste was de proclamatie van de 'Truman-doctrine' (maart 1947), waarbij de Verenigde Staten grotendeels de rol van Engeland in de hulpverlening aan Griekenland (en Turkije) overnamen. Onder koning Paul I, die zijn in maart 1946 gestorven broer George II opvolgde, kwam in 1949 een einde aan de communistische opstand en daarmee aan de burgeroorlog die het land sinds 1945 (feitelijk al sinds 1942) had geteisterd. Het optreden van een coalitieregering onder leiding van Sophoulis (en vooral van vice-premier Diomedes) en de benoeming van Papagos tot opperbevelhebber (jan. 1949) waren belangrijke factoren; niet minder van invloed was de breuk tussen Tito en Stalin (1948), die leidde tot de sluiting van de Joegoslavisch-Griekse grens (juli 1949). Inmiddels was de leider van de communisten, Markos, op mysterieuze wijze van het toneel verdwenen.
5.7 De jaren vijftig en zestig
Na verschillende regeringswisselingen won, mede dankzij een nieuwe kieswet, Papagos (nu veldmaarschalk) met een nieuwe partij, de 'Griekse Concentratie', de verkiezingen van 1952. Hij en zijn minister van CoŲrdinatie, Markezinis (tot april 1954), voerden een politiek van stabilisatie. Papagos wist de betrekkingen van Griekenland, dat tot de NAVO was toegetreden (1952), met zijn buurlanden te verbeteren. In 1954 sloten Griekenland, Turkije en JoegoslaviŽ een bondgenootschap, dat door de ontwikkelingen op en rond Cyprus en de Joegoslavisch-Russische verzoening van 1955 overigens nauwelijks betekenis kreeg. De Cypriotische beweging voor enosis (aansluiting bij Griekenland) leidde in Griekenland zelf reeds in 1954 tot relletjes (Athene, SalonŪki) en Papagos legde de kwestie-Cyprus aan de Verenigde Naties voor. In 1955 begon, onder leiding van Grivas, het georganiseerde geweld op het eiland (zie Cyprus, ß geschiedenis), dat ook de betrekkingen tussen Turkije en Griekenland vergiftigde (geweldplegingen te Istanbul en Smyrna). Papagos stierf in okt. 1955; zijn opvolger werd Karamanlis, die Papagos' Griekse Concentratie verving door een nieuwe partij, de Nationale Radicale Unie (ERE). Karamanlis streefde in het Cyprus-conflict naar verzoening en bleef trouw aan de NAVO. In 1960 werd de Republiek Cyprus gesticht.
Meer dan de onbevredigende economische toestand waren het politieke omstandigheden die in 1963 aan het achtjarige bewind van Karamanlis een einde maakten. Moeilijkheden ten gevolge van de inmenging van de kroon (koning Paul en koningin Frederika) in de politiek, de groei van de door George Papandreou geleide Unie van het Centrum en de kwestie van de communistische gevangenen uit de jaren van de burgeroorlog verzwakten het gezag van de regering. Toen de koning een regeringsadvies om een staatsiebezoek aan Engeland uit te stellen in de wind sloeg, trad Karamanlis af (juni 1963). Algemene verkiezingen leverden zijn partij 128 zetels op, de Unie van het Centrum 140, de daarmee verbonden Progressieven (Markezinis) twee en de onder communistische leiding staande EDA 30. Papandreou vormde een minderheidsregering, doch trad af toen hij een stemming slechts bij de gratie van de communisten overleefde. Nieuwe verkiezingen leverden Papandreous Unie 174 zetels op. De dood van Paul I (1964) scheen de weg te banen voor een redelijke verhouding tussen kabinet en monarchie.
Koning Constantijn II geraakte evenwel met Papandreou in conflict nadat in mei 1965 een geheime organisatie van links georiŽnteerde legerofficieren, 'Aspida' (= Schild), was ontdekt, waaraan Papandreous zoon Andreas (die zelf in de regering zat) steun zou hebben gegeven. George Papandreou wilde op zijn beurt het leger zuiveren van 'anti-democratische en fascistische elementen'. De koning verzette zich en weigerde ontslag te verlenen aan een tegenstander van Papandreou in het kabinet, de minister van Defensie. In juli trad de regering af. Heftige demonstraties ten gunste van Papandreou vonden in Athene en andere steden plaats. De oude staatsman wilde het op een krachtproef laten aankomen in de vorm van verkiezingen. Met moeite slaagde de koning erin in het parlement meerderheden te vinden voor kabinetten waaraan overlopers van de Unie steun verleenden. De crisis van het parlementair-constitutionele regime werd hierdoor niet overwonnen en op 21 april 1967 maakte een groep officieren zich van de macht meester.
5.8 Militaire regimes (1967-1974)
De koning legde zich aarzelend bij de putsch neer en benoemde de politicus Kollias tot minister-president in een regering die door de officieren werd beheerst. Na een zwakke poging van Constantijn II het regime ten val te brengen (dec. 1967) en zijn vlucht naar ItaliŽ werd kolonel Papadopoulos minister-president, terwijl Zoitakis tot regent voor de afwezige koning werd benoemd. Papadopoulos wist in de loop van vier jaren o.a. de posten van Defensie en Buitenlandse Zaken aan zich te trekken, terwijl hij in 1972 regent werd. Op 1 juni 1973 riep hij de republiek uit.
Reeds op 25 nov. 1973 werden, na rellen in Athene en ThessalonŪki, Papadopoulos, vice-president Anghelis en premier Markezinis ten val gebracht door een groep hoge officieren onder leiding van brigadegeneraal Joannidis. Phaidon Gizikis, opperbevelhebber van het eerste leger, werd president, oud-minister van FinanciŽn Androutsopoulos premier. Het nieuwe regime stond uiterst zwak en werd geconfronteerd met een steeds zorglijker economische situatie. Het was echter de buitenlandse politiek waarop het regime strandde. De betrekkingen met Turkije leden sterk onder het feit dat Joannidis c.s. steun verleenden aan de terreurbeweging EOKA II, die de enosis in haar banier schreef. Op 15 juli 1974 pleegden Griekse officieren van de Cyprische nationale garde een staatsgreep tegen Makarios. N. Sampson, zeer gehaat bij de Turken, werd zijn opvolger, waarop Turkije als reactie op 20 juli een landing aan de noordkust van Cyprus uitvoerde, die het Griekse bewind machteloos moest aanzien. Een groot aantal officieren eiste nu dat de militairen plaats zouden maken voor een burgerregering.
5.9 Herstel van de burgerregering
Er werd besloten tot de terugroeping uit Parijs van oud-premier K. Karamanlis. In het door hem samengestelde 'kabinet van Nationale Eenheid' werd Centrumleider G. Mavros minister van Buitenlandse Zaken en E. Averof minister van Defensie. De grondwet van 1952, die de democratische vrijheden garandeerde, werd weer in werking gesteld, behalve de artikelen betreffende de staatsvorm, die aan een referendum zou worden onderworpen.
De onderhandelingen met Turkije over de toekomst van Cyprus liepen uit op een Turks ultimatum en op 14 aug. hervatten de Turken hun interventie en veroverden bijna 40% van het eiland. De regering-Karamanlis legde de zaak voor aan de Verenigde Naties en trok zich terug uit het militaire verband van de NAVO. Op 17 nov. werden parlementsverkiezingen gehouden. De door Karamanlis kort tevoren opgerichte partij, Nieuwe Democratie (ND), behaalde een grote overwinning: 56% van de stemmen, 220 van de 300 zetels. Het interim-kabinet-Karamanlis maakte nu plaats voor een derde kabinet-Karamanlis, dat voor het grootste deel uit ND-politici bestond. Mavros werd oppositieleider. Bij het referendum van 8 dec. over de staatsvorm sprak bijna 70% zich uit tegen terugkeer naar de monarchie. In juni 1975 werd een nieuwe grondwet aangenomen en diezelfde maand werd K. Tsatsos, kandidaat voor de ND-partij, tot nieuwe president gekozen.
In de loop van 1976 namen de spanningen tussen Griekenland en Turkije weer toe; naast het Cyprus-probleem ontstonden er ook ernstige meningsverschillen over de status van de EgeÔsche Zee, die tot dan toe als Griekse zee opgevat werd. Een en ander werd nog verscherpt omdat men op verschillende plaatsen aardolievoorraden vermoedde. In de zomer van 1976 kwam het tot een ernstig incident doordat een Turks onderzoekingsschip zich een aantal malen in de Griekse territoriale wateren bevond. Pas in maart 1978 kwam het tot een verbetering van de betrekkingen (aan het eind van de jaren tachtig zou een nog sterkere verbetering van de contacten optreden). Ook de terugkeer van Griekenland in de bevelsstructuur van de NAVO ging, mede omdat Turkije eveneens lid van het bondgenootschap is, met grote moeilijkheden gepaard.
5.10 De jaren tachtig en negentig
Intussen had Karamanlis bij de verkiezingen van 20 nov. 1977 weer de absolute meerderheid behaald hoewel hij enige verliezen moest incasseren. Tijdens zijn vierde regeringsperiode kon hij zijn politiek van aansluiting bij de Europese Gemeenschappen voltooien: de gesprekken over de toetreding van Griekenland tot de EG waren onder zijn regering in 1962 begonnen en leidden tot de feitelijke toetreding op 1 jan. 1981. Voorts volgde Karamanlis een actieve 'Oostpolitiek'. In 1980 werd hij tot president gekozen. In 1981 werd de in 1974 opgerichte Panhelleense Socialistische Partij (PASOK) van Andreas Papandreou de grootste partij. Papandreou werd minister-president en stelde hervormingen in het vooruitzicht, die echter maar deels werden gerealiseerd (bijv. het burgerlijk huwelijk, sociale verbeteringen). In 1985 werd de partijloze C. Sartzetakis tot president gekozen. In hetzelfde jaar verloor de PASOK bij parlementsverkiezingen haar absolute meerderheid, maar als grootste partij mocht zij doorregeren. Verkiezingen in 1989 brachten geen duidelijke winnaar en het land werd tot april 1990 door interim-kabinetten geleid. Daarna vormde K. Mitsotakis een ND-regering. De oude ex-president Karamanlis werd opnieuw tot staatshoofd gekozen. Vanaf het eind van 1990 kwam een steeds groeiende stroom Griekssprekende vluchtelingen uit AlbaniŽ op gang, die grote problemen veroorzaakte, zowel wat opvang betreft als in de relaties met AlbaniŽ. De erkenning door de EG van de ex-Joegoslavische republiek MacedoniŽ werd door Griekenland lange tijd tegengehouden, omdat het land bang was dat de nieuwe republiek aanspraken zou doen gelden op de Griekse provincie van die naam. In 1993 werd het ex-koning Constantijn toegestaan Griekenland weer te bezoeken als 'burger'. Eind 1993 won de PASOK onder leiding van Andreas Papandreou de verkiezingen. Papandreou, die ook al van 1981 tot 1989 premier was, werd de nieuwe premier. In maart 1995 trad president Karamanlis af. Hij werd opgevolgd door Kostas Stefanopoulos, een partijloze centrum-rechts politicus. In hetzelfde jaar werd Griekenland volledig lid van de West-Europese Unie.
De toch al slechte betrekkingen met Turkije naderden in jan. 1996 een dieptepunt toen Griekenland bijna in oorlog raakte met het buurland over het onbewoonde Griekse rotseilandje Imia. In dezelfde maand werd de ernstig zieke premier Papandreou, die in juni zou overlijden, vervangen door Konstantinos Simitis. Bij de vervroegde parlementsverkiezingen van sept. 1996 behield de PASOK haar meerderheid in het parlement.
In het slepende conflict met AlbaniŽ over de positie van de Griekse minderheid in dat land en de in Griekenland werkende Albanezen leek verbetering te komen door de ondertekening in maart 1996 van een vriendschapsverdrag.


Telefoongids Griekenland
Postcodes Griekenland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009